erfgoedobject

Nieuwerck Onze-Lieve-Vrouwekathedraal

archeologisch geheel
ID: 300378   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300378

Juridische gevolgen

Beschrijving

In de ondergrond van de kathedraaltuin bleven grote delen bewaard van het Nieuwerck, de geplande grootse uitbreiding van de kathedraal naar ontwerp van Domien de Waghemakere en Rombout Keldermans. De werken startten in 1521, vielen stil na de brand van 1533 en werden definitief opgegeven in 1537.

Historisch onverzicht

De oorsprong van de kathedraal was vermoedelijk een kleine Karolingische devotiekapel waar later in 1124 het nieuwe kapittel van Onze-Lieve-Vrouw gevestigd werd. In 1132 startte men met de bouw van een romaanse kerk die in de dertiende en veertiende eeuw herhaaldelijk vergroot werd. De huidige gotische kathedraal werd gebouwd van 1352 tot 1521 met voltooiingswerken in de daarop volgende eeuw.

Toen de Onze-Lieve-Vrouwekerk bijna voltooid was besloot men een nog grotere kerk te bouwen, deels met gebruikmaking van de reeds afgewerkte delen. Dit Nieuwerck werd circa 1520 ontworpen door Domien de Waghemakere en Rombout Keldermans. Op 15 juli 1521 legde Karel V de – thans verloren - eerste steen van een reusachtige kooruitbreiding, met de inscriptie: “IMPERATOR CESAR KAROLUS QUINTUS AUGUSTUS LAPIDEM POSUIT ANNO MVC XXI IDIBUS JULII”. De plannen voorzagen een enorm koor met een onderaardse crypte/kelder ter vervanging van de oude en te natte kelder, een dubbele kooromgang en negen straalkapellen. Eerst werd de plaatselijke begraafplaats geruimd en de botresten bijgezet op de Groenplaats. Tijdens de beginperiode vorderden de werken goed zodat in korte tijd een groot deel van de muren van de koorkapellen afgewerkt werd. Vermoedelijk koelde rond 1528 de bouwkoorts en werd het bouwtempo afgeremd. In de nacht van 5 op 6 oktober 1533 werd de kathedraal door brand geteisterd en leden het dak, de pijlers van de middenbeuk en de kruisbeuk grote schade. In de daarop volgende jaren kregen de herstellingswerken voorrang en in 1537 werd het Nieuwerck definitief opgegeven. De funderingen, de reeds opgetrokken muren en de aanzet van de pijlers ervan bleven echter bestaan. De huizenrij van de Lijnwaadmarkt tot de Groenplaats volgt de lijn van het geplande, megalomane koor. Huizen werden tijdens latere bouwwerken tussen en tegen de aanzet van de nieuwe koormuren en steunberen gebouwd met integratie van delen van de reeds opgerichte koormuren en steunberen. De geïnde huurgelden van deze huizen droegen bij in de bouwkosten van de kerk.

Ook tegen het oorspronkelijke koor en de andere kerkgevels werden huizen gebouwd. De zuidzijde van de Lijnwaadmarkt, de noordzijde van de Jan Blomstraat en de Groenplaats zijn hiervan een overblijfsel. Op het einde van het Calvinistisch bewind werden rond de kathedraal 79 huizen geteld, hiervan was een dertigtal vastgehecht aan de overblijfselen van het Nieuwerck.

De oudere huizengordel tegen het actuele koor en de latere werkplaatsen van de bouwwerf in de huidige kathedraaltuin verdwenen, terwijl de tuin vanaf 1600 in meerdere fasen geleidelijk werd opgehoogd. De hoge ligging van de tuin wordt verklaard door ophogingen en storten van aarde, uitgegraven voor de grondvesten van de huizen rond de kerk. Ook het puin van na de brand werd grotendeels op deze plaats gestort.

Tijdens het midden van de 19de eeuw werd de interesse in het Nieuwerck groter en werden in 1851, bij opgravingen door Pieter Génard elf onvoltooide pijlers ontdekt. Op basis van deze opgravingen werd het zogenaamde ‘elf pijlerplan’ op¬gemaakt. Dit plan uit 1856 vormde de basis voor verschillende historische bijdragen omtrent het Nieuwerck. Aansluitend werd een bouwhistorisch onderzoek over alle aangehechte pan¬den rondom de kathedraal verricht door Fernand Donnet.

Eind negentiende en begin twintigste eeuw was er discussie over de afbraak van de huizen rond de kathedraal en de verwijdering van de tuin om op die wijze het Nieuwerck zichtbaar te maken. De tegen de kathedraal aanleunende bebouwing op de Handschoenmarkt en in de Blauwmoezelstraat werd tussen 1865 en 1875 gesloopt. Er waren in die periode grote herstellingen aan de dekenij en ingrepen in de tuin. In 1908 werden in het tuinpaviljoen nieuwe ramen geplaatst en goten aangebracht. De vijver in de tuin werd in 1951 vernieuwd. In 1954 werden onder leiding van architect G. Derks opnieuw grondige verbouwingen aan de dekenij uitgevoerd waarbij onder meer de tuin verlaagd werd.

In de aanpalende kathedraal werd op verschillende tijdstippen archeologisch onderzoek verricht. Dit soms zeer beperkte onderzoek gebeurde in 1962 en 1973. Uiteindelijk werd tussen 1987 en 1990 een diepgaand onderzoek uitgevoerd in de kruisbeuk dat bijkomende informatie gaf over de oudere bouwfasen, de begraving in en de historie van de kathedraal.

In 2000 werden ten behoeve van de Dienst Toerismepastoraal van het Bisdom Antwerpen (TOPA) en in samenwerking met de architect een aantal sonderingen uitge-voerd onder leiding van de stadsarcheoloog. Op een overzichtsplan werden een aantal getraceerde pijlers aangeduid. De verschillende aangetroffen restanten werden rudimentair en fragmentair opgemeten en in kaart gebracht. Op ditzelfde plan werden de pijlers, beschreven door Génard, aangeduid en werd getracht een stramien tussen al deze sporen te vinden. Dit onderzoek ging niet verder dan het zoeken naar een stramien; een hypothetische reconstructie werd niet geformuleerd.

Vanaf 2012 kwam het onderzoek naar de restanten en overblijfselen van het Nieuwerck in een stroomversnelling naar aanleiding van twee eindwerken van studenten Monumenten- en Landschapszorg (Artesishogeschool). Hierbij aansluitend volgde een bezoek van de Koninklijke Comissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) aan de tuin achter de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal met het advies de tuin en de restanten van het Nieuwerck te beschermen. Tijdens een daaropvolgende bezoek van de tuin en de omliggende panden rond de kathedraaltuin, met al de onderzoekers, konden meerdere restanten van het Nieuwerck herkend en geregistreerd worden.

Het verdere onderzoek bestond uit dertien gegeorefereerde boringen verricht op punten waarvan vermoed werd dat er resten van pijlers aanwezig konden zijn. De boringen gebeurden met een edelmanboor met een kop van 7 centimeter doormeter. De boringen werden steeds stopgezet van zodra er met mankracht niet dieper kon worden geboord. De opgeboorde grond werd op een stuk afdekplastiek gelegd, gefotografeerd en beschreven; de diepte van elke laag genoteerd. De bevindingen van dit onderzoek werden in een rapport uitgeschreven.

Het latere uitbestede geofysisch onderzoek, een laatste stap in het onderzoek, bestond uit twee geofysische methoden: onderzoek door middel van een multi-antenne GPR (200 MHz) aangevuld met EM31-MK2 conductiviteitsmetingen. Deze geofysische methoden werden verkozen omdat men een pakket aangevoerde aarde, met de aanwezigheid van zand en puin (mogelijks baksteenafval) geplaatst boven dieper liggende begraven muren/ pijlers, vloeren en graven, verwachtte. Ook omwille van de totale oppervlakte van 1000 vierkante meter en de dikte van het pakket van vier tot zes meter werden deze methoden geprefereerd boven andere.

Gelijklopend met dit onderzoek werd, naar aanleiding van rioleringswerken, rond de kathedraal een vergund archeologisch onderzoek uitgevoerd. Er werden zeven werkputten tussen de opgehoogde tuin en het huidige koor van de huidige kathedraal aangelegd. Ook aan de zuidzijde, op de binnenplaats ten westen van de Sint-Janskapel en in de Sint-Janskapel werden sleuven uitgegraven.

Beschrijving

Het Nieuwerck en de bijhorende kathedraaltuin zijn de enigste restanten van een dergelijk groots nieuwbouwproject uit de 16de eeuw in Vlaanderen. Tevens is het de enige plaats waar unieke restanten van de bijhorend bouwwerf degelijk bewaard zijn.

Sporen van het Nieuwerck, vastgesteld tijdens enkele rondgangen, zijn zichtbaar op verschillende plaatsen, zowel extern (via de huizen) als intern (via de tuin). De meest duidelijke sporen zijn zichtbaar vanuit de kathedraaltuin, in het tuinpaviljoen en in de panden Melkmarkt nummer 34 en 36 en Groenplaats nummer 30. In andere panden wijzen volume en de gevellijn van de wanden op het Nieuwerck. Een duidelijk restant van een muur die aansluit bij de steunbeer van de eerste koorkapel in het noorden, vinden we terug op de binnenkoer aan de Lijnwaadmarkt 14. Ook werden meerdere sporen van nog zichtbare pijlers van het Nieuwerck aangetroffen. Een eerste is volledig bewaard onder de trap en de muur van de tuin die toegang geeft tot de tuin van het pand aan de Lijnwaadmarkt 18. In diezelfde afsluitingsmuur van de tuin, op enkele meters van de kathedraal, herkent men een mogelijke pijler die geïntegreerd werd in de negentiende-eeuwse terrasmuur. Een derde pijler werd aangetroffen in de Sint-Janskapel in een kast onder de trap naar de tuin. Ten zuidoosten van de Sint-Janskapel is er in een andere toegang tot de tuin een halfronde uitstulping in de muur zichtbaar, die eveneens als restant van een pijler kan geïnterpreteerd worden.

De aangetroffen pijlers van het Nieuwerck bestonden uit verschillende lagen: enerzijds metselwerk, anderzijds natuursteen, waarbij de bakstenen ‘binnenmuur’ eerst gemetseld werd met om de 60 centimeter een rij witte natuursteen. Deze bouwwijze is zichtbaar bij de pijler op de binnenkoer achter de Sint-Janskapel en het koor. De buitenmuren van het Nieuwerck bestaan uit blokken witte kalkzandsteen uit de Ledeformatie. Deze blokken vertonen een handgevormde, schuine frijnslag, een taillering die terug komt op alle teruggevonden natuurstenen onderdelen van de buitenmuur van het Nieuwerck. De graad van afwerking en de detaillering van de natuurstenen resten doen vermoeden dat de bouw van het Nieuwerck gestart werd aan de oostzijde en dat men geleidelijk aan naar de westzijde verder bouwde.

Tijdens deze rondgangen werd onder een afdekplaat in de kelder van het pand aan de Sint-Pieterstraat 1-3, een gedempte ronde bakstenen waterput aangetroffen. In de oude kelder van de Sint-Pieterstraat 5 werd vastgesteld dat de bodem bestond uit een opvullingslaag vol baksteenpuin. Meerdere kelders konden niet bezocht worden.

De boringen leverden niet direct het beoogde resultaat op. Met uitzondering van één boring waarvan we zeker zijn dat er een pijler aanwezig was kunnen we van geen enkele van de boringen met zekerheid stellen dat de top van een pijler bereikt werd. Slechts twee andere gaven indicaties van een aanwezige pijler. De boringen leerden ons wel dat er zich onder de bovenste donkerbruine laag, die varieerde van 20 tot 35 centimeter dikte, steeds duidelijk puin houdende ophogingslagen bevonden waarvan het bijhorende puin steeds grover en talrijker wordt naargelang de diepte.

Het geofysische onderzoek dat aansloot bij het booronderzoek was een volgende stap van de non-destructieve archeologische en bodemkundige prospectie. Door de toepassing van Ground Penetrating Radar werden sporen (anomalieën) aangetroffen van constructie-elementen of baksteenvolumes. Er waren zes kleine volumes zichtbaar, waarvan de onderliggende afstand en de radiale situering wijst op een constructie, eerder dan puin. Eén van deze volumes bevindt zich exact op dezelfde plaats als de pijler waar in één van de boorpunten is naar gezocht. Ten westen hiervan bevindt zich een vergelijkbaar volume zodat we kunnen besluiten dat er ten minste twee pijlers aantoonbaar zijn. Voor zes grote anomalieën waren er geen overeenkomsten met de uitgezette boorpunten die gebaseerd waren op geometrische en bouwtechnische logica waardoor de locaties van de boringen mogelijk niet exact waren. Met de grondradar waren dieper geen sporen te detecteren en kon de exacte aard van de grondopvulling niet achterhaald worden. Wel werd vastgesteld dat in de bovenste meter verspreide signalen werden ingemeten, die wijzen op een heterogene samenstelling (waaronder grote stukken bouw puin). Vanaf één meter diepte is er aan de oostelijke muur van het Nieuwerck een duidelijke concentratie te merken die duidt op een puinrijke opvulling die in westelijke richting lijkt te zakken. De metingen van de conductiviteit en de magnetische susceptibiliteit in laag en hoog contrast, toonden vooral aan dat er duidelijk een zakkende laag bouw puin aanwezig is van het zuidoostelijk naar het westelijke deel binnen het Nieuwerck.

Ondanks een verstoorde puinbodem en het versnipperde onderzoeksgebied (bomen, struiken, vijver) kan toch gesteld worden dat het geofysisch onderzoek duidelijke resultaten opleverde. Na uitvoeren van de detectie en de terugkoppeling met de boorgegevens kunnen met zekerheid twaalf structuren herkend worden. Ook konden we ons een beeld vormen van hoe de opbouw van de opvulling van het Nieuwerck in elkaar zit. Met de gebruikte methoden konden dieper liggende structuren echter niet worden vastgesteld. De aanwezigheid van dieper gelegen structuren, crypte/kelder of holte, de resten van inhumaties en/of grafkelders kon bijgevolg wegens de toegepaste geofysische methoden niet gedetecteerd of getraceerd worden.

Het recent archeologisch onderzoek leverde meerdere archeologische sporen op: zowel restanten van pijlers van het Nieuwerck als oudere kuilen, muren, muurfunderingen, vloertjes en insteek-, ophogings- en puinlagen werden geregistreerd. De restanten van de pijlers werden aangetroffen in werkput 3 ten westen van de Sint-Janskapel (drie in totaal) en in werkput 7 in de zuidelijke gang (één). Ten zuidwesten van de kathedraal bleek de ondergrond tot op zekere diepte verstoord door de in het verleden talrijke aangelegde nutsleidingen.

Bewaringstoestand

Bij de bouw van de huizen in de omgeving van de kathedraal in de zestiende en de zeventiende eeuw werd voor de achtergevels gebruik gemaakt van de reeds verwezenlijkte elementen van het geplande grotere koor het Nieuwerck. De reeds opgetrokken zuilen bleven ondergronds bewaard. De panden werden in de loop der tijd meermaals aangepast en verbouwd.

Door het evaluerende en waarderende onderzoek (bureauonderzoek, eindwerkonderzoek door de twee studenten), oudere onderzoeken, rondgangen, boringen, geofysisch onderzoek en de archeologische opgravingen rond en in het Nieuwerck werden meerdere, nog goed bewaarde sporen aangetroffen. Niet alleen zijn deze restanten in het straatbeeld en vanuit de tuin van de opbouw van het Nieuwerck zichtbaar maar ook werd tijdens het onderzoek aangetoond dat er hiervan nog restanten in de ondergrond te herkennen zijn. Ook de opvulling van het Nieuwerck zit vol puin dat er deels afkomstig van is. Het lager gelegen perceel toont het grote niveauverschil tussen de tuin en de kathedraal en achter de opgetrokken keermuur moet een uiterst interessant profiel schuilgaan waarin de gelaagdheden van de opvulling na het verlaten van de bouwwerf van het Nieuwerck kunnen worden vastgesteld. In dit lager gedeelte, vlak bij het koor van de huidige kathedraal, werden tijdens de recente opgravingen sporen van muren, kuilen, oudere kuilen, muren, muurfunderingen, vloertjes en insteek-, ophogings- en puinlagen aangetroffen. Net zoals we die vinden in de andere werkputten die ten zuiden van de kathedraal werden aangelegd.

Besluitend kan men zeggen dat al de oudere en recentere onderzoeken zowel in de tuin als aansluitende opgravingen rond en in de kathedraal, hebben aangetoond dat de archeologische resten en sporen in de ondergrond van het afgebakende gebied nog uitermate goed bewaard zijn. Hierdoor is het archeologische potentieel binnen de afbakening zeer hoog.

Bibliografie

AERST W. 1993: De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, Antwerpen.

DE LEPELEERE T. 2013: Proeve tot beheer en ontsluiting van de Papenhof, gekaderd binnen het bouwblok van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen. Historisch luik, Masterproef in de monumenten- en landschapszorg. Universiteit Antwerpen, Antwerpen.

DE SMAELE B., IMBO Y., BAERT R. & KRUG C. 2013: Geofysisch onderzoek binnen het ‘Nieuwerck’ van de kathedraal Antwerpen (Antwerpen, Provincie Antwerpen), Archeo- Rapport 35.

DONNET F. 1905: Anvers: visite de monuments curieux et peu connus, Antwerpen.

DONNET F. 190: “Les abords de l’Eglise Notre-Dame à Anvers”, Annales de l’académie Royale de l’Archéologie 58, 350.

GENARD P. 1881: L’église Notre-Dame d’Anvers et le projet d’argrandissement de ce temple en 1521, Antwerpen.

GOFFIN G. 1978: “De Nieuwen Choor” van de Antwerpse Onze- Lieve-Vrou¬wekerk anno 1521-1533, Antwerpen.

GOOSSENS M. & PLOMTEUX G. met medewerking van LINTERS A., STEYAERT R., ILLEGEMS P. & DE BARSÉE L. 1976: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen 3NA, Brussel - Gent.

GRIETEN S. & BUNGENEERS J. et.al. 1996: De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, Kunstpatrimonium van het Ancien Régime, Inventaris van het kunstpatrimonium van de provincie Antwerpen 3, Turnhout, 499.

HENDRICKX M. 1999: “Uit de brand ontsproten: Ontstaan en evolutie van de zuidelijkeLijnwaadmarkt”, Bulletin. Antwerpse vereniging voor bodem- en grotonderzoek 1/2, 1-26.

MANNAERTS R., VEECKMAN J. & VAN CASTERE E. 2000: ‘Het Nieuwerck’, onuitgegeven onderzoek.

PAUWELS O. 1973: Het ‘Nieuw werck’ anno 1521 van de Antwerpse O.L.Vrouwekerk. Hypothetische beschouwingen, Tijdschrift van de stad Antwerpen, 19.

REYSKENS S. 2013: Proeve tot beheer en ontsluiting van de Papenhof, gekaderd binnen het bouwblok van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen. Technisch luik, Masterproef in de monumenten- en landschapszorg Universiteit Antwerpen, Antwerpen.

VAN BRABANT J. 1972: Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, Grootste Gotsiche kerk der Nederlanden, Antwerpen.

VAN BRABANT J. 1974: Rampspoed en restauratie, Bijdrage tot de geschiedenis van de uitrusting en restauratie der Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, Antwerpen.

VAN DAMME J. & AERTS W. S.D.: De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen, Tielt.

VAN DEN HAUTE P. & GOVAERTS J.M. 2006: Petrografische beschrijving en identificatie van een aantal natuursteensoorten verwerkt in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, Onuitgegeven rapport.

VEECKMAN J. 1994: De bijdrage van de archeologie tot de kennis van de bouwgeschiedenis van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, Bouwen aan bouwgeschiedenis, recent onderzoek naar de bouwchronologie van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, Antwerpen.

VOET L. 1973: De gouden eeuw van Antwerpen, Bloei en uitstraling van de metropool in de zestiende eeuw, Antwerpen.

VOET L., ASAERT G., SOLY H., VERHULST H., DE NAVE F. & VAN ROEY J. 1978: De stad Antwerpen van de Romeinse tijd tot de 17de eeuw, Topografische studie rond het plan van Virgilius Bononiensis, 1565, s.l..

VYNCKIER G., 2012: Rapportage boringen: Nieuwerck van de O.L.V.-kathedraal te Antwerpen (prov. Antwerpen), Onuitgegeven rapport agentschap Onroerend Erfgoed.

Het ‘nieuw werck’ van de O.-L.-Vrouwekerk te Antwerpen. De droom van de Antwerpenaren. (Ontwerptekst van de gidsenhandleiding, Topa)

Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/11002/112.1, Antwerpen: Het Nieuwerck van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal.
Auteurs :  Vynckier, Geert
Datum  : 2014


Relaties

  • Is deel van
    Onze-Lieve-Vrouwekathedraal

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Nieuwerck Onze-Lieve-Vrouwekathedraal [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300378 (Geraadpleegd op 15-12-2019)