erfgoedobject

Dal van de Kleine Nete tussen Nijlen en Grobbendonk

landschappelijk geheel
ID: 300160   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300160

Juridische gevolgen

Beschrijving

De ankerplaats omvat de vallei van de Kleine Nete tussen Viersel, Nijlen en Eisterlee. Centraal lopen de Kleine Nete als typische laaglandbeek met meanderend patroon en parallel de Kleine Pulse Beek en Laak. Het Netekanaal is een belangrijk relict van de kanalisatiegeschiedenis van de Kleine Nete en vormt de overgang naar de voormalige vloeibeemden van het Viersels Gebroekt. Hier stromen ook de Molenbeek en Kleine Beek te midden van de graslanden. In de Netevallei liggen oude graslanden, afgewisseld met concentraties akkerland en verspreide bospercelen. Op de pleistocene donken in de vallei en op de overgang naar de gehuchten op de valleirand liggen verspreide hoeves. Het landschap getuigt van de intense relatie tussen beek en beekvallei en de wisselwerking tussen natuur en menselijke activiteit die verschillende landschapstypes heeft opgeleverd.

Fysische geografie

De ondiepe ondergrond is opgebouwd uit mariene afzettingen uit het midden- en bovenmioceen en continentale afzettingen uit het quartair. De middenmiocene afzettingen bestaan uit donkergroene, zeer fijne, kleiige en glauconiethoudende zanden die hun horizontale gelaagdheid nagenoeg bewaard hebben (Formatie van Berchem). Dit zandpakket is één van de belangrijkste watervoerende lagen van België.

De bovenmiocene afzettingen (Formatie van Diest) bestaan uit grof glauconiethoudend zand, afgezet volgens een schuine gelaagdheid. Typerend is de aanwezige ijzerstandsteen. Tegenover de relatief warme miocene periode wordt het quartair gekenmerkt door een afwisseling van koude en warme fasen (de glaciale en interglaciale periodes). Deze klimaatsverandering ging gepaard met zeespiegelschommelingen, wijzigingen in grondwaterbeweging en veranderende fysische processen. Tijdens de latere fase van de laatste ijstijd (weichseliaan) werd uit het toen droog liggende Noordzeegebied materiaal door de wind naar ons huidig landoppervlak verplaatst. Er werd een quasi continue oppervlakkige dekzand- en loessgordel afgezet die sterke wisselingen in dikte vertoont. Deze weichseliaanmantel vormt bijna overal de oppervlakkige laag waarin zich bodems hebben ontwikkeld en waarop de menselijke activiteit zich afspeelt.

In de laatste fase van het weichseliaan, het tardiglaciaal genoemd, werd het klimaat milder. Deze klimaatsverbetering werd nog enkele keren onderbroken door koudere intervallen. Grote hoeveelheden smeltwater leidden tot een stijging van het zeewaterpeil. De rivieren kregen een permanente meanderende loop en begonnen zich in te snijden. Het meanderend Netestelsel schuurde in het tertiaire substraat een bedding uit richting Schelde. In de valleien en lokale depressies begon zich veen te ontwikkelen. Op het einde van het tardiglaciaal overheersten zeer koude en droge omstandigheden en was de riviercapaciteit eerder beperkt. In de vallei ging de boomvegetatie achteruit ten voordele van de kruiden en kwamen oppervlakten vrij die opgebouwd waren uit rivierzanden. Door de schaarse vegetatie werden de riviersedimenten door de wind opgewaaid en herwerkt met duinvorming als resultaat. Door eolische herwerking vormden zich lange west-oost lopende ruggen.

De overgang naar het holoceen wordt gekenmerkt door opnieuw een verwarming van het klimaat en een verdere stijging van het zeeniveau. Dit ging gepaard met een snelle ontwikkeling van een dichte bosvegetatie. De rivieren behielden hun geulpatroon dat ze aangenomen hadden tijdens het tardiglaciaal. In de valleien werd alluvium afgezet dat bestaat uit zandleem, lemig zand en zand, afhankelijk van de positie in de vallei. De dikte van de holocene afzettingen varieert maar bevat courant onderaan een veenlaag, gevormd tijdens de eerste periode van het holoceen. Waar lokaal moerassige condities verder bleven bestaan, zoals in depressies die moeilijk ontwaterd werden en in de laaggelegen afgesloten kommen in de valleien, werd langere tijd veen gevormd en soms nu nog. Op het einde van het atlanticum trad een algemene vernatting op en werd het postglaciaal evenwicht tussen klimaat, hydrologie en vegetatie opnieuw verstoord. Menselijke activiteiten in het stroombekken worden mee als oorzaak beschouwd voor een verandering in het rivierlandschap waarin de sedimentatie van siliciklastische sedimenten dominant wordt. Na de eerste bescheiden neolithische landbouwactiviteiten in de hoger gelegen delen van de bekkens ging de bosbedekking buiten de riviervlakten geleidelijk achteruit om een eerste minimum te bereiken in de Romeinse tijd. Het bosareaal werd volledig opgeruimd tijdens de ‘grote middeleeuwse ontginningen’ waarbij de massale uitbreiding van het landbouwareaal een manifest effect had op het riviersysteem. De overstromingsrivier en de alluviale vlakte kregen definitief vorm.

Wat betreft de actuele bodemgesteldheid domineren natte zandige tot lemig-zandige gronden aan het oppervlak. Naar de Kleine Nete toe domineren sterk gleyige gronden. Het gaat om sterk hydromorfe tot uiterst natte alluviale bodems met een humeuze of venige bovenlaag die regelmatig onderworpen zijn aan alluviale overstromingen. Uitgesproken (laag)veenafzettingen zijn te vinden tussen de Molenbeek en de Kleine Beek in het Viersels Gebroekt. In het midden van het overwegend vlakke gebied zijn enkele opduikingen aanwezig die gekenmerkt worden door een meer zandige textuur. Aan de randen van het studiegebied, in de nabijheid van de dorpen, liggen eveneens zandige bodems maar met een diepe antropogene A-horizont. Dit kan wijzen op plaggenbodems, een bodemtype gelinkt aan een specifieke landbouwpraktijk die gedurende eeuwen kenmerkend was voor deze regio en het resultaat is van een intensieve bodemuitbating. In het oostelijk deel van het gebied is er sprake van beperkte opwaartse kwel en de aanwezigheid van ijzerbacteriën en roestverschijnselen in grachten wijst op uittredend grondwater. Vermits het diestiaan zeer glauconiethoudend is en talrijke ijzerzandsteenbanken bevat, is het grondwater eveneens vaak zeer ijzerhoudend.

Hydrografie

De Kleine Nete ontspringt in het Reties Goor en maakt met zijn bijrivieren deel uit van het Scheldebekken. Het stroomgebied vormt een depressie begrensd door de Noorderkempen in het noorden, het Kempisch plateau en de waterscheiding met het Maasbekken in het oosten en de waterscheiding met de Grote Nete in het zuiden. De Kleine Nete stroomt via Kasterlee en Herentals en komt samen met de Grote Nete ter hoogte van Lier waar ze verder stroomafwaarts de Beneden-Nete vormen. De Beneden-Nete mondt uit in de Rupel, die op zijn beurt uitmondt in de Schelde ter hoogte van Rupelmonde. Het oorspronkelijke verloop van de Kleine Nete is onder invloed van dekzandruggen uit het diestiaan afgebogen zodat ze ook nu nog parallel stroomt aan deze heuvelruggen.

De Kleine Nete is een typische laaglandbeek met gering verval. De rivier stroomt in een zandige laagvlakte en wordt gekenmerkt door een brede vallei met uitgestrekte natuurlijke overstromingsgebieden. Zowel de Grote als de Kleine Nete zijn onderhevig aan een ver landinwaarts reikende getijdenwerking (tot Grobbendonk) die een zekere dynamiek creëert in de lager gelegen delen en een uniek zoetwater getijde systeem in stand houdt. Als vlakterivieren hadden zowel de Grote als de Kleine Nete sterk te lijden onder verzanding en overstromingsgevaar. De verschillende ingrepen om de waterafvoer te versnellen en de omliggende gronden te ontwateren, hebben de structuurkwaliteit van de waterloop sterk aangetast. Hierdoor is bovendien een belangrijk deel van de natuurlijke bergingscapaciteit verloren gegaan. De Netedijken bemoeilijken de afvloei van regenwater waardoor sommige zones langdurig onder water kunnen blijven staan. Van het oorspronkelijke karakter van de laaglandbeek (meandering, oevers) resten nog slechts een aantal elementen.

Het hydrografisch net is sterk ontwikkeld in functie van de drainage van de valleigronden en bestaat uit een dicht net van beken en lopen dat uitgebreid is met talrijke grachten en sloten. Het Albertkanaal en het Netekanaal vormen de belangrijkste kunstmatige waterwegen. Ten noorden van de Kleine Nete loopt parallel de Kleine Pulse Beek die voorbij het Netekanaal overgaat in de Kleine Beek. Ter hoogte van Viersel vloeien zowel de Kleine Beek als de Molenbeek in de Kleine Nete. Ten zuiden loopt de rivier de Laak met als zijtak de Nijlense Beek. Een aantal van deze zijbeken heeft wel nog een uitgesproken meanderingspatroon zoals de Molenbeek in het Viersels Gebroekt.

Cultuurhistorie

Historiek van de Kleine Nete

De vroegste vermeldingen over het gebruik van de Kleine Nete dateren uit de 13de eeuw. De abdij van Nazareth had toen van de hertogen van Brabant het alleenrecht verkregen op het gebruik van het water van de Kleine Nete en had hier drie watermolens ingericht. In 1395 moesten deze watermolens echter afgebroken worden omdat ze overstromingen veroorzaakten op de Kleine Nete. Ordonnanties uit de 14de en 15de eeuw vermelden reeds allerhande maatregelen om de wateroverlast en –schade in de vallei te beperken. Ook is er sprake van het (gedeeltelijk) rechttrekken en uitdiepen van de beide Netes in functie van de overslag van goederen naar Antwerpen. Zo gaf de hertog van Brabant in 1414 toestemming voor het ruimen van de Netes in functie van de bevaarbaarheid. Reeds in 1462 werden plannen gemaakt om Antwerpen via een Herentalse Vaart te verbinden met de Kleine Nete ter hoogte van het Nijlense veer. Deze plannen stootten echter telkens op verzet van Lier omwille van de rechten op de overslag van goederen. Deze plannen leven wel nog door in de naamgeving op de Atlas der Buurtwegen waar de Kleine Nete aangeduid wordt als de Herentalse Vaart.

De scheepvaart op de Nete kende zijn hoogtepunt in de 16de en 17de eeuw wanneer men op de Kleine Nete tot Herentals voer. Tijdens de 18de eeuw liet de toestand van beide Neten echter te wensen over en was scheepvaart nog nauwelijks mogelijk. Dit was te wijten aan een aantal factoren. Zo had de rivier te lijden onder slecht onderhoud ten gevolge van oorlogsperikelen in de 17de eeuw maar vooral onderhoudsverzuim door de riviergebruikers. Bovendien werden in de winter de lagergelegen gronden geplaagd door overstromingen. Naast het regelmatig buiten hun oevers treden van beide Neten, deden er zich ook verschillende grote overstromingen voor. Zo zorgden zware regens er in 1720 voor dat velden en beemden langdurig blank stonden. Dit resulteerde onder andere in een overheidsingrepen door de afkondiging van de ordonnantie op de beide Neten in 1731. Zelfs tijdens de zomermaanden hadden de dorpen in de Netevallei regelmatig te lijden van wateroverlast wat schadelijk was voor de landbouwopbrengst. In 1740 werden alle gronden langs de Kleine Nete opgelijst die beschadigd waren door het langdurig onder water staan ‘meer als vier voedt diep’ en bovendien midden in de zomer (‘sinte jan daghen’ of 24 juni). In de talrijke inspectieverslagen van de Kleine Nete werd de oorzaak voor deze overstromingen gezocht bij de talrijke kunstwerken door de mens, de aanwezigheid van plantengroei (waterranonkel en waterlelie) en slordig onderhoud door de boordeigenaars. Zo werd de eigenaars van gronden langs de rivier herhaaldelijk (maar vaak tevergeefs) gevraagd de rivier maar ook de zijbeken en –grachten te ruimen. Op diverse plaatsen reeds men met wagens en karren door de rivier of werd steengruis gestort wat leidde tot verbreding van de oevers en verzanding van de rivier. De overstromingen duurden vaak ook langer omdat het water in de weiden hoger stond dan in de rivier. Dit was te wijten aan slecht functionerende kleppen in de dijken om de beemden te ontwateren. Bij overstromingen kon het water niet terugvloeien naar de rivier bij gebrek aan afvoergrachten. In veel laag gelegen weilanden werd ook turf en moerasijzersteen gewonnen waardoor er waterplassen ontstonden en de beemden nog dieper kwamen te liggen. De Molenbeek, vernoemd naar de Hofmolen bij het Kasteel van Hovorst, wordt op 19de-eeuwse topografische kaarten ook aangeduid als Bersbeek of ‘Bernaert’, een verwijzing naar het vroegere gehucht Bersken. De Molenbeek is vermoedelijk uitgegraven als leigracht parallel aan de Kleine Beek ter verbetering van de afwatering aan de voet van de stuifzandrug van Viersel. Dit verklaart waarom de beek wordt gekenmerkt door een vrij rechte loop.

Het groot aantal ordonnanties en reglementen, zowel van hogere overheid als van lokale besturen, wijzen erop dat er iets fundamenteel mis was met het onderhoud van beide Neten in de 18de eeuw. De gebrekkige overheidscontrole was in grote mate verantwoordelijk voor het falen van de toepassing van de wetgeving. Gedurende de Oostenrijkse periode besteedde de centrale overheid opvallend meer aandacht aan het beheer van de Nete en de overstromingsproblematiek. Tussen 1731 en 1776 werden talrijke ordonnanties afgekondigd om de hooilanden te vrijwaren van overstromingen, de wateroverlast te verminderen en de scheepvaart te bevorderen. Zo was het onder andere verboden struiken of ander houtgewas langs de boorden te planten of hinderlijke constructies op te richten zoals visnetten of vlasroten. Ook langs de kleine waterlopen die zich in de Nete ontlastten waren de boordeigenaars verplicht alle overhangende bomen, rijshout en dergelijke te rooien. Het gebruik van wadden werd verboden omwille van de remmende invloed op de rivier. Hier was de rivier immers extra gevoelig aan verzanding. Ook werden de vereiste afmetingen van de Kleine Nete (breedte en diepte) bij wet vastgelegd. Concrete acties bestonden uit het doorsteken van enkele grote bochten en het uitdiepen van beide Netes in een poging het overstromingsprobleem op te lossen.

Om de bevaarbaarheid van de Kleine Nete, vooral voor zand- en ijzerertsschepen, te verhogen werden in de loop van de 19de eeuw een aantal initiatieven opgestart. Technische maatregelen zoals rechttrekkingen, ruimingen en het opwerpen van oeververdedigingen moesten de erosie van de oevers tegengaan en een zo snel mogelijke waterafvoer garanderen. Uit archiefdocumenten blijkt dat in de 19de eeuw hier en daar nog steeds dijken ontbraken wat leidde tot waterschade aan de graslanden. Zo werd door de gemeente Nijlen in 1840 het gebrek aan dijken op de linkeroever van de Nete gemeld. De toenemende overstromingslast in de 19de eeuw werd toegeschreven aan de ontginning van woeste gronden die oorspronkelijk veel water absorbeerden maar wiens regulariserende werking verloren ging en waardoor het water in de bovenloop versneld werd afgevoerd. Ook het gebrek aan onderhoud van de rivier door de boordeigenaars en het rechttrekken van de Nete werden als oorzaken opgesomd. Visitatieverslagen van de beide Neten uit de 19de eeuw vermelden dat de rivieren in bijzonder slechte staat zijn ten gevolge van hun ondiepe loop en de aanwezigheid van talrijke waterplanten die een vlotte waterstroom verhinderen. Er wordt ook gewezen op zandbanken die verhinderen dat zijbeken en -sloten ontlasten in de Kleine Nete. De richtlijnen voor de boordeigenaars worden opgesomd: uitdiepen van het rivierbed, verwijderen van alle hout in de rivier evenals overhangende wortels, tot de wortel uittrekken en afvoeren van de waterkruiden, openmaken van sloten en grachten die naar de rivier leiden. Kreupelhout, tronken en bomen die te dicht bij het rivierbed zijn geplant, moeten verwijderd worden. In de 19de eeuw baarde ook de ontoereikende diepgang en afvoercapaciteit van beide Netes zorgen. Daarenboven zorgde langdurige regenval voor waterellende. Verschillende zijloopjes van de Kleine Nete werden aaneengeschakeld om de valleigronden beter te draineren. Zo werd de Nijlense Beek verbonden met de Kattebeek die aan de voet van de Kleine Netedijk liep.

Uiteindelijk werd beslist de rivier te kanaliseren in verschillende fasen. Vanaf 1830 werd het deel tussen Lier en Herentals (1837-1839) gekanaliseerd. Er werden ook een aantal meanders weggewerkt maar het bleef echter een problematisch en lang traject dat enkel bevaarbaar was voor korte platbodems. Deze ingrepen tegelijk met de verbetering van de waterafvoer zorgden voor een toename in getijamplitude. Om deze toename van water te beheersen werden dijkwerken uitgevoerd en nam de overstromingsfrequentie in de vallei af. In een tweede fase (1846) werd het Kempisch Kanaal tussen Herentals en Bocholt gerealiseerd, wat het traject verkortte en de doorgang van grotere schepen mogelijk maakte. Deze voorloper van het Albertkanaal markeerde toen het begin van het bevaarbare deel van de Nete. Langs de Kleine Nete werden op beide oevers dijken en jaagpaden aangelegd. Als derde fase werd in 1856 de verbinding gemaakt tussen de gekanaliseerde Nete en het kanaal Herentals –Bocholt.

De kanalisatie van de Kleine Nete in de 19de eeuw ging gepaard met de oprichting van zes sluizen. De sluisconstructies bestonden telkens uit twee parallelle rivierarmen met een schutsluis met hefbrug op de ene oever en een brug met balkenstuw op de andere oever. Bij elke sluis werd op het eilandje tussen beide rivierarmen een woning voor de sluiswachter opgetrokken. Van de zes sluizen liggen het voormalige Tweede en Derde Sas binnen de ankerplaats. Het Tweede Sas lag oorspronkelijk aan Mol-ter-Nete maar werd afgebroken toen het zijn functie verloor. Vermoedelijk was ter hoogte van deze sluis ook een meetpunt of pegel (‘blauwe steen’) die de bij wet opgelegde diepte aangaf. Een stevige stenen brug is de enige constructie die nog zeker rest van het Tweede Sas. Deze brug werd opgericht rond 1850 ter vervanging van een wad dat met de kanalisatie van de Kleine Nete was afgeschaft. Toponiemen zoals Molenbroek en Molenvaartjen kunnen aanwijzingen zijn voor een molen op deze locatie. De oudste vermeldingen dateren uit de 14de eeuw maar concrete aanwijzingen ontbreken tot nu toe. Aan het eilandje van het Tweede Sas ligt ook nog een sasje met houten bodem dat mogelijk deel uitmaakt van een oud sas. De sluis van het Derde Sas lag oorspronkelijk op de Nete maar mettertijd werd de loop van de Nete verlegd, zodat de sluis aan een dode zijarm kwam te liggen en in onbruik geraakte. Er liep er een karrenspoor met wegel ernaast dwars door de Netevallei tot aan het Derde Sas. Aan het Derde Sas is de saswachterswoning met de sluiskom en de stuwinstallatie beschermd als monument. De stuw betreft een typevoorbeeld van een 19de-eeuwse brugstuw met nog een deel van de oorspronkelijke deuren en leuningen bewaard. De sluiskom is voorzien van muren in natuursteen met inkervingen (peilmerktekens) ter aanduiding van het waterniveau. De bijhorende woning dateert uit het midden van de 19de eeuw. Het gaat om een vrijstaand bepleisterd breedhuisje met ten zuidoosten een bakhuisje. Het perceel van de saswachterwoning wordt omzoomd door een monumentale bomenrij van zomereik. Ter hoogte van het sluiscomplex is ook het pad langs de Kleine Nete langs weerskanten afgeboord met een eikenrij. Naar het einde van de 19de eeuw onderging de bedding van de Kleine Nete nog weinig veranderingen met uitzondering van het doorsteken van de meander te Hooidonk, ter hoogte van het Derde Sas. De kanalisatiewerken zorgden voor een korte opflakkering van het scheepvaartverkeer in de 19de eeuw, maar desondanks ging de binnenscheepvaart stelselmatig achteruit en verdween uiteindelijk volledig van de Kleine Nete.

De rivier zelf had een sterk meanderende loop en telde verschillende oversteekplaatsen. In de 18de eeuw lagen van het veer tot Grobbendonk negen doorwaadbare plaatsen of wadden op de Kleine Nete. Op deze plaatsen was de rivier minder diep zodat men al naargelang de waterstand boerenkarren een gemakkelijke doorgang kon verlenen naar Pulle, Viersel of Grobbendonk. Langs beide oevers werden vaak wachthuisjes of cafés opgericht waar men het laagtij kon afwachten. Vermoedelijk was het ook langs deze lagergelegen plaatsen dat regelmatig de aanleunende weilanden onder water werden gezet. Toponiemen zoals ‘Kay gewat’ en ‘Buvels gewat’ verwijzen naar deze oversteekplaatsen (wad). Ook de huidige Laureys Gewatstraat herinnert nog aan dit gebruik en leidt naar zo’n vermoedelijke doorsteek aan de rivier. Het kanalisatieproces van de Kleine Nete leidde tot de afschaffing van de wadden maar de vervangende bruggen lieten soms lang op zich wachten. Zo moest Nijlen herhaaldelijk aandringen op de bouw van twee bruggen stroomafwaarts ter hoogte van het Tweede en Derde Sas. Bovendien werden de dijken niet meteen verhoogd zodat de weilanden langs de Kleine Nete lange tijd met overstromingen te kampen hadden. In 1883 werd ter hoogte van de centrale oversteekplaats tussen Nederviersel en Nijlen aan de Kleine Nete een nieuwe veerpont ingericht, ter vervanging van het wad dat bij de kanalisatie van de Kleine Nete was verdwenen. Tegelijk werd hier het veerhuis ‘Op de Overzet’ opgericht. De wadden oefenden echter een remmende werking uit op de rivier omdat de waterloop hier kunstmatig werd versmald en ondiep gehouden wat de scheepvaart bemoeilijkte.

In 1928-1929 werd het Albertkanaal aangelegd met incorporatie van een deel van het Kempisch Kanaal. Door het sifoneren van de Kleine Nete onder dit kanaal werd de vaarroute richting Herentals verbroken zodat de Kleine Nete geen betekenis meer had voor de scheepvaart. Bovendien werd door de aanleg van dit kanaal het bekken van de Kleine Nete in tweeën gesneden. Met de voltooiing van het Albertkanaal in 1939 werd dit deel van de gekanaliseerde Kleine Nete buiten dienst gesteld. De Kleine Nete had vanaf dan enkel nog een waterafvoerende functie waardoor de aanwezige scheepvaartinfrastructuur overbodig werd. De aanleg van het Netekanaal dateert eveneens uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Dit kanaal loopt min of meer parallel met de rechteroever van de Kleine Nete en wordt ter hoogte van Viersel gevoed met water vanuit het hoger gelegen Albertkanaal. Hierdoor wijzigde de loop van de Kleine Beek en Kleine Pulsebeek. De Kleine Pulsebeek werd afgeleid, rechtgetrokken en onder het Netekanaal naar de Kleine Beek geleid. De nieuw gegraven loop ligt als een langsgracht aan de voet van de dijk van het Netekanaal. De Kleine Beek werd deels verlegd naar een nieuw gegraven rechte loop. Bij de aanleg van de E313 eind jaren 1950 werd de Kleine Beek via een duiker onder het talud van de autostrade geleid. Dit deel van de Netevallei geraakte ingesloten tussen de Nete, het Albertkanaal en het Netekanaal met een ontwikkelingsstop tot gevolg. Het gehucht Nederviersel werd gescheiden van Viersel en Vierseldijk zodat de bewoning hier eveneens stagneerde.

Landgebruik en bewoning

Archeologische vondsten uit verschillende periodes wijzen erop dat het valleigebied van de Kleine Nete en de zandige opduikingen intensief werden bewoond en gebruikt in het verleden. Aanvankelijk kwamen vooral natuurlijke hoogten als rivierduinen en oeverwallen in aanmerking als woonplaats, al dan niet verder opgehoogd. Het nederzettingspatroon houdt nauw verband met het water zodat de beekdalen en alluviale gebieden het hoogste potentieel bevatten voor archeologische vindplaatsen uit alle perioden en in het bijzonder uit de prehistorie. De alluviale context biedt bovendien perspectieven op gunstige bewaringsomstandigheden van archeologische sites.

In de alluviale vlakte van de Nete zijn een aantal hoger gelegen zones aanwezig die niet bedekt worden door alluvium. Het gaat om zogenaamde donken van pleistocene eolische oorsprong. Op deze ruwweg oost-west georiënteerde zandruggen werden talrijke steentijdsites gelokaliseerd. Het gaat in hoofdzaak om oppervlakteconcentraties van lithische artefacten uit neolithicum en mesolithicum waaronder werktuigen zoals zoals schrabbers, klingen en pijlpunten. Naar aanleiding van een melding van oppervlaktevondsten werd in 2007 een evaluatieopgraving uitgevoerd waarbij twee duidelijke vondstenconcentraties werden aangesneden. Beide vondstenensembles konden gelieerd worden aan de aanwezigheid van een paleosol gekenmerkt door een uitgeloogde zandige horizont. De eerste concentratie betreft artefacten in Wommersomkwartsiet uit het laatmesolithicum die zich op de rand bevonden van een fossiele geul. Het tweede vondstenensemble bestaat uit vuurstenen werktuigen die uit het laat- of finaalpaleolithicum dateren. In het gebied bevinden zich eveneens nog bedekte vindplaatsen die te associëren zijn met paleobodems of fossiele geulen onder het aanwezige alluvium.

Naast de talrijke vondsten uit de steentijd werd in 1967 langs het Netekanaal, op de oever van de Kleine Pulse Beek, ook een concentratie artefacten uit de late bronstijd aangetroffen. Het zogenaamde ‘bronsdepot van Pulle’ betrof fragmenten van zwaarden en lanspunten in brons. Overige archeologische vondsten uit de metaaltijden in de onmiddellijke omgeving van het studiegebied wijzen op een duidelijke menselijke aanwezigheid in deze periode. Hoewel de Romeinse vondsten in het gebied tot nu toe beperkt blijven tot een losse vondst van een Romeinse munt, moet toch rekening gehouden worden met de nabijgelegen vicus van Grobbendonk die ongetwijfeld een belangrijke impact heeft gehad. Vermoedelijk was de Kleine Nete in de Romeinse periode ook al bevaarbaar tot in Grobbendonk. Recent onderzoek in de regio heeft aangetoond dat de Antwerpse Kempen een aanzienlijke vroegmiddeleeuwse bewoning heeft gekend. Naar de volle middeleeuwen toe bleef de bewoning niet beperkt tot de vruchtbare dekzandruggen maar werden ook de meer natte alluviale beekvalleien uitgekozen als nederzettingsareaal. Veldprospectie in de jaren 1980 op akkerpercelen ter hoogte van Nederviersel leverde enkele concentraties middeleeuws aardewerk op die mogelijk een laatmiddeleeuwse bewoningssite vormen. De vele vondsten in het studiegebied of in de nabije omgeving tonen aan dat het volledige gebied als archeologisch belangrijk mag beschouwd worden. Plaggenbodems zijn daarenboven archeologisch belangrijk omdat ze diepere archeologische sporen hebben afgedekt waardoor deze potentieel goed bewaard zijn gebleven.

Het oorspronkelijk natuurlandschap dat overwegend uit bos bestond was tegen de 13de-14de eeuw grotendeels verdwenen. De grote middeleeuwse ontginningen waren verantwoordelijk voor het verdwijnen van het volledige bosareaal maar hadden ook een manifest effect op het riviersysteem. Het regelmatige rivierregime werd ontwricht en er ontstond een overstromingsrivier die het grootste gedeelte van de alluviale vlakte innam. Oorspronkelijk vormden de beemden binnen de winterbedding van de Kleine Nete een natuurlijk waterbergingsbekken. In de zomer stonden de beemden in dienst van de hooiwinning vermits het grasland dankzij de overstromingen een kwalitatief en kwantitatief hoge opbrengst opleverde. Aan de rand van de beemden waren houtkanten opgericht voor hakhout om het gebrek aan hout op te vangen. Reeds vanaf de 14de eeuw trachtte men de gronden op de oevers van de rivier te vrijwaren van overstroming door allerhande waterwerken (onder andere het bouwen van sluizen). Vooral tijdens de wintermaanden stonden de landerijen langs de oevers van de Nete blank. Door de bedijking van de Kleine Nete werd de laaglandbeek grotendeels losgekoppeld van haar vallei waardoor het natuurlijk regime van overstroming en afvoer werd verstoord.

Toponymische aanwijzingen voor het historisch grondgebruik in de vallei van de Kleine Nete maken melding van broeken, meersen of beemden. Dit waren de drassige alluviale gronden langs de rivier die als hooiland werden ingericht. Reeds in de 15de eeuw is er sprake van het ‘Molenbroek’. Dit toponiem leeft door tot in de 19de eeuw en slaat op de graslanden ten noorden van Mol-ter-Nete. Een ordonnantie van hertog Philips uit 1447 vermeldt de beemden ten noorden van Lier die grote schade hebben ondervonden ten gevolge van overtollig water. Het Kerkarchief van Nijlen bevat een akte uit 1596 waarin sprake is van een perceel weiland in het ‘ghebroeckt’ te Nijlen. Een kaartboek van de Sint-Bernardusabdij uit 1646 vermeldt beemden aan de noord- en zuidzijde van de Nete ter hoogte van de ‘Balsaert’ en de ‘Nieuwe Bemden’. Daarenboven bezat de abdij visrechten in de Nete. Een figuratieve kaart van een Nijlense hoeve van de Abdij van Tongerlo uit 1719 situeert vlakbij de Kleine Nete meerdere percelen ‘hoeywas’ en ‘weyde’ waarvan het merendeel met houtkanten omgeven. Een tweede kaartje uit 1744 maakt melding van twee percelen ‘bempt’ in het Varendonkbroek waarvan een in het bezit van de Heilige Geest van Nijlen en een ander van de abdij van Nazareth. Deze percelen grasland grensden aan de Oude Nete en op de kaart is ook te zien dat de hoeken van één perceel gemarkeerd zijn met een houten paal. De Sint-Michielsabdij te Antwerpen vermeldt in een kaartboek uit 1788 twee beemden genaamd de ‘Balsaerden’ op de rechteroever van de Kleine Nete. De perceelsgrenzen worden gemarkeerd met beplanting. De Sint-Bernardusabdij van Hemiksem bezat sinds de 13de eeuw in Grobbendonk de Hoeve Ter Vloet. Het 17de-eeuws kaartboek van de abdij toont verschillende percelen ‘Bemt’ op de rechteroever van de Kleine Nete. Er is ook sprake van een perceel genaamd de ‘Beverdoncq’ dat ingekleurd staat als weiland maar ook een bebost deel ‘hey’ omvat. Alle percelen zijn afgeboord met hagen om de percelen van elkaar te scheiden.

Op de kaart van de abdij van Tongerlo uit 1719 is er ook sprake van ‘ghemeyn broeck’ en ‘ghemeyn bemden’ wat wijst op het principe van de gemene weide waarop gebruiksrechten golden voor de dorpsbewoners. Na de hooioogst waren deze gronden nog algemeen toegankelijk voor het vee van het dorp (nabegrazing). Op de drassige natuurlijke weilanden bleven vaak tot in de 19de en zelfs 20ste eeuw vele gemeenschapsrechten gelden. Een ander type graslanden waren de vloeimeersen die ‘s winters overstroomden en dankzij het vruchtbare slib een bijzonder rijke hooiopbrengst leverden. Een systeem van grachten die op korte afstand parallel aan elkaar liepen en in verbinding stonden met een waterloop maakte in heel de Netevallei mogelijk om hooilanden te bevloeien met nutriëntenrijk beekwater. Het Viersels Gebroekt is een voorbeeld van dergelijke specifiek ingerichte vloeibeemden. Ook de Molenbeek en de Kleine Beek stroomden te midden van uitgestrekte hooilanden. Een 18de-eeuws kaartboek van het Bisdom van Antwerpen toont een aantal weiland die gepacht werden te Pulle. Het gaat om een perceel beemd in ‘vierselbroeck’ op de rechteroever van de Kleine Beek. De omliggende percelen zijn bezit van onder andere de kerk van Viersel en de heer van Massenhoven. Het kaartboek van het Bisdom Antwerpen bevat enkele schetsen uit 1771 van percelen beemd grenzend aan de Kleine Beek, in het Uitgaans Gebroekt onder Viersel. Aangrenzende percelen waren in het bezit van de abdij van Tongerlo.

Volgens de Kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778) bestond de vallei van de Kleine Nete nagenoeg volledig uit moerassig hooiland omgeven door opvallend veel houtkanten. Verspreid komen stukken bos met kreupelhout voor. Net zoals de graslanden zijn deze percelen afgebakend met hagen. De groene corridor langs de rivier werd geflankeerd door nederzettingen en akkercomplexen die geclusterd lagen op de drogere zandgronden aan de rand van de vallei. De ankerplaats ligt ingesloten tussen de dorpskernen van Viersel en Nederviersel, Grobbendonk met Eisterlee en Bouwel en Nijlen. Aansluitend bij de nederzettingen op de hoger gelegen droge gronden of donken lagen een aantal grote hoeves ingeplant op de overgang naar de natte beekvallei. Op de Ferrariskaart liggen deze boerderijen te midden van een omhaagd akkercomplex met aansluitend hooilanden in de beekvallei. De nadruk lag op hooilanden en kleinschalige akkers.

Viersel wordt in archiefbronnen vermeld in de 12de eeuw wanneer er sprake is van hoeven die in erfpacht worden gegeven aan de abdij van Tongerlo. Aan de Vierseldijk lag de heerlijkheid van Hovorst. Viersel zelf behoorde tot het kwartier van Zandhoven. Nederviersel was ingeplant op de rand van de Pulse Heide en de beekvallei en behoorde tot Pulle waar de abdij van Nazareth een belangrijke tiendeheffer was. Een kaart uit 1744 toont de voormalige Varendonckhoeve en bijhorende gronden in het bezit van deze abdij. Mogelijk was deze hoeve gelegen in het Varendonks gebroekt in Nijlen. De Varendonkhoeve telde een groot aandeel grasland bestaande uit weide en beemden. Nog verder weg van de vallei, op de hoger gelegen gebieden, lagen de uitgestrekte heidegebieden zoals de Pulse Heide en de Sint-Lambrechtsheide maar deze stonden onder ontginningsdruk vanuit de dorpen en gehuchten. De arme zandbodem in de Kempen werd geschikt gemaakt voor landbouw door middel van plaggenbemesting. Afgestoken heidezoden dienden als strooisel in de potstal en werden na de winter als akkermest gebruikt. Omdat deze graszoden ook zand bevatten werd de bodem geleidelijk opgehoogd wat resulteerde in de kenmerkende plaggenbodems. De oudste vermelding van Nijlen dateert uit 1145 in een document van de abdij van Tongerlo. De norbertijnerabdij van Tongerlo werd in Westerlo gesticht circa 1130. In Nijlen had de abdij tiendrecht en een aantal cijnsgoederen. Daarenboven bezat de abdij zowel in Nijlen als Viersel een aantal hoeven, weiden, landerijen en bossen die deel uitmaakten van de receptura Lier. Vanaf de 14de eeuw werden de gronden van de abdij als cijnsgronden uitgegeven met de verplichting ze in cultuur te brengen. Andere belangrijke grondeigenaars naast de abdij van Tongerlo waren de pastorij en kerkfabriek van Nijlen, de Gods- en Gasthuizen van Lier, het kapittel van Sint-Gummarus in Lier en het kapittel van Sint-Rombouts in Mechelen. Grobbendonk wordt voor het eerst in de bronnen vermeld circa 1000, als het oorspronkelijke Ouwen. De aanwezigheid van een Romeinse vicus en een aantal vroegmiddeleeuwse vindplaatsen wijzen echter op een vroege oorsprong van het dorp. Een deel van de gronden was in handen van de Sint-Bernardusabdij die hier gesticht werd in de 13de eeuw. De naam van het gehucht Eisterlee verwijst naar de oorspronkelijke bebossing die in de loop van de volle middeleeuwen gerooid werd in functie van de landbouw. Via de Eisterleese Beek werd het overtollig water van de hoger gelegen gronden naar de Eistelse beemden geleid en van daar naar de Kleine Nete. De Netevallei werd ingenomen door natuurlijke graslanden en velden met houtkanten.

De droge opduikingen of donken in de vallei vielen op door hun afwijkend grondgebruik en zijn vaak nog overgeleverd in de toponymie. Zo lag tussen de Kleine Nete en de Kleine Pulse Beek een cluster (loof)bospercelen. Op Hooidonk, een zandige opduiking net ten zuiden van de Kleine Nete werden twee hoeves (‘Kleyn Elsendonck’ en ‘Elsendonck’) ingeplant waar ze een klein eiland vormden van akkers omsloten door natte graslanden. Ten zuiden van de Kleine Beek (oorspronkelijk de ‘Streyd Beek’) lag eveneens een zandige zone die op de Ferrariskaart ingekleurd staat als (kreupel)bos. Het toponiem ‘Vaerheuvel’ wijst ook op een reliëfverschil. Aansluitend bij de dorpskern van Viersel lagen zones akkerland tot tegen de Molenbeek, op de huidige topografische kaart ter hoogte van het toponiem ‘Bergen’. Op de Ferrariskaart zijn ten noorden van de Kleine Nete weinig wegen zichtbaar. Vanuit Nederviersel vertrekt een door een bomenrij geflankeerde weg richting de Kleine Pulse Beek en de omliggende meersen. Iets meer naar het westen loopt een onverharde weg vanaf de huizen richting de beboste opduiking; aan de overzijde van de Kleine Pulse Beek gaat dit pad over in een (onverharde) weg met bomenrij. Vanuit Viersel loopt een weg met bomenrij zuidwaarts en gaat over in een onverharde weg of wegel die doorloopt tot aan de Kleine Beek en de beboste zone. Ten zuiden van de Kleine Nete lopen vanuit de dorpen en gehuchten enkele onverharde wegen richting de rivier. De hoeves die ingeplant liggen op de drogere donken vlakbij de Nete zijn bereikbaar via een weg met aan elke kant een bomenrij.

De figuratieve kaart uit het kaartboek van de abdij van Tongerlo uit 1719 vermeldt een perceel ‘den heuvel oft schoutigen bos met struucken beplant’. Het perceel de ‘Rot bemdt’ herinnert aan vroegere rooiingsactiviteiten. De leggers bij de Poppkaart van Nijlen en Viersel (1842) vermelden naast de talrijke percelen hooiland ook regelmatig percelen hakhout en zelfs ‘mastbosch’. Ook op latere topografische kaarten worden verspreid in de Netevallei kleine beboste percelen aangeduid. Deze stemmen grotendeels overeen met kleine vlekken nat en vochtig zand in de overwegend natte zandleembodem. In 1772 bepaalde een ordonnantie van Maria-Theresia de verkoop en agrarische valorisatie van alle woeste gronden. In navolging van deze ordonnantie ging de abdij van Tongerlo vanaf 1779 zich hoofdzakelijk toeleggen op het aanplanten van dennen in het kader van de ontginningspolitiek van de centrale overheid. De grootste transformatie van het open heidelandschap naar uitgestrekte dennenbossen gebeurde pas in de 19de eeuw. De grote heidegebieden werden tijdens de Franse Revolutie gemeentebezit en vervolgens doorverkocht. De wet van 1847 verplichtte de gemeenten om hun gemene gronden ofwel zelf te ontginnen ofwel te verkopen met ontginningsverplichting voor de nieuwe eigenaars. Ook het uitvoeren van drainerings- en irrigatiewerken werd van overheidswege gestimuleerd. Om aan de stijgende vraag naar brandstof en stut- en bouwmateriaal te voldoen, werd op de hogere en droge plaatsen massaal naaldbos aangeplant. Zo zorgde een grootschalige bebossingscampagne in de loop van de 19de eeuw ervoor dat de Sint-Lambrechtsheide een uitgestrekt naaldboscomplex wordt met een strakke systematische indeling in vierkante loten. Waar dit bebost gebied aan de beekvallei grenst is er een lichte uitbreiding van het aantal bospercelen ten koste van grasland.

De topografische kaarten van midden 19de eeuw bevestigen het beeld van de Netevallei als een aaneenschakeling van grasland met enkele verspreide bospercelen. Er zijn wel meer tekenen van intensieve landbouw. Zo vormt Hooidonk met de ‘Klein Elsendonck Ferme’ een uitgesproken landbouw-/akkerzone te midden van graslandpercelen. De Kleine Beek wordt op de kaart van Vandermaelen (1846-1854) aangeduid als ‘Petit Bernaert’. Tussen de Kleine Beek en de Molenbeek wordt een uitgebreid grachtenstelsel getoond. Dit netwerk van sloten verzorgt de waterhuishouding in de graslanden waar nog steeds een groot aandeel houtkanten aanwezig is.

Tussen eind 19de en midden 20ste eeuw nam het aandeel grasland toe ten koste van voormalige akkers, hooilanden en beemden. Op de te vochtige gronden werden vaak populieren geplant waardoor meer gesloten landschappen werden gecreëerd. Het grondgebied in de beekvallei bleef in de 20ste eeuw overwegend grasland. De verspreide bospercelen werden geleidelijk aan omgezet in akker- of grasland. Ontwateringsgrachten zorgden voor de afvoer van regenwater naar de Kleine Nete. Toch was er ook in de 20ste eeuw sprake van langdurige overstromingsellende in de wintermaanden. Overstromingen en dijkdoorbraken waren het gevolg van een te grote aanvoer van water dat in de lagergelegen gebieden onvoldoende kon afgevoerd worden. Door de kanalisatie van de Kleine Nete werd bovendien de verbinding tussen hooilanden en de rivier verbroken wat het einde betekende van het tot dan gehanteerde bevloeiingssysteem. Vermoedelijk bleef het bevloeien van hooilanden een algemeen gebruik tot kort voor de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog werden de beemden zowel langs de Grote als de Kleine Nete blank gezet om de opmars van de vijandelijke troepen tegen te houden. Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog werden tussen akkers en weilanden kleine bosjes met een laag rendement aangeplant.

In de jaren 1960 trad een duidelijke vernatting op in de Netevallei en langs de Molenbeek in het Viersels Gebroekt. Veel graslanden hadden te kampen met wateroverlast, mogelijk een gevolg van slechte drainage. Er was ook sprake van een lichte uitbreiding van de bospercelen maar het overwicht van grasland bleef behouden. Het aandeel bomenrijen en houtkanten kende echter een sterke achteruitgang ten gevolge van de intensivering en schaalvergroting (samenvoegen van percelen) van de landbouw in de jaren 1970 en 1980. Omdat de natste valleigedeelten minder interessant waren voor de steeds grootschaliger wordende landbouw, werd het systeem van kunstmatige bevloeiing in de tweede helft van de 20ste eeuw stopgezet. Vermoedelijk werden veel voormalige bevloeiingsgrachten uitgediept tot drainagegrachten om de grondwatertafel in het valleigebied te doen dalen. In de jaren 1970 werd een pompinstallatie met afvoerkanaal naar de Kleine Nete geïnstalleerd waardoor ook bij laagtij afwatering mogelijk is. De gestage uitbreiding van de bewoning zorgde ervoor dat de landbouwactiviteiten verdrongen werden naar de vaak te vochtige gebieden langs de rivier. Noodgedwongen werd overgeschakeld van akkerbouw op veeteelt en de hooilanden werden omgevormd tot productief weiland. Dichtbij de Kleine Nete werden hier en daar populierenbosjes aangeplant. In de jaren 1950-1960 werden recreatieve visputten aangelegd op beemden die voordien als hooiland werden gebruikt. In het zuidwesten, tegen de brug over de Kleine Nete, ging dit gepaard met de oprichting van koterijen en verbossing van de vallei. In de laatste 50 jaar is de akkerbouw in het gebied toegenomen tot tegen de Nete-oevers. Ter hoogte van het Derde Sas geraakte de sluis in onbruik doordat deze aan een dode zijarm kwam te liggen. Verschillende van de afgesneden meanders vervaagden en werden opgenomen in het graslandareaal. Het open water verdween en de contouren zijn niet langer zichtbaar. De autostrade E313 werd aangelegd dwars door Nederviersel zodat de noordelijke helft van dit gehucht volledig geïsoleerd kwam te liggen.

Huidig landschap

Vandaag vormt de Netevallei nog steeds een laaggelegen en open gebied met zacht golvend reliëf. Uitzonderingen zijn de zandige donken ten zuiden van de Kleine Nete die lichte verhevenheden vormen van enkele meters. Het landschap wordt gedomineerd door de gekanaliseerde Kleine Nete. In vergelijking met andere rivieren lijkt het meanderend verloop van de bevaarbare Nete beter bewaard te zijn gebleven. Het constant blijven van het meanderend karakter van deze waterloop kan te wijten zijn het ontbreken aan de economische noodzaak hiervoor anderzijds. Het kleiner aantal doorgestoken meanders in de Netevallei wijst eerder in de richting van een gebrek aan voldoende economisch nut. Ook de overige waterlopen in het gebied hebben hun natuurlijke loop grotendeels bewaard en worden gekenmerkt door een slingerend karakter en natuurlijke vegetatierijke oevers. Restanten van de oude hermeandering zijn nog beperkt aanwezig langsheen het traject van de Kleine Nete. Zo liggen naar het Derde Sas toe enkele afgesneden meanders die ondanks de verslibbing en verlanding nog deels herkenbaar zijn. Ook vlak tegen het Netekanaal vormt een sloot het relict van de Kleine Beek die vroeger meanderde in Varenheuvel. Ten noorden van de Kleine Nete wordt de loop van de Oude Nete nog gemarkeerd door een eenvoudige sloot en begeleidende beplanting. De morfologie en structuur van de waterlopen is sterk gewijzigd ten gevolge van herhaalde indijkingen, rechttrekkingen, het afsnijden van meanders, oeververstevigingen enzoverder. Hierdoor is bovendien een belangrijk deel van de natuurlijke bergingscapaciteit verloren gegaan. Veel beken worden geflankeerd door ruimingswallen opgebouwd uit ruimingsspecie. Hierdoor wordt de relatie tussen waterloop en vallei verstoord. De waterlopen worden gekenmerkt door een rijke biodiversiteit met talrijke watervogels, zeldzame vissoorten en natte flora. Verschillende Rode Lijst-soorten zoals pijlkruid en slangewortel zijn aanwezig. Langs de kleinere waterlopen is er eerder sprake van nutriëntenrijke vegetatie.

De beekvallei bestaat uit een aaneenschakeling van graslanden, venige moerassen, struwelen, broekbossen en concentraties akkerland. De belangrijkste concentraties grasland liggen aan weerszijden van het Netekanaal en in het oosten van de ankerplaats, ter hoogte van de Kleine Pulse Beek en Hooidonk. Het gaat in hoofdzaak om soortenarme (al dan niet verruigde) graslanden met glanshaver, ruw beemdgras en Engels raaigras. Toch zijn er ook soortenrijke graslanden, vooral ter hoogte van Varenheuvel en Viersels Gebroekt. De percelering is nagenoeg ongewijzigd gebleven sinds het primitief kadaster. Verspreid komen langs perceelsgrenzen nog restanten voor van het vroegere netwerk van kleine landschapselementen. In het valleigebied herinneren talrijke onverharde wegels, perceelsgrenzen etc. aan het vroegere netwerk van wegen en paden dat het meersengebied toegankelijk maakte vanuit de omliggende gehuchten en boerderijen. Deze relicten getuigen van het intensief gebruik en de inrichting van de graslanden in de 18de en 19de eeuw. De meerderheid van de bospercelen zijn jonge aanplanten of populierenbos. Rond de meander in het oosten ligt een ouder eikenbosje. In het Viersels Gebroekt zijn het netwerk van sloten in functie van de bevloeiing nog deels herkenbaar. In dit gebied liggen bovendien nog relicten van dotterbloemgrasland. Sinds de jaren 1950 werden in de Netevallei echter veel beemden verlaten en trad er verruiging op. Deze percelen evolueerden naar voedselrijke ruigten met moerasspirea, vochtige wilgenstruwelen en broekbossen. In de vallei liggen verspreid percelen met alluviaal elzen-essenbos, aanplanten (populier-naaldhout) en spontane houtige opslag (berk-boswilg). Een aantal populierenbosjes zijn geëvolueerd naar broekbos met gedegradeerde populieren. Tussen het Netekanaal en de Kleine Nete werd een perceel opgehoogd met afbraakpuin en afgedekt met een laag teelaarde. Door de grote habitatvegetatie heeft de Netevallei een belangrijke avifaunistische waarde voor trek- en watervogels zoals wintertaling en blauwe reiger. De regelmatige winteroverstromingen in het stroomgebied van de Kleine Nete en voornamelijk het Viersels Gebroekt maken dit gebied ook zeer aantrekkelijk voor eenden en steltlopers met onder andere de watersnip. Het valleigebied herbergt ook talrijke moeras- en waterminnende planten zoals moerasdistel en lange ereprijs. De Kleine Netevallei kent zo een hoge concentratie van zomerklokje waarvan de aanwezigheid sterk gebonden is aan de getijdeninvloed. De verspreiding in Vlaanderen van verschillende zogenaamde moerasnachtvlinders is beperkt tot de Kleine Netevallei. Sinds 2012 werden in de Kleine Netevallei bevers waargenomen wat gepaard gaat met de constructie van dammen en wateropstuwing.

Binnen de ankerplaats zijn nog verschillende landbouwbedrijven actief. De historische akkercomplexen op de drogere donken in de vallei zijn vaak uitgebreid tot aan de Netedijk. Enkele van de hoger gelegen ruggen worden als maïsakkers gebruikt. De aanwezigheid van plaggenbodems ter hoogte van Paddekoten, Bist en Paashoek herinnert nog aan het vroeger landbouwsysteem. Van een aantal hoeves op de rand van de beekvallei is de oorspronkelijke huiskavel en configuratie bewaard. Ten zuiden van de Kleine Nete ligt de Scheidsbroeckhoeve die op de 19de-eeuwse topografische kaarten aangeduid staat als Ferme Brabants. Het gaat om een voormalige hoeve met woonstalhuis, parallelle schuur en aarden erf die in kern opklimt tot de 18de eeuw. Ten noorden ligt een hoogstamboomgaard. Ten zuidwesten van de hoeve vormt een rij eiken een relict van de vroegere omgrachting die nog tot midden 20ste eeuw zichtbaar was. Op Hooidonk weerspiegelen de toegangsweg en de inplanting van de gebouwen vandaag nog de historische situatie. De historische overgang tussen de hoger gelegen woonkernen en de lagergelegen onbebouwde beekvallei is nog steeds herkenbaar. Rondom de dorpen liggen akkercomplexen en weilanden met relicten van kleine landschapselementen wat dit gebied een kleinschalig en landelijk karakter geeft. Vermits de dorpskernen zich ontwikkeld hebben op de hoger gelegen zandgronden, bleven de beekvalleien grotendeels gevrijwaard van bebouwing en konden zich gebieden ontwikkelen met een hoge natuurwaarde. Moderne infrastructuurwerken zijn beperkt gebleven. Ten zuiden van de Kleine Nete werd een waterzuiveringsstation ingericht en ter hoogte van de vroegere overzet over de Nete is een fietsbrug geplaatst. De oorspronkelijke valleiovergangen zijn op veel plaatsen vervaagd ten gevolge van intensiever bodemgebruik tot in de vallei. Zowel het Netekanaal als de Kleine Nete zijn voorzien van verharde dijkpaden die het gebied goed toegankelijk maken voor recreatie. De Netedijk wordt beschouwd als een van de meest soortenrijke vegetaties in het gebied. Zowel langs de dijken van de Kleine Nete als het Netekanaal liggen glanshavergraslanden. Het huidige polderbeheer onderhoudt de waterlopen en duikers met het oog op een vlotte waterafvoer in functie van de landbouwactiviteiten. Vanop de dijken zijn er zichten op de uitgestrekte graslanden en de omliggende dorpskernen.

  • Informatie verkregen van Erwin Meylemans m.b.t. archeologie (2014).
  • Informatie verkregen van Frieda Bogemans m.b.t. fysische geografie (2014)
  • Informatie verkregen van Jasmine Michiels, Sofie Duytschaever en Dirk Artois, Erfgoedconsulenten Landschappen, Onroerend Erfgoed Antwerpen (2014).

  • De Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van Jozef Jean François de Ferraris, opgesteld tussen 1770-1778, schaal 1:11.520. Koninklijke Bibliotheek van België, http://www.kbr.be/collections/cart_plan/ferraris/ferraris_nl.html.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven tussen 1845-1855, schaal 1:20000
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven tussen 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Krijgsdepot: Eerste editie uitgegeven tussen 1865-1880, schaal 1:20.000. Herziening, Militair Cartografisch Instituut: tweede uitgave, 1880-1884, derde uitgave 1889-1900 en herziening derde uitgave 1900-1930, schaal 1:20.000. (Lemoine-Isabeau, 1988)
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven tussen 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven tussen 1949-1970, schaal 1:25.000.

  • BAEYENS L. 1976: Bodemkaart van België, Verklarende tekst bij het kaartblad Lier (44W), Gent.
  • BAEYENS L. 1988: Bodemkaart van België, Verklarende tekst bij het kaartblad Berlaar (44E), Gent.
  • BATEN I. & HUYBRECHTS W. 2002: De Historische bedding van de bevaarbare Nete, Brussel.
  • CAETHOVEN W. 2009: “De Kleine Nete en Sas 2 …”, De Poemp 63, juli-augustus-september, 3-8.
  • CAETHOVEN W. 2009: “Nijlen vroeg twee bruggen over de Kleine Nete”, De Poemp 64, oktober-november-december, 14-15.
  • DENIS J. 1992: Geografie van België, Brussel.
  • GOETSCHALCKX P. J. 1897-1899: Geschiedenis van Grobbendonk, Hoogstraten.
  • GOOLAERTS S. & BEERTEN K. 2006: Toelichting bij de Quartairgeologische Kaart. Kaartblad 16 (Lier), Leuven.
  • GOOSSENS D. 1984: Inleiding tot de geologie en geomorfologie van België, Enschede.
  • GORIS J.-M. 2001: Een kaartboek van de Abdij Tongerlo 1655-1794, Cartografische en Iconografische bronnen voor de geschiedenis van het Landschap in België 5, Algemeen Rijksarchief, Brussel.
  • GORIS, J.-M., PERSOONS E. & VAN DER HAEGEN H. 2003: Een kaartboek van de Sint-Michielsabdij Antwerpen 1640-1793, Cartografische en Iconografische bronnen voor de geschiedenis van het Landschap in België 7, Algemeen Rijksarchief, Brussel.
  • HOFKENS E. & ROOSENS I. (eds.) 2001: Nieuwe impulsen voor de landschapszorg. De landschapsatlas, baken voor een verruimd beleid. M&L Cahier 5. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Bestuur Monumenten en Landschappen, Brussel.
  • HOUTMAN E. 2005: Een kaartboek van de Sint-Barnardsabdij Hemiksem 1666-1671, Cartografische en Iconografische bronnen voor de geschiedenis van het Landschap in België 9, Algemeen Rijksarchief, Brussel.
  • HOUTMAN E. 2009: Op geestelijke gronden. Kaarten van het bisdom Antwerpen en het O.-L.-V.-Kapittel en de kloosters van Terzieken en Falcon te Antwerpen, 1550-1791, Cartografische en Iconografische bronnen voor de geschiedenis van het Landschap in België 10. Algemeen Rijksarchief, Brussel.
  • HUYBRECHTS W. & VERBRUGGEN C. 1994: Rivierlandschappen in Vlaanderen. Geomorfologische ontwikkeling, Landschap 11.2, 3-13.
  • MUNAUT A.V. & PAULISSEN E. 1973. Evolution et paléo-écologie de la vallée de la Petite Nèthe au cours du Post-Würm (Belgique), Annales de la Société géologique de Belgique 96, 301-348.
  • LENS F. 2010: Vol zilveren tinteling. De grote Nete tussen Lier en Geel, Beerzel.
  • STOCKMANS J.B. 1910: Geschiedenis der Gemeenten Kessel, Bevel, Nylen, Emblehem en Gestel, Lier.
  • VAN AERT M. 2012: Ecohydrologische studie in het kader van het LIFE-project ‘Grootschalig habitatherstel in de vallei van de Kleine Nete’, Brussel.
  • VAN BRAECKEL A., PIESSCHAERT T F. & VAN DEN BERGH E. 2006: Historische analyse van de Zeeschelde en haar getijgebonden zijrivieren 19e eeuw tot heden, Brussel.
  • VAN DEN BROECK A. 1992: “Het hoofd boven water houden. Waterbeheersing in het Netebekken tijdens de 18e eeuw”, Lira Elegans II, 7-38.
  • VAN OLMEN M., DE BORGHER M., MEESTERS L. & DE CLIPPEL J.-Y. 2001: Ankerplaats ‘Dal van de Kleine Nete tussen Grobbendonk en Nijlen’. Landschapsatlas, A10076, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
  • VAN PEER P., MEYLEMANS E., VAN GILS M. & DEFORCE K. 2007a: Nijlen-Varenheuvel, een Jong-Paleolithische site?, onuitgegeven rapport, Onroerend Erfgoed Brussel.
  • VAN PEER P., MEYLEMANS E., VAN GILS M. & VERBRUGGE A. 2007b: Nijlen-Vaerenheuvel: Laat-Pleistocene en Holocene occupaties in fluviatiele context uit de vallei van de Kleine Nete, Notae Praehistoricae 27, 51-59.
  • VAN RIJCKEGEM G., MICHELS H., MERTENS W. & VAN DEN BERGH E. 2013: Ecologische inrichtingsvisie Varenheuvel-Abroek. Studie t.b.v. aanleg overstromingsgebieden en natuurgebieden i.h.k.v. het Sigmaplan, Brussel.
  • VERAGHTERT W., JACOBS M. & VERMYLEN R. 2012: Moerasnachtvlinders in Antwerpen, Natuur.focus 11.1, 12-20.
  • WOUTERS L. & VANDENBERGHE N. 1994: Geologie van de Kempen. Een synthese, Brussel.


Bron     : Aanduidingsdossier ankerplaats 'Dal van de Kleine Nete tussen Nijlen en Grobbendonk', definitieve aanduiding 27/01/2015. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Verdurmen, Inge
Datum  : 2015


Relaties

  • Omvat
    Viersels Gebroekt

  • Is deel van
    Grobbendonk

  • Is deel van
    Nijlen

  • Is deel van
    Zandhoven

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Dal van de Kleine Nete tussen Nijlen en Grobbendonk [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300160 (Geraadpleegd op 20-02-2020)