erfgoedobject

De Ieperlee, het kanaal Ieper-IJzer en de Martjesvaart

landschappelijk geheel
ID
300141
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300141

Juridische gevolgen

Beschrijving

Dit gebied wordt gevormd door een tweetal gekanaliseerde waterlopen, de Ieperlee en de Martjesvaart. De Ieperlee is tegenwoordig een kleine waterloop die niet overal in het landschap even duidelijk zichtbaar is. Toch kent het een lange geschiedenis die sterk samenhangt met de ontwikkeling van de stad Ieper. Bij Drie Grachten stroomt de Ieperlee in het Kanaal Ieper-IJzer (soms ook Ieperleekanaal genoemd), dat sinds lange tijd de scheepvaartfunctie van de Ieperlee overgenomen heeft en nu hier het meest opvallende landschapselement is. Bij Drie Grachten stroomt tevens de Martjesvaart in het kanaal. Deze vaart is een gekanaliseerde waterloop die tot het grondgebied Merkem behoorde. Bij het dorp Merken vormen het kasteel en park van de familie de Coninck de Merckem een belangrijk historisch en landschappelijk geheel.

Fysische geografie

Binnen dit gebied liggen de twee valleien van de Ieperlee en de Martjesvaart, buiten de valleien loopt het reliëf licht omhoog (hoogteverschil van circa 3m) en liggen niveo-eolische en niveo-fluviatiele afzettingen bestaande uit (vochtig) zandleem bovenop de onderliggende mariene afzettingen van de Ieper Groep. De valleien hadden zich gedurende de aanvang van het holoceen diep ingesneden in de onderliggende lagen. Door de stijging van het waterpeil tijdens het subboreaal kon in deze valleien een veenlaag groeien. Vanaf circa 300 na Christus nam de getijdeninvloed in de IJzervlakte opnieuw toe, waardoor zich in het noordelijk deel van het gebied(tot circa de Steenstraat) kreken vormden die sediment afzetten en de veenlaag bedekten. De kreken zelf vormen nu rugjes die door inversie hoger liggen dan de omringende kleiafzettingen (deze hoogteverschillen zijn binnen het gebied zeer gering). Er zijn indicaties dat Drie Grachten in de 10de eeuw nog onder invloed van de getijden stond. Via de IJzer stonden de Ieperlee en de Martjesvaart in verbinding met de Noordzee. De vorming van een nieuwe duinengordel, de opslibbing van de kustvlakte en allerlei waterbeheersende maatregelen (bedijking, afwatering en sluizen) zullen dit naderhand steeds meer afgezwakt hebben. In de 11de eeuw kan het evenwel nog (lichtjes) voelbaar geweest zijn.

De Ieperlee wordt gevoed door onder andere de Bollaertbeek en de Haringbeek, twee beekstelsels die hun oorsprong vinden in het West-Vlaamse heuvelland. Deze waterloop werd oorspronkelijk Ypere of Iper genoemd, waarlangs de eerste bewoning van Ieper zich vestigde. De waterloop werd binnen de groeiende nederzetting reeds in de 11de eeuw aangepast en werd vanaf dat moment Ieperlee genoemd naar het gekanaliseerde, geleide karakter. De werken aan de ‘Iepere’ buiten Ieper zullen zeer waarschijnlijk in de tweede kwart van de 12de eeuw gesitueerd zijn. De stad werd naar het noorden via de Ieperlee ontsloten naar de toen ook al gekanaliseerde IJzer.

De Martjesvaart wordt gevoed door waterlopen die ten oosten van het kanaal Ieper-IJzer liggen, onder andere de Sint-Jansbeek en de Hanebeek die hun oorsprong rond Zonnebeke en Passendale hebben. Alleen het noordelijk deel, ten noorden van de N369 is gekanaliseerd en bedijkt.

Buiten valleien van de Ieperlee en Martjesvaart en de daarlangs liggende broeken bevinden zich de zand- en zandleemgronden. Ten noorden van Steenstrate ligt het interfluvium van Poezel tussen deze twee waterlopen. Deze interfluvia worden hier toponymisch ook wel 'schote' genoemd: een vooruitspringend, langgerekt droog, hoger gelegen land. Noordschote en Zuidschote zijn op een dergelijke 'schote' gelegen. Oost- en Westpoeselstraat liggen op deze 'schote’, op het interfluvium tussen de Martjesvaart en het kanaal Ieper-IJzer. Deze twee wegen ontsluiten de 'Poesel', voor het eerst vermeld als Poveslo in 1127 (De Flou). De abdij van Mesen had in dit gebied belangrijke bezittingen, ze verwierven in de 13de eeuw verschillende gronden in 'Poesel'. Op de Sanderuskaart (1644) worden beide straten inclusief hun naam vermeld. In tegenstelling tot de natte broeken, waren en zijn deze gronden zeer geschikt voor akkerbouw.

De natuurwaarde van het gebied is voor een groot deel vertegenwoordigd in de broeken aansluitend op de IJzerbroeken in het noorden. Aangezien deze gebieden een constant landgebruik als grasland kennen, minstens sinds eind 18de eeuw, is het biologisch waardevol. Deze gronden staan nog jaarlijks (in herfst en winter) onder water en aangezien ze aansluiten bij de uitgestrekte IJzerbroeken, vormen ze een trekpleister voor diverse watervogels.

De Martjesvaart en het Kanaal Ieper-IJzer hebben hun eigen natuurwaarde. Lijnelementen als deze, bestaande uit water met aan weerszijden de oevers en beplantingen, vormen een corridor waarlangs dieren en planten kunnen migreren. Het kanaal Ieper-IJzer vormt over zijn lengte van 15km, een rol van betekenis in de verbinding van verschillende natuurgebieden, vooral voor de migratie van verschillende diersoorten. Het Kanaal Ieper-IJzer is ook één van de meest visrijke kanalen in West-Vlaanderen, er komen minstens twintig vissoorten in relatief hoge aantallen voor. In 2000-2001 werd een natuurinrichtinsplan opgesteld waarbij gestreefd werd naar verbetering van de natuurwaarde van (de omgeving van) het kanaal. Zo moest de landbouw geëxtensiveerd worden, struweel worden aangeplant, afsluitingen verplaatst, hakhoutbeheer hersteld en natuurvriendelijke oevers aangelegd. De brede dijk aan de westelijke zijde van het kanaal is voor sommige delen, vooral ten zuiden van het sas van Boezinge, uitermate reliëfrijk wat veelal een rijkere flora met zich meebrengt. Voor de Tweede Wereldoorlog lag er op enkele plaatsen nog bebouwing op deze dijk, vooral nabij Ieper en Boezinge, wat mogelijk mee voor het reliëf heeft gezorgd, ook de inzet van deze dijk tijdens de Eerste Wereldoorlog als verdedigingslinie kan voor reliëfverschillen hebben gezorgd. Ten noorden van het Sas van Boezinge werden deze dijken vermoedelijk afgevlakt en in gebruik genomen voor akkers ten nadele van het gebruik van de dijken als grasland. De meest biologisch waardevolle delen van de Martjesvaart liggen tussen Steenstraat en de Kleine Martjesbrug. Hier liggen smalle lage dijken met zachte oevers langs de vaart met daarop een waardevolle vegetatie bestaande uit sleedoorn- en meidoornstruwelen, vermengd met hondsroos, es, vlier, zomereik, wilg en zoete kers. De vegetatie trekt veel broedvogels aan en in het kanaaltje zelf komen diverse watervogels voor.

Cultuurhistorie

Historiek Ieperlee en aanleg Kanaal Ieper-IJzer

De Ieperlee speelde een cruciale rol in de economische ontwikkeling van de stad Ieper. Toen de stad vanaf de 11de eeuw een periode van bloei doormaakte, werd geïnvesteerd in het kanaal: aanleg, verbreding en verdieping. Wanneer er machtsconflicten waren, kende het kanaal periodes van verval. De vroege kanalisatie van de waterwegen tussen Ieper en de zee is op Vlaams niveau uniek en benadrukt het belang van Ieper in middeleeuws Vlaanderen.

Tot het moment van kanalisatie was het beekje enkel geschikt voor kleine bootjes. De lakenindustrie in Ieper groeide in de 10de eeuw snel als gevolg van de stimulerende rol die de Graaf van Vlaanderen speelde in de ontwikkeling van de kustvlakte. De wol voor het laken was afkomstig van de schapen op de schorren. De Vlaamse graven bouwden in de loop van de 11de eeuw residenties uit in het centrum van de stad. Reeds in 1127 zijn er havenactiviteiten in Ieper. De binnenvaartuigen konden de stad binnenvaren en hun handelswaren laden en lossen aan de kades. In de loop van de 12de eeuw groeide de stad verder uit en werd ze begunstigd met een stadskeure. Hierdoor kon de stad uitgroeien tot een grootstad met invloedrijke lakenindustrie. Deze industrie gaf een enorme impuls aan de groei van de stad. Vele patriciërs met macht en politieke invloed vestigden zich in Ieper.

Filips van den Elzas, graaf van Vlaanderen van 1168 tot 1191 staat erom bekend dat hij in de droogvallende kustvlakte tal van infrastructuurwerken liet uitvoeren om de handel te stimuleren. Stukken van de IJzer, van de Handzamevaart en de Lovaart werden toen gekanaliseerd. Ook de verbinding Ieper-IJzer zal daarbij ongetwijfeld aangepakt zijn. De ‘Iepere’ wordt zo ook buiten Ieper de Ieperlee. Vermoedelijk zullen dan ook al overdrachten aangelegd zijn, al kan dit ook later gebeurd zijn. Eerst zal vooral Diksmuide de functie van vooruitgeschoven havenpost vervullen, later nam de door de graven van Elzas in 1163 gestichte havenstad Nieuwpoort deze functie over. In deze periode werd alles in het werk gesteld om de verschillende West-Vlaamse steden via waterwegen met elkaar in verbinding te brengen. De Ieperlee vormde de belangrijkste transporttak naar Brugge en richting de zee. De benaming 'Ieperlee(t)' werd tijdens de late middeleeuwen voor het hele traject tot Brugge gebruikt.

Vanaf 1251 werden op vraag en met steun van de stad Ieper belangrijke kanalisatiewerken ondernomen om het waterpeil te verhogen en de seizoenschommelingen in de Ieperlee (en de IJzer) weg te werken. De bloeiende lakennijverheid vereiste een vlotte waterverbinding voor de aanvoer van -wol en uitvoer van laken naar Brugge en andere internationale handelssteden. Aangezien de Ieperlee een wispelturige waterloop bleef, werd parallel aan de Ieperlee een nieuw kanaal aangelegd. Het kanaal, ook wel ‘zilinc’ genoemd, werd in verschillende compartimenten opgedeeld. Het noordelijk deel, tussen Boezinge en de IJzer werd eerst aangelegd en werd bedijkt (1251). Het zuidelijke deel, tussen Boezinge en Ieper, was reeds gekanaliseerd en werd heraangelegd (1311). Een belangrijk kenmerk van het kanaal was het groot verval (ligging op de overgang van de West-Vlaamse Heuvels en het polderland) en een sterk wisselend verval. Stuwen met draai- of hefdeuren waren in een dergelijk kanaal minder geschikt. Om de hoogteverschillen tussen de compartimenten te overbruggen werden daarom vier ‘overdrachten’ aangelegd waarover de boten met behulp van windassen langs een hellend vlak opgetrokken of neergelaten werden. In het noorden van de stad Ieper werd een havenkom ingericht met bijhorende laad- en losplaatsen. Aansluitend op de stedelijke omgeving en parallel aan het kanaaltracé werden blekerijmeersen ingepast.

Vanaf de 14de eeuw raakte de Ieperse lakennijverheid in achteruitgang, als gevolg van de concurrentie van Engels laken en van productiecentra buiten Ieper, gelijktijdig met de demografische en economische crisis in West-Europa. Het onderhoud van de waterlopen leed hier uiteraard ook onder en het kanaal boette aan belang in. Toch bleef er sprake van trafiek en van zoeken naar tijdelijke, korte-termijn-oplossingen. Op de kaart van Sanderus (1641) staat de gekanaliseerde Ieperlee afgebeeld; aan de bovenloop bij Ieper werd het 'Den Nieuwen Vaart' genoemd, dichter bij de IJzer heette het ‘Ieper flu’ (van het Latijnse woord ‘flumen’ voor rivier of waterloop). Bij dit laatste deel is mooi te zien hoe het traject overeenkomt met de huidige Ieperlee, met twee scherpe bochten.

De eerste helft van de 17de eeuw bracht een economische revival in Vlaanderen, die allerlei nieuwe ontwikkelingen in gang zette. Tegenaan het midden van de 17de eeuw, tussen 1637 en 1642, werd onder andere het Kanaal Ieper-IJzer gegraven. Het nieuwe kanaal werd deels aangelegd tussen de 'oorspronkelijke' Ieperlee en de 'zilinc', delen van het oude kanaal werden gedempt. Toch zijn nog enkele sporen van het oudere kanaal bewaard. In een akker ter hoogte van de sluis van Boezinge dorp, aan de rechterzijde van het Kanaal Ieper-IJzer, ligt een gracht die op de Vandermaelenkaart wordt aangeduid als ‘ancien canal’. Waarschijnlijk is dit een restant van de middeleeuwse 'zilinc'. In hoeverre de grachten direct naast het huidige kanaal restanten zijn van het oudere kanaal is moeilijk definitief vast te stellen. Door de breedte van het nieuwe kanaal, als beide dicht tegen elkaar aanlagen, is waarschijnlijk veel van de 'zilinc' opgeruimd. Ten noorden van Steenstrate werd het 17de-eeuwse Kanaal Ieper-IJzer in een rechte lijn getrokken waardoor het kanaal tot Drie Grachten een stuk verder ten oosten van het oude kanaal (de huidige Ieperlee) kwam te liggen. Het Kanaal Ieper-IJzer ten zuiden van het Sas van Boezinge is op de kabinetskaart de Ferraris (1771-1777) afgebeeld als een stuk breder en rechter dan het noordelijke deel, waar het hier en daar een flauwe bocht maakte. In plaats van de vier kleine ‘overdrachten’, werd door ingenieur Bartelomeus de Buck in 1643 één grote schutssluis aangelegd bij Fort-St.Niklaas te Boezinge: het Sas van Boezinge. Dit sas was voor deze periode een indrukwekkend bouwwerk en zorgde ervoor dat een hoogteverschil van 6,72m kon worden overbrugd. Aan weerzijden van het sas was een waterreservoir voorzien waar het water van de versluizing kon worden opgevangen om watergebrek in de zomer te voorkomen. Ook grotere schepen (tot 50 ton) konden versluisd worden en via het gemiddeld 30m brede kanaal tot Ieper varen. Het kanaal werd niet alleen gebruikt voor het vervoer van goederen. Zeker vanaf de 16de eeuw werden ook personen vervoerd via het water. Vooral op marktdagen werden trekschepen ingezet om personen en vracht naar de markten te brengen. Begin 17de eeuw nam het personenverkeer verder toe, wat leidde tot het gebruik van een nieuw soort trekschuit en het ontstaan van vaste tijdschema’s en verbeterde kanalen.

Tijdens de relatieve vrede van het Oostenrijkse bewind vanaf 1713, kende het kanaal een economische opleving. Tijdens de Franse Revolutie en de nasleep ervan vielen het onderhoud en de werken aan de waterlopen stil. De waterlopen in de Westhoek speelden nauwelijks een rol in de voorbereidingen van Napoleon voor zijn invasie in Engeland. Vanaf 1815 behoorde het gebied toe aan het Koninkrijk der Nederlanden. In heel de Westhoek werden de vaarwegen vernieuwd en Nieuwpoort werd uitgebouwd tot nieuw militair knooppunt. In deze periode werd het Kanaal Ieper-IJzer uitgediept en er werd een verbreding van het bovenpand voorzien. De werken hadden plaats tussen 1827-1829. Waarschijnlijk kregen de dijken langs het kanaal in deze periode hun huidige profiel. Vooral langs de westzijde van het kanaal ligt een opvallend hoge dijk, tot 3,5m hoger dan de omringende grond. Ook tijdens de 19de eeuw werd het kanaal nog intensief gebruikt voor de scheepvaart. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw was er reeds een dalende trend te merken in het binnenlandse scheepvaartverkeer. Het kanaal bleef wel in gebruik. Vòòr de Eerst Wereldoorlog was de diepte en breedte van het kanaal als volgt. Het Sas van Boezinge deelde het kanaal op in de beneden- en bovenvaart. De bovenvaart liep van Ieper tot het Sas en was 2,25m diep en 36 tot 54m breed aan de oppervlakte, 10 tot 25m op de bodem. De benedenvaart liep van het Sas tot aan de IJzer en was 1,7m diep met een bodembreedte van 6m. Dit was een geringe diepte. Schepen van 300 ton konden daardoor niet in Ieper aanmeren.

Langs het 15km lange kanaal waren in het verleden slechts enkele wegverbindingen mogelijk tussen de westelijke en oostelijke zijde. De Steenstraat, die de Ieperlee en de Martjesvaart kruist, is van oorsprong een Romeinse weg. Deze weg hield toen al rekening met de topografie en bodemgesteldheid want ze volgt de hogere zandige gronden ten zuiden van de IJzerbroeken en kruist de beken waar de valleien smal zijn. Op de Sanderuskaart van 1641 staan twee bruggen afgebeeld over de Ieperlee, één bij Steenstraat, en één bij Boezinge dorp (en buiten dit gebied bij de stad Ieper en aan de IJzer). In de periode die hierop volgde, zou deze situatie weinig veranderen. In de loop van de tijd werd vervoer van goederen meer en meer over land georganiseerd. Wegen werden uitgebouwd en bruggen uitgerust met draaibruggen zoals de Driegrachtenbrug, de Steenstratebrug en de brug bij Boezinge. In 1828 werd de weg bij Steenstrate verhard. Tussen 1873 en 1955 was er een spoorlijn tussen Armentières en Oostende die via een spoorbrug ten zuiden van het dorp Boezinge het kanaal kruiste, tevens uitgerust met een draaibrug. Voor lokaal verkeer waren de voetveren belangrijk: bij Brouwerietje te Noordschote (Brauwerieken), nabij het Withuys te Zuidschote en bij de Drie Grachten. Eind 19de eeuw werd het veer bij de Drie Grachten vervangen door een brug. Eind 20ste eeuw werd ten noorden van Ieper de N38 aangelegd met een brug over het Kanaal Ieper-IJzer. De veerponten waren vaak gekoppeld aan herbergen die schippers en andere rondtrekkende mensen konden voorzien van eten, drinken en een slaapplaats.

Oorspronkelijk werd het kanaal vooral gebruikt voor het vervoer van goederen van en naar Ieper. Voor dit doel waren de kanalisatie- en verbeteringswerken voornamelijk bedoeld. Maar een dergelijke verkeersader trok ook andere handel en bedrijvigheid aan. Op strategische plekken, bijvoorbeeld daar waar een belangrijke weg het kanaal kruiste, werden laad- en loskades ingericht met kademuren, kasseiverhardingen en aanmeerpalen. Zo was er bij Drie Grachten een kade die als overslagplaats fungeerde voor de dorpen Noordschote en Merkem. Omstreeks 1932 werd hier een nieuwe laad- en loskaai aangelegd die tot in de jaren 1970 gebruikt werd. Op verschillende plekken langs het kanaal ontstonden, vooral in de loop van de 19de eeuw, bedrijven die voor de aan- en afvoer van grondstoffen en goederen gebruik maakten van deze waterweg. Op drie punten langs het traject waren bedrijvigheidsclusters uitgebouwd: Drie Grachten, Steenstraat en Boezinge dorp. Op deze plekken lag een kade, en werden molens, kalkovens en herbergen langs het kanaal opgericht.

De Ieperlee zelf, gelegen aan de westelijke oever van het kanaal, had eind 19de eeuw nog een water(af)voerende functie en zag eruit als een brede gracht. In functie van waterproblemen werd in 1884 een rapport opgesteld met betrekking tot de beek. Op dat moment was de breedte van de waterloop bij Ieper circa 2m en noordelijker 1,5m en werd het onderhoud slechter. Door gebrekkig onderhoud kon de beek bij hevige regens de afvoer niet verwerken en stonden weilanden en landerijen blank.

Het kanaal als strategische linie

Op verschillende momenten in de tijd werd het kanaal (samen met de IJzer) gebruikt als 'natuurlijke' strategische linie tegen vijandelijke troepen. De ligging van de Ieperlee en het kanaal Ieper-IJzer in de grensstreek bij de Spaans-Franse conflicten zorgde er op het einde van de 16de eeuw (1583-1597) voor dat de waterweg ook als verdedigingslinie werd gebruikt bij de krijgshandelingen. Het kanaal (zilick) werd dan ook voorzien van enkele forten op de westzijde. Naast het welbekende fort De Knocke zijn dat de forten Ter Hagen, Drie Grachten, bij de Hogebrugge, ’t Wit Huiseke, Ter Craye, Steenstrate (Steenstratebrugge?) en het Sint-Niklaasfort, ter hoogte van het latere Sas van Boezinge. Over de vorm van deze forten is weinig geweten. Waarschijnlijk waren ze vierkant, mogelijk met aarden wal en houten palissade, mogelijk met hoekbastions. Na het beleg van Oostende in 1601 verloren ze hun functie, rond 1604 werden ze genivelleerd. Opvallend is dat op een kaart van 1705 nog één fort staat weergegeven, Witte F., gelegen tussen Drie Grachten en Steenstraat.

Frans-Spaanse Oorlogen

Tijdens de 17de eeuw braken verschillende opeenvolgende militaire conflicten tussen Frankrijk en de Spaanse Zuidelijke Nederlanden uit. Door de veroveringstochten heen en weer wisselden Ieper en omgeving meermaals van ‘bezetter’. Ieper werd in het laatste kwart van de 17de eeuw een Franse grensstad (1678-1697). Er werd een antipenetratiestelling aangelegd die bestond uit verschillende versterkingen die plundertochten vanuit Oostende van de Staatse troepen doorgang moesten verhinderen. Aan de versterkte vesting rond de stad Ieper liet Lodewijk IX een noord-zuid georiënteerde vestinggordel toevoegen. Hoofdingenieur Sébastien le Pestre de Vauban gebruikte daarvoor het kanaal Ieper-IJzer, die op dat moment ook echt de grens was. Tussen fort Knokke en de stad Ieper legde hij op de westelijke oever van het kanaal Ieper-IJzer een doorlopende linie aan, bestaande uit een aarden wal met v-vormige inkepingen in de westkant en met op geregelde afstand kleine aarden redoutes op deze dijk. Op de meest kwetsbare en cruciale punten, zoals bruggen, sassen, ..., werden hoornwerken of sperfortjes op de overzijde van het kanaal uitgewerkt. Dit was ook het geval met het Sas van Boezinge. Dit sas was immers van cruciaal belang voor de bevoorrading van de stad Ieper. De aanleg van deze versterking gebeurde in fasen; eerst werd een ravelijn met aarden hoornwerk aangelegd (1695) en vanaf 1699 werden de redoute en een flank van het hoornwerk versteend. De versterkte linie op de westelijke kanaaloever had tot doel om een inval vanuit de Zuidelijke Nederlanden op het Franse grensgebied tegen te houden. Het kanaal diende als walgracht, terwijl achter de aarden wal de verdediging werd georganiseerd. Nadat Ieper in 1697 (Verdrag van Rijswijk) definitief bij de Zuidelijke Nederlanden werd ingelijfd, verloor de verdedigingslinie langs het kanaal zijn functie. De hoornwerken en vestingen kostten teveel onderhoud en geld, zodat besloten werd de linies te slopen. Alleen het hoornwerk bij het Sas van Boezinge bleef grotendeels bewaard. Bij infrastructuurwerken aan het kanaal in 1987 werden ter hoogte van het Sas belangrijke muurresten van de 17de-eeuwse vestinggordel blootgelegd. Op de Kabinetskaart de Ferraris (1771-1778) lijkt de aarden wal tussen Ieper en Boezinge redelijk intact gebleven en worden ten noorden daarvan nog langs beperkte stukken wallen weergegeven (het is moeilijk na te gaan waar het restanten van de wal van Vauban betreft en waar niet). Ook in latere periodes werd het kanaal nog aangepast en werden de dijken verhoogd. Delen van de huidige dijk kunnen teruggaan op de 17de-eeuwse verdedigingslinie.

Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de mogelijkheid van het kanaal als strategische linie opnieuw benut. Het kanaal vormde tussen 1914 en 1917 de frontgrens tussen de Duitsers ten oosten en de geallieerden ten westen ervan. Het front volgde grotendeels het kanaal (7km) tot Steenstrate (1914-15), waar vervolgens de frontlinie naar het oosten afboog (Ieperboog). Na het Duitse offensief in april 1915 verliet het front de waterlinie pas ten zuiden van Boezinge. In het noorden bij Drie Grachten boog het naar het noordoosten af richting de Blankaart. De bewaarde delen van de aarden wal van Vauban en de dijken langs het kanaal deden tijdens de oorlog dienst als verdedigingslinie waarin loopgraven waren ingegraven, schuilplaatsen werden ingericht en waar de artillerie bovenop werd opgesteld. Aan de oostelijke zijde van het Ieperleekanaal in Boezinge legden Duitse troepen vόόr juli 1917 schachten en tunnels tot onder het kanaal aan. Ze vreesden dat de geallieerden het kanaal tot onder de Duitse linies hadden ondertunneld om die met mijnen op te blazen. Daarom bouwden ze op strategische plaatsen, bij het hoornwerk (Fortin Vauban) van Boezingesas I en bij Boezinge dorp, diepe verticale schachten en tunnels als verdediging tegen de veronderstelde vijandelijke tunnels. Hun aantal en locaties konden niet precies achterhaald worden, maar uit foto’s blijkt dat er minstens vier schachten of tunnels bestonden, genaamd Lina (bij Boezingesas I), Nora, Olga3 en een schachtingang tegenover Boezinge. Tijdens opgravingen bij de aanleg van een 'bypass' (2011) bij het Sas van Boezinge werd een spaarbekken aangeboord. Uit de vulling, waarin ook middeleeuws baksteen voorkwam, blijkt dat dit bassin gedurende de Eerste Wereldoorlog nog aanwezig was en benut werd, als schuilplaats en later als dumpplaats voor ongebruikte munitie. Van weerszijden kon men het kanaal moeilijk oversteken, maar zo nu en dan werden doorbraken geforceerd. Zo konden de Duitsers in april 1915 profiteren van de chaos na de gasaanval om ter hoogte van Steenstrate de westelijke zijde van het kanaal korte tijd bezetten. Na het grote geallieerde offensief bij Ieper in 1917 verplaatste het front zich meer naar het oosten en lag het Kanaal Ieper-IJzer geheel in geallieerd grondgebied.

Het landschap langs het kanaal is tijdens de Eerste Wereldoorlog mee bepalend geweest voor het karakter van deze oorlog. Ten noorden van Steenstrate is de vallei van de Ieperlee een stuk breder en sluit het landschap aan bij de broeken van de IJzer. Deze gronden waren sinds november 1914 onder water gezet. De vijandelijke troepen bevonden zich door deze watervlakte op grote afstand van elkaar waardoor grote offensieven en doorbraken onmogelijk waren. Dat betekent niet dat er niet gevochten werd, integendeel. De verschillende voorposten langs het IJzerfront, zoals Drie Grachten en het Withuis of Maison du Passeur bijvoorbeeld, waren gedurende heel de oorlog het toneel van heftige schermutselingen.

Drie Grachten was één van de noordelijkste plekken waar een doorgang mogelijk was in het onder water gelopen IJzerfront. De broeken rond de Ieperlee en de Martjesvaart stonden tevens onder water. Er was een voorpost ingericht die in eerste instantie in de Belgische sector Noordschote lag. Aan de noordoostzijde hadden de Duitsers in Luigem een versterkt ‘schiereiland’ uitgebouwd. Daartussen was enkel de steenweg Noordschote-Luigem, die op een verhoogde bedding lag, nog begaanbaar. Op 29 maart 1915 begonnen de Duitsers een klein offensief langs deze weg en na enkele dagen strijd slaagden zij erin Drie Grachten te veroveren en installeerden er een voorpost. Tot augustus 1917 bleef het in Duitse handen, maar tijdens de Derde Slag bij Ieper (juli-november 1917) namen de Fransen het weer in. Tijdens deze slag werd ook Luigem heroverd en zou het samen met Merkem tot de Belgische sector behoren. Na deze operatie diende het Kanaal Ieper-IJzer niet langer als frontlinie. Het kanaal kwam helemaal in geallieerde zone te liggen. Om het gemakkelijker te overbruggen legden de geallieerden op verschillende plaatsen pontonbruggen aan. Waar smalsporen de toevoer van materiaal over het kanaal moesten vergemakkelijken, werden inkepingen in de Vaubandijk gemaakt. Deze sporen zijn tot op vandaag nog zichtbaar.

Bij het Withuis (door de Fransen tot Maison du Passeur omgedoopt) zetten de Duitsers er in november 1914 voet aan wal op de westelijke oever van het kanaal Ieper-IJzer, terwijl de Fransen het even later heroverden. In maart 1915 nam het Belgische leger er de verdediging over en installeerden er een bruggenhoofd op de oostelijke kanaaloever, te midden de Duitse stellingen en omgeven door water. Een strook van 50 à 100m water scheidde de Belgische voorpost van de Duitse stellingen. Vanaf het Maison du Passeur versmalde het niemandsland.

Ten zuiden van Steenstrate is de beekvallei een stuk smaller en kon het water van bij de IJzer niet doordringen. Vanaf hier ontwikkelde het front zich over land en waren de loopgraven enkel door een smal stuk niemandsland van elkaar gescheiden. De Ieperboog kenmerkt zich doordat de loopgraven op korte afstand van elkaar lagen, soms slechts enkele tientallen meters ertussen. Hier waren veel meer gevechten en verschuivingen mogelijk, en vielen bijgevolg ook veel meer slachtoffers.

Steenstrate was een strategisch punt langs het Kanaal Ieper-IJzer, dat op de meeste plekken moeilijk door te steken was. Op deze plek probeerden de Duitsers door middel van een gasaanval de geallieerden terug te drijven tot ver achter het Kanaal Ieper-IJzer (Tweede slag om Ieper). Bij hoeve Stampkot hadden de Duitsers een steunpunt uitgebouwd van waaruit ze zicht hielden op de brug bij Steenstrate. Hun plan had succes want door de inzet van het chloorgas werd op 22 april 1915 een bres geslagen in de geallieerde linie en konden de Duitsers tot het gehucht Lizerne doordringen. Op 15 mei 1915 werden zij door de Fransen en Belgen weer verdreven naar de oostelijke oever van het kanaal. Na de tweede slag bij Ieper (april-mei 1915) was de Ieperboog gevoelig gekrompen en kwam het front een stuk dichter tegen de stad Ieper te liggen. Steenstrate was ook om een andere reden belangrijk: het vormde de locatie waar het Belgische front aansloot bij het internationale front in de Ieperboog.

Tussen Ieper en Boezinge ligt de Kanaalsite John McCrae waar zich vanaf april 1915 al een vooruitgeschoven geallieerde verbandpost bevond. Deze hulppost lag op de grens van de Franse en Britse sectoren en langs het kruispunt van de weg Ieper-Boezinge met de weg naar Brielen, één van de drukste transportroutes van en naar het Ieperse front. In 1917 bouwde men er betonnen schuilplaatsen in de vestingswal van Vauban. Op deze plek was de Canadees McCrae als arts aangesteld voor de verzorging van gewonden en schreef hij zijn beroemde gedicht ‘In Flanders Fields’, dat met de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog wordt geassocieerd en dat de klaproos als Commonwealth symbool voor de Eerste Wereldoorlog bekend maakte. Ernaast ligt Essex Farm Cemetery, een Britse militaire begraafplaats waar 1185 gesneuvelde soldaten begraven werden. Na de oorlog werden de schuilplaatsen gebruikt als noodwoningen. Nu is Essex Farm één van de weinige plekken waar je het oorlogslandschap langs het kanaal nog kunt beleven. Op deze plek lag ook een smalspoor over het kanaal. De sporen hiervan zijn in de vorm van een inkeping in de oever nog te traceren. Tussen deze plaats en Boezinge lagen nog drie andere van deze smalsporen waarvan de locatie aan de hand van de inkepingen terug te vinden zijn.

Ten noorden van Steenstrate ligt ten oosten van het kanaal, midden in het landbouwlandschap, de Gedenkkapel Gebroeders Van Raemdonck. Deze opvallende kapel is gebouwd uit betonblokken afkomstig van het Duitse steunpunt “Stampkot”, gecombineerd met natuursteen en baksteen. De kapel is opgetrokken ter ere van de broers Edward en Frans Van Raemdonck uit Temse die zich als oorlogsvrijwilligers hadden aangemeld. Volgens het verhaal kwam Frans na een aanval niet terug opdagen en zocht Edward hem daarna op in niemandsland. Achttien dagen later werden ze samen (en met de Waal Fiévez) dood terug gevonden en terplekke begraven (later werden ze bijgezet onder de IJzertoren). De broederliefde sprak zodanig tot de verbeelding dat ze symbool werden van de Vlaamse strijd aan de IJzer.

Wederopbouw en uitbouw van het kanaal na de Eerste Wereldoorlog

Door de vele gevechten die zich rond het kanaal afspeelden, werd het landschap er grotendeels vernietigd. Tot in de jaren 1930 lag het Kanaal Ieper-IJzer er in erbarmelijke toestand bij: kapotgeschoten sluizen in een leeggelopen kanaalbedding. De heraanleg werd pas in 1933 voltooid. Het heraangelegde kanaal kreeg een capaciteit tot 300 ton (1933). Er werden enkele kleine bochtafsnijdingen gerealiseerd, vooral tussen het Sas van Boezinge en Drie Grachten. De bocht die het Kanaal Ieper-IJzer voor de oorlog bij Drie Grachten maakte, werd rechtgetrokken waardoor het kanaal 50m naar het oosten verplaatst werd.

Het Sas van Boezinge werd volledig verwoest en rond 1930 vervangen door twee nieuwe schutssluizen, één bij het voormalig Sas van Boezinge (overbrugging 3,22m) en één bij Boezinge dorp (overbrugging 5m). Bij beide sluizen werd een sluiswachtershuis gebouwd in identieke vorm dat qua bouwstijl aansluit bij de regionale 19de-eeuwse bouwtrant. Bij het Sas van Boezinge zijn verschillende relicten van voor de Eerste Wereldoorlog bewaard. Het reservoir aan de oostelijke oever is in het reliëf nog zichtbaar. Van het hoornwerk zijn ook nog duidelijk de sporen zichtbaar op terrein. Ten oosten van het sas liggen aarden wallen van 2-3m hoog. Momenteel vormt de sluis bij Sas van Boezinge een esthetisch aangename plek door de combinatie van de sluis, het sluiswachterhuisje, het kanaal met daarlangs de bomenrij en de restanten van de vesting die het geheel een besloten karakter geven. Tussen het sluiswachtershuisje en het bos op de aarden wal, staat een Heilige Familiekapel, opgericht omstreeks 1925, opgebouwd uit gele bakstenen. Voor de oorlog stond er aan weerszijden een rij populieren langs het kanaal, die tijdens de oorlog natuurlijk volledig verdwenen. Nu is het kanaal opgedeeld in verschillende delen die elk hun eigen karakter kennen. In het noordelijk deel staat langs één kant een bomenrij (voornamelijk essen) langs de weg en heeft de andere kanaaloever een meer natuurlijk karakter. Tussen het Sas van Boezinge en Boezinge dorp liggen stroken bos, wat het een besloten karakter geeft. Ten zuiden van Boezinge dorp wordt het landschap stedelijker door de bedrijven aan de oostzijde met daarlangs een hoofdweg met hier en daar recente beplantingen. Langs de westzijde van het kanaal loopt hier een kleine weg met daarlangs een bomenrij (voornamelijk essen).

Na de oorlog, mede ook door veranderingen in het vervoer en technologische mogelijkheden, veranderden de verbindingen tussen de twee zijdes van het kanaal. Het veer bij het Withuis verdween, bij Brouwerietje bleef tot na de oorlog een voetveer functioneel waarvan nog een meerpaal en kaaimuur zichtbaar zijn. Een paar honderd meter ten noorden van Ieper was tevens een voetveer. In de loop van de 20ste eeuw waren alle voetveren evenwel verdwenen. De draaibruggen waren allemaal vernield en werden rond 1930 vervangen door vaste bruggen met een vrije hoogte van 4m. Hoewel na de oorlog het vervoer over land duidelijk veel belangrijker werd dan het vervoer over water, bleven er langs het kanaal toch voorzieningen aanwezig voor de overslag van goederen. De kade bij Drie grachten werd heraangelegd en ook nu liggen hier nog een kademuur, een brede strook kasseiverharding en verschillende aanmeerpalen. De locatie wordt nu meer gebruikt voor toeristische doeleinden. Ook bij Steenstrate en in Boezinge werd een laad- en loskade voorzien. Een aantal bedrijven werd (her)opgericht na de oorlog. In Boezinge waren twee maalderijen en een bedrijf aan de oostelijke oever gevestigd. Het maalderijcomplex met herenhuis in rode baksteen, werd in de jaren 1920 opgebouwd. Een andere maalderij werd sterk verbouwd. Er ligt tevens een herenhuis met achterliggend bouwbedrijf met het opschrift “Bouwstoffen” op de puilijst, naast de woning staat een eenvoudige kapel. Nabij Steenstraat ligt Stampkothoeve waar zeker vanaf eind 18de eeuw een windmolen stond, die omstreeks 1892 vervangen werd door een maalderij. Op de samenvloeiing van de Martjesvaart in het Kanaal Ieper-IJzer werd in 1935-36 een elektriciteitscentrale gebouwd. De ligging aan de waterwegen zorgde voor een vlotte aanvoer van kolen die via een kaaimuur aan het Kanaal Ieper-IJzer werden overgeslagen. De ligging aan de kanalen garandeerde bovendien het nodige water. Van het oorspronkelijke complex werden verschillende gebouwen afgebroken, waaronder een aantal woningen. De stroomverdelers en enkele andere gebouwen bleven bestaan.

De belangrijkste concentratie aan bedrijvigheid bevond zich natuurlijk bij de stad Ieper waar veel goederen via de kaai (Oost- en Westkaai) werden overgeslagen. Hier konden de boten aanmeren en stonden handelspanden die de goederen verder verdeelden of verwerkten. Tijdens de oorlog was de Kaai van Ieper zwaar beschadigd en herleid tot een modderpoel. In 1930 werd de eerste steen gelegd voor de nieuwe Kaai, met vermelding ‘Hooge Vaart – Gegraven in 1630-1640 – Vernield in 1914-1918 – Hersteld door Stad en Staat in 1930-1931’. In 1933 waren de werken voltooid, de kaaimuren waren niet alleen hersteld, maar ook opgehoogd, uitgelengd en voorzien van een borstwering. De waterdiepte in het kanaal was wel een probleem waarop men besloot in 1933 het kanaal te verdiepen zodat schepen tot 300ton van en naar Ieper konden varen. Juist ten zuiden van Steenstraat werd een bocht rechtgetrokken, de oude arm werd volgestort en vormt nu een verhoging. Aan de kades bij Ieper (kanaalkom) werden verschillende bedrijfsgebouwen opgetrokken. Zo waren er onder meer een houthandel, een petrochemisch bedrijf, verschillende groothandels in graan en meststoffen, een graandrogerij, een koffiebranderij, een kolenhandel en steenbakkerijen. Ook waren er verschillende herbergen voor de (handels)reizigers voorzien. Alle gebouwen dateren van de wederopbouwperiode. Aan de Kaai-West zijn nog verschillende gebouwen bewaard: herberg De Fontein, voormalig veevoederfabriek Lefere, voormalig graan- en meststoffenmagazijn van de firma Blootacker & Vermeersch. De gebouwen van de voormalige brandstoffenbedrijf Vannieuwenhuyse werden recent gesloopt. Aan de Kaai-Oost herinneren ook verschillende gebouwen aan economische activiteit: herberg Den Hoed, een woonhuis, graanmagazijn van de firma Vandeputte en het voormalig veevoederbedrijf Gebroeders Talpe. Tot in de jaren 1970 werden de kaaien gebruikt voor de overslag van goederen en meerden er nog boten aan. Oorspronkelijk beperkten de bedrijven zich voornamelijk tot het kanaalgedeelte dicht tegen de stad Ieper. In het laatste kwart van de 20ste eeuw en begin 21ste eeuw werd langs het 4km lange traject van Ieper tot Boezinge aan de oostoever van het kanaal een bedrijventerrein ingericht. Deze bedrijven zijn in de meeste gevallen niet gelinkt aan het kanaal, er zijn slechts op enkele plekken relicten van aanmeerplaatsen en dergelijke zichtbaar. Zo had de steenbakkerij Vanderghote, Dock&Cie, ook wel Briqueteries Yproises genoemd, een eigen betonnen laad- en loskade in het kanaal die bewaard is gebleven.

Het aantal herbergen langs het kanaal kende ook een grote achteruitgang na de oorlog. Bij Drie Grachten waren voor de oorlog twee herbergen en na de oorlog kwam er één terug. Deze herberg is in de typische wederopbouwarchitectuur gebouwd in de jaren 1930. De verschillende bruggen (Steenstrate, Drie Grachten) werden na de oorlog vervangen. De spoorweg ten zuiden van het dorp Boezinge werd na de oorlog hersteld en bleef in gebruik tot 1955. De brug werd als een vaste metalen constructie heropgebouwd. Het spoor verdween, maar de spoorwegbrug bleef bewaard en kan nog steeds gebruikt worden door voetgangers en fietsers.

Langs het kanaal zijn nog verschillende relicten met cultuurhistorische waarde die meestal dateren van de periode van na de oorlog. Zo worden op verschillende plaatsen sluisjes aangetroffen die zorgen voor de afwatering van de broeken in het kanaal. Enkele sluisjes in baksteen dateren (deels) van voor de oorlog, de betonnen exemplaren allemaal van na de oorlog. Het water uit de broeken zorgde er tevens voor dat de waterstand in het kanaal voldoende hoog bleef in drogere periodes. De sluisjes komen voor ten noorden van Boezingesas, ten zuiden daarvan zijn enkel overlopen aanwezig omdat de aanpalende grond hoger ligt en er geen risico is voor overstroming. Langs het gehele traject werden vanaf Ieper de afstanden gemarkeerd dmv. kilometerpalen. Nummers 2, 3, 14 en 15 (en mogelijk 1) zijn ronde arduinen palen die dateren van vóór de Eerste Wereldoorlog en ongeschonden bleven omdat ze buiten de frontlinie lagen. De overige palen werden in de jaren 1930 geplaatst en zijn vierkante betonnen palen. De kilometerpalen staan langs de trekweg, nummers 2 tot en met 7 staan aan de westelijke oever en de nummers 8 tot en met 15 staan op de oostelijke oever.

Het Kanaal Ieper-IJzer is het meest structurerende element en vanuit de omgeving valt dit kanaal op, mede door de begeleidende bomenrijen. Maar ook de Ieperlee zelf is nog vrijwel langs het hele traject zichtbaar, gelegen langs de westzijde van het kanaal, voor de Eerste Wereldoorlog herkenbaar aan een bomenrij. Van Ieper tot het Sas van Boezinge loopt de Ieperlee vlak langs het kanaal. Ten noorden van het sas wijkt de Ieperlee licht af naar het westen waar ze veelal op enkele honderden meters afstand van het kanaal loopt. Het is slechts een onopvallende brede gracht, maar door zijn rechtlijnigheid wordt het gekanaliseerde karakter benadrukt. Vanwege zijn vroege kanalisatie en belangrijke rol in de ontwikkeling van de stad Ieper is deze geringe waterloop toch van groot historisch belang. Slechts op één plaats is aan de oostzijde van het Kanaal Ieper-IJzer een relict van de gekanaliseerde Ieperlee zichtbaar. Juist ten zuidoosten van Boezinge ligt een gracht in een akker die een oude bocht van het kanaal is. Op de Vandermaelenkaart werd deze waterloop als “ancien canal” aangeduid. Dit is waarschijnlijk één van de laatste plekken waar het oude kanaal, of de 'zilinc' nog zichtbaar is. Het verloor bij de aanleg van het Kanaal Ieper-IJzer in de jaren 1630 zijn functie.

De economische betekenis van het Kanaal Ieper-IJzer neemt alleen nog maar af, maar de recreatieve waarde wordt daarentegen juist steeds verder uitgebouwd door de aanleg van fiets- en wandelpaden, het inrichten van hengelzones,... . Het vaarverkeer bestaat enkel uit pleziervaart. Bij de Drie Grachten werd recent een aanmeerplaats uitgebouwd voor de 'Isera', een naar milieu-educatie ingericht binnenvaartschip van de provincie West-Vlaanderen. Op het kanaal kan gevaren worden met kajaks met verbindingsmogelijkheden naar de IJzer.

De Martjesvaart en Merkem

In het noorden van het gebied, bij Drie Grachten, stroomt behalve de Ieperlee ook de Martjesvaart in het Kanaal Ieper-IJzer. De Martjesvaart werd in 1510 reeds vermeld als 'Maertje'. Oorspronkelijk gebruikte men de naam 'Marc' wat ‘grens’ betekende. De plaatsnaam van het nabijgelegen Merkem (Marcheim 869) is een samenvoeging van haima/heim (woonplaats) en de naam van deze beek. Ter bevordering van de bevaarbaarheid en ontwatering van de omringende gronden, werd de beek gekanaliseerd. Het is altijd een vrij kleine vaart geweest en werd dan ook enkel gebruikt voor kleine bootjes. Tot aan Sint-Janskapel aan de Pottestraat (buiten dit gebied) was het kanaal bevaarbaar (vergelijk Ferrariskaart), maar de beek was slechts tot Langewade bedijkt en duidelijk rechtgetrokken. De gronden langs het bedijkte deel van de beek waren veel lager gelegen en uitgestrekter dan de gronden stroomopwaarts. De dijken zijn waarschijnlijk aangelegd met het oog op overstromingen, die hier, vooral in de winterperiode, veel voorkwamen. De dijken werden in recente tijden niet aangepast waardoor de Martjesvaart een waardevol cultuurhistorisch relict vormt (met waardevolle vegetaties). Langs het deel van de vaart van Merkem tot Driegrachten ligt een pad langs het kanaal met populieren er langs.

In de 18de eeuw wordt de Martjesvaart benoemd als vaarweg. Waarschijnlijk werd de waterweg reeds lange tijd voor het vervoer van goederen gebruikt. In vergelijking met de Ieperlee en het Kanaal Ieper-IJzer was de Martjesvaart veel minder belangrijk en eerder van lokaal belang. Er waren verschillende bruggen over de Martjesvaart. De Grote Martjebrug op de plek waar de Martjesvaart zich bij het Kanaal Ieper-IJzer voegt, wordt nu Cayennebrug genoemd (het toponiem Grote Martjebrug verhuisde foutief naar de brug bij Drie Grachten). Bij Langewade en de Sint-Janskapel waren al in de 18de eeuw gemetselde bruggen. Tenslotte was er een klein bruggetje ter hoogte van het dorp, De Kleine Martjebrug. Om water vanuit de vaart vrij in de sloten in de omringende broeken te laten stromen stonden de sluisjes meestal open. Bij hevige regenval werden ze dichtgedraaid zodat het water van de Martjesvaart direct naar het Kanaal Ieper-IJzer stroomde. Tegenwoordig zijn de sluisjes uitgerust met terugslagkleppen. De enige inlaatsluis, die gebruikt werd om in droge periodes water aan te voeren, ligt tussen het Kanaal Ieper-IJzer en de Engelendelft.

De gemeente Merkem ontstond na het ancien régime uit drie afzonderlijke heerlijkheden waaronder de Heerlijkheid Merkem met de zetel op het huidige kasteel de Coninck de Merckem. Merkem werd voor het eerst vermeld in 869, gelegen tussen de kreek (Martje) en het Vrijbos van Houthulst. In 1050 (volgens andere bronnen in 9de eeuw) was er reeds een kerk aanwezig en vanaf het begin van de 12de eeuw een vrouwenklooster. Een 12de-eeuwse bron duidt het kasteeldomein van de heer van Merkem aan als castrum bestaande uit een versterkte toren bovenop een motte, omgeven door een palissade en gracht, enkel toegankelijk via een brug. Het kasteel had dus waarschijnlijk een castrale motte als voorloper. Verspreid op het kasteeldomein werd ook aardewerk aangetroffen uit de volle middeleeuwen wat wijst op een duidelijke middeleeuwse occupatie van de site. Er zijn medailles uit de Romeinse tijd (2de-3de eeuw) gevonden in Merkem en een Romeinse heerweg doorkruist de gemeente net ten zuiden van het dorp en vormde de verbindingsweg tussen Cassel en Brugge. Langs deze belangrijke handels- en reisroute ontstonden vaak concentraties van bewoning. Deze weg wordt ter hoogte van het kanaal nog aangeduid als Steenstraat. Tijdens de godsdiensttroebelen van de 16de eeuw worden de kerk, het klooster en het kasteel verwoest. In hoeverre iets van de middeleeuwse mottegrachten bewaard is, is onduidelijk.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag Merkem op een strategisch punt voor de Duitse troepen. Ze installeerden zich onder andere in het kasteel en het park zodat ze een goed zicht hadden op de stellingen van Drie Grachten. Er werden verschillende bunkers en een observatiepost opgetrokken. Merkem was oorspronkelijk in Duitse handen maar tijdens de Derde Slag bij Ieper werd het dorp, samen met Luigem, door de Fransen veroverd. Het hele dorp inclusief kasteel en park werd tijdens deze slag reeds herleid tot een verwoest oorlogslandschap. Tijdens het Duitse Lenteoffensief van 1918 werd Merkem succesvol door de Belgen verdedigd. Tot de bevrijding bleef Merkem in Belgische handen.

Merkem werd na de oorlog heropgebouwd onder leiding van architect Theo Raison. De omgeving van het kasteel en de kerk van Merkem vormt thans een uitzonderlijk geheel. De parochiekerk St.-Bavo werd na de oorlog min of meer naar vooroorlogs model wederopgebouwd, op dezelfde plek als de vooroorlogse kerk. De bakstenen van de buitenmuren zijn afkomstig van de vernielde kerken van Merkem, Woumen en de Duvetorre/Sint-Laurentiustoren van Nieuwpoort. Aan de straatkant staan een aantal leilindes, een Heilig Hart beeld voor de burgerlijke en militaire slachtoffers tijdens beide oorlogen en een kerkhofmuur met ingewerkte kapel toegewijd aan St.-Anna. Rondom de kerk ligt een begraafplaats met rode beuken en onder andere bewaarde 19de-eeuwse arduinen grafmonumenten, een 20ste-eeuws grafmonument van de familie de Coninck de Merckem en verschillende graven van slachtoffers van WOI en oud-strijders. Ten noorden van de kerk ligt de Kerkdreef met aan de oostzijde de pastorie en een tuinmuur en aan de westzijde verschillende kleine woningen die behoren tot de eigendommen van het kasteel. Het kasteelpark werd na de Eerste Wereldoorlog weer aangelegd in ongeveer dezelfde structuur als voor de oorlog. De dreef tot aan de Martjesvaart werd niet heraangelegd, maar door zijn hogere ligging en grachten langs weerszijden, is ze in het huidige landschap nog steeds zichtbaar. Het kasteel werd in 1923 heropgebouwd in Vlaamse renaissancestijl. Hoewel het kasteel vanaf de weg slechts op één punt te zien is, vormt het park een duidelijke blikvanger in de verder vrij open omgeving rond de Martjesvaart. Van de oorlogsperiode resteren enkel de observatiepost en een bunker in het kasteelpark.

Voor de Eerste Wereldoorlog beschikte Merkem niet over een eigen gemeentehuis, maar vonden zittingen plaats in een brouwerij/afspanning tegenover de kerk. Na de Eerste Wereldoorlog werd Merkem heraangelegd en werd een nieuw plein aangelegd met daaraan het gemeentehuis. Ontwerper van het gemeenthuis is Theo Raison. Op het gemeentehuis zijn vijf gedenkplaten van de Eerste Wereldoorlog aangebracht. Ten zuiden van het gemeentehuis ligt het kloostercomplex, kapel en scholencomplex van Zusters van Maria. Het oorspronkelijke klooster werd opgericht in 1837 en breidde uit met een ‘armengesticht’, bejaardentehuis, school en kapel. Het volledige complex werd tijdens de oorlog vernietigd. In 1922 werd het naar ontwerp van Alphonse De Pauw heropgebouwd. In de tweede helft van de 20ste eeuw werden bijkomende vleugels gebouwd. In de laatste jaren werd een deel van het complex (voornamelijk het bejaardentehuis) vervangen door nieuwe gebouwen.

Het kasteeldomein de Coninck de Merckem

Een muurschildering in kasteel van graaf Beauffort te Heestert (Zwevegem) geeft een indicatie van het kasteeldomein de Coninck de Merckem in het midden van de 18de eeuw. Binnen een grachtensysteem en ten zuiden en westen van het kasteel liggen twee kwalitatief hoogstaande tuinen met ten zuidoosten van het kasteel een parterre d’eau met een water als belangrijkste component en ten zuiden een fraai geproportioneerd rechthoekig parterre de gazon, een grasparterre met een waterbekken in het schouderstuk. Twee bosquets découverts, open bosquets met ieder een centraal waterbekken tussen gekwartierde, omhaagde perken bevinden zich ten noord- en zuidwesten van het kasteel. Deze bosquets worden van elkaar gescheiden door een lange oost-west georiënteerde hoofdas die vanaf de straat in het dorp vertrekt en in de achterliggende weilanden en broeken als dubbele dreef doorloopt tot aan de Martjesvaart (hiervan is het verhoogde tracé in het huidige landschap nog zichtbaar). Een secundaire noord-zuid as kruist deze hoofdas in de weilanden. Dit assenkruis is nog zichtbaar op de kaart van 1966. Ten noorden van het kasteel, op het perceel waar zich vandaag de moestuin bevindt, staat een hoogstamboomgaard. Deze boomgaard verschijnt ook nog op de kaart van het gereduceerd kadaster, maar verdwijnt definitief op de topografische kaart van 1884. De voorstelling op de muurschildering komt niet geheel overeen met de weergave op de Ferrariskaart uit 1771-1778, waar de dreef naar de Martjesvaart ontbreekt en de zuidoostelijke parterre d’eau ingenomen lijkt door dorpsbebouwing. Van dit laatste is op de kaart van het gereduceerd kadaster echter geen spoor terug te vinden. In 1785 worden op last van de eigenaar, ridder de Coninck, de 'vijvers vergroot'. Deze aanpassingen aan de oevers van de omgrachting ten westen van het kasteel zijn duidelijk zichtbaar op het plan van het gereduceerd kadaster van circa 1850. Het rechte tracé van de gracht is veranderd in een sinuerende 'rivier' met uitstulpingen en verbredingen en een doodlopende aftakking op de zuidelijke grens van het domein. Deze aanleg in vroeg landschappelijke stijl beperkte zich vermoedelijk niet enkel tot de gracht. Waarschijnlijk werden in deze periode de achterliggende weidepercelen omgevormd tot een parkbos. Over de aanleg rondom het kasteel worden op deze kaart geen details gegeven, wel blijft de waterpartij uit de voormalige zuidelijke grasparterre duidelijk behouden. Het gebouwenbestand wordt uitgebreid met een oranjerie tegen de gracht, op de noordgrens van het noordwestelijk open bosquet. Op de topografische kaart van 1870 verschijnt de nieuwe aanleg in 'bloemperkjesstijl' rondom het kasteel: een zevental bomenperken binnen een druk en kronkelend padentracé. Het parkbos verandert, volgens de topografische kaart van 1884, licht van vorm. Een klein perceel ten noorden wordt opnieuw naar weiland omgezet. Zowel langs de zuidzijde van de hoofddreef als langs de zuidwest kant van de ontwateringsgracht (genaamd Koevaardeken) tussen de dreef en de 19e-Liniestraat is een houtwal aangeplant. Het parkbos wordt in deze periode verder ontsloten door de aanleg van een gebogen rondweg die vanaf de noordelijke gracht een halve cirkel beschrijft, de dubbele dreef kruist, langs de ontwateringsgracht tot aan de 19de-Liniestraat loopt en vervolgens parallel met de straat tot aan de ingang van het domein loopt. Een tweede kortere weg beschrijft een halve cirkel vertrekkend vanop de kruising van de twee assen in het parkbos en sluit vervolgens aan bij de eerste rondweg. Circa 35 jaar later is op de topokaart van 1911 de open strook in de zuidwestzijde van het parkbos volledig verbost en uitgebreid tot aan de Engelendelft. In het zuidwestelijke kwadrant van het parkbos verschijnt de zogenaamde 'konijnenberg' en in het noordwestelijke kwadrant een niervormige vijver. Ook het eerder beschreven tracé van rondwegen lijkt deels gewijzigd. Op het voormalig boomgaardperceel ten noorden van het kasteel wordt in deze periode een omhaagde moestuin aangelegd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog worden zowel het kasteel als het park volledig vernield. Architect Jules Coomans verzorgt het ontwerp van het naoorlogse landhuis met aparte L-vormige garage- en dienstgebouw. Ook de nieuwe aanleg van het park dateert uit het interbellum. De ontwerper, tuinarchitect Louis Julien Breydel (1868-1941), voorzag op zijn ontwerptekening uit 1929 ondermeer een tweede dreef waarvan de aanleg vermoedelijk omwille van financiële redenen slechts ten dele uitgevoerd is. Het huidige ontwerp van het kasteelpark grijpt enerzijds terug naar de vooroorlogse situatie met het behoud van het parkbos, de dreef en de moestuin op dezelfde locatie, anderzijds wordt de vooroorlogse aanleg rondom het kasteel niet hernomen. In de plaats van de vroegere bomengroepen verschijnt een uitgestrekt gazon dat van het dorp en de 19de-Liniestraat door een greenbelt wordt afgeschermd. De gemengde beplanting in deze zone bestaat onder meer uit een meer dan gemiddeld aantal bruine beuken. Rondom het landhuis situeert zich een geometrische aanleg waar een rechthoekige verharding rondom het gebouw aan de westzijde overgaat in een trapeziumvormig verdiept gazon, waarvan de licht gebogen brede basis van het kasteel af ligt en die geaccentueerd wordt door drie ronde perken, één centraal op de oost-west as en beplant met roodbloeiende hortensia’s, en twee rododendronperken op de hoeken. Ten oosten van het kasteel ligt aansluitend op de verharding op de oost-westas een smal gebogen bloemenperk. De afbuigende oprijlaan volgt het tracé op het plan van Breydel van de zuidoostelijke hoek van het kasteeldomein naar de zuidoostelijke hoek van de verharding rond het kasteel. Ongeveer tien procent van de percelen parkbos worden na de oorlog niet meer aangeplant. De zuidelijke zone is opnieuw naar weidegrond omgezet waardoor een zicht naar de Martjesvaart mogelijk is. De niervormige vijver in het parkbos krijgt een meer natuurlijke contour. Hoewel niet op de plannen van Breydel weergegeven, is in het zuiden van het park, tegen de 19de-Liniestraat, een berceau van beuken aanwezig. De uitgestrekte, deels ommuurde moestuin die opnieuw ten noorden van het kasteel is ingeplant bestaat uit vier gelijke bedden rond een assenkruis. Tegen de noordmuur bevinden zich serres en tuingebouwen. Volgens Priem (1998) zou er nog een ijskelder op het domein aanwezig zijn.

Landgebruik en landelijke bewoning

Het landschap in de valleien van de Ieperlee en Martjesvaart sluiten aan bij de broeken langs de IJzer. Vanwege de natte omstandigheden werden deze broeken meestal gebruikt als hooiweidencomplex. Als perceelsbegrenzing staan hier en daar knotwilgen. De bodems in de broeken bestaan grotendeels uit zware kleigronden met hier en daar een overdekte kreekruggrond. Ook zijn er plekken met (overdekt) veen aanwezig. De gronden in de broeken zijn bijzonder nat onder andere door de ondoorlatende kleilaag en vaak is de bovenste laag ontkalkt wat bewerking bemoeilijkt. Hierdoor zijn deze gronden minder geschikt voor akkerbouw en worden ze grotendeels gebruikt als weiland, waarvoor de bodemgesteldheid uitstekend is. De ontwatering van de broeken gebeurde door een dicht netwerk aan grachtjes. In de zomer zorgde men ervoor dat er voldoende water in deze grachtjes bleef staan om het vee van drinkwater te voorzien. In de winter stonden de broeken onder water en vorm(d)en ze een belangrijke rust- en foerageerplaats voor vele vogelsoorten. In de broeken werd in het verleden veen gewonnen. Voor de IJzerbroeken zijn er zelfs bewijzen dat dat in de Romeinse tijd reeds gebeurde. Binnen dit gebied is er waarschijnlijk nooit (op grote schaal) veen gewonnen. In de broeken werd tevens klei gewonnen die in kleine steenovens gebakken werd. Tussen de Engelendelft en de Martjesvaart lag ten tijde van Ferraris zo’n steenoven.

Binnen het dichte afwateringssysteem van de broeken zijn er enkele meer belangrijke waterlopen die in het verleden zelfs bevaren werden met bootjes. Een goed voorbeeld hiervan is de Engelendelft in de broeken van Merkem. Deze waterloop loopt parallel aan de Martjesvaart en werd reeds vermeld in de 13de eeuw (‘Degghedylf’) en wordt gekenmerkt door zijn duidelijk gegraven rechte vorm. De Engelendelft had een belangrijke functie in het ontwateren van het Merkembroek, maar werd ook bevaren met kleine bootjes. In de jaren 1990 werden (delen van) de oevers van de Engelendelft rechtgetrokken en verhard, maar ondertussen is het uitzicht weer tamelijk natuurlijk.

In de vallei van de Ieperlee is het opvallend dat de Ieperlee zelf niet centraal door de broeken loopt, dus niet op de laagste punt in de vallei, maar op de rand ervan. Ze loopt vlak tegen de zandgronden en bovendien word het oostelijk geflankeerd door een laag dijkje. Waarschijnlijk is dit een resultaat van de rechttrekkingen van de Ieperlee, waarbij de waterloop over dit traject op hetzelfde niveau werd gehouden.

Binnen de broeken lopen vrijwel geen wegen. De meeste wegen lopen parallel aan de waterlopen, op enkele dwarswegen na. In het noorden liggen de wegen op enige afstand van de waterlopen, meer naar het zuiden steeds dichterbij. Dit komt natuurlijk doordat de valleien steeds smaller worden naar het zuiden toe. Naar het zuiden liggen de zandleembodems tot tegen het kanaal. Deze gronden zijn landbouwkundig geschikt voor akkerbouw mits goed gedraineerd. Ook als weilanden kunnen deze gronden worden gebruikt. Buiten de vallei overheersen de akkers, maar komen, dicht bij de hoeves ook weilanden voor wat voor een afwisselend beeld zorgt. Het landschap is zeer open, houtkanten, hagen of bomenrijen komen bijna niet voor. Volgens de kabinetskaart de Ferraris is dit beeld vroeger anders geweest. Toen waren veel percelen individueel begrensd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn deze beplantingen veelal verwoest en niet weer aangeplant.

De bebouwing concentreert zich langs de wegen en de individuele hoeves liggen op enige afstand van elkaar. In het verleden waren verschillende hoeven omringd met een walgracht. Ondanks de defensieve elementen hadden deze versterkte hoeven in de eerste plaats een residentiële functie, ze waren niet reëel verdedigbaar. Sites met walgracht golden vooral als statussymbool voor de lokale adel en grondeigenaars die hiervoor enkele belangrijke kenmerken van de castrale motte overnamen. Sites met walgracht werden ook door vrije boeren uitgebouwd. De walgracht drukte hun zelfstandigheid uit en moet dan ook als symbool geïnterpreteerd worden. Het is een typische laatmiddeleeuwse bewoningsvorm die tot in de Nieuwe Tijd aanwezig blijft. Tot de Eerste Wereldoorlog bevond de bewoning zich meestal binnen de omwalling. Wanneer in de oorlog de gebouwen verwoest werden, werden ze later vaak buiten de omwalling, dichter bij de weg, heropgebouwd. De walgrachten zijn slechts in enkele gevallen herkenbaar in het landschap als reliëfverschil of door resterende waterstructuren. Een mooi voorbeeld is hoeve Noord-Bellegoed en de Koppelhofstee die binnen dezelfde dubbele omwalling lagen. Het goed was het eigendom van de Ieperse patriciërsfamilie Belle, die nog drie andere goederen hadden in de omgeving van Ieper. Door de verplaatsing van de hoeve na de oorlog vormen ze een belangrijk archeologisch potentieel, dat evenwel (in bepaalde gevallen) onder druk kan komen te staan Bepaalde sites met walgracht zijn al eerder verlaten, soms al in de late middeleeuwen. Er is ook een niet-zichtbare voorloper van vol- en misschien vroegmiddeleeuwse landbouwuitbatingen aanwezig. De percelering, bepaalde toponiemen en de oudste vermeldingen wijzen hierop.

De huidige rurale bebouwing, veelal hoeves, dateren vrijwel allemaal van de wederopbouwperiode en kenmerken zich door de typische 'wederopbouwarchitectuur'. Deze architectuur is zeer kenmerkend voor de verwoeste gebieden en grijpt terug naar de regionale hoevebouw van voor de oorlog. Meestal waren het bouwmateriaal en de indeling van de hoeve zeer modern, maar kreeg de gevel toch een 'oud' voorkomen. Doordat men vaak overdreef met de stijlelementen verschillen ze toch veel van de eerder sobere hoeven van voor de oorlog. De plannen van de wederopbouwhoeven werden onder andere opgemaakt door de Boerenbond, die over een Bouwdienst beschikte. Er komen verschillende types hoeven voor, veelal afhankelijk van de bedrijfsgrootte. Een veelvoorkomend type heeft een u-vormige opstelling van drie losse gebouwen (twee schuren en een woonhuis) rond het erf. In recente tijden werden de hoeven vaak sterk vergroot met grote (betonnen) schuren rondom de eigenlijke hoeve. Voorbeelden van wederopbouwarchitectuur langs het Kanaal Ieper-IJzer zijn de Palinkhoeve, een langgestrekte hoeve, een boerenarbeidershuisje met wegkapel, hoeve met Mariagrot in de voortuin en een hoeve gelegen op enige afstand van de straat, bestaande uit losse bestanddelen rond een centraal erf met een grasveld, met daarop een knotwilg en een speciaal hondenhokje. De Van Raemdonckhoeve kent geen bijkomende nieuwe bedrijfsgebouwen waardoor ze beeldbepalend is in het landschap. Deze hoeve in rode baksteen bestaat uit losse bestanddelen rond een gekasseid erf. Nabij Noordschote ligt een woning met een klein klooster met daar tegenover een kapelletje. Deze kapel behoort tot een reeks ommegangkapellen. Deze ommegang van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten bestaat uit zeven kapellen die in een ruime boog om het dorp liggen. De kapellen werden in 1922 opgericht door de plaatselijke pastoor als herdenking aan de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Ieder jaar wordt op de derde zondag van september nog een ommegang gehouden langs deze kapelletjes.

De sites met walgracht vormen de meest voorkomende soort archeologische sites in dit gebied. Ook zijn er sporen uit de ijzertijd en Romeinse tijd bekend. Zo werden ten noorden van Ieper brandrestengraven gevonden die wijzen op bewoning. Algemeen kan worden gesteld dat de hogere gronden (de zandige ruggen) de hoogste archeologische potentie/waarde hebben. De Oost- en Westpoeselstraat hebben wellicht een vroege ontginning gekend.

  • Informatie verkregen van M. Dewilde met betrekking tot archeologie (2013).
  • Informatie verkregen van F. Becuwe & E. Hooft met betrekking tot bouwkundig erfgoed (februari 2011).
  • Informatie verkregen van M. Strobbe en K. David, Erfgoedconsulenten Landschappen, Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen (2011-2014).
  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • historische handschriftkaart van Tranchot en Von Müffling,1801-1828, op schaal 1:25.000.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842-1879, schaal 1:5000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.
  • Topografische basiskaart numerieke reeks, Nationaal Geografisch Instituut, uitgegeven in 2009, schaal 1:10.000.
  • Onroerend Erfgoed, Reeks plannen van Louis J. Breydel, ontwerp van het park van Merkem uit 1929.
  • AMINAL, AFDELING BOS EN GROEN 2004: Het kanaal van Ieper naar de IJzer, Provinciale Visserijcommissie West-Vlaanderen. Vislijn.
  • BALDUCK J. 2008: Historisch overzicht van de aanpassingen aan de Leie en de erop aansluitende kanalen. De Leiegouw, Vereniging voor geschied- taal- en volkskundig onderzoek in het Kortrijkse, 50/2, 381-394, Kortrijk.
  • BELCONSULTING 2000: Eindrapport. Landschaps-ecologische studie natuurinrichtingsproject ‘Kanaal Ieper-IJzer’. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Brussel.
  • CLAUS P. 2002: Rapport integraal waterbeheer in het deelbekken Ieperlee van het IJzerbekken: met aanbevelingen voor het beleid. Werkgroep ad hoc Intergraal Waterbeheer Ieperse. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Bekkencomité IJzer.
  • DEBAEKE S. & LEMYTTE S. 1995: Merkem in de kijker. De Klaproos, Veurne.
  • DEMOLDER H., DE KNIJF G., PAELINCKX D. 2000: Biologische Waarderingskaart, kaartbladen 27-28-36. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 14, Brussel.
  • DE ROO N., HINDRYCKX K. 1995: Beeld van een stroom. De IJzer. Lannoo, Tielt.
  • FERRARIS 1967: Mémoire 6, Carte de cabinet des Pays-Bas Autrichiens Levée à l’initiative du comte de Ferraris Mémoires historiques, chronologiques et oeconomiques, IV. Pro Civitate, Brussel.
  • FUSSLEIN O. 1932: Der minenkrieg in Flandern. Heinrici (red.), Das Ehrenbuch der Pioniere, 541-548, Berlin.
  • HONNORE L. & COUTIEZ Y. 2009: Les voies navigables en Belgiques et dans le Nord de la France 16e-21e siècle, Rôle économique et social. Cercle d’histoire et d’archéologie de Saint-Ghislain et de la région, Saint-Ghislain. Publication extraordinaire.
  • LO-RENINGE s.d.: Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan, Ontwerp.
  • PRIEM V. 1998: Kastelen en landhuizen in de Westhoek, Valére Priem, Ieper.
  • STAD IEPER 2000: Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan, Stad Ieper, Ieper.
  • STAD LO-RENINGE 1998: Mobiliteitsplan. Eerste deel: Oriëntatienota. Studiebureau IR G. Verschave, Brugge.
  • STAD LO-RENINGE 2009: Mobiliteitsplan Lo-Reninge Spoor 3: bevestigen en actualiseren. Grontmij.
  • STUBBE L., s.d.: De Groene Vesting van Ieper. Van militair bastion tot natuurrijk erfgoedpark.
  • STUBBE, L., s.d. Het Ieperse Hoornwerkpark. Natuurontwikkeling in een historisch landschap.
  • STUBBE L., DENDOOVEN, D., TERMOTE, J., VANDERGHOTE, PH. 2003: Vesting Ieper, Wandeling in een historisch landschap.
  • TERMOTE J., HIMPE K. 2001: Cultuurhistorische inventarisatie watergebonden bouwkundig erfgoed. Advies inzake conservering, restauratie en eventuele reconstructie. In het kader van het landinrichtingsproject “De Westhoek”. Vlaamse Landmaatschappij.
  • VAN ACKER J. 1987: Inventaris van de Abdij van Merkem, 1451. Biekorf, ‘87/3. West-Vlaams Archief voor geschiedenis, archeologie, taal- en volkenkunde.
  • VAN DRIESSCHE T. 2012: Lieu de mémoire Drie Grachten. Intern rapport WOI, onderzoek VIOE, onuitgegeven.
  • VANROLLEGHEM A. 2006: Ieper à la carte, De Ieperse vestingen in kaart gebracht. Erfgoedcel Ieper.
  • VERBOVEN H. 2012: Lieu de mémoire Niemandswater, intern rapport WO I onderzoek VIOE, onuitgegeven.
  • VEREECKE J.J.J. 1858: Histoire militaire de la ville d’Ypres, Jadis place-forte de la Flandre Occidentale. Imprimerie et lithographie I.S. Van Doosselaere, Gent.
  • VEREECKE J.J.J. 1858: Atlas annexé à l’histoire militaire de la ville d’Ypres. Imprimerie et lithographie I.S. Van Doosselaere, Gent.
  • VERHEYE S. 1989: De Ieperlee, oorsprong, economisch belang en verval.
  • VERHEYE S. 2010: De elektriciteitscentrale te Noordschote. Iepers Kwartier, driemaandelijks tijdschrift voor heemkunde, 46e jaargang – nr.4, p113-121. Iepers Kwartier, Ieper.
  • VERHULST A. 1995: Landschap en landbouw in middeleeuws Vlaanderen, Gemeentekrediet, Brussel.
  • VIFQUAIN J.B. 1842: Des voies navigables en Belgique, considérations historiques suivies de propositions diverses ayant pour objet l’amélioration et l’extension de la navigation. Em. Deroye et Ce, Brussel.
  • VLM 2000: Natuurinrichtingsproject: project Kanaal Ieper-IJzer: onderzoek naar de haalbaarheid: ontwerprapport. Vlaamse Landmaatschappij, Brugge.
  • VLM 2001: Natuurinrichting: project Kanaal Ieper-IJzer: projectrapport. Vlaamse Landmaatschappij, Brugge.
  • WARLOP E. 1965: Inventaris van het archief van de abdij van Merkem. Deel 1, Inleiding, ontledingen van de oorkonden (1173-1585). Ministerie van Nationale opvoeding, Brussel.
  • WEST-VLAAMSE INTERCOMMUNALE 2011: Houthulst, beleidsplan mobiliteit, ontwerp. West-Vlaamse intercommunale dienstverlenende vereniging, Brugge.
  • WEST-VLAAMSE INTERCOMMUNALE 2012: Gemeente Houthulst, Gemeentelijk Ruimtelijk structuurplan. West-Vlaamse intercommunale dienstverlenende vereniging, Brugge.
  • WILLEMSSEN A. 2013: Landschappelijke en historische ontwikkeling van de rivier Ieperlee en het kanaal Ieper-IJzer. Masterthesis Monumenten- en Landschapszorg, Artesis Hogeschool Antwerpen.
  • YPERMAN J. 2009: De westhoek XL, Verrassend veelzijding Frans- en West-Vlaanderen, Davidsfonds, Leuven.
  • ZWAENEPOEL A., VANALLEMEERSCH, R., DEMOLDER, H., DEMAREST, L., VRIENS, L., PAELINCKX, D. 2000: Biologische Waarderingskaart versie 2, kaartbladen 19-20. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.
  • ZWAENEPOEL A. 2009: TWOL – Onderzoek naar historische wijzigingen in milieu-omstandigheden en beheer van de overstromingsgraslanden in IJzer- en Handzamevallei ten behoeve van het natuurbeheer en de natuurontwikkeling. Agentschap voor Natuur en Bos, West Vlaamse Intercommunale dienstverlenende vereniging (WVI) en INBO.
  • ZWAENEPOEL A. et al. 2011: De broeken van de IJzer- en Handzamevallei. Agentschap voor natuur en bos/Inverde, Brussel.
  • S.N. 1918: Der mineur in Flandern. Oldenburg.

Bron: Aanduidingdossier Ankerplaats 'De Ieperlee, het kanaal Ieper-IJzer en de Martjesvaart, definitieve aanduiding 17/12/2014. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs: de Haan, Aukje; Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties

  • Omvat
    Veerhuis

  • Is gerelateerd aan
    Essex Farm Cemetery

  • Is deel van
    Bikschote

  • Is deel van
    Boezinge

  • Is deel van
    Brielen

  • Is deel van
    Ieper

  • Is deel van
    Merkem

  • Is deel van
    Noordschote

  • Is deel van
    Zuidschote


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: De Ieperlee, het kanaal Ieper-IJzer en de Martjesvaart [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300141 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.