erfgoedobject

Koloniënpaleis met Hobégebinte en ijskelder

bouwkundig element
ID: 300117   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300117

Juridische gevolgen

Beschrijving

In de as van de Tervurenlaan werd in 1897 in het kader van de Wereldtentoonstelling een tentoonstellingsruimte gebouwd, het zogenaamde Koloniënpaleis; het werd gerealiseerd door architect Ernest Acker (1852-1912) naar een voorontwerp van de Franse architect Alfred-Philibert Aldrophe (1834-1895).

Historiek

Tijdens de Hollandse periode (1815-1830) verviel het voormalige hertogelijk domein van Tervuren aan kroonprins Willem-Frederik van Oranje die op de noordwestrand van de Warande een fraai, italianiserend jachtpaviljoen (1817-1823) liet optrekken naar ontwerp van hofarchitect Charles Van der Straeten (1771-1834). Hiertoe was de Warande uitgebreid met het westelijke deel van het Lokkaartsveld en werd de Leuvensesteenweg in noordelijke richting verlegd. Ten oosten van het kasteel werd een siertuin 'à l’italienne' aangelegd en de nog bewaarde 8 meter diepe ijskelder (circa 1817) gegraven.

In 1879 brandde het jachtpaviljoen dat op dat moment onderdak bood aan ‘keizerin’ Charlotte volledig uit en zou om ongekende redenen nooit worden hersteld.

Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel wilde Koning Leopold II de vrijstaat Congo verheerlijken; hiertoe werden in de Warande enkele Congolese dorpen gebouwd en bevolkt met Congolezen. Op de ruïnes van het in 1879 afgebrande paviljoen liet hij het Koloniënpaleis bouwen dat bedoeld was als tentoonstellingsruimte of Kongomuseum.

Het werd gerealiseerd door architect Ernest Acker (1852-1912) naar een voorontwerp van de Franse architect Alfred-Philibert Aldrophe (1834-1895) die inmiddels was overleden. Acker was professor en later ook directeur van de Brusselse Académie des Beaux-Arts waardoor zijn bouwactiviteiten relatief beperkt bleven. De hoofdgevel voor de Brusselse Wereldtentoonstelling van 1910 is dan ook zijn bekendste opdracht. Het concept voor het Koloniënpaleis voorzag een neoclassicistisch Louis XVI-paviljoen met twee haakse tentoonstellingshallen in glas en metaal, ondergronds verbonden door een met glasdallen afgedekte tunnel. Het 68 meter brede hoofdpaviljoen omvatte centraal een ruim bemeten restaurant met op de verdieping een suite voor de vorst terwijl in de flankerende hoekpaviljoenen respectievelijk het 'salon d’honneur' met hoofdingang en het 'salon des grandes cultures' met uitgang waren ondergebracht. De aanleunende hallen omvatten achtereenvolgens een etnografische zaal, een militaire afdeling, een kleine geologische afdeling, een diorama, een ondergrondse ichtyologische afdeling, een botanische serre, een zaal met meubels in Congolees hout en een zaal met import- en exportproducten.

Voor de inrichting en presentatie deed Leopold II op aanbeveling van Baron Edmond Van Eetvelde, Staatssecretaris van de Onafhankelijke Kongostaat, beroep op veelbelovende jonge kunstenaars zoals Paul Hankar, Gustave Serrurier, Henry van de Velde en Georges Hobé.

De ruwbouw werd uitgevoerd door de aannemers Fichefet uit Sint-Gillis die volgens de aanbesteding eveneens verantwoordelijk waren voor de aanleg van een square, watervoorziening en realisatie van een Franse tuin met een 100.000-tal planten.

Wegens geldgebrek was de binnenafwerking van het restaurant achterwege gelaten zodat men zich moest behelpen met een jutebekleding tegen wanden en plafonds. De bovenliggende koninklijke suite daarentegen werd volledig ingericht door de "Grands Magasins de la Bourse". Wegens het grote succes kreeg de tentoonstelling in het Koloniënpaleis sinds 1898 een permanent karakter als museum, doch weldra bleek de beschikbare ruimte ontoereikend zodat in 1902 beslist werd een nieuw Koloniaal Museum te bouwen, nu gekend als Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.

Na het overbrengen van de collecties naar het nieuwe museum raakten de tentoonstellingshallen steeds meer in verval terwijl de kunstzinnige aankleding en meubilering, onder meer ingevolge de legering van troepen in 1940-1945, langzaam maar zeker verdween. Slechts enkele stukken werden gerecupereerd en overgebracht naar de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.

Tot in 1958 bleef het middengedeelte in gebruik als restaurant, beter bekend als 'Laiterie du Parc'. In dezelfde periode worden de vervallen hallen gesloopt en vervangen door qua volume identieke, maar in baksteen opgetrokken vleugels waarin kantoren en laboratoria voor het museum werden ondergebracht.

Wanneer het Ministerie van Openbare Werken als eigenaar en in het kader van een volledige renovatie overweegt om het monumentale, decoratieve Hobégebinte in de 'zuidertoren' of rechter hoekpaviljoen te slopen wordt het bij spoedprocedure op 23.10.1981 als monument beschermd. Sindsdien werd het gedemonteerd en opgesteld in open lucht achter het Koloniënpaleis. Het is vervaardigd in art-nouveaustijl met gebruik van de tropische houtsoort opepe of bilinga (Nauclea diderrichii).

Op dit ogenblik zijn de zijvleugels van het Koloniënpaleis nog steeds in gebruik door het museum terwijl het middengedeelte wordt verhuurd voor feesten en recepties.

Beschrijving

Langsheen de Leuvensesteenweg markeren twee blokvormige portiershuisjes, afgewerkt met een cementbepleistering met schijnvoegen en een smeedijzeren hekken de oorspronkelijke toegang tot het Koloniënpaleis, strategisch ingeplant vlak tegenover de terminushalte van de uit dezelfde periode daterende tramlijn Brussel-Tervuren.

Met zijn dertien traveeën brede lijstgevel in contrasterende blauwe hardsteen uit Henegouwen en ivoorkleurige steen van Montourdon (provincie Luxemburg) vormt het door een trappenpartij voorafgegane, neoclassicistische Koloniënpaleis het eindpunt van de langgerekte zichtas van de Tervurenlaan. De symmetrische, evenwichtige opbouw van de tweelaagse voorgevel met hoekbelijnende, gegroefde pseudopilasters wordt bepaald door een sokkelvormende plint, kolossale Ionische zuilen en pilasters, een fors hoofdgestel met geprofileerde architraaf, een trigliefenfries en een geblokte kroonlijst, het geheel bekroond met een omlopende attiek met balusters. Het drie traveeën breed middenrisaliet met driehoekig fronton en de drie iets terugwijkende, paviljoenvormende hoektraveeën zorgen voor een hiërarchische opbouw en accentueerden de toegang tot respectievelijk het centraal ingeplante restaurant en de in- en uitgang van de tentoonstellingshallen.

De klassieke gevelopstand wordt verlevendigd door beglaasde vleugeldeuren met kleine houten roedeverdeling in een rondboogomlijsting met imposten, bladwerksluitsteen en loofwerk in de zwikken waarbij een met festoenen versierde borstwering de overgang vormt met de lagere verdieping, opengewerkt met rechthoekige vensters met kleinhoutverdeling in een licht vooruitspringende vlakke omlijsting met sluitsteen, oren en gegroefde neuten.

De iets terugwijkende hoekpaviljoenen met identieke voor- en zijgevel vormden de 'façade' van de achterliggende tentoonstellingshallen met in de bredere middentravee een rechthoekige vleugeldeur omlijst door pilasters, een druiplijst vormende kroonlijst op gegroefde consoles en een doorgetrokken fries met bladwerkmotieven en rozet. Het grote, bovenliggende 'industrieel' rondboogvenster met metalen roedeverdeling wordt omkaderd door een geprofileerde booglijst met imposten en bladwerksluitsteen met op de zwikken de initialen van Leopold II versierd met loofwerk en festoenen. De smallere en blinde zijtraveeën worden verlevendigd door beeldnissen met schelpmotief en door met festoenen omkranste ovaalronde medaillons. De nissen zijn echter nooit met beelden gevuld.

De sobere, wit geschilderde en bepleisterde achtergevel toont een drieledige opstand van rondbogige deurvensters, rechthoekige vensters en een bekronend mezzanino. Ter plaatse van de gesloopte tentoonstellingshallen bevinden zich twee eenvoudige kantoorvleugels uit de jaren 1950. Voor zover kon worden vastgesteld bleef de centrale restaurantzaal met door zuilen gestut cassetteplafond de meest karakteristieke ruimte. De driehoekige muurschilderingen aan beide uiteinden dateren uit de interbellumperiode en zijn gesigneerd door A. Daens en E.J. Patoux (1893-1985), schilder en architect en tevens directeur van de academie van Watermaal-Bosvoorde.

Het tentoonstellingsterrein met name de directe omgeving en de Franse tuinen werden verfraaid met een komfontein, acht siervazen, twee nog aanwezige herten en een aantal beelden die geleverd werden door Maurice Denonvilliers, artistiek directeur van de 'Comptoir des Fontes d’Art, de Bâtiments & de Fumisterie' te Parijs. Aangenomen wordt dat er een 20-tal beelden werden besteld waarvan er zeven na de tentoonstelling werden teruggehaald. De resterende dertien beelden die met uitzondering van de bronzen Virginius in gietijzer waren uitgevoerd vallen nog steeds in hun min of meer gehavende toestand te bewonderen: Virginius en Virginia, Elisa Bloch; Le Commerce, Boutellier; Marguerite à l’église, Lefebvre-Longchamps; Secret surpris, Bernard Steüer; Ménade, Valette; Salem, Loiseau-Rousseau; Après le Combat, Vicomte du Passage; Zéphir en Psyche, Ruxthiel; Amour, Bouchardon; Hébé, Debut; L’Agriculture, Boutellier; Ophélie, Falguière; Après le bain, Bailly.

Het meer dan levensgrote beeld van de Romeinse krijger Claudius Civilis van Lodewijk Van Geel (1787-1852) was reeds op terrein aanwezig en maakte oorspronkelijk deel uit van de 'entourage' van het verdwenen paviljoen van Prins Willem-Frederik.


Bron     : Onroerend Erfgoed Beschermingsdossier DB002184
Auteurs :  Paesmans, Greta
Datum  : 2003


Relaties

  • Is deel van
    Warande
    Duisburgsesteenweg, Kasteelstraat, Leuvensesteenweg, Molenberglaan, Rijkunstdreef, Spaans-Huisdre...

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Koloniënpaleis met Hobégebinte en ijskelder [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300117 (Geraadpleegd op 19-10-2019)