erfgoedobject

Résidence Pépinière

bouwkundig element
ID: 300236   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300236

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Résidence Pépinière
    Deze vaststelling is geldig sinds 29-03-2019

Beschrijving

Historiek en context

Appartementsgebouw in modernistische stijl naar een ontwerp door de architect David Moëd uit 1937. Opdrachtgever was de nv "Résidence Pépinière", vertegenwoordigd door 'algemeen bestuurder' Szalon Sommerfeld. Opgericht voor de bouw en de exploitatie van het complex, opereerde deze vastgoedmaatschappij vóór de ingebruikname vanuit het pas voltooide appartementscomplex "Helvetica", Maria-Henriëttalei 7, eveneens een realisatie van Moëd in opdracht van de weduwe Julia Halévy-Lowy. Tijdens de bouw, in 1938, breidde Moëd de liftkoker op het dak uit met een oorspronkelijk niet geplande bergplaats voor terrasbenodigdheden. "Résidence Pépinière", een complex dat zestien flats van hoge standing en een conciërgewoning omvat, werd begin 1939 voltooid.

"Résidence Pépinière" is vermoedelijk het laatste grote nieuwbouwproject dat de Joodse architect David Moëd in Antwerpen wist te voltooien. Het complex behoort tot de representatieve voorbeelden van het type flatgebouw, waar deze zich tijdens de jaren 1930 in het bijzonder op toelegde. Moëd’s loopbaan ging vermoedelijk in 1928 van start, maar werd abrupt afgebroken door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Hij wist in mei 1940 met vrouw en kinderen bezet Europa te ontvluchten, dankzij een irregulier visum verstrekt door de Portugese consul in Bordeaux. Zij vestigden zich in de Verenigde Staten, waar David opnieuw een architectenpraktijk uitbouwde. Moëd overleed in 1991 in Israël. Van zijn hand zijn in Antwerpen een vijftiental appartementsgebouwen gekend, veelal voor Joodse opdrachtgevers, met als belangrijkste de complexen van de maatschappijen L'Immobilière Franco Anversoise en Boduognat aan de Belgiëlei, respectievelijk ontworpen in 1934 en 1935. Zijn architectuur onderscheidt zich door een ingehouden modernisme, met een verzorgde afwerking en een discrete ornamentiek in art-decostijl. De ruime en comfortabele appartementen bestemd voor de welstellende middenklasse of burgerij, doorgaans twee per verdieping, beantwoorden aan een conventioneel schema, voorzien van eigentijds comfort en uitgerust voor inwonend personeel.

Architectuur

Met een gevelbreedte van zes traveeën, omvat het gebouw een souterrain en acht bouwlagen onder een plat dak. Waar voor de constructie een gewapend betonskelet is toegepast, onderscheidt het gevelfront zich door een parement uit witte natuursteen (Brauvilliers), met gebruik van travertijn voor de omlijsting van het portaal. Horizontaal beantwoordt de opstand aan de klassieke driedeling, opgebouwd uit de pui, de bovenbouw en de geblokte attiek met vlaggenmast en gekorniste kroonlijst. Volkomen symmetrisch van opzet legt de compositie de klemtoon op het twee traveeën brede middenrisaliet, met een geprononceerde puilijst boven het drieledige portaal. Registers van per twee gekoppelde, brede raampartijen met doorgetrokken dorpel en waterlijst, bepalen verder de regelmaat van het gevelschema. Volgens het oorspronkelijke ontwerp plande de architect, naar het voorbeeld van het appartementsgebouw "Boduognat", halfronde erkertjes geïntegreerd in de beglazing van de uiterste raampartijen, maar tijdens de uitvoering werd hiervan afgezien. Het fraaie smeedwerk van het portaal en de keldertralies, volgens het merkplaatje vervaardigd door het atelier J. Gowie uit Berchem, is bewaard; het oorspronkelijk stalen vensterschrijnwerk is op twee gelijkvloerse ramen na volledig vernieuwd.

Het gebouw met een rechthoekige plattegrond, waaruit zijdelings en achteraan drie lichtschachten zijn uitgespaard, omvat twee flats per verdieping. Volkomen identiek van indeling, en ingeplant volgens spiegelbeeldschema, worden deze ontsloten door de centraal ingeplante, gemeenschappelijke inkom- en traphal met dubbele lift. Volgens de bouwplannen strekt de suite van salon en eetkamer zich uit over de straatzijde van de appartementen, aangevuld met de ontbijtkamer . De hall met vestiaire en berging, de keuken met terras en stortkoker voor huisvuil, de meidenkamer en de badkamer annex stortbad nemen de middenzone in, bij de lichtschachten. Achteraan, ontsloten door de nachthal, bevinden zich drie slaapkamer, de grootste met een inpandig terras. In het souterrain, dat ook ruimte biedt aan de conciërgewoning, beschikken de flats over een individuele kelder.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 18#8361 en 18#10543.
  • Architectuurarchief Vlaanderen, archief David Moëd, foto "Résidence Pépinière".

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Résidence Pépinière [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300236 (Geraadpleegd op 12-08-2020)