Woning De Somviele

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Gent
Deelgemeente Sint-Denijs-Westrem
Straat Oudeheerweg
Locatie Oudeheerweg 8, Gent (Oost-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Herinventarisatie Gent 20ste-eeuwse architectuur (thematische inventarisatie: 01-01-2015 - 01-01-2019).

Juridische gevolgen

is beschermd als monument Woning De Somviele

Deze bescherming is geldig sinds 27-06-2018.

Beschrijving

Woning De Somviele werd ontworpen door architect Daniël Grootaert vanaf 1966, met aanpassingen tot in de vroege jaren 1970. Deze grootschalige villa met zwembad en tuin getuigt enerzijds van een erg persoonlijke en individuele interpretatie van het naoorlogse modernisme, en anderzijds van een assimilatie van de toenmalige internationale ontwikkelingen op het vlak van architectuur, design en interieurafwerking. De woning wordt gekenmerkt door een grote samenhang tussen de buitenaanleg, het exterieur en de interieurafwerking. Daarnaast kan de woning beschouwd worden als het meest representatieve en zeldzame ontwerp binnen het moderne oeuvre van Grootaert, zoals het tot op heden in kaart is gebracht.

Historiek en context

Bouwheer Firmin De Somviele-Deprez was eigenaar van boekhandel en -magazijn Climax, gelegen aan de Kortrijksesteenweg in Sint-Denijs-Westrem bij Gent. Climax was gevestigd in het linkerdeel van een interbellumvilla (Kortrijksesteenweg nummer 1142a, heden verbouwd). Het eigendom van De Somviele sterkte zich uit tussen de Kortrijksesteenweg en de Oudeheerweg (toen Oude Heirweg). Het noordelijk gedeelte aan laatst genoemde straat was grotendeels onbebouwd en gedeeltelijk bebost, en wordt op plannen aangeduid als ‘hof’ bij de toenmalige bedrijfswoning. Firmin De Somviele liet vanaf 1966 plannen ontwerpen door architect Dan Grootaert voor een woning, die was opgevat als een grootschalige villa met zwembad, ingepast met aandacht voor de condities van het perceel en met onder meer het behoud van de bomen aan de straatkant. Naar verluidt kreeg de architect carte blanche van de opdrachtgevers en groeide het ontwerp organisch, niet alleen tijdens de ontwerpfase zelf, maar ook nadien. De eerste bouwvergunning werd ingediend op 24 mei 1966 en de vergunning werd verleend op 22 juni van dat jaar.

Een complexe ontstaansgeschiedenis

De vroegste bewaarde plannen zijn gedateerd op 23 mei 1966. Bij het bouwdossier zijn eveneens ongedateerde foto’s gevoegd van een maquette die met deze ontwerpfase overeen lijkt te stemmen. De algemene planindeling en schikking van volumes vormt een voorloper van het hedendaagse uitzicht. Het plan gaat terug tot een L-vorm, aan meerdere zijdes dynamisch uitgebreid met uitspringende volumes. Vormelijk getuigt dit vroegste ontwerp van een grote invloed van de Expo-stijl, meer bepaald door de aanwezigheid van uitkragende vlinderdaken, geknikte luifels en ten opzichte van elkaar verspringende wanden en volumes. Deze elementen zouden echter later afgezwakt worden. De planindeling en ruimtewerking vormde al grotendeels een voorloper van de huidige toestand, maar zou wijzigingen ondergaan voor de bouw van start ging. De aanwezigheid van personeel in deze grootschalige villa was op dat moment al voorzien in de ontwerpplannen. Dit is zichtbaar in de afzonderlijke toegang ten noordwesten en de aanwezigheid in de living van kasten tussen de eet- en leefkamer aan de ene kant en de noordelijke wand van de living daar tegenover, waardoor het personeel ongezien hierachter kon circuleren zonder het gezinsleven te storen. Het ontwerp getuigt wel al van enkele belangrijke basisprincipes die een constante vormen in het moderne werk van architect Dan Grootaert. Deze kenmerken omvatten bijvoorbeeld het opvallende en sterk gevarieerde spel tussen gesloten en open gevelvlakken in overeenstemming met de privacy van de bewoners en de oriëntatie van de verschillende functies. Grootaert combineerde en accentueerde dit door een bijzondere, gevarieerde schikking van de vensters, waaronder grote vensters met een V-vormige ondersteuning, en de aanwezigheid van claustra en glasramen, die de intimiteit van de ruimtes verhogen, een bijzonder lichtspel creëren en de leefruimtes opladen met een bijzondere intensiteit. Het aangename leefklimaat in de woning en het gezinsleven werd geconcentreerd rond een zitkuil met los in de ruimte opgehangen haard en werd ook overwogen in relatie tot de omgeving. Natuurlijke aanplantingen verhogen de privacy aan de straatzijde, watervlakken en terrassen creëren een dialoog tussen buiten en binnen – onder meer met de inwendige galerij in de oostvleugel voor ‘zonnebad, lig en rust’ –, en de uitkragende daken vormen een luifel ter bescherming tegen te felle zon in de zomer. Een ander essentieel kenmerk is het gevarieerde materiaalgebruik. Als materialen worden op de bouwaanvraag muren in witte breuksteen vermeld, schrijnwerk in rood cederhout, claustra in witte beton en glas-in-betonramen, evenals een dak bedekt met roofing en opgebouwd met een metalen gebint. Deze werden voor een deel behouden in de definitieve uitvoering.

De volgende bewaarde plannen dateren van 21 maart 1967. De algemene vormgeving en de situering van de functies van het eerste voorontwerp werden hierbij behouden, terwijl er intern en extern enkele aanpassingen plaatsvonden, evenals wat betreft het materiaalgebruik. In deze ontwerpfase werd de oostelijke vleugel aan de straatzijde opgetrokken tot drie bouwlagen, in tegenstelling tot de twee bouwlagen van het eerste voorontwerp. De meisjesslaapkamers verschoven naar dat niveau, waardoor de planindeling van de verhoogde begane grond werd aangepast, dichter aanleunend bij de uitgevoerde vorm. In de leefkamer werd een bijkomende splitlevel voorzien ter hoogte van de eetplaats, en ook het ontwerp van de inkom onderging wijzigingen. Naast de toegangsdeur was in dit ontwerp een open, beglaasde ruimte voorzien die een relatie aangaat met de omgeving en ingevuld kan worden met planten. Dit aspect keert ook terug in de dialoog tussen de living en de tuin. In het verlengde van de al voorziene waterpartij werd in dit voorontwerp het zwembad gesitueerd, dat in het voorgaande ontwierp dieper in de tuin voorzien was.

De kenmerkende vlinderdaken, opvallende luifels en metalen dakconstructie uit het eerst ontwerp, werden in 1967 echter geleidelijk ingeruild voor een dakconstructie op basis van houten spanten, die leiden tot licht hellende platte daken, uitkragend ten opzichte van de gevels als luifels. Enkel de lagere uitbouw van de living, waar zich de eetkamer bevindt, was nog voorzien van een vlinderdak. Daarnaast wijzigden de compositie en de indeling van de vensters op de plannen, evenals de vormgeving en situering van de claustra tot schermen bestaande uit regelmatige elementen met een V-vormige structuur. Het glas in beton dat voorzien zou worden in de gebogen, westelijke wand, was niet langer aanwezig op de plannen. Ook andere elementen van het materiaalgebruik evolueerden steeds dichter naar hun definitieve vorm. Zo werden de doorsnedes van de leefruimte op de plannen voorzien van een "decor[atief] plastiek plafond", weliswaar piramidevormig aangeduid in tegenstelling tot de definitieve uitvoering. Andere typische elementen uit het oeuvre van Grootaert, zoals de recuperatie van oude eiken balken, komen ook op de plannen terug.

Op één van de plannen stond een handgeschreven nota met de vermelding "na geweest 18 sept, binnen drie weken beginnen (…) 12 oct". Uit de briefwisseling omtrent de bouwvergunning blijkt daarentegen dat de bouwwerken niet in de herfst van 1967 van start gingen, maar wel pas op 22 april 1968. De langdurige ontwikkeling van het ontwerp en vermoedelijk ook van de bouw ervan wordt ook in het kadasterarchief bevestigd, aangezien de woning pas kadastraal geregistreerd werd in 1971.

In de periode vlak voor en tijdens de aanvang van de werken, werden nog verschillende plannen opgemaakt. De plannen voor de houten dakspanten, vervaardigd door firma Carl uit Landegem, dateren van 19 december 1967 (gewijzigd op 3 september 1968). Architect Grootaert maakte begin september 1968 nog een gewijzigd ontwerp voor de inkom van de villa, die in de lijn lag met het ontwerpplan van maart 1967, maar een dubbel toilet voorzag, evenals een draaiende deur rondom een centraal aspunt, tussen de inkom en de leefruimte, gelijkaardig aan de toegangsdeur (niet gerealiseerd). In de zomer en herfst van 1968 maakte de Gentse ingenieur R. Meyns plannen en detailstudies voor de constructieve opbouw van de woning en de metalen liggers en kolommen ter ondersteuning van de houten dakspanten, en de betonstructuur ter verankering van de spanten. Grootaert maakte in de jaren nadien nog enkele detailontwerpen en realiseerde eind 1972 nog plannen voor een overdekt terras met open haard, gesitueerd ten zuidwesten van de leefruimte. Vermoedelijk werd het terras ten vroegste in de zomer van 1973 gebouwd, aangezien het bestek van de werken door Grootaert werd opgemaakt in augustus van dat jaar.

De plannen geven – ondanks hun omvangrijk aantal – niet het volledige beeld weer van het complexe ontwerpproces, dat nog verder doorging ten tijde van de bouw en de woning organisch liet evolueren. De uitgevoerde toestand wijkt immers op sommige vlakken nog af van de twee voorontwerpen. Niet alleen door Grootaert liet de familie De Somviele nog wijzigingen aanbrengen; ze beslisten ook eigenhandig om aanpassingen door te voeren. Het meest ingrijpende was het toevoegen van een venster dat de bibliotheek afsloot van de ruime living en dit ten tijde van de oliecrisis in functie van de verwarming van deze ruimte. De middelen van de familie, die de schaal en materiaalkeuzes voor de woning mogelijk maakten, zetten zich ook door in de losse interieurelementen, die getuigden van een grote interesse voor designmeubilair. Toen de woning in 1985 werd verkocht bleef dit meubilair niet in de woning bewaard. Woning De Somviele onderging geen ingrijpende verbouwingen, op vernieuwingen in het nachtgedeelte en van de keuken na. De woning is hierdoor herkenbaar bewaard en is door haar schaal, haar kwalitatieve afwerking en de moderne geest van de opdrachtgevers een representatief voorbeeld van een naoorlogse modernistische villa.

Context en situering

Daniël Grootaert (1918-2011) realiseerde de woning eerder laat in zijn carrière, die aanvatte op het eind van de jaren 1930 toen hij werkzaam was in het bureau van de Gentse architect Gaston Eysselinck en toen hij in 1940 begon als zelfstandig architect. Naast de gematigde en traditionele ontwerpen die hij realiseerde, evenals renovaties, slaagde hij er dankzij enkele opdrachtgevers in om minstens vanaf 1959 enkele opmerkelijke, moderne woningen te ontwerpen, die gekenmerkt worden door een homogeniteit in algemene aanpak en vormgeving, materiaalgebruik, volumewerking en ontwerpdetails. De opvallende interieurafwerking van deze woning vormt echter – tot dusver – een unicum binnen het oeuvre van de architect. De inspiratiebronnen van Grootaerts individuele aanpak vallen niet eenvoudigweg te traceren. Mondelinge bronnen stellen dat hij opkeek naar het werk van zijn leermeester Eysselinck en – vermoedelijk onder diens invloed – naar Le Corbusier. Hoewel hun invloed mogelijk zichtbaar is in sommige facetten van Grootaerts architectuur, zoals bijvoorbeeld het ophogen van de leefverdieping boven een functionele sokkel, de aandacht voor een ‘promenade architecturale’ en een open planindeling, getuigt Grootaerts moderne werk in het algemeen van een grote gelaagdheid en ambiguïteit.

Het primitieve, organische karakter van de ruwe natuursteenblokken en andere natuurlijke materialen lijkt de hand van een architect te ontkennen: "[nature] literally makes its way into the house: at the front door, the rock-like outside wall simply continues inside as an interior wall. As though a ruin had stood there for centuries and in 1973 someone had turned it into something inhabitable. The stones suggest a history that stretches beyond that of the client". Deze materialen laden het pand op met een fictief gevoel van historiek en authenticiteit. De inspiratiebronnen van Grootaert tot deze ontwerpkeuze, die ook al vroeger in zijn oeuvre optreedt, zijn onbekend, maar kunnen divers van aard zijn. Zo ondernam hij vaak reizen naar het buitenland, voornamelijk naar Frankrijk, en kan hij daar beïnvloed zijn geraakt door lokale architectuur en het gebruik van natuursteen. Ook Rudofsky's publicatie "Architecture without architects" (1964) stelde architectuur in het daglicht waar geen ontwerper aan te pas lijkt te komen. Daarnaast was het typisch voor de late jaren 1960 dat er werd gezocht naar ‘alternatieve’ manieren van wonen en interieurontwerp. Dit gaf in woningen bijvoorbeeld aanleiding tot de integratie van objecten en elementen uit de derde wereld, gecombineerd met zichtbare materialen, echt vuur door middel van een haard en kaarsen, en aandacht voor bijvoorbeeld textiel. Een belangrijk internationaal voorbeeld dat hierbij aansluit, is Dragon Rock in Garrison, New York (Verenigde Staten), huis en atelier van ontwerper Russel Wright (jaren 1950, vroege jaren 1960). Deze woning speelt sterk in op de buitenaanleg en laat deze ook doorlopen in het interieur. Net als bij Woning De Somviele gaat dit echter ook gepaard met een sterk contrast ten opzichte van de natuur, waarbij de woning gericht is op het leven van haar bewoners en hierbij door de mens gemaakte materialen en elementen ook hun plaats opeisen. Deze menselijke creaties zijn onder meer bepalend voor de artistieke kwaliteit van Woning De Somviele. Deze balanceert tussen een lokaal verankerde creativiteit en de adaptatie van internationale voorbeelden. De uitwerking van de haard en van de glasramen door bevriende Gentse kunstenaars – respectievelijk Walter De Buck en Armand Blondeel – versterkt de uniciteit van dit totaalontwerp. Grootaert combineert dit echter met opvallende interieurelementen en een vormgeving die sterk aansluiten bij het internationale modernisme en design van de late jaren 1960.

Een deel van het design en het interieurontwerp werd op dat moment beïnvloed door de Space Age, wat aanleiding gaf tot muurdecoraties in metaal of gekleurde plastics. Deze sloten in sommige gevallen aan bij de Pop Art of bij de optische illusies van de Op Art. De opvallende wand- en plafondtegels in Woning De Somviele, uitgevoerd in kunststof en voorzien van noppen in verschillende groottes, doen denken aan diverse vormen van wand- en plafondbetegeling in lichtgewicht plastic ontworpen door Verner Panton, bijvoorbeeld elementen gecreëerd in 1969 voor de meubelbeurs Visiona 2 in Keulen (1970). Er zijn ook meerdere Belgische en bijvoorbeeld Franse voorbeelden uit die periode gekend van wandpanelen met geometrische, driedimensionale patronen, zoals panelen in polystyreen, een goedkope kunststof, geproduceerd door firma Meurop naar ontwerp van Guy Bernard (jaren 1970). De plastic tegels in Woning De Somviele waren oorspronkelijk voor het merendeel voorzien van een zilveren afwerking. Dit sluit aan bij andere decoratieve wand- en schouwpanelen met repetitieve patronen uit die periode, bijvoorbeeld 'bubble mirrors' en 'bubble wall panels' voorzien van een zilveren afwerking, eventueel met een spiegelend effect. Tegen de gebogen wand achter de draaitrap van het nachtgedeelte in Woning De Somviele waren oorspronkelijk eveneens zilverkleurige panelen aangebracht, die ondanks hun lichte materiaal visueel een gelijkaardig effect hadden als bijvoorbeeld stalen panelen ontworpen door Pierre Gautier-Delaye. Ook andere interieurelementen in de opvallende leefruimte zijn kenmerkend voor de bouwperiode en vertonen gelijkenissen met internationale voorbeelden. De zitkuil of zogenaamde 'conversation pit' werd sinds de toepassing in het in 1957 gebouwde Miller House van Eero Saarinen in Columbus, Indiana (Verenigde Staten), frequent toegepast tijdens de jaren zestig en zeventig. Ook bolvormige verlichtingsarmaturen, de lusters en de spots in de leefruimte, de inkom en het nachtgedeelte zijn kenmerkend voor de bouwperiode, meer bepaald voor verlichting aansluitend bij de Space Age. Ze vertonen bijvoorbeeld gelijkenissen met verlichtingsarmaturen die de Nederlandse firma Raak produceerde in de jaren 1960 en 1970.

De internationale invloeden zijn echter ook in het exterieur aanwezig. Hoewel Woning De Somviele de "idealen van de moderne villa uitstekend [veruitwendigt] op het vlak van materiaalkeuze, compositie en ruimtelijke opbouw", vormt ze binnen de lokale Gentse context toch eerder een uitzondering. Volgens bronnen werd het ontwerp dan ook hoofdzakelijk beïnvloed door realisaties van architect Frank Lloyd Wright. Wrights werk getuigt van een grote aandacht voor natuurlijke materialen (natuursteen, hout en baksteen), die sterk zichtbaar worden gelaten, en voor de inplanting en de relatie tussen de bewoner en de omliggende natuur. Wrights karakteristieke ontwerpelementen, zoals de lage, uitkragende daken, de horizontaliteit van de volumes, een open plan, ingebouwd meubilair, de centrale positie van de haard, de focus op het gezinsleven, het gebruik van natuurlijk licht en zichtbare, natuurlijke materialen, komen voor een deel terug in Grootaerts moderne architectuur. Grootaerts werk vertoont nog andere parallellen met het Amerikaanse modernisme, zoals met het naoorlogse werk van bijvoorbeeld Marcel Breuer. Net als andere modernisten, bijvoorbeeld Le Corbusier in zijn Maison de Mandrot (1929), toonde Breuer al tijdens het interbellum aan dat vernaculaire materialen perfect en zichtbaar geïntegreerd konden worden in een moderne vormgeving. Het gebruik van lokale natuursteen en van claustrawanden door Breuer vertoont parallellen met Grootaert. Daarnaast vertoont zeker het eerste voorontwerp van Woning De Somviele gelijkenissen met Breuers concept van de 'bi-nucleaire' woning, die bestond uit twee ruimtelijk gescheiden vleugels met het dag- en nachtgedeelte, geschakeld rondom een hal, en vaak vormgegeven met een grote dynamiek en onder vlindervormige daken. Het werk van Grootaert leunt eveneens aan bij enkele nationale tijdgenoten, weliswaar zonder dat er vermoedelijk sprake was van beïnvloeding, maar eerder van eenzelfde tijdsgeest. De voornaamste vormelijke gelijkenissen zijn op te merken in het werk van Jacques Dupuis, die het gezinsleven centraal stelde en een woning beschouwde volgens de idee "van een schuilplaats, van een thuis, van meditatie rond een beschermende plek waarvan het vuur het centrum is en de schoorsteen het signaal". Grootaert heeft met architecten als Dupuis gemeen dat ze een veelheid aan invloeden en stijlen herwerken volgens "een persoonlijke en geïnspireerde, herkenbare code", die hen een autonome en moeilijk te classificeren plaats binnen de architectuurgeschiedenis verleent.

Beschrijving

Inplanting en tuin

Woning De Somviele is ingeplant ten noorden van een uitgestrekt tuinperceel. De ligging nabij de straat zorgt ervoor dat de woning aan de noordzijde eerder gesloten is uitgewerkt, en zich daarentegen volledig opent naar de tuin ten zuiden. De bomen langs de perceelsgrenzen versterken de aandacht voor privacy. De voortuinstrook is voorzien van een ruwe aanleg en een verspreide aanplanting. Links is er een brede gekasseide oprit, afhellend naar de garage in het souterrain. Rechts van het perceel bevindt zich aan de straatzijde een smallere gekasseide oprit tot de dienstingang. Vanaf de brede oprit leidt een gekasseid pad naar de toegang, dat sporadisch doorbroken wordt met tegels uitgewerkt in keien. Een pad gevormd door onregelmatige, cirkelvormige betontegels is aangelegd parallel met de straat tussen de diensttoegang en het pad tot de inkom voor bezoekers. De achtertuin is daarentegen veel groener qua karakter en bestaat centraal uit een uitgestrekt gazon, in combinatie met een terras met een decoratieve, geometrische waterpartij en een rechthoekig zwembad in het verlengde van de in de achtergevel uitgebouwde zitkuil in de woning. Het terras bestaat uit twee niveaus in overeenstemming met de splitlevel van de leefruimte, aan welke ze grenst. De aanleg loopt door rond het zwembad en is uitgevoerd in betontegels gecombineerd met een brede omranding in kleine kasseien, voorzien van zones uitgewerkt met keien. De aanleg van het dakterras op de puntvormige uithoek van het souterrain van het oostelijk volume sluit met de afwerking in betontegels, de uitgespaarde groenperken en het gebruik van keien, aan bij de voor- en achtertuin. Tussen het zwembad en het zuidelijke, achterste gedeelte van de tuin loopt een pad in onregelmatige, cirkelvormige betondallen, gelijk aan dat in de voortuin. Dit pad leidt achterin naar een cirkelvormig terras aangelegd in kleine kasseien, omrand door grotere kasseien, en organisch doorlopend naar een pad, verder de achtertuin in. Ten westen van de woning is een pad in grind voorzien tussen de straat en de achtertuin, dat loopt langs een eenvoudige, rechthoekige waterpartij ter hoogte van de gebogen achtergevel van de eetruimte.

De stijl van de woning wordt doorgetrokken naar de tuin. De woning en tuin vloeien als het ware in elkaar over. Dit effect wordt verkregen door enerzijds het natuurlijke materiaalgebruik van de woning en anderzijds door de beplanting tot tegen de gevel te brengen, of zelfs langs de gevel te laten groeien (klimop). Ook de waterpartij is dichtbij de woning aangelegd. Door middel van doorbrekingen in het terras en de vele waterplanten, wordt er een vloeiende overgang gecreëerd tussen woning, terras en tuin. Door deze groen- en waterelementen zo dicht bij de woning te voorzien, vergroot dit de beleving van de tuin vanuit de woning.

Ook het materiaalgebruik wordt doorgetrokken in de tuin. Er is voornamelijk gebruik gemaakt van natuurlijke (kasseien, natuurstenen ornamenten, keien,…) of robuuste materialen (verweerde betondallen,...). De beplanting is semi-natuurlijk: kruidlaag (soorten als geraniums, grassen, varens), struiklaag (zoals Taxus, Cotoneaster, Ilex). Langs de straatzijde staan een aantal monumentale bomen (gewone beuk, bruine beuk, zilverlinde). Verder staat er ook in de tuin; acacia, notelaar, Amerikaanse eik, blauwe ceder,... Doordat het gebouw op een horizontale manier is geconcipieerd, bevindt het gebouw zich volledig onder het bladerdek van de bomen. Ook dit ondersteunt mee de gedachte om de woning te laten opgaan in de natuur.

Exterieur

De grootschalige villa bestaat uit meerdere, verspringende volumes uitgewerkt in verschillende materialen die ondanks hun variatie, toch getuigen van een grote homogeniteit en een totaalontwerp, in dialoog met de aanleg van de buitenruimte. De woning combineert een relatieve geslotenheid aan de voorzijde met een sterke openheid en relatie tot de achtertuin. De platte daken, opgebouwd op basis van houten spanten, rustend op gelijmde gordingen, zijn licht hellend. De spanten en gordingen kragen zichtbaar uit ten opzichte van de volumes en vormen zo in overeenstemming met de oriëntatie luifels die de leefruimtes beschermen tegen te felle zon. Alle vensters zijn rechthoekig tot vierkant en bewaren het dubbele glas uit de bouwperiode in houten raamkaders.

Woning De Somviele omvat aan de oostzijde een grootschalige vleugel van twee, gedeeltelijk drie bouwlagen, loodrecht op de straat en voorzien van een functionele sokkel met garages en daarboven het nachtgedeelte dat aan de straatzijde over twee bouwlagen is verdeeld, daarachter over één bouwlaag. De straatzijde van deze vleugel bestaat uit een bakstenen sokkel, quasi over de volledige breedte voorzien van de bewaarde garagepoort. De oostelijke zijgevel loopt door ten noorden als een lager bakstenen muurtje, dat de oprit flankeert. De twee bakstenen bovenverdiepingen springen licht uit en vallen op door hun relatieve geslotenheid. Het gevelveld wordt verlevendigd door Scheldesteen in zaagtandverband en is rechts geopend door een monumentaal rechthoekig venster dat doorloopt over beide bouwlagen. De gevel wordt bovenaan afgelijnd door een houten, horizontale beplanking. De oostgevel is eveneens uitgevoerd in een combinatie van Scheldesteen in zaagtandverband met vlak metselwerk in halfsteensverband, rondom de rechthoekige vensters.

De straatgevel van deze vleugel onttrekt de dynamiek van de opbouw aan het zicht. Deze komt tot uiting aan de achterzijde door het verspringen van de bouwdiepte op de verschillende bouwlagen. Ten zuiden loopt het souterrain uit in een punt met hierboven een terras, bereikbaar via een metalen draaitrap vanaf de tuin. De vleugel is aan de zuid- en oostzijde volledig afgewerkt met een eenvoudige horizontale, houten beplanking, voorzien van een donkere afwerking. Het souterrain en de eerste bouwlaag worden aan de zuid- en westzijde gekenmerkt door een grote transparantie en zijn volledig opengewerkt. De kleine, tweede bouwlaag is geslotener uitgewerkt, weliswaar ook van enkele vensters voorzien.

Deze vleugel wordt ten westen geflankeerd door een eveneens erg ruime en hoge vleugel die het leefgedeelte omvat en parallel met de straat is georiënteerd. Aan de noordzijde wordt ze uitgebouwd met twee lagere, haakse volumes, namelijk ten noordwesten een uitbouw met de dienstingang en de keuken, en centraal ten noorden een asymmetrisch volume met de inkom. Het eenlaagse leefgedeelte verspringt qua niveau ten opzichte van de oostelijke vleugel en is eveneens inwendig in de living voorzien van een splitlevel, zichtbaar in de verspringing van het dakvolume, dat bij de westelijke uitbouw van de leefruimte vormgegeven is als een vlinderdak. De dynamiek van de volumes wordt versterkt door de straatgevel van de living, die werd opgesplitst in drie gesloten geveldelen die in zaagtand ten opzichte van elkaar werden geplaatst en in de twee tussenruimtes werden ingevuld met kleurrijke glasramen naar ontwerp van Armand Blondeel. De straatgevel is net zoals het inkompaviljoen uitgewerkt in een opvallend parement van ruwe witte natuursteenblokken, geplaatst in een wild verband. De natuursteen is vermoedelijk gerecupereerde Balegemse steen, en omvat eveneens bouwfragmenten die van elders afkomstig zijn. De uitkragende, onregelmatige steen verleent de gevels een erg sculpturaal karakter en is eveneens zichtbaar aanwezig in het interieur. De inkom is aan de noord- en westzijde grotendeels opengewerkt met vensters en een volledig beglaasde, metalen toegangsdeur, daarboven afgelijnd met een horizontale houten beplanking. De toegangsdeur is opmerkelijk en draait open rondom een centraal aspunt. De gesloten, met natuursteen afgewerkte oostzijde en noordoostelijke hoek van de inkom, wordt enkel in de oostzijde doorbroken door een hooggeplaatst venster, afgeschermd met drie vierkante claustra-elementen, uitgevoerd in wit geglazuurde keramiek en voorzien van een geometrische vormgeving op basis van driehoeken.

De noordwestelijke uitbouw, waarachter de keuken schuilgaat, herneemt voor de gesloten gevelvlakken het gebruik van Scheldesteen, verlevendigd met grote vlakken in zaagtandverband, bijvoorbeeld zichtbaar in de westgevel en de gesloten noordgevel. De oostzijde van het volume combineert een bakstenen onderbouw in zaagtand met een claustrawand daarboven, die de plaatsing van de vensters volgt en deze afschermt naar de straat. De claustra vormen een repetitief decoratief element, opgebouwd uit hoofdzakelijk cirkelmotieven tot een soort honingraat en uitgevoerd in gebakken aarde. Tussen de claustra en de dakoverstek is de gevel afgewerkt met een horizontale houten beplanking, die ook voorkomt aan de westzijde van de uitbouw.

Tegen de westzijde van het hoofdvolume is een opvallende, uitspringende wand voorzien, die gebogen is uitgewerkt naar het interieur toe. De buitenzijde ervan is eveneens uitgevoerd in Scheldesteen in zaagtandverband, die ook deze wand een hoge sculpturale kwaliteit verleent.

De achtergevel trekt de dynamiek van de oostelijke vleugel door en wordt gemarkeerd door verspringende dakvlakken en volumes, deels bekomen door de uitbouw ter hoogte van de zitkuil in de leefruimte en de aanwezigheid van de splitlevels in het interieur. De vleugel wordt ook gekenmerkt door een grote transparantie, aangezien ze quasi volledig is opengewerkt, waarbij de hoge vensterpartijen voorzien zijn van een weloverwogen, geometrische verdeling. De horizontale houten beplanking van de oostvleugel wordt doorgetrokken ter hoogte van de splitlevel van de bibliotheek.

Ten westen van de achtergevel bevindt zich een iets later gebouwd overdekt terras onder een licht hellend plat dak, dat vooraan uitkraagt en zo een luifel vormt boven de opengewerkte voorzijde die uitkijkt naar het terras aan de achtergevel.

Interieur

De planindeling vertaalt de aandacht voor privacy en oriëntatie die ook tot uiting kwam aan het exterieur, evenals de nadruk op het ontvangst- en leefgedeelte. De L-vorm van het plan, dynamisch uitgebreid aan de noordzijde, omvat centraal ten noorden de inkompartij met een afgesloten ruimte met toegang tot twee toiletten. De inkom loopt door tot de leefruimte in het hart van de woning. De leefruimte bestaat uit een ruimte met twee splitlevels, enerzijds ten oosten de bibliotheek, anderzijds ten westen de eetkamer, opgevat als een lager volume onder een vlindervormig dak. Centraal tussen beide bevindt zich een verdiepte zitkuil met de haard. Vanuit de eetplaats is er een toegang tot de noordwestelijke uitbouw. Deze omvat de keuken, die hierlangs, via een galerij, verder doorloopt tot de dienstingang met enkele functionele vertrekken. Het nachtgedeelte bevindt zich in de oostelijke vleugel, op hetzelfde niveau als de bibliotheek en van daaruit toegankelijk, evenals via een trap vanuit de inkom. Aan de straatzijde bevindt zich een galerij met draaitrap tot de bovenverdieping, geflankeerd door vides over de volledige hoogte. Op beide niveaus bevinden zich telkens twee afzonderlijke slaapkamers, die in verbinding staan met de daartussen gelegen, gemeenschappelijke badkamer. De galerij loopt verder naar het zuiden langs de westzijde van dit volume. Daar bevinden zich achtereenvolgens een slaapkamer met badkamer, een toilet en een afzonderlijke badkamer die in verbinding staat met de slaapkamer die uitkijkt over het dakterras. Het souterrain vormt een functionele sokkel.

De interieurafwerking is hoofdzakelijk in de inkom en de leefruimte gaaf bewaard en kenmerkend voor de bouwperiode. De sterk beglaasde inkom staat in een opvallende visuele relatie tot de buitenruimte en speelt hierop in door het gebruik van onregelmatige natuursteen als wand en vloer. De inkom en de toiletten bewaren de originele tegelvloer en de afwerking van het plafond met planchetten, die de intimiteit van de inkom versterken. Ook zijn de toiletten voorzien van een bewaarde wandbetegeling, die overeenstemt met de afwerking in de badkamers en een toilet in het nachtgedeelte. In het nachtgedeelte zijn de steek- en draaitrappen bewaard, de algemene planindeling, de travertijnen vloer in de galerij en het sanitair in de hoofdbadkamer.

De inkom leidt ten zuidwesten naar de leefruimte op hetzelfde niveau en staat hiermee in een open verbinding. De leefruimte valt op door de schaal, versterkt door het hoge plafond, in combinatie met de splitlevels. De onderbouw van de bibliotheek is – net zoals delen van de buitengevel – uitgewerkt in baksteen in zaagtandverband, die in dit geval wit geschilderd is. De splitlevel aan de overzijde, ingevuld als eetplaats, bewaart een travertijnen vloer, evenals opvallende, driedimensionale plafondtegels in lichtgewicht kunststof, kenmerkend voor de bouwperiode. Deze afwerking is ook aanwezig tegen het plafond van de leefkamer zelf en tegen de zijgevel van de bibliotheek. Het sculpturale accent dat hierdoor wordt bekomen, wordt versterkt door de uitvoering van wanden in onregelmatige, gerecupereerde Balegemse steen met bouwfragmenten, de schikking van de noordwand in zaagtand, en de aanwezige artistieke accenten. De blikvanger in de ruimte is een haard in geslagen koper naar ontwerp van Walter De Buck, vrij opgehangen bij de centraal aanwezige zitkuil - wederom een typisch ontwerpelement uit die tijd. De abstracte glasramen van Armand Blondeel, ingewerkt in de zaagtand van de noordwand, vormen eveneens een bijzonder accent en versterken de lichtwerking.

  • Archief eigenaar, Documentatie en plannen De Somviele.
  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, Mutatieschetsen Gent, afdeling XXV (Sint-Denijs-Westrem), 1971/17.
  • Stadsarchief Gent, Bouwaanvragen Sint-Denijs-Westrem, Oudeheerweg 8, 1112-66.
  • ADRIAENSEN A. 1999: Armand Blondeel, glasschilder, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Universiteit Gent, Vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen.
  • BONY A. & ROUSSEU F. O. 1983: Les années 60, Parijs.
  • BRADBURY D. 2014: Mid-century modern complete, Londen.
  • BROOKS PFEIFFER B. 1991: Frank Lloyd Wright, Keulen
  • COHEN M. en THOMAES J. 2000: Jacques Dupuis. Architect, Antwerpen.
  • DEMEULEMEESTER T., BUREZ A. & MERTENS L. 2017: Erotique Chic: Interiors of seduction, Tielt.
  • DANNEELS J. & PLOEGAERT W. 1985: 125 jaar Stedelijke Akademie voor Schone Kunsten te Deinze: 1860-1985, Kruishoutem.
  • FIELL C. & FIELL P. (eds.) 2000: 60s decorative art: a source book, Keulen.
  • FIELL C. & FIELL P. (eds.) 2000: 70s decorative art: a source book, Keulen.
  • MASELLO D. 1993: Architecture without rules. The houses of Marcel Breuer and Herbert Beckhard, Londen
  • MASSEY A. 2001: Interior design of the 20th century, Londen.
  • PAUWELS H., VAN DOORNE G. en VAN KEYMEULEN K. 2009: Walter De Buck in beeld, Gent.
  • REMMELE M., BROCK B., EPPLE S., BIRKELBACH B., HVIDBERG-HANSEN P. & HORSFELD H. 2000: Verner Panton: The collected works, Weil am Rhein.
  • VERHOFSTE A.M. 2008: Wonen in Gent van 1914 tot 2000. Stadsmussen onder dak 2, Gent, 63.
  • WAGENAAR A. 1973: Firmien De Somviele: België's nationale zondebok, Leidsch Dagblad 30 juni, 14.
  • Mondelinge informatie verkregen van de eigenaar (7 juni 2017).
  • Mondelinge informatie verkregen van Hildegarde Grootaert (5 januari 2018).

Bron: Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/44021/130.1, Woning De Somviele.

Auteurs: Schepens, Annelies & Verhelst, Julie

Datum tekst: 2018

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Sint-Denijs-Westrem

Sint-Denijs-Westrem (Gent)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.