erfgoedobject

Appartementsgebouw Rapoport-Wellner, architectenwoning Jules Wellner

bouwkundig element
ID: 300213   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300213

Juridische gevolgen

Beschrijving

Appartementsgebouw in art-decostijl naar een ontwerp door de architect David Moëd uit 1928 (inscriptie). Opdrachtgevers waren Moïse Rapoport en diens schoonzoon Jules Wellner, die het bouwproject gezamenlijk hadden opgezet met vier andere, onderling verwante gezinnen. Het complex omvatte oorspronkelijk vijf appartementen van hoge standing, en een conciërgewoning. In 1937 werd een extra dakverdieping toegevoegd, eind 1936 ontworpen door Wellner zelf en zijn toenmalige partner architect Aron Samuel Freudman. Deze flat was vermoedelijk bestemd als eigen gezinswoning voor de architect, of anders voor zijn moeder Felicie (Feigel Dobe) Wellner-Leinkram (°Krakau, 1873) die in 1937 weduwe werd. Het complex maakt deel uit van een homogene groep van vier aanpalende appartementsgebouwen uit het interbellum (De Merodelei 29 tot 37).

Historiek en context

De in Antwerpen uit Pools-Joodse ouders geboren diamantslijper en latere architect Jules Wellner (Antwerpen, 1899-Auschwitz, circa 1942), was in 1926 gehuwd met de verpleegster Lucie Rapoport (Antwerpen, 1901-Auschwitz, circa 1942). Zijn uit Wit-Rusland afkomstige schoonvader de diamanthandelaar Moïse Rapoport (°Retsjitsa, 1872) was eind 1897 vanuit Warschau naar Antwerpen geëmigreerd, en in 1900 te Warschau gehuwd met Bertha Wygodski (°Sloetsk, 1876). Na hun dochter Lucie kregen zij nog een zoon Jacques Georges (°Londen, 1914). Beide echtelieden werden in 1926 tot Belgisch staatsburger genaturaliseerd. Wellner studeerde ten tijde van de bouw nog architectuur aan de Antwerpse academie, als studiegenoot van Renaat Braem en Nachman Kaplansky, en zou pas omstreeks 1930 met een eigen praktijk van start gaan. Zijn meest bekende realisatie is het modernistische appartementsgebouw “Résidence Idéale” aan de Belgiëlei, dat hij in 1936 eveneens samen met de vijftien jaar jongere Aron Samuel Freudman ontwierp. Jules en Lucie Wellner-Rapoport werden op 30 oktober 1942 gearresteerd in hun woning in de De Merodelei, en al een dag later met het XVIde transport vanuit de Kazerne Dossin gedeporteerd naar het vernietigingskamp Auschwitz, waar beiden omkwamen. Hun drie in Antwerpen ondergedoken kinderen Marcel, Daniël en Myriam, geboren tussen 1930 en 1936, overleefden de Shoah. Moïse Rapoport en Felicie Wellner-Leinkram, die naar verluidt samen met hun dochter en zoon waren opgepakt, werden met hetzelfde transport naar Auschwitz gedeporteerd. Over het lot van de andere, vermoedelijk eveneens Joodse gezinnen die bij de bouw betrokken waren, is niets bekend.

Het appartementsgebouw Rapoport-Wellner behoort tot de allereerste realisaties van de Joodse architect David Moëd, wiens loopbaan vermoedelijk pas begin 1928 van start was gegaan. Ongeveer gelijktijdig ontwierp hij het standingvolle appartementsgebouw Dimenstein-Greenberg in de Consciencestraat, met een nog meer uitgesproken art-deco-karakter. Van Moëd zijn in Antwerpen een vijftiental appartementsgebouwen gekend, veelal voor Joodse opdrachtgevers, met als belangrijkste de complexen van de maatschappijen L'Immobilière Franco Anversoise en Boduognat aan de Belgiëlei, respectievelijk ontworpen in 1934 en 1935. Zijn architectuur onderscheidt zich door een ingehouden modernisme, met een verzorgde afwerking en een discrete ornamentiek in art-decostijl. De ruime en comfortabele appartementen bestemd voor de welstellende middenklasse of burgerij, beantwoorden aan een conventioneel schema, voorzien van eigentijds comfort en uitgerust voor inwonend personeel. Moëd wist in mei 1940 met vrouw en kinderen bezet Europa te ontvluchten, dankzij een irregulier visum verstrekt door de Portugese consul in Bordeaux. Zij vestigden zich in de Verenigde Staten, waar David opnieuw een architectenpraktijk uitbouwde. Moëd overleed in 1991 in Israël.

Architectuur

Het complex met een gevelbreedte van drie traveeën, omvat zes bouwlagen, en het later toegevoegde, terugwijkende penthouse, onder een plat dak. Opgetrokken met een structuur uit gewapend beton, is voor het gevelparement rood baksteenmetselwerk in kruisverband en rollagen gebruikt, gecombineerd met een cementbepleistering, oorspronkelijk vermoedelijk in 'simili pierre'. De pui bestaat uit witte natuursteen, de plint is bekleed met blauwe hardsteen. Horizontaal beantwoordt de gevelcompositie aan een drieledig schema, opgebouwd uit een lage pui met een portaalloggia en een sterk geprononceerde waterlijst, de verticaal geritmeerde bovenbouw, en een topgeleding in de vorm van een attiek met kroonlijst. Oplopende driezijdige erkers - groter gedimensioneerd in de linker travee - gemarkeerd door kolossale, verdiepte panelen, bepalen ritme en reliëf van de bovenbouw. Tot het art-deco-karakter dragen de gestileerde, driehoekige medaillons bij die de borstweringen sieren, met een motief dat wordt herhaald in de smeedwerk van de borstweringen. Het oorspronkelijk houten vensterschrijnwerk met typische horizontale roeden in het bovenlicht is slechts zeer ten dele bewaard; wel behouden bleven het schrijnwerk van het portaal en het smeedijzeren traliewerk van de pui. De pergola die oorspronkelijk het dakterras aan straatzijde bekroonde, en bij de toevoeging van het penthouse behouden bleef, is verdwenen.

Het complex omvat vijf identieke appartementen die telkens een volledige verdieping beslaan, en het later toegevoegde dakappartement, ontsloten door de gemeenschappelijke inkomhal en de centraal ingeplante traphal met lift en bovenlicht. Volgens de bouwplannen biedt de lage begane grond verder ruimte aan de conciërgewoning, een garage en rijwielstalling, en individuele bergplaatsen; het gebouw is uitgerust met een goederenlift in de dienstzone, en beschikt over individuele kelders in de ondergrond. Een ruime suite van salon, hall, eetkamer en terras, beslaat over de volledige diepte de linkerflank van de appartementen, waarvan de plattegrond wordt georganiseerd door de vestibule met vestiaire, de dienst- en nachthal. Drie slaapkamers en de badkamer vormen de straatzijde en de rechterflank; achter de traphal bevindt zich de dienstzone die uit de keuken met terras en office, de meiden- en linnenkamer en de ontbijtkamer bestaat. Het in 1937 toegevoegde dakappartement omvat een woonkamer, ontbijtkamer en keuken met terrassen aan de tuinzijde, de vestibule en twee slaapkamers aan het ruime dakterras zijde straat, een badkamer en meidenkamer in de middenzone.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 961#9966 en 1275#4135; vreemdelingendossier 481#90888 (Rapoport-Wygodski).

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Appartementsgebouw Rapoport-Wellner, architectenwoning Jules Wellner [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300213 (Geraadpleegd op 10-07-2020)