Park van het Hof van Kerkom

inventaris landschappelijk erfgoed \ historische tuin of park

Locatie

Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Boutersem
Deelgemeente Kerkom
Straat Kerkstraat
Locatie Kerkstraat 8-12, 12A (Boutersem)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie tuinen en parken van Vlaanderen. Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee (geografische inventarisatie: 1983 - 2004).
Toegankelijkheid Niet toegankelijk

Juridische gevolgen

Beschrijving

Park in landschappelijke stijl, circa 6 hectare, aangelegd in 1830-1840 rond het oude Hof van Kerkom; het hof werd verbouwd tot eclectisch kasteel en de tuin werd aanzienlijk uitgebreid en heraangelegd rond 1880; tij­dens de Eerste We­reld­oorl­og her­aangelegd naar ontwer­p van J. Galoppin, in laat-land­schap­pelijke stijl met, rond het kas­teel, bloem­per­ken en -cor­beill­es.

Van hof tot kasteel

In 1968, bij ruimingswerken in de vijver bij het Hof van Kerkom, werden half vergane, grenen drainage­pijpen opgedolven – overlangs gekliefde en uitgeholde stammen, die door houten pennen met elkaar verbonden waren. Deze vondst is een indicatie van oude, mogel­ijk middeleeuwse, tuinbouwactiviteit. Het hof ligt op circa 50 meter van de dorpskerk en is de voormalige zetel van één van de vier feodale jurisdicties van Kerkom. De vijver is pas in de 19de eeuw ontstaan. In de Primitieve kadastrale legger was er slechts sprake van huis (een semi-gesloten vierkanthoeve), hof, weide, land en een stukje bos; een ongesofisticeerde landelijkheid die nog overeenstemt met het beeld op de Ferrariskaart (1771-1775), maar waarin spoedig verandering komt. Een kadastrale mutatieschets uit 1838 toont hoe delen van de boomgaard (sectie C nummer 166) en een aangrenzend perceel land (nummer 165) worden omgezet in een vijver met een rond eilandje (nummer 166a), omringd door een perceel 'lustgrond' (165b). De vijver werd mogelijk niet om puur ornamen­tele redenen uitgegraven. Het Hof van Kerkom bevindt zich immers aan de dalrand van de Malendriesbeek, een bijloop van de Vel­pe, die ter hoogte van Kerkom een bijna 2 kilometer lange strook veen heeft gevormd. Uit een provinciale enquête naar het voorkomen van turfsteke­rijen – de angst voor stil­staand water, bron van "ongezonde uitwasemingen en funeste epidemieën", was minstens even groot ­ als de behoefte aan goedkope brandstof – blijkt dat er in 1849 in Kerkom nog turf werd gestoken en de niet vergunde ontgin­nin­gen in de eerste helft van de 19de eeuw waren legio. Mo­gelijk werd in Kerkom het aangename aan het nuttige gepaard want de vijver van het Hof van Kerkom (35 are 40 centiare groot) be­vindt zich in deze veenstrook. De huidige vijver beslaat een oppervlakte van ongeveer 1 hec­tare.

De siertuin die in 1838 wordt geregistreerd, werd waarschijnlijk aangelegd door de toenmalige eigenaar, nota­ris Philippe Janssens uit Tienen, die het goed enkele jaren eerder had gekocht. In hoeverre de perimeter van de vijver op de kadastrale mutatieschets van 1838 met de realiteit overeenstemde (dit geldt ook voor de kaart van Ph. Vander Maelen en die van Popp), valt niet met zekerheid uit te maken. De in 1838 weergegeven vorm blijft ook op de latere kadasterkaarten be­houden, wat in situ zeker niet het geval was. De meer betrouw­ba­re, eerste militaire topografische kaart, die de toestand van 1864 weergeeft, toont een 300 meter lange en hoogstens 40 meter brede vijver, die op twee plaatsen ingesnoerd en door brug­jes overspan­nen is. Deze brugjes werden omstreeks 1920 vervangen door betonnen bruggen met rustieke leuningen uit cement (takimitaties), het werk van Frans Hen­drickx, die tevens chauffeur was van de toenma­lige eigenaars, de familie Martens.

De 'lusttuin' van notaris Janssens, zoals hij verschijnt op de topografische kaart van 1864 (een dubbel ingesnoerde vijver met twee brugjes en omgeven door een pad), vormde niet echt een geheel met het hoevecomplex, dat vooralsnog gesloten bleef met een eigen omheind tuinperceel (het Primitieve perceel 167). Ten noorden van het hof (perceel 173 op de Popp-kaart) bevond zich een omhaagde boomgaard van bijna 1 hectare. Het noordelijke gedeelte van het huidige park (perceel 176) was bebost, maar bos en boomgaard werden gescheiden door een open plek met enkele bomen. Door een aankoop in 1861 van een blok van 0,5 hectare, omvattende een huis met weide en bouwland, kon het park ook worden uitgebreid in zuidelijke richting, tot tegen de weg van Kerkom naar Bouter­sem. Het huis werd afgebroken en het hele blok (perceel 160a bij Popp) werd als 'lustgrond' bij het park ingelijfd. Het hofcom­plex bleef grotendeels onaangeroerd en werd na het overlijden van notaris Janssens (1855) zeer onregelmatig of niet meer bewoond; bij de verkoop in 1877 van het Hof van Kerkom en de aanpalende gronden – een blok met een totale oppervlakte van 18 hectare – verkeerden de gebouwen in een verregaande staat van verval.

Het Hof van Kerkom onder de familie Martens

De nieuwe eigenaar was Edouard Martens (1831-1902), professor in plantkunde en chemie aan de Leuvense universiteit, zoon van Martin Martens (1797-1863), eveneens plant- en scheikundige, reorganisator van de Leuvense kruidtuin in 1838. Professor Martens stortte zich met en­thousiasme op het dorpsleven. Zo bouwde hij op eigen kosten een lagere school, bedoeld als tegenwicht voor de schoolwet van 1 juli 1879 gelaïciseerde gemeenteschool. Bovendien schreef hij ook een uitgebreide, postuum gepubliceerde monografie over Kerkom. Niet alleen het dorp, maar uiteraard ook de gebouwen van het Hof van Kerkom werden grondig onder handen genomen. De tuinindeling en de parkaanleg zouden later volgen; de stafkaart van 1893 geeft nog ongeveer hetzelfde beeld als die van 1864.

Op oude schetsen en ka­das­ter­gege­vens verschijnt het Hof van Kerkom als een semi-ge­slo­ten hoeve-complex met een recht­hoe­kige plat­te­grond en een woongedeelte waarvan de kern minstens terug­gaat tot de 17de eeuw. De verbouwing van 1878 doet het rustieke, agrarische karak­ter van dit complex grotendeels teniet. De woonvleu­gel wordt 'gecastelliseerd': een verlenging naar het zuiden toe, eindigend in een perronachtige uitbouw; verhoging door een mansardedak met oeils-de-boeuf en typische rondbogige mansar­devensters; een centrale, geaccentueerde deurtravee met bal­kon, vlakke vensteromlijstingen, hoekkettingen... en aanbouwsels zoals een remise en een broeikas. Na deze verbouwing werd het huis door zowel het kadaster als de inwoners van Kerkom als 'kasteel' omschreven.

Kasteel met twee gezichten

In 1913 – het kasteel was toen eigendom van Charles Martens, zoon van Edouard, musicoloog, componist, advocaat, letterkundige, filoloog en estheet (1866-1921) – verdween ook het gesloten karakter van het Hof door de afbraak van de zuid- en westvleugels. Vervol­gens werd ook de westelijke vleugel afgebroken en het kasteel naar het park opengelegd. Deze nieuwe configuratie wordt pas kadastraal geregistreerd in 1932, maar wordt al afgebeeld op een ont­werpplan van 2 januari 1917 van tuinarchitect J. Galoppin. In de memoires van Charles Martens, bijgehouden tot 1916, wordt het begin van de afbraak van de oude hoevegebouwen vermeld.

Langs deze zijde kreeg het een gron­dige facelift, met een nieuwe to­ren­vor­mige uit­bouw en een nieuwe remi­se, dit alles in een neot­radi­tio­nele stijl, met spekl­agen, stei­gergaten, kruis­ven­sters, ge­trapte dakven­sters en een korf­boog­deur­tje. Het domein kende toen ook een laatste uitbreiding door de aan­koop van een dorpshuis met omringende hof ten zuidoosten van het kasteel, in de hoek tussen de Kerkstraat en de steenweg naar Boutersem. Het nutsgedeelte van het domein (tuinierswo­ning, broeikas, boomgaard, moestuin) werd vervolgens in deze hoek ondergebracht. Uit de stafkaarten kan worden afgeleid dat tussen 1893 en 1908 ook de tuin ingrijpende veranderingen onderging. Dit is in de eerste plaats merkbaar in het beboste noordelijke gedeelte, waar een net van, meestal gebogen, wandelpaden werd aangelegd.

De kronkels van Galoppin

Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte de tuin­architect Jean Galoppin uit Ukkel een plan op tot heraanleg van het domein van Kerkom. Jean Joseph Antoine Gal­op­pin (1864-1941) die rond 1930 ook het domein Leen­berg te Lubbeek onder handen zal nemen, mag niet verward worden met Emile-Edmond Galo­ppin (1851-1919), die het landgoed Groe­nen­berg te Sint-Pie­ters-Leeuw ont­wierp, evenals de Am­biorixsquare te Elsene en, als hoofd van de beplantingsdienst van de gemeente Schaar­beek, het Josap­hat­park aldaar. Het ontwerp van Jean Galoppin, gedateerd op 2 januari 1917, sloot waarschijnlijk aan bij de hoger beschreven neotraditionele verbouwing van de tuinzijde van het hof. De vijver behoudt grosso modo zijn oude vorm, maar krijgt een meer uitgesproken serpentinekarak­ter en twee eilandjes. De functie van de in 1914 aangekochte percelen ten zuiden van het kasteel wordt grafisch niet gedetailleerd maar ze worden globaal omschreven als "verger-serres". De paden krijgen een bochtig tracé (behalve de dreef ten noorden van het kasteel) en er wordt ook een toegang voorzien aan de Kerkomse­steenweg. De neotraditionele westkant van het kasteel zou volgens het plan van Galoppin het uitgangspunt worden van vijf, met streepjes­lijnen aangeduide, visuele assen, die ook door de randbeplanting heen tot de buitenwereld, de weiden en akkers rond het park doordringen.

Het zuidelijk gedeelte van het park wordt gestoffeerd met alleenstaande bomen en kleine bomengroepjes, die naar het noordwesten verdichten in een vrijwel gesloten bosplantsoen. Opmerkelijk op het plan Galoppin zijn een achttal ronde tot lancetvormige, pointill­istisch aangegeven, roodachtige vlekken die over het park verspreid liggen in de nabijheid van de paden; vier ervan liggen op de voornoemde vista's. Het gaat om corbeilles met inlegplanten zoals begonia. Op de helling tussen het kasteel en de vijver staat een tennisterrein ingetekend, precies op de plaats waar zich momen­teel nog een tennisveld bevindt. Misschien is dit een latere toe­voeging, want het dwarst twee van de ontworpen zichtassen maar, zoals uit een foto uit het famil­iearchief Martens ­ lijkt, be­vond zich op die plaats al vóór 1900 een tennis­veld. Het ereplein, langs de kant van de kerk, krijgt een grazige rotonde met bloemperken, waarvan één met een langgerekte boogvorm. De grote iep in deze rotonde blijft behouden (grijze vlek op het plan) en zal pas in 1969 gekapt worden. Aan de tuin­zijde wordt een halfcirkelvormige parterre voorzien, waarvan de kern voor rozen bestemd was en de concentrische banden voor kruidachtige (inleg) planten. Deze parterre stelde heel wat onderhoudsproblemen en verdween eveneens in 1969. Het 'masterplan' van Galoppin werd voorafgegaan door minstens twee detailplannen, respectievelijk uit 1915 en 1916, die beide "Projet d'em­bellissement" als titel dragen en waarop detailvoorstellen worden weergegeven voor de aanleg van parterres, massieven, mozaïeken en corbeilles. Rechts onderaan op het plan van 1916 worden drie voorbeelden afgebeeld, die zo uit een modellenboek voor 'Gartenteppiche' gecalqueerd zouden kunnen zijn.

Het plan van 1917 is zoals gebruikelijk een plattegrond maar de opgaande beplantingen worden 'liggend' voorgesteld, waardoor de indruk ontstaat van een vogelperspectief. Het bomenbestand op deze ontwerpschets ziet er over het algemeen opvallend jong uit, terwijl er toch al bijna een eeuw sprake is van een sier­tuin en er nu nog bomen voorkomen die ongetwijfeld veel ouder zijn dan 1917. Galoppin duidt enkele bomen aan die tot een duidelijk oudere leeftijdsklasse behoren, zoals de reeds vermelde iep op de esplanade voor het kasteel. In deze omge­ving bevonden zich ook nog twee andere oude bomen, die op het plan Galop­pin niet worden weergegeven: een bruine beuk (Fagus sylvatica 'A­tro­punicea') met een enorme kroondia­meter, afge­stor­ven rond 1970, en, tegen het kasteel aan, een zeer hoge spar (Picea spec. of Abies spec.). Aan de andere zijde van het kasteel, tussen de genoemde parterre en het tennisveld, markeert Galoppin een ande­re, nu ver­dwenen, iep ("gros orme"), waarvan hij zelfs de stam­om­trek (425 centimeter) vermeldt. In de na­bijheid van deze par­terre wordt op het plan van Galop­pin ook een rode bastaardpaarde­kas­tanje (Aesculus x carnea) aangeduid, inmid­dels ook verdwe­nen. Nabij de meest noordelijke brug (on­der de rechter brug op het plan Galoppin) is de groep oude platanen (Platanus x hispa­nica) zichtbaar waar­van er nog vier overblijven. Ook de oude tamme kastanje (Cas­tanea sativa) bij het tennisveld figu­reert op het plan. In het noordelijke gedeelte van het park, rechts op de tekening, worden nog enkele grote bomen afgebeeld. Eén daarvan valt samen met een monumentale gewone beuk, die het eindpunt vormde van één van de twee (elkaar kruisende) overlangse zichtassen van Galoppin en die rond 1960 is afgestorven. Opvallend op het plan met betrekking tot deze zone is een grote, bultige, bleekbruine massa, die mogelijk een boomkruin of plantenmassief voorstelt maar misschien ook een niet uit­gevoerde rotspartij (ongeveer in dezelfde periode werden in een aantal privé-eigendommen in de omgeving – het Hof ten Dries en de villa van notaris Mertens te Glabbeek, de Zielen­berg te Bierbeek - Lourdesgrotten gebouwd).

Er werd geen beplantingsplan gevonden en een uitspraak over de aard van de door Galoppin voorziene aanplantingen is dan ook gewaagd. Het plan toont een grote va­ria­tie in vorm (bol-, kegel-, zuil of treurvorm), kleur en tex­tuur. In het zuidelijk gedeelte vallen enkele groepjes van coniferen op, vermoedelijk blauwsparren (Picea pungens 'Glau­ca') en het plan wekt de indruk dat nagenoeg de helft van de beplanting uit coniferen bestaat, maar helemaal duidelijk is dat niet. In het huidige park komen er geen meer voor, maar uit diverse getuigenissen blijkt dat er tijdens de laatste decennia nogal wat oudere coniferen verdwenen zijn. Bij­zonder destructief was de storm van 14 november 1940, maar ook in een recent verleden (1988) zijn er nog coniferen gesneu­veld, met name een grote moerascipres (Taxodium dis­tichum) die bij de zuidelijk brug stond.

De huidige toestand

In hoever werd deze presentatietekening ooit uitgevoerd of zelfs maar in detailplannen omgezet? Als in de necrologie van Edouard Martens het domein rond de eeuwwisseling wordt beschreven als "un parc de cinq hectares où croît une végétation puissante et variée avec ça et là de grands arbres, de ceux que l'on peut appeler séculaires à juste titre", dan valt dit moeilijk te rijmen met het beeld dat op Galoppins tekening naar voren komt. Eeuwenoude bomen komen er momenteel niet meer voor. De op één na dikste boom van het domein is een Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera) met een stamomtrek van 379 centimeter, die in vooruitgeschoven positie op het gazon ten zuiden van het kas­teel staat. Daarnaast staan, verspreid over het park, enkele gewone platanen en beuken, meestal bruine (Fagus sylvatica 'Atropunicea'), en één zomereik (Quercus robur) met stamomtrekken van 300 centimeter en meer. Tot deze leeftijdsklasse behoort ook een majestueus maar in 1999 gestorven exemplaar varenbeuk (Fagus sylvatica 'Asplenifolia') met een stamomtrek van 357 centimeter. Aan de zuidwestrand zijn er nog enkele grauwe abelen (Populus canescens) – stamom­trekken van 263 tot 307 centimeter – terug te vinden, vermoedelijk overblijfselen van een randof perceelsgrensbeplanting. Opmerkelijk is ook een haagbeuk (Carpinus betulus) met 231 centimeter stamomtrek. Behalve deze laatste, is het onwaarschijnlijk dat deze bomen date­ren van vóór de aankoop van het domein door Edouard Mar­tens in 1877.

Tussen 1877 en 1930 werden een aantal merkwaardige bomen aangeplant: ginkgo (Ginkgo biloba), Amerikaanse amberboom (Liquidambar styraciflua) en – op de westelijke oever van de vijver – een Chinese vleugelnoot (Pterocarya stenoptera), een uit China afkomstige, rond 1860 geïn­troduceerde soort, met een stamomtrek van 357 cm (aan de stamvoet gemeten) vooralsnog de dikste van België. De bruine beukendreef die ten noorden van het kasteel de grens van het domein vormt, werd rond 1920 aangeplant ter vervanging van een oude iependreef die als een van de eerste slachtoffers van de iepenziekte was doodgegaan. In 1950 werd in militaire kringen de dringende noodzaak van een vlotte verbinding tussen de bases van Schaffen en Bevekom (Beauvechain) voelbaar en zie: door een tegen de wil van de eigenaars uitgevoerde wegverbreding en -rechttrekking van de Kerkomse­ steenweg (23) werd een groot gedeelte van de moestuin en de boom­gaard met 'fruitmuur' (het in 1914 aangekochte gedeelte) en de oude beplanting aan de zuidrand van het park vernietigd.

Merkwaardige bomen (opnamen in 1989 [cursief] en juli 1998 [vet]. Stamomtrek gemeten op 150 cm hoogte.)

  • 1. Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera) 370/379
  • 3. varenbeuk (Fagus sylvatica 'Asplenifolia') 357, gestorven in 1999
  • 4. gewone beuk (Fagus sylvatica) 373
  • 5. witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) 289/315 met merkwaardig gezwel op gesteltak
  • 9. Chinese vleugelnoot (Pterocarya stenoptera) 331/357(20)
  • 12. grauwe abeel (Populus canescens) 292/304
  • 16. ginkgo (Ginkgo biloba) 226/243
  • 17. Amerikaanse amberboom (Liquidambar styraciflua) 216/245
  • 23. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea') 371
  • 26. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 228/231
  • 28. gewone plataan (Platanus x hispanica) 378/389

  • Bevolkingsregisters van de gemeenten Ukkel, Vorst, Schaarbeek, Sint-Pie­ters-Leeuw.
  • Centrali­satiedienst van de Genealogische en Demografische Navorsingen in België v.z.w. te Schaarbeek.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Primitieve kadastrale legger Kerkom, art. 119.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger, artikel 964 nrs. 14 en 19.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadas­trale opmetingsschets Kerkom 1838/17, 1879/21, 1932/7.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842-1879, schaal 1:5000.
  • Biographie nationale, su­pplém., tome X, 1973, p. 555-561.
  • Larousse encyclopedie van het milieu, 1984, p. 223.
  • DEL MARMOL J.-A.-L., Dictionnaire de législation, de jurispru­dence et de doctrine en matière de mines, minières, car­rières, for­ges, haut-fourneaux, tourbières [...], Liège, Re­nard, 1857, p. 668.
  • CROMPHOUT G., Het kasteelpark Groenenberg, in Lewe 10(1), 1991, p. 14.
  • DE MAEGD C., Hortus Lovaniensis. Zijn geschiedenis en zijn gebouwen. De restauratie van de oranjerie, in Monumenten & Landschappen 3(4), 1984, p. 6-26.
  • GÖTZE K., Album für Teppichgärtnerei und Grup­penbepflanzung (4. Aufl.), Erfurt, Ludwig Môller, z.d.
  • HAMPEL W., Tep­pichgärtnerei. 134 Entwürfe mit Angabe der Bepflanzung (3. Aufl.), Berlin, Paul Parey, 1887.
  • HENRY L., Edouard Martens, professeur de botanique à la faculté des sciences: note biographique, Extrait de l'Annuaire de l'Université catholique, Lou­vain, Van Linthout, 1904, p. 19 en 32.
  • KRÜSSMANN G., Handbuch der laubgehölze (III), 1978, p. 61.
  • MARTENS E., Monographie de la paroisse de Kerkom en Brabant. 2ème partie: Histoire civile et sociale, in Hagelandse Gedenkschriften, 1913, p. 7-94.
  • SCHEYS G., Bodemkaart van België: kaartblad Lubbeek 90W, 1957.
  • STOCKMANS F., Gisements de tourbe dans la province du Brabant. Leur ex­ploitation, in Bulletin du Musée royal d'Histoire naturelle de Belgique 24(35), p. 20.
  • WAUTERS A., Géographie et histoire des communes belges. Arrondissement de Louvain – canton de Glabbeek, Bruxelles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1882), 1963, p. 96-97.
  • Databank BELTREES [online] van de Belgische dendrologische vereniging (geraadpleegd op 17 oktober 2016).
  • Mondelinge informatie verkregen van Jacques Halflants en Michel Martens (1998).

Bron: DENEEF R., 2004: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Bierbeek, Boutersem, Glabbeek en Oud-Heverlee, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.

Auteurs: Deneef, Roger; Halflants, Jacques; Mondelaers, Lydie & Wijnant, Jo

Datum tekst: 2004

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Kerkom

Kerkom (Boutersem)

is gerelateerd aan Hof van Kerkom

Kerkstraat 8, 8A, 10-12, 12A, Boutersem (Vlaams-Brabant)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.