erfgoedobject

Het Klein Park

landschappelijk element
ID: 300774   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300774

Juridische gevolgen

Beschrijving

Tot landhuis verbouwde vierkantshoeve van het voormalige Hof ten Poele, vermoedelijk voor het eerst aangepast omstreeks 1810 en bijkomend verbouwd in het vierde kwart van de 19de eeuw, omgeven door park van bijna 11 hectare in vroege landschappelijke stijl, met groentekelder en tot vijvers opgestuwde beek, voorzien van cascade met waterspuwers; belangrijke aanplantingen rond 1860; diverse oude en zeldzame bomen.

Het Hof ten Poele

Het kasteeltje ten oosten van de dorpskerk van Lovenjoel, op de Ferrariskaart (1771-1775) vermeld onder "château de Lovenjoel", gaat terug op het "Hof ten Poele", voor het eerst vermeld in 1580-1590. De toenmalige eigenaar vroeg vermindering van cijnslasten omdat zijn eigendom vlakbij de grote heerbaan lag en daardoor veel te lijden had van "passerende en repasserende" soldaten. Het was op dat moment cijnsplichtig aan het godshuis van de "arme vrouwkes van Sinte Barbelen" te Leuven. Tussen 1616 en 1640 behoorde "het pacht­hof geheten 't hof te Poele tot Lovenjoel", toe aan jonker Jan van Pulle. Omstreeks 1700 en tot aan het einde van de 18de eeuw was het cijnsplichtig aan het godshuis van Sint-Maartensdal te Leuven. Op 13 december 1752 werd het hof ten Poele openbaar verkocht. Het omvatte: "huys, hoove, schuere ende stallinghe met een woonhuys, append. ende depend. boomgaarden, heussels ende vijvers, t'samen groot twee bunderen, twee dachmaelen ende 55 roeden". De koper was ook de bouwer en de eigenaar van het kasteel ten westen van de kerk:"Mher Carolus-Christianus-Joannes van Spoelberch, ridder ende here van Louenioul, voor de som van 2200 gulden coopsom".

In 1770 we­rd François-Philibert-Joseph Van Bemmel (1725-1807), secretaris van de stad Leuven en ontvanger van de Staten van Brabant, de tiende heer van Lovenjoel. Hij verwierf niet alleen de heerlijke rechten, maar kocht te Lovenjoel ook de meeste onroerende bezittingen uit de nalaten­schap van de reeds genoemde Karels Christiaan-Jan de Spoelberch (1709-1772) op. Tot deze eigendommen behoorden zowel het kasteel in het Groot Park als het Hof ten Poele met het omgevende park. Pas in 1813, na het huwelijk van François Jean Joseph de Spoelberch d'Eynt­houts met de weduwe Van Bemmel, kwam het Hof ten Poele met het Klein Park opnieuw in het bezit van de familie de Spoelberch. Op welke wijze de erfopvolging na de Spoelberch d'Eynthouts gebeurde is vooralsnog niet duidelijk: overleed hij kinderloos en kwam het domein zo toe aan zijn neef Jan-Hendrik-Jozef of aan de zoon van laatstgenoemde, burggraaf Felix-Xavier de Spoel­berch, broer van Maximili­aan-Antoon-Theodoor, de aanleg­ger van het Groot Park? Felix-Xa­vier, volgens de kadastrale gegevens van 1830 eigenaar van het Klein Park, over­leed onge­huwd in 1868. Na enkele verervingen en een ruiling werden beide kaste­len van Lovenjoel met de bijbeho­rende parken in 1890 op­nieuw verenigd onder één eigenaar: Karel-Victor de Spoel­berch.

Na het kinderloos overlijden van Karel-Victor in 1907, erfde mevrouw Gilbert-Ernst uit Leuven als algemeen legataris zowel het Groot als het Klein Park. In 1915 schonk zij beide parken aan de Universiteit van Leuven, die in 1923-1924 het recht van gebruik en bewoning overdroeg aan de v.z.w. Zusters van Liefde van Gent. Het medisch-pedagogisch instituut 'Ave Regi­na' nam in 1938 zijn intrek in het Klein Park. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was de ge­plande nieuwbouw in de zone tussen het kasteel en de kerk voor meer dan de helft voltooid, maar door de oorlogsomstandigheden liet de definitieve voltooiing tot 1949 op zich wachten. Uit een figuratieve kaart van de bezittingen van het godshuis Sint-Martens te Leuven, opgemaakt tussen 1744 en 1754, blijkt dat er binnen de perimeter van het huidige park, in de oostelijke spievormige uitloper tussen de steen­weg Leuven-Tienen en de oude baan naar Tienen (nu Kerselaarlaan genoemd) toen nog een tweede hoeve was, het Vrijthof genaamd, voor het eerst vermeld in 1484. Het is ons niet bekend wanneer en onder welke omstandigheden dit hof verdween.

De gegevens over het uitzicht van het kasteel vóór 1905 zijn beperkt tot datgene wat uit de Ferrariskaart, de kadasterkaar­t en en een schilderij in privé-bezit (circa 1880) kan worden afgeleid. Op al deze docu­men­ten en zelfs nu nog – na ettelijke verbou­wingen – blijft de oor­sprong van het gebouw duidelijk zicht­baar: een gesloten vier­kanthoeve, die metter­tijd in de rich­ting van de kerk wordt open­gewerkt. De U-vormige plattegrond beantwoordt aan het in de 18de eeuw vigerende model "vivre entre cour et jardin". Na de bouw van het instituut 'Ave Regina' werd het metal­en sierhek dat rond 1900 de koer af­sloot, ver­plaatst naar de toegang bij de Stations­straat. Het kasteel onderging een belangrijke verbouwing in 1885 door de toevoeging van twee hoektorens die de zijvleugels met het hoofdgebouw verbinden. Daar­door ging het er ook meer als een kasteel uitzien. Na een laatste grondi­ge verbouwing en vergroting in 1905, verkreeg het zijn huidig neotraditioneel uitzicht. De S-vormige muuran­kers ver­wijzen uiteraard naar de naam van de bouwheer.

Ontstaan van het 'Klein Park'

Zoals in het Groot Park was aan het einde van de 18de eeuw ook hier de aanleg beperkt tot de onmiddellijke omgeving van het kasteel en voornamelijk utilitair bedoeld: een moestuin, een grote (min of meer tra­pezoïdale) en een kleine, langwerpige vijver en een boomgaard. Op de plaats van het huidi­ge park, ten oosten van het kasteel, geeft de Ferraris­kaart (1771-1775) akkers en hooilanden weer omgeven door houtkanten en bomen­rijen. De oever­zo­nes van de Molenbeek waren be­bost. Een laantje verbond het kasteel met de dorpskerk, haaks op de noord-zuid ge­rich­te laan die vlak naast het kasteel liep en de oude Tiensebaan verbond met de nieuwe steen­weg Leu­ven-Tienen. Op een kadastraal 'plan géométrique' uit 1807 is het beeld van de Ferrariskaart nog intact, maar een kadaster­kaart van 1810 toont het Klein Park in een nieuw kleedje, als een vroeg-landschappelijk park, een 'jardin à l'anglaise'. De landschappelijke heraanleg zal in het Groot Park pas in 1836-1837 worden geregistreerd, maar diverse tuinen en parken in de regio – de Biolley-T'Serclaes en Gellenberg te Lub­beek, het dom­ein van Kwabeek te Vertrijk, het Vijverhof te Korbeek-Lo... – ondergaan al tijdens het eerste decennium van de 19de eeuw een vergelijkbare metamor­fose. In de zone ten noorden en ten oosten van het kasteel verschijnt een embryonale vorm van een vroeg-landschappe­lijke, romantische tuin. Het tra­pe­pzoïdale vijver­tje ten noor­den van het kas­teel is minstens verdub­beld in opper­vlakte, heeft amoeboïde contou­ren gekre­gen en versmalt stroom­opwaarts gelei­delijk tot een ka­naalvormige trechter die over­ pannen wordt door een brug, ongetwijfeld de boog­brug waarvan de bak­stenen aanzetten nu nog te zien zijn.

De overstort van de vijver naar de Molenbeek krijgt een monumentaal karak­ter: een dubbele ardui­nen drempel geflankeerd door twee stèles met elk twee waterspuwende bronzen leeuwenkoppen, een medaillon met een sierlijk bas-reliëf van brons of terra­cotta en een boogvor­mige opening onderaan. Deze constructie is bewaard gebleven, weliswaar zonder de medaillons en zonder de leeuwen­koppen op de rechtse stèle. Achter de stèles gaan volu­mes schuil die recent met beton werden ver­sterkt, zodat de oor­spronkelijke vormen en materialen niet meer zichtbaar zijn, maar in de achteruit­bouw van de linkse stèle is wel nog een rudimen­tair sluisje aanwezig. In de bocht van de oude Tiense weg, op ongeveer 50 meter ten zuiden van het kasteel, wordt op een kadasterkaart van 1810 een hoeve aangeduid die nog niet op het 'plan géo­métrique' van 1807 voorkomt. Dit zou erop kunnen wijzen dat, op het ogenblik dat het landschappelijk park werd aangelegd, de oorspronkelijke agrarische functie van het Hof ten Poel op de nieuwe hoeve (die al in 1840 gedeeltelijk wordt afgebroken en in 1864 voll­edig verdwijnt) werd overgedragen.

De zone ten westen van het kasteel bestond in 1810 nog altijd uit land­bouwgronden, doorkruist door de twee voornoemde dreven. Tot onge­veer 200 meter ten oosten van het kas­teel, een zone die vanaf 1830 op de kadas­terkaarten als "Kas­teel Blok" werd omschre­ven, strekte zich de "jardin V[eu]ve Van Bemmel" uit, waarschijnlijk moestuin of een combinatie 'nut en sier'. De pla­taan (Platanus x hispanica) bij het kasteel heeft een stamom­trek van 481 centimeter (gemeten op 150 cm hoogte) en behoort tot de vroeg-19de-eeuwse aanplanting, samen met enkele haagbeuken (Carpinus betulus), enkele gewone beuken (Fagus sylvatica) en de Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipife­rum) tussen het kasteel en de vijver, die in 1894 reeds 240 centimeter omtrek had en die in 1988, toen hij gerooid werd, was aange­groeid tot circa 400 centimeter.

De tweede aanlegcampagne

Afgaande op de historische kadastergegevens, de stafkaart van 1864 en, vooral, de leeftijdsopbouw, de verspreidingspatronen en de samenstelling van het bomenbestand, kan een tweede fase in de ontwikkeling van het Klein Park worden omschreven. Die valt ongeveer samen met grootscheepse heraan­leg van het Groot Park door Maximiliaan-Antoon de Spoelberch en werd uitgevoerd door zijn broer Felix-Xavier (1808-1868), die in 1830 als eigenaar wordt vermeld en rond 1860 alle percelen bezat tussen de steenweg Leuven-Tienen, de oude Tiense weg, de kerk van Lovenjoel, de huidige Stationsstraat (voorheen Keizerstraat) en de voormalige Lare­straat, dus ook van het "Tuin Blok" ten noorden van de Molen­beek. De (nu op diverse plaatsen onderbroken maar op een luchtfoto uit 1990 nog duidelijk merkbare) rijen bruine beuken met een tussen­ruim­te van 10 meter langs de oude Tiense weg (Kerselaarlaan) en de Molen­beek, hebben een leeftijd van 130 à 140 jaar en zijn ongetwij­feld een relict van een domeinaf­bake­ning uit die periode. Dit geldt ook voor de lange bakstenen muur met de (in 2001 verdwenen) tuinvaas langs de voormalige Larestraat, die de moestuin omsluit. Ten zuidoosten van het kasteel, vlakbij de oude Tiense weg (Kerselaarlaan), bevindt zich een met aarde, klimop en vlierstruiken bedekt, bakstenen tongewelf van 10 bij 3 meter en in het midden 1,40 meter hoog, met vier verluchtingsgaten in de noordelijke flank en een met arduin omlijste deuropening. Deze groentekel­der, een uitzonderlijke constructie (met een aarden vloer) die we ook in het goed van Peten te Boutersem (Roosbeek) hebben aangetroffen, werd waar­schijn­ijk ook door Felix-Xavier ge­bouwd. De uitbouw van het park gebeurde uitsluitend in het gedeelte ten oosten van het kasteel en het blijft inderdaad bij een 'klein park'. Dat geldt niet alleen voor de oppervlakte (11 hectare tegen 23 in Salve Mater), maar ook voor de schaal van de aanleg, de verscheidenheid van soorten en de esthetische kwaliteit. De bestell­ingen die de gebroeders de Spoelberch plaatsten bij de dorpssmid Van Schoonbeeck zijn teke­nend voor verschillen in aanpak, ingesteldheid en, mi­sschien ook, financiële draag­dracht: spijkers en andere ele­mentaire bestandde­len voor het 'Klein Park', volledig afgewerkt siersmeed­werk voor het 'Groot Park'.

De stafkaart van 1864 geeft een beeld van deze tweede aanlegfa­se, die gekenmerkt wordt door een ongeveer 200 meter lange zichtas. Aan de noordzijde wordt die begrensd door de vijver met de cascade en het stroomopwaarts versmallende 'kanaal' met de stenen brug. Aan de vorm van de vijver zoals hij wordt weer­gegeven op de Primitieve kadasterkaart werd sinds 1810 weinig veranderd, afgezien van de aanleg van een eilandje dat al op de kadaster­kaart van 1830 voorkomt. De opgestuwde Molenbeek en de kanaalmonding gaan schuil onder hoogstammig groen. De ooste­lijke flank van de vista bestaat uit aaneengesloten bosplant­soen dat via een drievoudige lus ontsloten wordt. Het grootste gedeelte van het huidige bomenbestand rond het kas­teel, de vijver en de vista werd aangeplant rond 1860: enkele platanen (Platanus x hispanica), witte paar­dekastanjes (Aesculus hippocastanum), Oostenrijkse dennen (Pinus nigra subspecies nigra), een groot aantal gewone beuken (Fagus sylvatica), zo­mer­ei­ken (Quer­cus robur), maar ook een mo­seik (Quer­cus cer­ris) met een stamomtrek van 411 centimeter (gemeten op 150 cm hoogte), een va­renbeuk (Fagus syl­vatica 'Lacini­ata', 337 centimeter) en – zoals in Salve Mater en on­geveer van het­ zelfde formaat – een mispel­bladige wintereik (Quercus pet­raea 'Mespilifolia' 425 centimeter). In het oostelijke uiteinde van het bosplantsoen ligt een 3 meter hoog, met zomerlinden (Tilia platyphyllos) beplant heuveltje. Het gaat om een belvédè­re, die vroeger uitzicht bood op een vijver. Deze vijver komt alleen voor op de topogra­fische kaart van 1908, maar de situering en de omvang ervan worden op het terrein nog aangege­ven door een natte ruigte met riet, moeras­spirea en moesdis­tel. Met het oog op de aanleg van deze vijver werd de Bruul­beek boog­vormig in oostelijke rich­ting omgel­egd.

De laatste fase in de uitbouw van het park zet in wanneer Karel-Victor de Spoelberch in 1890 het park overneemt. Aan deze fase kan eveneens een generatie parkbomen verbonden worden: een zomereik met lijnvormig blad (Quercus robur 'Strypemonde'), een mam­moet­boom (Sequoia­dendron giganteum), enkele Oos­ten­rijkse den­nen, een zuil­vormige zomereik (Quercus robur 'Fastigiata'), een zomer­linde met ingesneden blad (Tilia platyphyll­os 'Laci­niata'), een Spaanse aak (Acer campestre), een in het begin van de jaren 1980 verdwenen treur­honing­boom (Sophora japo­nica 'Pendula'), twee ginkgo's (Ginkgo biloba), een treur­beuk (Fagus syl­vatica 'Pendul­a'), bonte Engelse iep (Ulmus procera 'Argenteovariegata') die nog steeds in de vorm van uitbundige wortelop­slag aanwezig is. ­ Nabij de noor­delijke ingang van het park, bij het hek aan de Dreef­straat, staat één van de weinige oudere iepen (Ulmus gla­bra) die in de regio de diverse golven van iepenziekte overleefd heb­ben. De meest opmerkelij­ke toe­voeging uit die periode is de beplanting van de huidige Dreefstraat die de Tiense­steenweg verbindt met het kasteel: een dubbele rij zwarte walnotelaars (Juglans nigra) met stam­om­trekken tot 250 centimeter. De stafkaart van 1908, één jaar na het overlijden van Karel-Victor de Spoelberch, geeft het Klein Park weer in optima forma. De aanleg strekt zich uit tot in de oostelijke spie tussen de Tiensesteenweg en de Kerselaarlaan, ongeveer 200 meter ten oosten van het kasteel. Pas na het doorlopen van het pad langs de vijver en het 'kanaal' of vanop het belvédèreheuveltje krijgt de bezoeker een uitzicht op de oostelijke helft van het park, niet adembenemend maar toch aantrekkelijk: een niervormige vijver aan de voet van een open helling, omkaderd met hoogstammig groen (waaronder een treurbeuk). Eindpunt van het perspectief is een rij bruine beuken uit de 'Felix-periode', aangeplant op het hoogste punt van het domein, op de plaats waar waarschijnlijk ooit het Vrijt­hof heeft gestaan.

Het instituut 'Ave Regina'

In tegenstelling tot het Groot Park, betekent het einde van het de Spoelberch-tijdperk ook het einde van de dendrologische verrijking. De jongere aanplantingen bestaan uitsluitend uit zeer algemene soorten. Tekenend is ook dat de hierboven beschreven oostelijke helling vrij snel (zie stafkaart van 1930) beplant wordt met productiebos (momenteel Amerikaanse eik, Douglasspar, hemlock...). De bouw van het instituut werd oorspronkelijk overwogen in dat gedeelte van het domein, maar uiteindelijk werd gekozen voor de ruimte tussen het kasteel en de dorpskerk. Om het laag gelegen terrein bouwrijp te maken werden grote hoeveelheden bouwpuin aangevoerd. In het begin van de jaren 1950, na de voltooii­ng van het insti­tuut en in een periode waarin de lokale verbindingswegen en­thousi­ast verbreed en gebetonneerd worden, toont de Konink­ijke Commis­sie voor Monumenten en Landschappen voor een tweede maal be­langstelling voor de domeinen de Spoelberch te Lovenjoel (de eerste maal was honderd jaar vroeger, bij de verbou­wing van de dorpskerk). Naar aanleiding van een ontwerp voor de heraanl­eg en de ver­bre­ding van de Statiestraat, "weg van groot verkeer nr. 56", stelt de Com­missie in 1952, op aandringen van de Univer­siteit van Leuven, de 'rangschik­king als landschap' voor van "één der mooiste beuken­complexen van het land", met name de 32 bruine beuken en 2 zomereiken die de westelijke begrenzing van het Klein Park markeren. De bezieler van het beschermingsvoor­stel was de nog steeds actieve professor Victorien Antoi­ne [zie het artikel over het Groot Park]. Het gaat om bomen die deel uitmaken van de reeds be­sproken afbakeningsaanplanting met bruine beuken die door Felix-Xavier de Spoelberch omstreeks het midden van de 19de eeuw werd uitgevoerd. Op 14 april 1955 werden "om redenen van hun esthetische waarde (de) 32 rode beuken wassende langs de Stationstraat te Loven­joel" bij koninklijk besluit gerang­schikt als landschap. Nagenoeg een halve eeuw later is deze rij via een bijna geruisloos eliminatieproces, waarbij de reuzenzwam (Meripilus giganteus) doorgaans een nieuw sterfgeval aankon­digt, uitgedund tot dertien ex­empla­ren.

Merkwaardige bomen (opnamen 26 en 30 augustus 1991, stamomtrek gemeten op 150 cm hoogte)

  • 1. mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 343
  • 2. Oostenrijkse den (Pinus nigra subspecies nigra) 265
  • 3. zuilvormige zomereik (Quercus robur 'Fastigiata') 248
  • 4. Oostenrijkse den (Pinus nigra subspecies nigra) 320
  • 5. Oostenrijkse den (Pinus nigra subspecies nigra) 270
  • 6. zomereik met lijnvormig blad (Quer­cus robur 'Strypemonde') 215
  • 7. gewone plataan (Platanus x hispanica) 481
  • 9. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 212
  • 17. varenbeuk (Fagus sylvatica 'Asplenifolia') 337
  • 18. zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyp­hyllos 'Laci­niata') 203
  • 20. gewone beuk (Fagus sylvatica) 460
  • 21. moseik (Quercus cerris) 425
  • 22. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 230
  • 23. treurbeuk (Fagus sylvatica 'Pendula') 250
  • 31. Oostenrijkse den (Pinus nigra subspecies nigra) 322
  • 32. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 268
  • 33. Spaanse aak (Acer campestre) 157
  • 34. gewone plataan (Platanus x hispanica) 381
  • 35. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 382
  • 36. mispelbladige wintereik (Quercus petraea 'Mespilifolia') 300
  • 37. witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) 352
  • 39. gewone plataan (Platanus x hispanica) 396
  • 44. ginkgo (Ginkgo biloba) 204
  • 46. bonte Engelse iep (Ulmus procera 'Argenteovari­egata') wortelop­slag

 

  • Privé-archief Leo Seldeslachs, Lovenjoel – Boek 6 van de rekeningen van de smidse Van Schoonbeeck te Lovenjoel (19de eeuw).
  • Archief Koninklijke Commissie voor Monumenten en Land­schappen, dossier nr. 3473, in: Monumenten & Landschappen, Leuven.
  • Algemeen Rijksarchief Brussel, Kerkelijk Archief van Brabant, nrs. 15120, folio's 145 en 146.
  • Algemeen Rijksarchief Brussel, Schepenbanken kantons Leuven – Lovenjoel nr. 1195, niet gepagineerde folio's.
  • VAN OVERSTRAETEN J., Gids voor Vlaanderen (2de uit­gave), Antwerpen, Vlaamse Toeristenbond, 1966.

Bron     : DENEEF R., 2004: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Bierbeek, Boutersem, Glabbeek en Oud-Heverlee, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  Deneef, Roger, Dewinter, Jos
Datum  : 2004


Relaties

  • Omvat
    Dreef

  • Omvat
    Kasteel Felixhof

  • Omvat
    Schuur

  • Is gerelateerd aan
    Medisch pedagogisch instituut Ave Regina

  • Is deel van
    Klein Park

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Het Klein Park [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/300774 (Geraadpleegd op 10-07-2020)