erfgoedobject

Slagveld Passendale

landschappelijk geheel
ID: 300490   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300490

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld landschapsatlasrelict Slagveld Passendale
    Deze vaststelling is geldig sinds 23-04-2015

Beschrijving

Dit gebied is gelegen op de flank van de centraal West-Vlaamse heuvelrug tussen IJzer- en Leiebekken en kan worden getypeerd als een vroeg ontgonnen landbouwgebied. Gezien de strategische ligging van het gebied in de omgeving van Ieper, was ook dit gebied het toneel en de inzet van verschillende gevechten gedurende de Eerste Wereldoorlog.

Fysische geografie

Het gebied ligt op het IJzer-Leie interfluvium dat hier gevormd wordt door een heuvelrug die van Klerken (in het noorden), via Staden, Westrozebeke, Passendale, Broodseinde, Beselare, Hooge, Hollebeke en Wijtschate loopt tot Heuvelland (in het zuidwesten). De kamlijn van deze heuvelrug bereikt in de ankerplaats hoogten tot +55 meter TAW, terwijl de vallei van de Ravebeek vanaf een hoogte van ongeveer +40 meter in het noordoosten tot ongeveer +25 meter TAW afdaalt in het noordwesten. Het hoogste punt situeert zich ter hoogte van Kerselaarhoek aan de zuidoostelijke zijde van de ankerplaats. Andere hooggelegen plaatsen zijn het Passchendaele New British Cemetery nabij de Mosselmarkt en het Canadian Memorial nabij Martinegat.

Op de geologische kaart valt duidelijk het interfluvium van het IJzer- en Leiebekken op. Deze hoger gelegen rug wordt gekenmerkt door een ondergrond van tertiaire afzettingen (onder-eoceen) in casu uit de Formatie van Gent en uit de Formatie van Tielt, die hier overwegend bestaat uit een 20-30 meter dik pakket kleihoudend zand, met kleilagen en soms zandsteenbanken.

De centraal West-Vlaamse heuvelrug van Klerken (in het noorden) tot Heuvelland (in het zuidwesten), waarvan dit gebied deel uitmaakt, vormt een overblijfsel van het middenpleistoceen terrasniveau van Kruishoutem. Dit +60 meter terrasniveau wordt ontsloten circa 3 kilometer ten zuiden van het gebied, namelijk in de Nonnebossen te Zonnebeke. Over het algemeen schommelt de dikte van het kwartair op het IJzer-Leie interfluvium rond de 5 meter. In gebieden met steile hellingen kan de dikte echter beduidend variëren als gevolg van het afschuiven van aanzienlijke pakketten bodemmateriaal.

De bodems bestaan hier vooral uit zware zandleemgronden met niet zelden een ondiep aanwezig klei-zand of leemsubstraat, vaak onder invloed van stuwwater. Nabij Kerselaarhoek zijn op de heuvelrug ook profielloze verweringsgronden van klei, zandleem en licht zandleem aanwezig, soms ook met bijmenging van stenig moedermateriaal. De smalle vallei van de Ravebeek wordt gekenmerkt door natte tot zeer natte alluviale kleigronden, en lokaal, ter hoogte van Tuimelaarhoek, zelfs door veengronden.

Dit gebied omvat de bronnen en bovenstroomse lopen van de Ravebeek, die via de Steenbeek nabij Langemark en de Martjevaart nabij Merkem in het Kanaal Ieper-IJzer uitmondt. De Ravebeek en haar zijvertakkingen versnijden de westflank van de centraal Westvlaamse heuvelrug door terugschrijdende bronerosie. Als gevolg van een afwisseling van kleiige en zandige lagen in de tertiaire afzettingen zijn sommige aardlagen watervoerend. Waar een zandlaag op een licht hellende kleiige/lemige laag rust en beide dagzomen vormt zich meestal een bronniveau. Waar op geringe diepte een weinig doorlatende laag aanwezig is, staat het landschap vaak onder invloed van tijdelijk stuwwater. Tussen Martinegat en ‘s Graventafel zijn er langs de hellingen verschillende kwelzones en heeft de matig ingesneden Ravebeek een enigszins kronkelend verloop. De Ravebeekvallei heeft een asymmetrische vorm met de steilste flanken langs de zuidoostzijde.

In dit gebied verloopt de afwatering bijna uitsluitend via de Ravebeek en de vertakkingen daarvan vanuit de linkeroever. De Ravebeek behoort tot het hydrografisch bekken van de IJzer. De heuvelrug nabij Kerselaarhoek vormt de waterscheiding met het hydrografisch bekken van de Leie (inclusief Mandel).

In het huidige landschap domineert het agrarisch grondgebruik met op de hoogst gelegen en niet te steile hellingen voornamelijk akkers. Elders, in het bijzonder langs de bovenloop en de zijvertakkingen van de Ravebeek, komen graslanden voor alsook enkele fragmentaire broekbosjes, zoals ter hoogte van Tuimelaarhoek en ten zuiden van Martinegat. Ook in de nabijheid van landbouwbedrijven komt grasland voor op huiskavels. Op de dieper ingesneden delen van de voormalige spoorwegverbinding Roeselare-Ieper komen waardevolle struwelen en oude hakhoutbegroeiingen voor, terwijl de brede, rechtlijnige Passendalestraat voorzien is van een resterende steenwegbeplanting met opgaande bomen.

Door het reliëfrijk karakter is het landschap ruimtelijk en visueel gecompartimenteerd (afwisseling ruggen en dalhoofden op de heuvelrug). Hier en daar zorgt de aanwezigheid van de kleine bosjes en de enkele knotbomenrijen voor extra visuele compartimentering. Nabij Kerselaarhoek zijn parallel aan de hoger gelegen heuvelrug, panoramische doorkijken tot weidse vergezichten mogelijk op de Ravebeekvallei en zuidoostwaarts op de Mandel- en Leievallei richting Moorslede. Bewoning is verspreid aanwezig langs de landelijke wegen. Nabij ’s Graventafel is een kleine bewoningsconcentratie.

Cultuurhistorie

De centrale West-Vlaamse heuvelrug was vermoedelijk reeds in het neolithicum bewoond. In de Romeinse tijd lag de heirweg Brugge-Rijsel in de buurt van de Passendalestraat. Een Gallo-Romeinse nederzetting is bekend in het gebied ten oosten van het gebied. Passendale zelf wordt voor het eerst in 844 als ‘Pascandale’ in geschreven bronnen vermeld en kent als dorpsnederzetting vermoedelijk een Germaanse oorsprong. Voor Zonnebeke gaat de oudste vermelding ‘Sinnenbecche’ terug tot 1072, jaar waarin een seculiere kapittelstichting wordt vermeld. Vroege bewoning ontwikkelde zich daar aan een oversteekplaats aan de Zonnebeek, waar in de laat-Karolingische tijd, maar meer waarschijnlijk nog aan het begin van de 11de eeuw, een omwalde opper- en neerhofstructuur met eigen kerk tot stand kwam onder impuls van de Heren van Rollegem die ook het burggraafschap van Ieper verkregen. De seculiere kapittelstichting evolueerde in 1142 naar een Sint-Augustinusabdij onder leiding van een reguliere kanunnikenorde. De ’s Graventafelstraat, in 1356 vermeld als ‘Iperschen weg’, vormt een oude handelswegverbinding tussen Roeselare en Ieper, terwijl de Schipstraat bekend staat als onderdeel van een grens- en verbindingstraject tussen de oude bisdommen van Doornik en Terwaan.

Onmiddellijk ten noordwesten van het gebied, nabij de Goudberg, eveneens onderdeel van de centrale heuvelrug, werd in 1382 de bekende Slag bij Westrozebeke gestreden. Deze veldslag werd uitgevochten tussen enerzijds verenigde troepen van de Franse Koning Karel VI en de Vlaamse adel, trouw aan Graaf Lodewijk van Male onder leiding van Olivier de Clisson en anderzijds Vlaamse opstandelingen onder leiding van de Gentse bevelvoerder Filips van Artevelde. Deze slag werd door de goed georganiseerde Franse troepen gewonnen en eiste naar schatting 20000 slachtoffers. Ook hoofdman Filips van Artevelde sneuvelde. Archeologische sporen van deze veldslag worden vermoed tot in de nabije omgeving van de Mosselmarkt, op de hooggelegen zones ten noordwesten van Passendale.

Het gebied rond Zonnebeke maakte samen met Passendale, Moorslede, Beselare, Geluveld, Zillebeke en delen van aanliggende dorpen, in oorsprong deel uit van een groot boscomplex, het zogenaamde ‘Thigabusca’. De omgeving werd verder tijdens de Vroege Middeleeuwen eerst clandestien en nadien (11de -12de eeuw) meer systematisch ontgonnen. In het gebied zijn een viertal verdwenen en eertijds omwalde hoevesites bekend die kunnen teruggaan op middeleeuwse landbouwnederzettingen. Door de nood aan landbouwgrond voor voedselvoorziening werd de antropogene druk op het bosgebied waarschijnlijk sterk opgevoerd (Ieper had als nabijgelegen stad een hoog bevolkingscijfer). Passendale wordt in dit verband reeds in 864 vermeld in een goederenlijst van de Sint-Bertijnsabdij van Sint-Omaars, waardoor in deze omgeving reeds een Karolingische landname wordt verondersteld. Zo behoort dit gebied (onder meer met Ieper) tot de oudere systematische ontginnings- en nederzettingskernen van West-Vlaanderen (vroegmiddeleeuws, Karolingisch). Mogelijk kunnen de huidige akkerarealen op de westelijke flank van de Ravebeekvallei mee tot de oudere bouwlanden in de regio worden gerekend.

Toch bleef ook het bosareaal na de daaropvolgende grote middeleeuwse ontginningen van de 13de eeuw nog sterk overeind. Dit blijkt onder meer uit beschikbare historisch-cartografische bronnen waar op de oostelijke flank van de Ravebeekvallei steevast grotere bosoppervlakten worden weergegeven. Op een landboek van Passendale, in 1634 opgemaakt in opdracht van de Sint-Maartensabdij van het bisdom Doornik en op de Kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778), wordt in deze zone nog steeds het ‘Teerlinckbosch’ aangeduid. Het huidige kleine bosrestant ter hoogte van ‘s Graventafel vormt een relict van dit vroegere bos. Nog volgens de historisch-cartografische bronnen blijkt het cultuurlandschap tot voor de Eerste Wereldoorlog rijk geweest te zijn aan levende perceelsafsluitingen onder de vorm van hagen en houtkanten. Vandaag is het landgebruik in het gebied overwegend akkerland op de hoger gelegen delen en grasland in de vallei van de Ravebeek. Er komt nog slechts een beperkte oppervlakte bos voor. De bewoningsdichtheid is laag en woningen zijn vooral gegroepeerd nabij het gehucht ’s Graventafel en Martinegat. Verder zijn er enkele verspreid gelegen hoeven aanwezig, die heropgebouwd werden na de Eerste Wereldoorlog.

In 1868 werd door de private spoorwegmaatschappij Flandre Occidentale tussen Roeselare en Ieper, en over Moorslede, Passendale en Zonnebeke een enkelvoudige spoorverbinding gerealiseerd. De spoorlijn was vooral in trek voor transport van landbouwgewassen waaronder bieten, cichorei en stro die van het platteland naar de markten in Roeselare en Ieper werden vervoerd. In 1906 werd de spoorverbinding L64 genationaliseerd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had de spoorlijn een strategische rol. Britse troepen maakten er vooral gebruik van voor het aanvoeren van troepen en goederen afkomstig uit Ieper of Poperinge. Duitse troepen benutten de spoorlijn voor het aanvoeren van troepen en goederen uit Roeselare.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de spoorlijn samen met het ganse omliggende gebied grondig verwoest: gebouwen vernield, bossen zwaar beschadigd, boomgaarden, bomenrijen en hagen verdwenen voorgoed uit het landschap. Een aantal oude hakhoutstoven aan de insnijding van de oude spoorwegtaluds liepen na de vernielingen tijdens de Eerste Wereldoorlog terug uit. Andere, meer tastbare getuigen van het oorlogsgeweld zijn de oorlogsmonumenten, gedenktekens en militaire begraafplaatsen. Behalve de bewust opgerichte gedenktekens en de militaire begraafplaatsen Tyne Cot New British Cemetery en Passchendaele New British Cemetery zijn er in het gebied ook nog enkele goed bewaarde Eerste Wereldoorlog-relicten aanwezig namelijk betonnen bunkers, bunkerrestanten, militaire posten en ondergrondse schuilplaatsen.

Eerste Wereldoorlog: Passendale in de opeenvolgende offensieven (1914-1918)

Algemene situering

Het dorp Passendale was op 20 oktober 1914 in Duitse handen gevallen. De heuvelrug, bij de Britten bekend als ‘Passchendaele Ridge’, vormde tijdens de eerste oorlogswinter 1914-1915 de meest oostelijke frontlijn van de Ieperboog. Ze werd verdedigd door Franse troepen die begin april 1915 afgelost werden door Britten en Canadezen. Na de Duitse gasaanvallen eind april 1915 (Tweede Slag bij Ieper), werden de Britten ten oosten van Ieper teruggedrongen tot de lijn Wieltje–Frezenberg–Hooge. De Duitsers hadden de strategisch belangrijke hoogten rond Ieper in handen en bouwden er de komende jaren verdedigingsstellingen in de diepte uit met betonnen schuilplaatsen en bunkers, waaronder de beruchte Flandern I en Flandern II-Stellungen, die ook op grondgebied Passendale liepen.

De Derde Slag bij Ieper, die op 31 juli 1917 losbarstte en pas op 10 november 1917 beëindigd werd, ging de geschiedenis in als de Slag om Passendale. Daar waar het aanvankelijk de bedoeling was van de Britse bevelhebber D. Haig om de Duitse linies te doorbreken en op te rukken richting kust en havens om komaf te maken met de gevreesde U-boten (een geallieerd aanvalsplan dat door andere offensieven aan de Somme en Arras in Frankrijk enkele keren werd uitgesteld), bleven de Britse troepen meer dan drie maanden lang quasi ter plaatse ploeteren. De slag wordt beschreven als een hel van modder en vuur, één der bloedigste veldslagen aller tijden. Er zouden bijna een half miljoen militairen gewond, vermist of gedood worden. Op 6 november 1917 namen Canadese troepen Passendale in. Half april 1918, met het Duitse Lenteoffensief, dienden de geallieerden hun zuur verdiend territorium van de nazomer van 1917 opnieuw prijs te geven en kwam het dorp opnieuw in Duitse handen. Dit bleef zo tot het Belgische 4de Regiment Karabiniers en Grenadiers het dorp definitief heroverden op 29 september 1918, tijdens het geallieerde Bevrijdingsoffensief.

De Slag om Passendale (1917)

De Slag om Passendale kan niet onmiddellijk als één afzonderlijke slag beschouwd worden, maar eerder als een aaneenrijging van meerdere veldslagen gespreid over drieënhalf maand. Grosso modo worden in het offensief drie fasen onderscheiden:

  • 31 juli tot 28 augustus 1917
  • een hervatting vanaf 20 september tot 12 oktober 1917
  • 26 oktober -10 november 1917

Langs geallieerde zijde werden in augustus en september 1917 hoofdzakelijk Britse en vooral Australische en Nieuw-Zeelandse (ANZAC)-troepen in de strijd gegooid. Moegestreden werden zij in de laatste fase vanaf 26 oktober 1917 door Canadese troepen afgelost. Naarmate het voor de geallieerde staf duidelijk werd dat het offensief op een mislukking uitdraaide, versmalde het front tot de zone rond Passendale. Alle gevechtsoperaties spitsten zich toe op de uitstulping van de frontlinie rond het dorp. De Britse bevelhebber wou te allen prijze voor de winter zijn troepen op de hoogten rond Passendale installeren. Tijdens de laatste twee weken werd ondanks de hoge slachtoffertol nog maar 4 vierkante kilometer terreinwinst geboekt.

Voorafgaand aan het offensief bestookten de geallieerden de Duitse troepen wekenlang met een ononderbroken artillerievuur, waarbij alleen al langs geallieerde kant ruim 3 miljoen stuks munitie werden verschoten. Heel wat munitie daarvan ontplofte niet en rust vandaag nog steeds als blindgangers in de bodem. Doel van de voorbereidende artilleriebeschietingen was de zwaar uitgebouwde Duitse verdedigingslinies tot puin schieten, om een snelle geallieerde terreinwinst te faciliteren. De onderbrekingen in de honderd dagen durende strijd hadden te maken met de tijd die het geallieerde leger nodig had om de artillerie naar voor te verplaatsen en wegen en sporen uit te bouwen voor de aanvoer van verse troepen en munitie. Eind augustus 1917 was het geallieerde leger compleet vastgelopen in de modder. De bodem van het kapotgeschoten land was volledig verzadigd en raakte moeilijk gedraineerd omdat de normale waterhuishouding aan flarden was geschoten. Daar bovenop kwam de bijna ononderbroken regen in augustus 1917. Om nog verder te kunnen oprukken, moest de bevoorrading over nieuwe wegen kunnen lopen. In ijltempo werden bovengrondse houten knuppelpaden of zogenaamde duckboards aangelegd.

Op 4 oktober 1917 wordt de zogenaamde Slag bij Broodseinde uitgevochten. Niettegenstaande de regen en het moeilijke terrein vorderen twee divisies die dag bij Langemark, twee divisies bereiken Poelkapelle, de Nieuw-Zeelandse Divisie neemt de hoogte van ’s Graventafel in, drie Australische divisies veroveren het Rozenveld (Tyne Cot) en de heuvelrug Broodseinde-Molenaarelst, drie Britse divisies rukken op tot Noordeinde, Reutel en Polderhoek. Die aanval countert een geplande Duitse tegenaanval. Voor de geallieerden wordt 4 oktober de meest ‘succesvolle’ dag: het resultaat van de gevechten bij Broodseinde is dat de hoogte van Passendale op haar zuidflank nu stevig in handen van de geallieerden is. Dit succes eist zware verliezen, ook bij de geallieerden. Voor het Duitse 4de leger wordt het een zeer zwarte dag, door de enorme verliezen en door de breuk in de Flandern I Stellung. De daaropvolgende slagen, die opnieuw sterk gehinderd worden door zware regen, zouden evenwel nefast zijn voor de geallieerden. 4 oktober 1917 vormt voor de geallieerden dan ook een keerpunt: hoewel een snelle en definitieve doorbraak op het Duitse front er al lang niet meer inzit, zijn de gevechten tot nu toe voor de geallieerden min of meer gunstig verlopen. Na 4 oktober 1917 zien de geallieerden zich genoodzaakt om zich enkel nog te concentreren op de verovering van Passendale, wat uiteindelijk voor de Canadezen nog een heel moeilijke opgave zou worden, ten koste van vele mensenlevens.

Wat bedoeld was als de finale doorbraak op het Duitse front, deed de geallieerden uiteindelijk een achttal kilometer verder op de West-Vlaamse heuvelrug stranden. Het innemen van de hoogtes op de heuvelrij van Staden-Passendale-Geluveld was volgens het aanvalsplan een eerste tussenstap in de eindoverwinning, maar verder zijn de geallieerde troepen dus niet geraakt. Hoewel de frontlijn op het verste punt duidelijk oostwaarts was opgeschoven, was de nasmaak van de terreinwinst bitter. De Slag om Passendale had ruim 100 dagen gewoed en talrijke doden, gewonden en vermisten geëist. Volgens ruwe schattingen gaat het hier om 245.000 slachtoffers uit het Brits imperium en 215.000 Duitse slachtoffers. Tot een definitieve doorbraak is het niet gekomen.

Dat de aangekondigde grote geallieerde doorbraak niet lukte, heeft onder andere te maken met het stevig uitgebouwde Duitse defensiesysteem van 1915-17. Dat was in de diepte uitgebouwd met zes opeenvolgende linies, met name de frontlijn, de Albrecht-, Wilhelm- en Flandern I, II en III Stellung. Vooral de derde en vierde verdedigingslijn, de zgn. Wilhelm Stellung en Flandern I Stellung waren zeer zwaar uitgebouwd. Tyne Cot lag op het traject van de Flandern I Stellung, dat op vele plaatsen door de geallieerden werd doorbroken, maar de Flandern II Stellung, die in Passendale aftakte van de Flandern I Stellung richting noordelijke Geluwe, werd niet doorbroken. De Flandern-Stellungen bestonden uit korte, onderbroken stukken loopgraaf, aangevuld met verdedigingspunten. Meer dan op de eerste linies zetten de Duitsers in op de bouw van betonnen bunkers, die ook zware artilleriebeschietingen doorstonden. Tijdens de beschietingen boden ze beschutting. Eens de beschietingen ophielden en de geallieerden wilden oprukken, kwamen de Duitse troepen uit de bunkers en onderwierpen ze de oprukkende geallieerden aan een spervuur van mitrailleurs. Het bereik van de mitrailleurposten dekte een hele lijn waardoor een aanval gemakkelijker kon worden afgeslagen. In 1917 ondervonden de geallieerden de grootste moeite om deze bunkers in te nemen, vaak ten koste van vele slachtoffers.

Op de huidige begraafplaats Tyne Cot New British Cemetery lagen vijf Duitse bunkers van de Flandern I Stellung. In de nabije omgeving ervan lagen nog verschillende Duitse steunpunten, vaak in bestaande versterkte hoeven, waar de geallieerden ook op sterke Duitse weerstand botsten. Voorbeelden ten westen van Tyne Cot zijn: Hamburg Farm, Alma (Brigadehof), Springfield (Maurerhof), Otto Farm en ten oosten van Tyne Cot: Hillside Farm. Toen de geallieerden na de Derde Slag het gebied overnamen, gaven zij de voorkeur aan de aanleg van ondergrondse schuilplaatsen, zogenaamde deep dugouts, die door gespecialiseerde Britse tunnelcompagnieën van het ‘Corps of Royal Engineers’ werden gebouwd. Afhankelijk van de ondergrond en de vereiste omvang, waren sommige van deze constructies tot ongeveer vijftien meter onder het maaiveld aangelegd en konden bescherming bieden aan gemiddeld vijftig tot zeventig personen. Het kapotgeschoten landschap bood nog weinig beschutting, omdat bossen en bestaande bebouwing quasi volledig waren vernietigd. De omschrijvingen van delen van het slagveld als ‘the mud’ of ‘sumpfiges trichterfeld’ spreekt in dit verband boekdelen.

Gedenktekens en begraafplaatsen

Het New Zealand Memorial op het gehucht ’s Graventafel herdenkt de rol van de Nieuw-Zeelandse Divisie tijdens de Slag bij Broodseinde die op zijn beurt kaderde in de Derde Slag bij Ieper. De Nieuw-Zeelandse Divisie maakte op 4 oktober 1917 deel uit van het Australian and New Zealand Army Corps (ANZAC) en slaagde in de verovering van de hoogte rond ‘s Graventafel en de dwarsstelling Mittel Riegel of Graventafel Switch, om vervolgens op te rukken tot de Ravebeek. De Nieuw-Zeelanders hadden daarbij meer dan 450 doden te betreuren. Nieuwe aanvallen op 9 en vooral op 12 oktober 1917 werden voor de Nieuw-Zeelanders een regelrechte ramp: op 12 oktober werden 846 Nieuw-Zeelanders in enkele uren tijd gedood, ongeveer 2000 anderen raakten gewond of vermist. Dit terwijl die dag geen enkel objectief behaald kon worden. Op geen enkele andere dag in de geschiedenis zijn er meer Nieuw-Zeelanders gewelddadig om het leven gekomen dan op 12 oktober 1917. Hierna werden de Nieuw-Zeelanders uit de Ieperboog weggebracht. Bevelvoerder D. Haig zou de ANZAC-troepen laten aflossen door Canadezen die uiteindelijk in november 1917 het dorpscentrum van Passendale konden veroveren. Het gedenkteken, een hoge zuil op een tweeledige sokkel uitgevoerd in witte natuursteen, werd onthuld op 1 augustus 1924 op de plaats van een vooroorlogse woning.

Het Passchendaele New British Cemetery, naar ontwerp van hoofdarchitect Ch. Holden en uitvoerend architect W.C. Von Berg, werd pas na de oorlog aangelegd door de concentratie van verspreide graven op de slagvelden rond Passendale en Langemark. Het merendeel van de 2.101 doden, waaronder een groot aantal Canadezen, is gestorven in de herfst van 1917. Driekwart van deze gesneuvelden kon niet meer geïdentificeerd worden. Het Tyne Cot New British Cemetery is met bijna 12.000 graven de grootste militaire Commonwealth begraafplaats ter wereld met jaarlijks meer dan 200.000 bezoekers. De begraafplaats is samen met de Menenpoort in Ieper, de belangrijkste plaats voor de herinnering van vermiste soldaten. Op de muur van vermisten aan de achterzijde van de begraafplaats, een hoge boogvormige silexkeienmuur verwijzend naar de Ypres salient, staan 35000 namen van vermiste Britten en Nieuw-Zeelanders die na 16 augustus 1917 sneuvelden en geen gekend graf hebben. De centrale apsis vormt het New Zealand Memorial met daarop de namen van bijna 1200 Nieuw-Zeelanders die hun leven lieten tijdens de Slag bij Broodseinde en de Derde Slag bij Ieper in oktober 1917. In totaal worden op deze site 47.000 doden herdacht, waarvan slechts 14 procent geïdentificeerd (stoffelijke resten teruggevonden én identiteit bekend), 12 procent ‘known unto God’ (stoffelijke resten teruggevonden, identiteit onbekend) en 74 procent waarvan men de stoffelijke resten nooit heeft teruggevonden. De begraafplaats is ontworpen door architect sir H. Baker met beeldhouwwerk door F.V. Blundstone en J. Armitage, werd in juli 1927 onthuld door sir G. Dyett. Op 19 juni 1927 werd de begraafplaats officieel ingewijd. De twee paviljoenen met koepel aan de uiteinden van de gedenkmuur zijn gebouwd op Duitse bunkers. Het bezoekerscentrum dat sinds 2007 even buiten de begraafplaats in het landschap is ingepast, zorgt omwille van de bewust opgebouwde zichtassen op Ieper en Passendale voor een ruimtelijke band tussen de begraafplaats en de gebeurtenissen die ten westen van de begraafplaats plaatsvonden tijdens de Derde Slag bij Ieper, vooral in de maanden september en oktober 1917.

Ten westen van de dorpskern van Passendale, nabij Martinegat, bevindt zich de Canadese gedenksite van Crest Farm, dat aan de belangrijke bijdrage van de Canadezen tot de inname van Passendale herinnert. Eind oktober begonnen de vers ingezette Canadese troepen hun pogingen om het dorp in te nemen. Ze vertrokken vanuit lager gelegen posities in de valleien van de Padde- en Ravebeek, wat de gevechtsomstandigheden bijzonder moeilijk maakte. Op 30 oktober 1917 veroverden ze de Duitse versterking Crest Farm, Source en Vapour Farm. Vanuit de gunstige hogere ligging van Crest Farm begon de moeizame verovering van het 700 meter verderop gelegen Passendale. Door het hevige Duitse artillerievuur en de vele tegenaanvallen deden de Canadezen er 10 dagen over. Jaarlijks vindt hier op 10 november een plechtigheid in aanwezigheid van internationale troepen en personalia plaats. Het gedenkteken, met een kubusvormige gedenksteen uit wit graniet afkomstig uit Stanstead (Quebec) naar ontwerp van architect P.E. Nobbs, wil een eerbetoon zijn aan alle Canadezen die hier in de omgeving gevochten hebben tijdens de Derde Slag bij Ieper in oktober-november 1917. Het gevoel van nabijheid van de kerk ondersteunt het besef tegen welke prijs de verovering van dit stukje territorium werd betaald. De gedenksite en de dorpskerk zijn ruimtelijk met elkaar verbonden door een weg, de Canadalaan, die in de jaren 1920 werd aangelegd.

Ten noordoosten van Keerselaarhoek, op de Passchendaele Ridge, herinnert een kleine gedenkzuil aan de gevechten die het Canadese 85ste bataljon, ook wel de Nova Scotia Highlanders genoemd, hier leverde tijdens de gevechten rond Passendale in oktober 1917 . Het 85th Battalion, behorende tot de 4de Canadese Divisie, bereikte op 30 oktober 1917 de plaats van het gedenkteken, op hetzelfde moment dat de 7nd Battalion de hoogte bij Crest Farm kon innemen. De manschappen van het 85ste bataljon werden hierbij erg beproefd door het Duitse spervuur, want de Duitsers zetten kort na hun aankomst op 28 oktober 1917 een aanval in rond Decline Copse. De Canadezen konden hun objectief bereiken, maar alle officieren van de compagnie werden gedood. In de nacht van 31 oktober 1917 werd het bataljon afgelost. Nu kon van hieruit de aanval op het dorp van Passendale ingezet worden. Het bataljon plaatste een gedenksteen op haar slagveld te Passendale nog vóór het einde van de oorlog en de terugkeer naar Canada. De kleine gedenksteen, met de namen van de doden, werd geplaatst nabij het uiterste punt van de vooruitgang op 30 oktober 1917 en niet ver van de uiterste linie die werd bereikt tijdens de gevechten om Passendale. Het gedenkteken verviel en was anno 1999-2000 in zeer slechte staat. Op initiatief van The Nova Scotia Highlanders Heritage Society werd een identiek nieuw monument onthuld op 30 oktober 2001.

Wederopbouw en recente evoluties

Na de Eerste Wereldoorlog werden de meeste hoeves en woningen heropgebouwd in een typerende wederopbouwarchitectuur. Bij de meeste hoevesites gebeurde dit vaak naast de oorspronkelijke inplantingslocatie. Een beperkt aantal panden hebben nog representatieve wederopbouwkenmerken waaronder een klein hoevetje in de Vijfwegenstraat en een voormalige herberg bij het kruispuntgehucht ’s Graventafel. De talrijke verdedigingsstellingen werden na de oorlog ook intensief ontmanteld, waarbij loopgraven en bomtrechters werden opgevuld, oorlogsschroot werd afgevoerd en bunkers werden afgebroken. Slechts enkele constructies of restanten ervan bleven bewaard, waaronder de Canadese militaire post bij Thames Farm en een gekanteld bunkerrestant in een weide langs de Rozestraat.

In de ’s Graventafelstraat werd bij de wederopgebouwde Hoeve Spruytte omstreeks 1936 en na een eerste kleinschalig initiatief in 1926, de industriële kaasmakerij Donck-Spruytte uitgebouwd. De kennis van het kaasmaken werd door de familie Spruytte tijdens de vlucht voor het oorlogsgeweld opgedaan in Cormeilles (Normandië). Het zuivelfabriekje was hier in gebruik van 1936 tot 1946 en werd daarna, in 1948, ondergebracht in de oude brouwerij Boucqué, gelegen in de Stationsstraat in Passendale. Naast de wederopbouwhoeve, op de inplantingsplaats van de vernielde hoevesite, werd een calvariegroep met vier omringende lindenbomen, opgericht. De voormalige kaasmakerij werd op initiatief van het gemeentebestuur van Zonnebeke als museum ingericht en in 2003 als erfgoedsite geopend.

De treinspoorverbinding tussen Roeselare en Ieper werd na de Eerste Wereldoorlog hersteld maar werd uiteindelijk voor het reizigersverkeer tussen beide steden in 1953 en voor het goederenverkeer tussen Moorslede en Ieper in 1970 opgeheven. Het baanvak Roeselare-Moorslede werd in 1955 opgebroken, het baanvak Moorslede-Ieper in 1974. Het gedeelte tussen Ieperstraat en Langemarkstraat te Zonnebeke is sinds 1988 in gebruik als recreatieve wandel- en fietsroute. De Provincie West-Vlaanderen verwierf de resterende spoorwegbedding tot Roeselare in 2009 en richtte de groene as in als zogenaamde Stroroute.

Een deel van de voormalige spoorverbinding Roeselare-Ieper, tussen het dorp Zonnebeke en het Tyne Cot New British Cemetery werd in 2006 reeds door het gemeentebestuur van Zonnebeke ingericht als informatietraject zogenaamd ‘The Road to Passchendaele - 4 October 1917’, verwijzend naar de Slag bij Broodseinde. De spoorwegbedding bevat nog verschillende Eerste Wereldoorlog-relicten, die deels door archiefstudie en archeologische opgravingen in 2005 nader gedocumenteerd konden worden, waaronder de tot medische post omgebouwde mitrailleurspost Thames Farm. De voormalige spoorwegbedding bleek ondermeer een belangrijke medische evacuatieroute. Tijdens de opgravingen zijn onder meer stoffelijke resten, resten van brancards en achtergelaten uitrustingen teruggevonden. In de bedding werd ook een spoorrelict vrijgelegd. Tussen 1999 en 2006 werden in Zonnebeke de stoffelijke resten van niet minder dan 21 oorlogsslachtoffers uit de Eerste Wereldoorlog teruggevonden. Dit gegeven bevestigt het vermoeden dat in de voormalige slagvelden rond Passendale heel waarschijnlijk nog meer menselijke resten van vermisten bedolven liggen. In 2007 opende het gemeentebestuur van Zonnebeke naast het Tyne Cot New British Cemetery een bezoekerscentrum. De sober vormgegeven en omzichtig ingeplante onthaalinfrastructuur naar ontwerp van de architecten B. Govaert en D. Vanhoutte omvat enkele zichtassen (onder meer op de stadskern van Ieper en de dorpskerk van Passendale) die de historische en geografische eigenheid van de site en de omliggende slagvelden benadrukken. Bij deze campagne werd ook de gedempte grachtstructuur aan de voorzijde van de begraafplaats hersteld.

Tenslotte kreeg het verhaal en de betekenis van de Slag om Passendale, als uiting van zinloos geweld veel aandacht onder de vorm van vredesconcerten in het dorp Passendale (sinds 1992), diverse liedteksten uit nationale en internationale muziekalbums, onder meer van bekende metal bands (in 2003 en 2009) en in een Canadese langspeelfilm (2008) in regie van P. Gross.

  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842-1879, schaal 1:5000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.

  • S.N. 2011: The Legacy of Passchendaele: Masterplan van de gemeente Zonnebeke voor de toeristische valorisatie van het erfgoed van de Slag om Passendale, Zonnebeke.
  • BLIECK K., BOSTYN F., DECLERCK F., DESCAMPS J., VAN DER FRAENEN, J. 2007: Passchendaele 1917: Het verhaal van de doden en Tyne Cot Cemetery, Roeselare.
  • BLIECK K., BOSTYN F., HEYDE S., INGELBRECHT L., NAESSENS J., SOUFFREAU G. & VANCOILLIE J. 2011: Inventarisatie oorlogserfgoed Zonnebeke – Passendale, eindrapport en kaarten, Memorial Museum 1917 Passchendaele in opdracht van Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed, Zonnebeke, 29.
  • BOSTYN F., DE SMET M. & TRIO P. 2009. ‘Geëxamineert de tijtels ende pampieren’. Het verhaal van de Zonnebeekse Augustijnerabdij, 1072-1796. Een bijdrage tot de Vlaamse kloostergeschiedenis, Roularta Books, Roeselare. 287.
  • BOSTYN F., HEYDE S., INGELBRECHT L., NAESSENS J., VERBEKEN J. & VERSTRAETE J. 2010: Beheerplan oorlogserfgoed Zonnebeke-Passendale, Memorial Museum 1917 Passchendaele en Hogeschool Gent, Departement Biowetenschappen en Landschapsarchitectuur in opdracht van Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed, Zonnebeke, 59.
  • BOSTYN F., HEYDE S. & VERBEKEN J. 2010: Naar een integrale benadering van het oorlogslandschap: Bijdrage tot de ontwikkeling van een waarderingsmethodiek voor landschap en cultuurhistorie op lokale schaal, Proefproject Zonnebeke– Passendale (W.Vl.), Memorial Museum 1917 Passchendaele en Hogeschool Gent, Departement Biowetenschappen en Landschapsarchitectuur in opdracht van Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed, Zonnebek, 46.
  • BOSTYN, F. & NAESSENS J. 2010: Proefproject voor de opmaak van een geïntegreerde inventaris onroerend erfgoed WO I op het grondgebied van de gemeente Zonnebeke in een GIS-databank, een karakterisering en waardering van het landschap vanuit het erfgoedperspectief en de opzet van een beleid rond beheer en ontsluiting van een oorlogslandschap, eindrapport en kaarten, Memorial Museum 1917 Passchendaele in opdracht van Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed, Zonnebeke, 31.
  • CARNIER M. 1988: Parochievorming in de stad Ieper tot 1300, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Katholiek Universiteit Leuven, departement Moderne geschiedenis.
  • CAVE N. 1999: “Passendale. De strijd om het dorp”. Erpe, De Krijger, vertaling: Lampaert R.
  • CELIS M. 2002: "Zonnebeke (Passendale), Tyne Cot New British Cemetery. Langemark, Duitse militaire begraafplaats. Cries and whispers", in BUYLE M. e.a. 2002: "De beeldentaal van symbolen", Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en Landschappen, Brussel, 238-242.
  • CHIELENS P., DENDOOVEN D. & DECOODT H. 2006: De laatste getuige. Het oorlogslandschap van de Westhoek, Lannoo, Tielt, 256.
  • DESEYNE A. 1985: Tyne Cot cemetery. Een eeuwige dodenwake. Slag van Passendale. De hel van modder, vuur en bloed. Zonnebeke.
  • GEURST J. & BALJON L. i.s.m. VAN DIJK T., DE GRAAF J., MEIRE J. & UYTTENHOVE P. 2012: ‘Herinneringspark 2014-18’, masterplan opgesteld i.o.v. agentschap Onroerend Erfgoed, Projectsecretariaat 100 jaar Groote Oorlog (2014-18), 232.
  • JACOBS P., DE CEUKELAIRE M. & SEVENS E. 2001: Toelichting bij de geologische kaart van België Vlaams Gewest. Kaartblad 27-28-36. Proven-Ieper-Ploegsteert 1:50.000, Belgische Geologische Dienst en Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie, Brussel, 68.
  • KOCH K. 2009: De Derde Slag bij Ieper, Ambo/Anthos B.V., 283.
  • OOGHE D. 2007: “De Slag om Passendale day by day”, Het Zonneheem 36-3.
  • PIL V. 1962: Zonnebeke heerlijk verleden en zonnig heden, Zonnebeke, 269.
  • PIL V. 1968: Kruisen als grenspalen in ’t Ieperse, Iepers Kwartier 4,83-84.
  • SCOTT M. 1992: The Ypres Salient. A guide to the cemeteries and memorials of the Salient. Norwich-Norfolk, Gliddon Books.
  • VERBOVEN H. 2011: Zonnebeke. Een voorlopig voorstel van WO I-’lieux de mémoires’. Onroerend Erfgoed, Intern rapport, werkversie inclusief aanpassingen.
  • VERBOVEN H. e.a. 2012: Syntheserapport over de aanpak, methodiek, resultaten en aanbevelingen van het WO I erfgoed onderzoek, intern rapport Onroerend Erfgoed, 129.

Bron     : Aanduidingdossier Ankerplaats 'Slagveld Passendale, definitieve aanduiding 23/04/2015. Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Himpe, Koen, Wang, Yiqiao
Datum  : 2014


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Slagveld Passendale [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300490 (Geraadpleegd op 20-10-2019)