erfgoedobject

Haspengouw van Borgloon tot Vechmaal

landschappelijk geheel
ID: 301114   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301114

Juridische gevolgen

Beschrijving

De ankerplaats vormt een uitzonderlijk landschap waarbij de erfgoedelementen samen een uitgestrekt cultuurlandschap vormen met vele historische kasteeldorpen (Bommershoven, Sint-Pieters-Heurne, Heks, Widooie) en domeingoederen (Monnikenhof, Manshoven), afgewisseld met hoeves, akkers, weilanden, hoogstamboomgaarden en bossen waarbij de verschillende elementen bovendien onderling verbonden zijn door oude wegtracés waaronder de Romeinse weg.

Het overwegend open en sterk glooiend landschap bestaat voornamelijk uit vruchtbare akkers. De bewoning is geconcentreerd in dorpen die vooral gelegen zijn in de valleien. Deze valleien zijn vochtiger en bestaan uit hooi- en graslanden en houtkanten, zijn van ecologisch belang, en vormen meer gesloten linten tussen de uitgestrekte open plateaugebieden. Op de heuveltoppen ontbreek plaatselijk de vruchtbare leemlaag of is deze te dun voor landbouw. Daar liggen de weinige bossen.

Gelegen in Droog Haspengouw (Leemstreek), met ten noorden ervan Vochtig Haspengouw (Zandleemstreek) wordt de geologie van dit gebied gekenmerkt door de aanwezigheid van waterdoorlatende lagen (zand, krijt, mergel). De ligging op de overgang van deze twee regio's, doorsneden door beekdalen, geeft het gebied een bijzonder rijke landschapsdiversiteit.

Fysische geografie

Het geologisch substraat van Haspengouw werd gevormd op de bodem van de zeeën die tijdens het mesozoïcum en het tertiair (circa 77-23.5 miljoen jaar geleden) de regio overspoelden. Hierin werden eerst vooral kalkrijke sedimenten afgezet en later afwisselend zand- en kleilagen. Als gevolg vormen krijt, mergel, zand en klei de ondergrond van Haspengouw.

Krijtgesteenten zijn hier overal in de ondergrond aanwezig, maar dagzomen enkel in het zuiden van de ankerplaats (zowel in de grotten als in de taluds van holle wegen). Waar de krijt- en mergellagen dicht aan de oppervlakte lagen, werden deze gewonnen: de Grotten van Hinnisdael, in de Patrijnenkuil en de kuilen van Horpmaal (en in het verleden waarschijnlijk nog op andere, nu niet langer zichtbare plaatsen).

De grotten van Hinnisdael zijn qua ligging speciaal omdat ze in Vlaanderen de enige mergelgrotten in het Scheldebekken zijn, bovendien liggen ze op grote afstand van de andere grotten in Vlaanderen die zich uitstrekken tussen Tongeren tot Valkenburg. In de grotten werd van minstens de 16de eeuw tot in de 19de eeuw kalksteen en silex ontgonnen. Deze stenen werden voornamelijk gebruikt voor de onderbouw en fundering van de houten huizen en stallen, maar ook voor de bouw van het vroegere kasteel van Hinnisdael. In Vechmaal zijn in de onderbouw van boerderijen nog vele stenen terug te vinden die gewonnen zijn uit de nabijgelegen grotten. De restanten van deze uitbatingen blijven zichtbaar als grotten (acht gangenstelsels met een totale toegankelijke lengte van circa 4km) en instortingen. Er zijn verschillende toegangen tot de grotten, één langs de landweg en enkele andere aan de rand van de onnatuurlijke rechthoekige vallei. Het ontstaan van deze vallei is niet met exact gekend, mogelijk waren er van in het begin al instortingen waardoor de zandsteen reeds dagzoomde of werden eerst de stenen of het mergel oppervlakkig gewonnen waarna men in grotten begon uit te baten. Er werd hier ook losse kalkmergel ontgonnen om landbouwgronden te bemergelen: kalksteen is een oude vorm van kunstmest en bodemverbeteraar. In de grotten zijn verschillende inscripties te vinden die betrekking hebben op de steenwinning, het dagelijkse leven of markante feiten uit de geschiedenis (1549, 1592, 1601, 1733 en 1779). De grotten werden in de loop der eeuwen bovendien gebruikt als schuilplaats als legers door deze gebieden trokken. Dit geeft het complex een belangrijke historische waarde. Nadat er gestopt werd met de steenwinning, werd de groeve nog een tijd gebruikt voor champignonteelt (vooral tussen 1930-40 en 1950-60). Nu is ze verlaten en enkel nog nuttig voor de vele vleermuizen die er hun verblijf hebben. Bovendien heeft de omgeving rond de grotten op vegetatieniveau bijzonder belang vanwege het voorkomen van kalkminnende flora.

Het Maastrichtersteen, dat in deze grotten gewonnen werd, werd in het boven-krijt afgezet (circa 66 miljoen jaar geleden) en bestaat uit een bleekgeel, zacht en zeer poreus gesteente waarin ook vele fossielen gevonden worden. Omdat het sedimentologisch zuiver is (geen silex of vuursteen), werd dit op verschillende plaatsen ontgonnen. Silex is een iets oudere afzetting en komt laagsgewijs voor in horizontale banken. Silex is het resultaat van een verkiezelingsproces (mineralogisch proces) in de krijtlagen, vrij kort na de afzetting ervan.

In de groeve van Hinnisdael werd ook het gesteente “tauw” gewonnen. Dit is een overgangsgesteente tussen Maastrichtersteen en silex, deze zeer fossielrijke steen werd ook de naam Vechmaalfacies gebruikt. De mergelgrotten van Hinnisdael zijn bekend om dit type steen en vormen één van de belangrijkste winningsplaatsen. De Sint-Pieterskapel van Heurne is een typevoorbeeld voor deze steen. De grotten vormen een bijzondere geosite, een kijkvenster op unieke geologische en hydrogeologische fenomenen en mijnbouwkundige exploitatietechnieken.

De Patrijnenkuil (foutief weergegeven als Patrijzenkuil op de topokaart vanaf 1930) is van naam afkomstig van ‘poterijne cuijlen’ (van pottenbakkerij). Deze naam wordt voor het eerst vermeld in 1788, daarvoor was de site bekend als Truyerkuylen, naar Sint Geertrui, die vereerd werd te Vechmaal. Ze werd ook Ketel genoemd naar de uitgeholde vorm van de depressie. De amfitheatervormige depressie wijst mogelijk op een gewezen brongebied. Hier is een opgevulde gang aanwezig waar vermoedelijk ook bouwsteen is gewonnen. De steile helling van de kuil is vegetatiekundig waardevol, er groeit een eiken-haagbeukenbos op.

Op het grondgebied van Horpmaal zijn ook nog verschillende zaken te vinden die gerelateerd zijn aan de kalksteen die hier in de ondergrond aanwezig is. Langs de wand van een droog dal zijn verschillende verzakkingen (dolines) aanwezig waar waarschijnlijk ook mergel gewonnen is in dagbouwgroeven. Het ontstaan van de dolines is bovendien waarschijnlijk gerelateerd aan de aanwezigheid van ondergrondse groeves. Circa 200m ten oosten hiervan, werden in 1989 de kuilen van Horpmaal “herontdekt” toen bij instortingen de groeven aan het licht kwamen. De samenstelling van het kalksteen echter is hier zodanig dat dit nooit als bouwsteen gebruikt kon worden. De ontginningslaag in Horpmaal bevond zich circa 10m onder de leemgrond en bedroeg circa 2,5 – 3m. Om de kalksteenlaag te bereiken werd hier waarschijnlijk gebruik gemaakt van schachten. In de kalksteenlaag zelf werd een soort put gegraven van 2-3m diameter met een boogvormig “dak”. Soms konden de kuilen met elkaar verbonden zijn. Op vele andere plaatsen in dit gebied kan mergel gewonnen zijn zonder dat dit nog bekend of zichtbaar is.

Ten zuiden van Horpmaal zijn dus nog verschillende dolines zichtbaar, hoewel een deel tijdens de ruilverkavelingen genivelleerd werden. Dolines zijn een soort karstverschijnsel, die ook in de grotten voorkomen en waaronder ook orgelpijpen, instortingen en trechters behoren. Deze verschijnselen dateren van voor, tijdens en na de mergelwinning. Koolzuurhoudend water sijpelde door spleten het kalksteen in en loste het op en de opgeloste stoffen werden afgevoerd. Achteraf vulden ze zich op met leem en zand uit de bovenliggende afsluitende lagen. Tijdens het delven van de stenen en het mergel waren deze verschijnselen hinderlijk en gevaarlijk. De dolines ten zuiden van Horpmaal zijn de meest opvallende in deze streek, hier komen gegroepeerd verschillende verzakkingen voor. In de grotten zijn ook nog andere oplossingsverschijnselen aanwezig. Deze ontstonden in de grondwaterlaag waardoor holtes of stroomkanaaltjes ontstonden die niet opgevuld werden. Deze verschijnselen zijn zeer oud, zeker van voor ontginning van de stenen en mergel en zelfs voor het laat-tertiair.

Vanaf circa 35 miljoen jaar geleden werd Haspengouw definitief vasteland en werden regenwater en wind de meest belangrijke vormende factoren in het landschap. De interne verschillen betreffende reliëf en hoogteligging zijn het gevolg van differentiële erosie (Diriken, 2013). Vooral onder invloed van erosie door water werd het reliëf gevormd. In het begin was dit regen- en sneeuwsmeltwater dat zich in de mariene afzettingen insneed. Doordat het land oprees en de kustlijn steeds verder af kwam te liggen, sneden de waterlopen zich steeds dieper in waardoor oudere geologische lagen aangesneden werden. De meeste waterlopen (op de Jeker na) liggen loodrecht op de toenmalige noordwaarts gelegen zee. Door rechttrekkingen en kanalisaties door de mens, veranderden deze meanderende beken en rivieren in rechte waterlopen. De waterlopen worden gevoed door verschillende bronnen die ontstaan daar waar watervoerende lagen (zand) op ondoorlatende lagen (klei) liggen. In Droog-Haspengouw zijn aanzienlijk minder bronnen en permanente waterlopen doordat het geologisch substraat (krijt en mergel) tot op grote diepte waterdoorlatend zijn. De twee belangrijkste waterlopen in de ankerplaats zijn de bovenlopen van de Herk en de Mombeek. De Mombeek(-Molenbeek), gelegen in het oosten van de ankerplaats wordt gevormd door de Bollenbeek die ontspringt in Groot-Loon, de Marmolbeek die ontspringt nabij Bommershoven en de Mombeek die ontspringt bij Widooie. De westelijk gelegen Herk wordt gevormd door de Herkebeek die bij Vechmaal ontspringt en de Sassenbroekbeek die nabij het Manshovenhof ontspringt. Tussen deze twee watersystemen ligt een interfluvium met daarop onder andere de bossen van de ankerplaats, maar waarop ook Borgloon zijn strategische hoge positie op heeft uitgekozen. Uiteindelijk stroomt ook de Mombeek in de Herk om uiteindelijk in de Demer te stromen. Veel van de dorpen in dit gebied ontstonden reliëfgebonden, zo zijn Horpmaal, Vechmaal, Bommershoven en Widooie zogenaamde bronhoofdnederzettingen. In het huidige landschap zijn er in de valleien nog enkele wei- en hooilanden, maar zijn veel percelen in gebruik als populierenbos en andere zijn verruigd. De valleien zijn van ecologisch belang.

Tijdens de ijstijden bedekten krachtige noorderwinden de ankerplaats met een leemlaag en werden in tussenijstijden droge dalen gevormd. Deze leemafzetting zorgt ervoor dat dit gebied één van de vruchtbaarste landbouwregio’s van Vlaanderen is. Na de laatste ijstijd steeg de temperatuur en raakte het landschap bedekt met een dichte vegetatie. Vanaf de opkomst van de landbouw circa 5300 jaar voor Christus veranderde het landschap grondig.

Veelvoorkomende landschapselementen die grotendeels samenhangen met de fysische gesteldheid van het terrein hier, zijn cultuurtaluds (ofwel graften) en holle wegen. Deze twee landschapselementen ontstaan door de combinatie van erosiegevoeligheid van het oppervlak en de invloed van de mens. Holle wegen zijn ingesneden in de (zand)leembodems (en eventueel onderliggend geologisch substraat). Ze liggen meestal loodrecht op de hoogtelijnen en ze kunnen tot tien meter diep zijn. Door het eeuwenlange gebruik van wegen bleef de bovengrond onbegroeid en stond het dus bloot aan erosie. Doordat telkens een laag sediment afstroomde bij hevige regenval, sneed de weg zich diep in, wat de erosie alleen maar versterkte. Langs weerszijden zijn meestal steile wanden te zien die begroeid/-plant werden met bomen en struiken (vaak hakhout). Hoewel tijdens de ruilverkaveling een deel van de holle wegen werden geniveleerd, zijn er nog verschillende aanwezig in de ankerplaats. Zo zijn er velen nog die in gebruik zijn met verharding, maar ook enkele die alleen als voetpad gebruikt kunnen worden zoals tussen de Patrijnenkuil en de Grotten van Hinnisdael. Net zoals de holle wegen, zijn cultuurtaluds waardevolle landschapselementen in het Haspengouwse landschap. Deze taluds ontstonden nadat de gronden in gebruik genomen waren als akkers en als gevolg daarvan de erosie toenam. Om deze erosie te bestrijden werden lijnvormige beplantingen aangelegd, parallel met de hoogtelijnen, om zo de erosie te ondervangen. Op deze plaatsen slibde de grond aan waardoor de hellingsgraad verminderde (en de erosie geremd werd) en een sprong in de hoogte ontstond (tot 10m). Hier en daar zijn deze taluds bewaard gebleven, waarvan het meest uitgesproken voorbeeld ten oosten van Broekom een hoogteverschil van 10m heeft en begroeid is met bomen en struiken. Behalve een belangrijke cultuurhistorische waarde, worden de taluds en holle wegen momenteel vooral gewaardeerd vanwege hun hoge ecologische waarde en rol die ze spelen bij de migratie van plant- en diersoorten.

Binnen de ankerplaats liggen drie belangrijke boscomplexen: Zavelberg, Manshovenbos en Magneebos. Deze zijn allen gelinkt aan de lokale bodemgesteldheid bovenop de heuveltoppen, zware klei (de zavel ontbreekt hier), waardoor gebruik als akker/weiland minder aangewezen was. Er is waarschijnlijk een evolutie geweest van bos naar grote ontginningen waarbij het bos vrijwel verdwenen was. Op de Vilaretkaart (1745) zijn enkel de zeer steile hellingen nog bebost. Door de slechte kwaliteit van de bodem, zijn rond het einde van de 18de eeuw de bossen gegroeid in oppervlakte en sindsdien min of meer gelijk gebleven. Op enkele plaatsen is het bos iets uitgebreid. De drie bossen vertonen een dominantie van eik en beuk, maar er zijn veel andere boom- en struiksoorten aanwezig. Verspreid in de bossen staan dikke en monumentale bomen. De continue bosgeschiedenis van deze drie bossen vertaalt zich in de lokaal rijke voorjaarsflora. De bossen verschillen allemaal enigszins van karakter. Het Magneebos is een gemengd loofbos met rijke voorjaarsflora en een relatief groot aantal monumentale bomen. Naast eik en beuk komt hier ook veel es voor en olm in de struiklaag. Aan de rand van het bos staan enkele dikke haagbeuken. Het Manshovenbos wordt relatief intensief beheerd. Op de helling staat een kruis uit 1928. Het bestaat uit gemengd bos, dat regelmatig beheerd wordt, en heeft een kleiner aandeel oude bestanden (vnml. beuk), en meer bestanden in verjonging. Bovenop de top van het Manshovenbos is een nog niet gedetermineerde ringvormige structuur. Op de kaart van Vilaret (1745) wordt op deze top een individuele boom op afgebeeld, mogelijk is er een verband tussen de structuur en de boom (een afweerboom?). Het bos op de Zavelberg leunt sterk aan bij het park van Hex, wat zich vertaalt in het beheer als parkbos, met kleinschalige kappingen, een aantal parkelementen als oude bomen, speciale soorten in de struiklaag (doornloze hulst, azalea’s,…), monumentjes, een lovergang, … Verder van het park verwijderd is het bos minder intensief onderhouden en gebruikt en bestaat het uit een eiken-beukenbos.

Cultuurhistorie

Algemene geschiedenis

Prehistorie

De oudste archeologische vondsten binnen de ankerplaats stammen uit het neolithicum of mogelijk het paleolithicum, maar gekende prehistorische vindplaatsen zijn opvallend zeldzaam in het gebied. Dit is ongetwijfeld eerder te wijten aan een gebrek aan onderzoek naar de pre-Romeinse perioden dan een werkelijke afwezigheid van menselijke bewoning of archeologische resten. Onderzoek op de Romeinse villa bij Sassenbroek leverde bijvoorbeeld eveneens sporen en vondsten uit de late ijzertijd op die lokale bewoning in deze periode aantonen.

Romeinse tijd

In de nabijheid van de belangrijke Romeinse stad Tongeren draagt het landschap nog steeds sporen uit de Romeinse tijd, zowel op het gebied van infrastructuur, bewoning en begraving.

In deze periode werd er een uitgebreid wegennetwerk uitgebouwd om de steden met elkaar te verbinden en de agrarische gebieden te ontsluiten. Van dit netwerk bleven verschillende delen bewaard. Het meest opvallende relict binnen de ankerplaats is het vermoedelijke tracé van de voormalige Romeinse weg of heirbaan die een verbinding vormde tussen Bavai, Tongeren en Keulen. Deze weg, ook Romeinse kassei of Oude kassei genoemd, was voor het grootste gedeelte tot recent nog als weg bruikbaar en vormde elders perceelsgrenzen. Vanaf deze weg waren er vertakkingen in verschillende richtingen, de zogenaamde diverticula. In 1996 werd een beperkt archeologisch onderzoek uitgevoerd om de aanwezigheid van de Romeinse weg vast te stellen, maar dit leverde enkel een ongeveer 1m dik pakket colluvium op. Dit bevatte weliswaar enkele Romeinse en recentere aardewerkscherven. In het kader van de ruilverkaveling Grootloon werd de weg door de Vlaamse Landmaatschappij opgewaardeerd door een unieke wegverharding: een tweesporen betonweg met kasseien ertussen.

Verspreid door het landschap heen stonden villa’s die de landbouwgronden uitbaatten, bijvoorbeeld bij Sassenbroek waar de funderingen van een Romeinse villa in 1984-1985 werden opgegraven. Ook tijdens de late ijzertijd was op deze plaats al bewoning. De villa was gelegen langs een diverticulum dat uitgaf op de boven vermelde heirbaan. De porticusvilla bestond uit een klassiek hoofdgebouw van 55*30m, een langgerekt bijgebouw van bijna 70m, een gebouw met hypocaustum verwarming (droogruimte voor geoogst graan of badgebouw), een stalling en een waterput. Of al deze gebouwen gelijktijdig hebben bestaan is onduidelijk. Het hoofdgebouw werd opgericht omstreeks 70 na Christus als een bescheiden vakwerkgebouwtje, maar in de loop van de tweede-derde eeuw tweemaal vergroot tot een middelgrote boerderij met dubbele zuilengalerij waarin sommige vertrekken vrij luxueus afgewerkt waren. Vermoedelijk legde het bedrijf zich toe op het verbouwen van graangewassen. Na de invallen van de Franken in de late derde eeuw werd de villa niet heropgebouwd. Ook te Vechmaal Zouwveld werd een Romeinse villa opgegraven. Naast een waterput werd in 1989 een hoofdgebouw met kelder en badgebouw opgegraven. Dit badgebouw was door een gang met het hoofdgebouw verbonden en was afgewerkt met beschilderde muurbepleistering. Oppervlaktevondsten en boringen wezen tevens op de aanwezigheid van verschillende bijgebouwen. Deze villa werd voorafgegaan door een tweeschepig vroegromeins woonstalhuis, en daarvoor door een nederzetting uit de late ijzertijd. De omliggende landwegen volgen het tracé van de Romeinse diverticula. In 1988 werd tevens te Vechmaal Walenveld een Romeinse villa opgegraven, bestaande uit een onderkelderd hoofdgebouw en bijgebouwen. In het opvullingspuin van de kelder en de hypocaustumruimte van een bijgebouw werden dierenbeenderen gevonden (rund en geit/schaap). Net ten westen hiervan duidt de opgraving van een 8-tal grachten op de aanwezigheid van de buitenrand van een omgrachte nederzetting, die vermoedelijk dit villadomein betreft. Onder andere deze villae maakten het onderwerp uit van een kunstwerk wat in opdracht van de provincie Limburg langs de heirbaan geplaatst werd om de uitzonderlijke concentratie van anders aan de oppervlakte onzichtbare Romeinse vondsten in het landschap naar het publiek te vertalen. Op zitbanken wordt de structuur van de villae en hun positie in het landschap op kunstzinnige wijze geduid. De gekende villae vertegenwoordigen ongetwijfeld slechts een beperkt deel van de Romeinse bewoning. In het gebied duiden verschillende vindplaatsen met bouwpuin zoals dakpanfragmenten en natuursteenfragmenten (mergel en vuursteen), fibulae en keramiek op de vermoedelijke plaatselijke aanwezigheid van Romeinse Villae, met name te Heks Horpmaels Veld, Heks Sint-Servaasberg, Bommershoven en op het Hoogveld ten zuiden van Widooie.

In de ankerplaats zijn verschillende tumuli aanwezig. Deze vorm van begraafplaats komt opvallend vaak voor in het Haspengouwse landschap. In de grond werd een graf gegraven en later werd het geheel afgedekt door een aarden heuvel. De tumulus van Vechmaal is goed bewaard. Deze tumulus is 4m hoog en heeft een diameter van 18-20m. In de tweede helft van de 19de eeuw was ze reeds geplunderd. De tumulus ligt tussen twee Romeinse wegen: de weg Bavai-Keulen op 2km ten zuiden en Tongeren-Kassel op 3.7m ten noorden. De tumulus van Gutschoven is ook nog goed bewaard. Deze tumulus werd in 1985 opgegraven. Er werd vastgesteld dat het monument een oudere begraafplaats bedekte: twee Romeinse graven uit de laatste helft van de eerste eeuw, één van een vrouw met rijk grafmeubilair en één van een man die bescheidener was. Op minder dan 500m bevond zich een Romeinse villa. Op verschillende plaatsen werden tumuli genivelleerd, zoals bij Horpmaal en Heks. Deze laatste zou op basis van de grafgift echter Merovingisch kunnen geweest zijn.

Het Romeinse aquaduct liep (zeer waarschijnlijk) een deel door de ankerplaats (1,5km van de beschermde archeologische zone). Het aquaduct van Tongeren is waarschijnlijk het grootst bewaarde aarden monument in Vlaanderen en is prominent aanwezig in het landschap. De ligging van het aquaduct is van Tongeren tot het Hoogveld (omgeving Vechmaallaan) redelijk zeker. Het verdere verloop naar het zuidwesten is echter onzeker. Waarschijnlijk liep ze parallel aan de Romeinse Kassei (N69) richting het westen.

Middeleeuwen

Met de val van Keulen in het midden van de vijfde eeuw komt er een einde aan de Romeinse overheersing van het gebied. De Franken richtten nieuwe nederzettingen op in het landelijk gebied, slechts in een enkel geval wordt de Romeinse vesting overgenomen zoals in Terhove te Bommershoven en mogelijk te Borgloon. De nieuwe nederzettingen komen overeen met de huidige dorpen en waren veelal gelegen nabij waterlopen of bronnen. In deze periode was de landbouw veel minder intensief en nam het areaal bos opnieuw toe. In de loop van de negende eeuw verbrokkelen de oude (Karolingische) graafschappen en gouwen om plaats te maken voor nieuwe entiteiten. Het graafschap Loon, die een groot deel van de huidige provincie Limburg omvatte, werd kort daarna (in de elfde eeuw) gevormd uit twee voorgaande graafschappen (Hocht en Avernas). Ze slaagde erin om in de politieke en territoriale chaos opnieuw meer eenheid en structuur te brengen. Het graafschap bezat een aanzienlijke persoonlijk domein met vele vruchtbare gronden, ze stichten hier dan ook hun hoofdplaats: Borgloon. De graven van Loon gaven hun bezittingen in leen aan de machtige families van de streek die er hun residentie mochten bouwen. Dit zijn de heerlijkheden die veelal overeenkomen met de huidige dorpen: zoals Bommershoven, Heks en Sint-Pieters-Heurne. Enkele heerlijkheden ontstonden als kerkelijke goederen. Binnen deze ankerplaats is dit het geval voor Grootloon die behoorde tot de Elf Banken van Sint-Servaas (Maastricht) die door de Duitse keizer aan dit kapittel was geschonken (zie verder).

De gronden waren op te delen in het reservaat van de heer, de landbouwgronden die in gebruik waren door de cijnsplichtigen of laten en de vroente/gemeente waar iedereen gebruik van kon maken. Waarschijnlijk waren de uitgestrekte leemplateau’s op dit moment nog niet in gebruik als landbouwgrond, maar bestonden ze uit woeste gronden (waaronder bossen). De akkers lagen geconcentreerd rond de bewoningskernen en kasteeldomeinen. De valleien werden gebruikt voor wei- en hooilanden.

In 1179/80 trokken de graven van Loon zich terug in een nieuwe residentie gelegen aan de Demer te Kuringen. Als gevolg van de Loonse successieoorlogen (1336-1366) ging Haspengouw deel uitmaken van het prinsbisdom Luik. De lokale landadel die de Loonse kasteeldomeinen bewoonden werden geleidelijk vervangen door aristocraten en adel uit het Luikerland. Zij bouwden de motteversterkingen veelal om tot gotische waterburchten.

Vanaf de 16de eeuw

In de 16de tot begin 18de eeuw waren er voortdurend conflicten binnen het gebied. Doortrekkende troepen plunderden en eisten de oogst op, roofden het vee en verwoestten huizen en kerken. Dit alles zorgde ervoor dat de meeste Loonse gemeenten in het begin van de 18de eeuw er zeer slecht voor stonden, wat een negatieve invloed had op de welstand van de plattelandsgemeenten. Om geld te verkrijgen verkochten veel gemeentes daarom gemene gronden, dit is het begin van de privatisering van gemene gronden. Na de vrede van Aken in 1748 komt er uiteindelijk vrede en stabiliteit in het gebied.

In tegenstelling tot de plattelandsbewoning kreeg de adel gedurende de eerste helft van de 17de eeuw kans om zich te verrijken door cumulatie van ambten en heerlijkheden en door dienst te nemen in legers. Ook worden tijdens deze jaren grote winsten gemaakt door kooplieden en fabrikanten in de mijnbouw en metaalnijverheid die landerijen opkopen en daar kastelen en kasteelhoeven laten bouwen. Velen verwerven een adellijke titel en komen naast of in plaats van de oude adellijke families in de streek.

In de tweede helft van de 17de eeuw worden vele kastelen gebouwd ter vervanging van oude burchten/mottes. Ook in de tweede helft van de 18de eeuw is er weer hernieuwde bouwactiviteit die in vele gevallen de voorgaande 17de-eeuwse kastelen vervangen. Dit zijn meestal gebouwen in Franse stijl en hebben helemaal geen defensieve functie meer.

Op verschillende plaatsen evolueerden de hoeves tot kasteelhoeves met een landhuis waar de kasteelheer verbleef en de vierkantshoeve ter economische ondersteuning van de adellijke familie (bijvoorbeeld Widooie, Hinnisdael).

De rijkdom van het gebied en de aanwezigheid van de lokale heren, die hun macht graag tentoonspreidden, heeft invloed gehad op de inrichting van het landschap. Dit is bijvoorbeeld duidelijk te zien in de kastelen, omringende parken en dreven, de zeer grote vierkantshoeves, de aanwezigheid van diverse kappellen en monumentjes,... De grote schaal van het landschap en de grote open ruimtes illustreren ook duidelijk het grootgrondbezit dat in dit gebied zicht tot in de 20ste eeuw heeft kunnen handhaven.

Het landgebruik op het einde van de 18de eeuw wordt duidelijk afgebeeld op de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778). De plateau’s zijn vrijwel geheel ontbost en in gebruik voor akkerbouw: een openfield-landschap. De boscomplexen zijn gereduceerd tot kleine oppervlaktes (kleiner dan vandaag): Zavelberg, Magneebos en Manshovenbos. De beekvalleien zijn bedekt met graslanden die omhaagd zijn. In de directe omgeving van de bewoning (zowel rond de dorpen als bij geïsoleerde hoeves) liggen boomgaarden. Tot ongeveer 1870 werd circa 70% van het landbouwareaal gebruikt voor graanteelt. Door concurrentie uit Amerika ontstond een crisis en daalden de graanprijzen waardoor het gemengd bedrijf uiteindelijk tot een einde kwam. Door nood aan specialisatie draaide het traditionele patroon van veeteelt in functie van akkerbouw om. In plaats van graan- en wolproductie ging men over op slachtvee en tuinbouw. Er werden meer en meer voedergewassen geteeld en akkers werden opgezet in weilanden en beplant met fruitbomen. Bovendien nam de varkens- en kippenhouderij toe.

De boomgaarden, waarvoor dit gebied zo gekend is, kwamen van oorsprong vooral voor rond de bebouwing en dienden voor eigen gebruik of de vruchten werden in de streek verkocht. Tot in de 18de eeuw bleef de fruitteelt voornamelijk beperkt tot kloostertuinen en kasteeldomeinen. De boomgaarden bij kloosters waren vooral voor de eigen consumptie en die bij kastelen hadden vaak een grote soortenvariëteit als doel. De hoogstamboomgaarden waren ook in gebruik als weiland, daarom waren ze omhaagd. Vanaf de 18de eeuw nemen ze in oppervlakte toe en vanaf circa 1830 kwam de commercialisering op gang en werden weilanden, vooral de afgelegen weilanden in valleien, omgezet in boomgaarden. Door de aanleg van spoorwegen (met name die van Sint-Truiden – Borgloon – Tongeren in 1879) kon het fruit vlot vervoerd worden naar het buitenland. In deze periode ontstonden hier en daar ook fruitverwerkende bedrijven: stroop, cider, vruchtensap, azijn,... Er vond tevens specialisatie plaats, zo waren er rond Borgloon vooral appelboombaarden te vinden. Na de Tweede Wereldoorlog vond het vervoer meer en meer plaats over de weg door middel van gekoelde vrachtwagens. De hoogstamboomgaarden maakten vanaf het midden van de 20ste eeuw plaats voor de laagstamboomgaarden. In deze periode werden de boomgaarden ook massaal aangelegd op de plateaus, maar binnen de ankerplaats is dit nog redelijk beperkt gebleven. Om de productiviteit te vergroten werden bovendien subsidies gegeven voor de aanleg van laagstamboomgaarden en voor het rooien van de hoogstamboomgaarden. De meer intensieve teelt had als gevolg dat de vruchtenrijkdom die hier typisch was (appels, peren, kersen, pruimen, abrikozen, perziken) langzaamaan verarmde naar voornamelijk appel en perenteelt. Ook de aardbeienteelt nam in deze periode toe. Momenteel worden de hoogstamboomgaarden vooral gewaardeerd vanwege hun ecologische- en erfgoedwaarde. Het grote aantal fruitsoorten op een klein gebied, maakt deze regio speciaal. Ze maken ook een belangrijk deel uit van de identiteit van deze streek. Sinds het midden van de jaren 1970 zijn er reeds initiatieven ter behoud en versterking van de boomgaarden en soortenrijkdom in dit gebied. Zo werden op enkele plaatsen fructuaria aangelegd waarin de fruitvariëteiten behouden konden worden. Een kenmerkend landschapselement die hier veelal samengaat met de hoogstamboomgaarden (en erven) zijn de meidoornhagen. Deze vormden in oorsprong een afrastering voor het vee dat in de boomgaarden weidde. De toegangen werden meestal met een (giet)ijzeren hek afgesloten.

Een voor het landschap van (Droog-)Haspengouw zeer herkenbare hoevevorm is de vierkantshoeve (of ook wel ‘gesloten hoeve’ genoemd), de meeste van deze hoeves hebben echter pas vanaf de 18de eeuw een dergelijke vorm aangenomen. Sommige belangrijke hoeves, die meestal de zetel waren van cijns- of laathoven, evolueerden reeds voor de 18de eeuw naar een gesloten vorm. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het Monnikenhof dat volgens archiefmateriaal in 1651 en 1694 werd beschreven als een verdedigbaar geheel. Ook Hinnisdael werd reeds in 1661 als gesloten geheel voorgesteld. De omvang en vorm van hoeves wordt onder andere beïnvloed door de bodemgesteldheid. In het geval van Droog-Haspengouw, waar de bodemgesteldheid optimaal is, kunnen de bedrijven dus een grote omvang aannemen. Echter aanvankelijk waren er, naast de grote bedrijven, ook veel kleine hoeves waarvan in het huidige landschap weinig sporen bewaard zijn. De meeste hoeves waren gemengde bedrijven, bestaande uit stallen en schuren, gericht op zelfvoorziening. Deze bedrijven werkten met een fragiel evenwicht tussen akkerbouw en veeteelt (mestvoorziening). Er waren voldoende gemene weidegronden voor het vee nodig, waardoor de omvang van de hoeve niet onbeperkt kon toenemen. Vanaf het midden van de 18de eeuw kwam er verandering in het landbouwsysteem waardoor men minder afhankelijk werd van de gemene gronden, en waardoor de veestapel kon groeien en akkerbouwgronden werden uitgebreid en geïntensiveerd. Hierdoor trad een verdere verdeling/individualisatie van de gemene gronden op. De bedrijven richten zich meer en meer op externe markten en groeien in omvang. Nieuwe schuren/stallen werden bijgebouwd en de belangrijkste hoeves evolueerden naar een gesloten vorm (vanaf circa de tweede helft 18de eeuw). De typische Haspengouwse vierkantshoeve heeft vrijwel altijd dezelfde indeling: een monumentaal poortgebouw, geflankeerd door stallen, in één van de haakse vleugels het woonhuis en in de onmiddellijke omgeving de mestvaalt en achteraan een dwarsschuur, het bakhuis ligt buiten het erf vanwege brandgevaar. In de omgeving van deze hoeves liggen vaak meidoornhagen langs de wegen en percelen. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw werden bij de hoeves boerenburgerhuizen gebouwd, los van de hoeve en meestal met de voorgevel aan de straat. Rond deze woningen werd vrijwel altijd een omringend park aangelegd.

Bespreking dorpen, gehuchten en hoeves

De bebouwing ligt voor het overige deel geconcentreerd in de hoopdorpen en gehuchten Borgloon, Grootloon, Sassenbroek, Heks, Vechmaal, Heurne (Widooie en Horpmaal). Daarnaast zijn er enkele geïsoleerd gelegen hoeves die op Monnikenhof en het Manshovenhof, beschreven worden bij het dorp/gehucht waarbij ze aansluiten.

Borgloon

Borgloon is, zeker historisch gezien, de belangrijkste plaats in de regio. De oudste vermelding is mogelijk Lone uit 938. De graven van Loon kozen deze plaats waarschijnlijk vanwege haar hoge en strategische ligging op de meest bedreigde grens van het graafschap, namelijk met Luik. Op één van de hoogste heuvels in de omgeving werd een burcht opgericht. De kunstmatig aangelegde burchtheuvel heeft een doorsnede van ca. 13m. Aan alle zijden had de burcht steile hellingen, en aan de zijde van de stad werd de heuvel bovendien verdedigd door een gracht. Bij opgravingen in 1871 zouden onder de burchtheuvel restanten aangetroffen zijn van oudere versterkingen waarvan een exacte datering niet mogelijk was. Er werden tevens Romeinse tegels en dakpannen gevonden. In de onmiddellijke omgeving van de burcht werd een kerk gesticht. Reeds voor 1200 ontving de nederzetting stadsrechten. Borgloon groeide echter nooit uit tot belangrijk centrum aangezien de steden Sint-Truiden en Tongeren, die niet tot het graafschap Loon behoorden, dichtbij lagen en de marktfunctie hadden. Bovendien lag de grens van het prinsbisdom Luik vlakbij en dat werd tijdens verschillende belegeringen (1171, 1180) Borgloon fataal. Nog voor 1232 verplaatsten de graven hun residentie naar het kasteel van Kuringen. In 1366 wordt het graafschap Loon aangehecht bij het prinsbisdom Luik en verloor de burcht haar functie.

Het oorspronkelijke centrum, nu het Speelhof genoemd, omvat de thans verdwenen burcht van de graven van Loon, de site van de kerk en het rechthoekige plein en omgeving. De bebouwing en bewoning concentreerde zich rondom deze burcht-residentie van de graven. Het plein bestond volgens een tekening van R. Le Loup uit een ommuurd kerkhof en aan de noordzijde een beboomd plein (midden 18de eeuw). Aan het eind van de 18de eeuw ruimde het kerkhof plaats voor een publiek plein. Centraal op het plein staat een herdenkingsmonument van de Eerste Wereldoorlog waar aan weerzijden een aantal lindebomen (Tilia americana) staan, vermoedelijk van dezelfde periode als het herdenkingsmonument.

Tussen Tongersestraat 18-20 bevindt zich een gekasseide steeg (Kattesteeg), die uitloopt op een aardeweg aan de rand van de stadskern, waarschijnlijk de plaats van de thans verdwenen stadswallen. Een bakstenen muur scheidt de achterliggende tuinen. Langs deze weg bevinden zich tevens wijngaarden op de helling.

De parochiekerk Sint-Odolphus met zijn kloostergang is een zeer oude stichting, mogelijk nog van voor het gebruik ervan als burchtkapel van de graven van Loon. In 1131 werd de reeds bestaande kerk verbouwd of vervangen. In de loop van de tijd worden er nog verschillende delen afgebroken, verbouwd en bijgebouwd, waaronder de huidige gotische toren in 1406. In 1838 werd de kerk vergroot en in 1903-4 vonden ingrijpende vergrotings- en herstellingswerken plaats waardoor het haar huidige uitzicht kreeg. De kapittelzaal en het grootste gedeelte van het romaanse kloosterpand uit eind 12de-begin 13de eeuw werden begin 20ste eeuw afgebroken. Alleen de oostelijke vleugel resteert nog in sterk gerestaureerde vorm. In de omgeving van de kerk stonden verschillende kanunnikenhuizen. Twee ervan, die teruggaan tot de tweede helft 17de eeuw, bestaan nog, hoewel (sterk) gerestaureerd. Ten zuiden van de kerk staat de voormalige pastorie op de plaats van een verdwenen kanunnikenhuis. Deze pastorie werd gebouwd in 1824 uit materiaal uit de kloostergang en kapittelzaal en werd aangepast midden 19de eeuw. Naast deze pastorie staat de voormalige kapelanie uit het midden van de 19de eeuw. Bij deze kapelanie is nog een mooi geheel van erf, smeedijzeren hek en wijngaard bewaard. Aan de overzijde van de kapelanie staat een herenhuis uit de eerste helft van de 20ste eeuw met aan de straatzijde een stadstuin en een voor het straatbeeld belangrijk hekwerk en keermuur. In de omgeving staan nog verschillende andere heren- en burgerhuizen. Op de heuvel ten zuiden van de kerk en burchgracht was oorspronkelijk een wijngaard (1340), sinds 1963 wordt hier opnieuw op kleine schaal aan wijnbouw gedaan. In de boomgaard is een waterput in mergel aanwezig.

Ten zuiden van de oude stadskern ligt, buiten de vroegere omwalling van de stad, de Grote Mot. Dit is een residentiële woning met 17de-eeuwse kern in Maasstijl die in 1976 ingrijpend werd verbouwd in neotraditionele stijl. Bij opgravingen in 1990 werden verschillende, voornamelijk 17de-eeuwse, sporen aangetroffen waaronder grachten en restanten van een woonhuis, tuinmuur, kapel en een brug. In 1990 werd de tuin heraangelegd naar een ontwerp van landschapsarchitect Jacques Wirtz. De woning ligt op een laag punt, het park strekt zicht uit over de omringende hellingen. De aanwezige hoogstamboomgaarden en wijngaarden werden in het parkontwerp opgenomen. Hagen van buxus, taxus en meidoorn delen het park op in verschillende ruimtes en flankeren de wandelpaden. De Motbeek stroomt door het domein en is opgenomen in het parkontwerp.

Grootloon

Op ongeveer 1,5km ten zuidoosten van Borgloon ligt het gehucht Grootloon. Deze plaats vormde in de middeleeuwen een enclave binnen het graafschap Loon, onderhorig aan het Heilig Roomse Rijk. Grootloon was één van de vroegste eigendommen van het Sint-Servaaskapittel in Maastricht. De eerste vermelding van het dorp is ‘Nyel Sancti Servatii’ uit 1139, pas in 1365 wordt zijn huidige naam voor de eerste maal vermeld: Groet-Loen. Ook na 1200 bleef Grootloon tot het primaire bezit van de abdij behoren. Behalve de grondheerlijke rechten beschikte de Sint-Servaaskapittel in Grootloon ook over de territoriale heerlijkheid (dat wil zeggen hoge en lage rechtspraak): Grootloon was één van de elf banken van Sint Servaas en stond daardoor los van de rechtspraak binnen het graafschap Loon. Door het Verdrag van Fontainebleau in 1785, werden de soevereiniteitsrechten van de banken van Sint-Servaas, toegewezen aan de Verenigde Provinciën waardoor het zijn uitzonderlijke positie verloor. Op enkele plaatsen is de grens van deze enclave nog landschappelijk te volgen in perceelsgrenzen of (holle) wegen.

Het nederzettingspatroon van Grootloon is dat van een langgerekt hoopdorp waarin een paar hoeven prominent aanwezig zijn. De Grootloonstraat vormt de kern van het dorp en is de enige niet-doodlopende straat. De Sint-Servatiuskerk ligt in het uiterste noordwesten van het dorp en sluit aan deze zijde aan op de uitgestrekte hoogstamboomgaarden. De kerk wordt omringd door een ommuurd kerkhof en vormt vanwege zijn ligging op een heuvel een baken in het landschap. Van deze plaats zijn weidse vergezichten mogelijk. De kerk bevat nog resten van de 13de-eeuwse romaanse kerk. In de daaropvolgende eeuwen werd de kerk verbouwd en vergroot en in de 20ste eeuw tweemaal gerestaureerd. In de bouw werden mergelstenen gebruikt. Op het kerkhof staat de voormalige gietijzeren dorpspomp die werd omgebouwd tot lantaarn.

Diverse boerderijen getuigen van een rijk agrarisch verleden. Tegenover de kerk staat de Servaeshoeve. Deze hoeve werd op de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778) en de Atlas der Buurtwegen reeds afgebeeld als gesloten hoeve. Het huidige woonhuis geeft op de sluiting van de rondboogpoort het jaartal 1804 weer. In 1785 werd het vermeld als paanhuis (brouwerij), via de Sint-Servaasbron werd de hoeve voorzien van water. Op het erf staan nog een fruitpers en een koperen ketel. Verderop in de Grootloonstraat staat een semi-gesloten hoeve met bestanddelen uit de 17de eeuw. In de noordelijke vleugel bevindt zich een poortgebouw met duiventil, gelankeerd door stallen. Boven de poort bevindt zich een gevelsteen met de inscriptie ANO 1715. De westelijke vleugel dateert uit de 19de eeuw. In de zuidelijke vleugel bevinden zich de stallen en een doorgang naar de velden. Het geheel werd recent sterk gerenoveerd. In een aantal andere hoeven bleef de vakwerkbouw fragmentarisch bewaard. De open ruimten tussen de oudere gebouwen worden de jongste jaren steeds meer met nieuwbouw ingevuld. Nog steeds is een groot gedeelte van de bevolking in de landbouw werkzaam.

Buiten de bebouwing bleef het traditionele uitzicht hier vrij goed bewaard, met nog relatief veel weilanden, bewaarde boomgaarden op de hellingen en holle wegen.

Sassenbroek

Het gehucht Sassenbroek bestaat uit een tweetal grote hoeves langs de Sassenbroekstraat en nabijgelegen watermolen. Nabij het huidige gehucht is tevens een Romeinse villa opgegraven. Sassenbroek was oorspronkelijk een afzonderlijke heerlijkheid, eerst een leen van Duras, later van de graven van Loon. Het was in bezit van de familie van Sassenbroek (zeker 12e eeuw). Op deze plaats, aan de oever van de Herkebeek, stond een burcht, waarvan nu in een populierenweiland mogelijk nog sporen zichtbaar zijn. De hoeve “Borghof” werd op de Ferrariskaart afgebeeld als twee U-vormige gebouwen. Het huidige gebouw dateert van 1918, zoals aangeduid op een sluitsteen van de inrijpoort. Deze hoeve werd waarschijnlijk bij een leenverheffing van 1371 als “mansionem ville Sassenbroek” vermeld. Er werd ook melding gedaan van een “molendinum”. Deze molen genaamd “Sassenbroekmolen” ligt ten zuiden van de hoeve. Door de tijd heen zijn er verschillende landschappelijke ingrepen gedaan om een maximaal rendement voor de molen te verkrijgen. De Sassenbroekmolen heeft daarbij mogelijk een evolutie doorstaan van onderslag- tot bovenslagmolen. Deze laatste behaalt een hoger rendement, aangezien naast de snelheid ook het gewicht van het water wordt benut. Het bovenslagrad gaat steeds gepaard met een grotere waterbouwkundige ingreep in het landschap, welke mettertijd werd gerealiseerd. De waterloop werd tussen twee dijkjes afgeleid en opgestuwd tot aan de molen waar het het gewenste verval gekregen had. De dijkenstructuur is nog duidelijk zichtbaar in het landschap. Om het water bij het bovenslagrad te krijgen, liep het water vanaf de dijk door een (houten)goot. Deze goot liep merkwaardig genoeg door een bijgebouw van de molen. Het rad en de maalinstalatie zijn ondertussen gedemonteerd en het gebouw is ingericht als woonhuis. In de gebouwen zijn delen van 17de en de 19de-eeuwse bouwfasen bewaard gebleven.

Widooie

Widooie behoorde waarschijnlijk tot het domein van de Heilige-Adelardus en werd circa 825 door hem geschonken aan de abdij van Corbie (Picardië). De proostdij werd in 1250 vermeld als ‘domus de widoy’, deze verdween vermoedelijk begin 15de eeuw en was gevestigd op de plaats van de huidige Kasteel Tenhoven. Als deel van de stadsvrijheid Tongeren was Widooie onderworpen aan de stadsmagistraat; de Tongerse schepenbank sprak Luiks recht. Op het grondgebied bevonden zich twee belangrijke Loonse laathoven. In 1559 werden alle abdijgoederen van Widooie samen met de heerlijke rechten overgemaakt aan de heer van Grevenbroek. In 1585 werden een deel van de bezittingen en heerlijke rechten verkocht aan het Sint-Lambertuskapittel van Luik.

De twee Loonse laathoven vormen thans de twee kastelen in de vallei van de Mombeek: Kasteel Tenhoven en het Kasteel van Widooie. Het kasteel Terhoven ligt binnen de gemeentegrenzen van Bommershoven maar sluit ruimtelijk aan bij het dorp Widooie. Beide kastelen sluiten aan op de open akkerlanden ten westen wat bijdraagt tot de esthetische kwaliteiten. Het kasteel Terhoven is in oorsprong Gallo-Romeins domein dat door de Franken werd overgenomen. De ligging juist ten zuiden van de Romeinse weg en op de oever van de Mombeek, getuigt van de vroege oorsprong. In 773 was het eigendom van de abdij van Corbie, die er haar proosdij vestigde en vanwaaruit het grondgebied op Haren-Bommershoven-Widooie beheerde. Mogelijk zijn er nog resten van een voormalige kapel uit de 11-12de eeuw bewaard gebleven. De grote gesloten herenhoeve dateert uit 1723 en staat afgebeeld op de Ferrariskaart. De vorm van een versterkte herenhoeve, met 17-18de eeuwse bouwsporen, bleef tot op heden gelijk. Tussen 1775 en 1828 kende “Ter Hove” een evolutie van priorij met neerhof naar boerderij met kasteel in classicistische stijl. Vanaf de late 19de eeuw werd het verder aangepast in combinatie van neostijlen met recuperatie van ouder bouwmateriaal. Uit de structuur van het domein Terhove is nog een duidelijke scheiding van de hoeve en het kasteel af te lezen. Ten noorden van de hoeve bevindt zich de boomgaard, achter de gebouwen sporen van een moestuin (muren) en aan de kasteelzijde de lusttuin. De lusttuin is een vroeglandschappelijk park, aangelegd in de tijd dat de hoeve deels werd omgevormd tot kasteel (circa 1844). Van deze oudste aanleg zijn nog enkele monumentale bomen bewaard, maar het overige deel van de beplanting is van recentere datum. Het park bestaat uit een grasveld die visueel wordt begrenst door een bomenrand met onder andere bruine beuken. Naar het zuiden is een opening gecreëerd waardoor er zicht is op het omringende landschap. In dit zicht zijn in een weiland, buiten het eigenlijke park, nog enkele solitairen aangeplant (eik, robinia, zwarte noot, tamme kastanje, zilverlinde, zomerlinde, Weymouthden, plataan en beuk). In het zuidoosten ligt een vijver, mogelijk een restant van de omgrachting. De bakstenen muren op het domein, onder andere rond de voormalige moestuin, zijn grotendeels bewaard. In de omgeving van de kasteelhoeve lopen verschillende dreven uit. Vanuit de richting van Bommershoven loopt een dreef van gewone beuken recht op het poortgebouw toe. Deze dreef benadrukt het monumentale karakter van het domein. Naar het noorden is een dreef bruine beuken richting de N79, deze weg stond reeds op de Vandermaelenkaart afgebeeld. Aan het begin van deze weg staat een huisje, mogelijk een voormalige portierswoning. Naar het zuiden wordt het park begrensd door bomenrijen voornamelijk bestaande uit bruine beuk en verder richting Widooie is een lijnaanplanting van bruine beuk aanwezig langs de weg.

Het kasteel van Widooie ligt ten zuiden van het gehucht. De bouw van dit kasteel werd in 1662 voltooid. Oorspronkelijk was het volledig omgracht. Tijdens een brand in 1670 werd het evenwel grotendeels vernield, alleen het poortgebouw en aansluitend woonhuisgedeelte in de westvleugel en een hoektoren dateren nog uit 1662. Tijdens de 18de eeuw werden delen verbouwd en gerestaureerd en werden een stalvleugel en dwarsschuur toegevoegd. De omgeving is eenvoudig ingericht zonder uitgebreid park: grasperceel met bloembedden, struiken en een beboomde rand, ontsloten door een rondweg met aftakkingen naar de ingang en het terras. Buiten het park zijn nog enkele solitairen aanwezig, ook ligt er nog een vijvertje. Ook is er nog een omhaagde moestuin aanwezig die niet meer als zodanig wordt gebruikt. Tussen het kasteel en de Kasteelstraat is een grasveld gelegen waar de Mombeek-Molenbeek door stroomt. Langs de wegen zijn meidoornhagen aangeplant en een lijnaanplant van bruine beuken. Achter het kasteel waren steeds boomgaarden, weilanden en akkers aanwezig. In recente jaren (na 1980) werd er een bomenrand aangelegd rond een grasperk, zodat het zicht geleid wordt naar het oosten. Ten noorden van het kasteel is nog een hoogstamboomgaard aanwezig.

Parallel aan de Mombeek loopt een straat die de twee goederen met elkaar verbindt. Daar waar de aftakking is naar het eigenlijke dorp Widooie (straatnaam is Widooierlinde), staat een monumentale lindeboom (Tilia cordata, omtrek 333 cm). Deze boom is dus gelegen op het kruispunt van wegen en tevens op de gemeentegrens van Bommershoven en Widooie.

Heks

Het plaatsje Heks en het kasteel Hex liggen op de rand van de vallei van de Herkebeek/Molenbeek. De beekvallei strekt zich uit in noordwestelijke richting, in het noordoosten loopt het reliëf op en liggen de uitgestrekte akkers en verspreide bossen. Hier en daar liggen weilanden en boomgaarden. Van oudsher was Heks een landbouwdorp.

Het dorpsgezicht wordt gedomineerd door het kasteel met zijn uitgebreide, ommuurde park en de omringende bossen. Dit kasteel ligt ten oosten van de Hekslaan, verscholen achter een honderden meters lange muur en ter hoogte van het kasteel een meidoornhaag. Oorspronkelijk, zie de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778) stonden hier nog verschillende woningen, maar op het gereduceerd kadaster is reeds te zien dat de bebouwing is afgebroken en ruimte maakt voor de tuin. Aan de opbouw van het dorp veranderde in de loop van de eeuwen zeer weinig. Aan de Hekslaan liggen nog steeds enkele (vierkants)hoeves en andere dorpswoningen waarvan een deel teruggaat tot de 18de en 19de eeuw. Het centrum wordt gevormd door de kerk met omringende begraafplaats, de pastorie en het voormalige gemeentehuis en –school. De kerk werd in 1850 gebouwd op de plaats van een ouder gebouw. Rond het kerk ligt het kerkhof met drie 17de eeuwse grafkruisen. De nabijgelegen pastorie, gelegen op dezelfde verhoging als de kerk, werd in 1777 gebouwd onder impuls van prins-bisschop Velbrück ter vervanging van een ouder gebouw. Qua exterieur behield het zijn 18de-eeuwse trekken. Door de kerk en pastorie te oriënteren met de hoofdingang richting het kasteel, werden de lokale machtsverhoudingen geïllustreerd. De hogere ligging van beide elementen benadrukken de rol die deze gebouwen in het dorp speelden. De inplanting van de site, met naast de pastorie een grote weide, zorgt voor een prachtig decor en uitzicht vanaf de hoger gelegen kasteeltuin. Het gemeentehuis en schoolgebouw haaks op de achtergevel werd opgericht in 1877. Op het gebouw is een gedenkplaat voor de jeugdboekenschrijver Lod Lavki opgericht. Voor het gebouw staat een grote paarden kastanjeboom, in de weide, dicht tegen het gebouw staat een dikke taxusboom. Op het kruispunt staat een lindeboom.

Deze gebouwen liggen allemaal ten westen van de Hekslaan. Aan deze zijde, waar het afloopt naar de Herkebeek, liggen nog twee wegen dwars op de Hekslaan waarlangs ook bebouwing ligt. De voormalige watermolen is hier ook gelegen. Deze molen werd opgericht door de cisterciënzers van de abdij van Villers, die voor dit doel de Herkebeek afleiden (13de eeuw). De waterloop is op de valeirand op een hoog niveau gehouden en wordt bij de molen terug in de eigenlijke vallei gestort waardoor een groot verval het rad deed draaien. De oudste kern van het huidige woonhuis en molenhuis dateert uit ongeveer 1800. De molen was van het bovenslagtype; een ijzeren goot voerde het water aan vanuit de omhoog geleide waterloop. De binneninrichting en het molenwerk bleven vrij gaaf bewaard; door gebrek aan water is de molen thans echter niet meer maalvaardig De molen had een unieke opstelling want naast het bovenslagrad, was er ook een onderslagrad voor de waterpomp van het kasteel. De molen behoord tot het landgoed en zorgde voor de waterbevoorrading van het kasteel tot ver in de 20ste eeuw. De pomp moest het water zo’n 50m omhoog pompen naar het kasteel waar het water in een waterreservoir werd opgeslagen.

In de omgeving van de dorpskern, tevens langs de Hekslaan, staan nog enkele vermeldenswaardige gebouwen. Zo staat ten zuidoosten van het kasteel een voormalig klooster en school van de zusters van Sint-Vincentius. Dit gebouw werd door de kasteelheer gebouwd voor de zusters, die het in 1903 betrokken. Het romantisch geïnspireerde gebouw in neotraditionele stijl is mooi gelegen in de vallei van een zijbeek van de Herkebeek. Schuin tegenover dit gebouw ligt een hoevecomplex Tournebried met rentmeesterswoning die ook tot de eigendommen van Velbruck en zijn opvolgers behoorde. De naam ‘Tournebried’ verwijst naar de functie als wisselpost voor paarden. De hoeve stond reeds afgebeeld op de kaart van de Ferraris (1771-1778), de huidige gebouwen hebben een 19de eeuws uitzicht, maar bevatten nog een oudere kern. Ten noorden van de dorpskern liggen langs de Hekslaan verschillende dorpswoningen en vierkantshoeves met erfgoedwaarde.

Geschiedenis van het kasteel en kasteelpark

Heks was aanvankelijk een allodiaal goed van de graven van Loon, maar sinds de twaalfde eeuw lagen de heerlijke rechten bij de cisterciënzerabdij van Villers. Zij stichtten hier een grangia (Monnikenhof) en een watermolen. In 1582 werd het goed overgedragen aan de kapittel van de Sint-Lambertuskathedraal van Luik. De kanunnik de Velbruck (1719-1784), die later prinsbisschop werd, kocht het goed in 1769. Op de plaats van een grote herenhoeve (zie de kabinetskaart van de Ferraris) liet hij rond 1770-75 het kasteel als jachtverblijf bouwen. Door aankoop en ruil kon hij zijn domein aanzienlijk uitbreidden. Het kasteel onderging in de loop van de tijd nog een aantal verbouwingen waardoor het zijn huidige uitzicht verkreeg. Het huidige gebouw heeft een U-vormig grondplan en één verdieping onder mansardedak. Het is opgetrokken in rode baksteen met raamlijsten in Naamse kalksteen. In de 19de eeuw was het gebouw nog witgekalkt/gekaleid, wat contrasteerde met de leien en natuurstenen elementen en wat paste bij de classicistische architectuur uit het laatste kwart van de 18de eeuw. In de jaren 1870 werden gevels ontdaan van de pleisterlaag, enkele vensters werden verplaatst, enkele delen werden gesloopt en de nieuwe kasteelvleugel werd verbreed, er kwamen nieuwe daken. Het kreeg al met al een (volledig) nieuw uitzicht. In 1891 kreeg het kasteel een nieuwe oriëntatie. In het begin van de 20ste eeuw wilden Alfred II d’Ansembourg en vooral zijn vrouw Ghislaine terugkeren naar de 18de-eeuwse toestand, waarvoor verschillende ingrepen werden doorgevoerd. Alle dienstgebouwen werden brandden in 1929 af en werden heropgebouwd in gewijzigde vorm in 1930.

Kasteelpark

De aanleg van het kasteelpark kende een aantal belangrijke fases. Velbruck legde dichtbij het kasteel een geometrische tuin aan die door middel van een park in landschappelijke stijl verbonden werd met de Zavelberg. Op de Zavelberg legde hij oa. voor de jacht een sterrenbos aan, zoals te zien is op de Ferrariskaart. Op deze kaart is ook te zien dat de inrichting van de tuin reeds voltooid is, de perken zijn afgebeeld. Voor de rest zijn er vooral nog akkers afgebeeld in de omgeving van het kasteel. Velbruck heeft de aanleg van het gehele park tijdens zijn leven niet kunnen voltooien. Zijn neef de Marchant et d’Ansembourg nam het domein over en werkte het verder af. Een volgende belangrijke fase is onder Ghislaine de Bousies die teruggreep naar de oude situatie en de ontwerper Janlet erbij betrok (1911-1917). In de 20ste eeuw wensten Michel en Nanda d’Ursel een minder onderhoudseisende tuin en daarvoor voerden ze enkele aanpassingen door naar ontwerp van Wirtz, zoals het verwijderen van plantbedden (1990).

Ten zuidoosten van het kasteel ligt de “voortuin” die nu bestaat uit een ruim grasveld met twee oprijlanen en voor het kasteel een drietal terrassen, die verbonden zijn door trappen in de keermuurtjes. Dit geheel werd rond 1913 ontworpen door Jules Janlet (1881-1973) in de toen weer populaire geometrische stijl. Tuinarchitect Jaques Wirtz voegde in 1990 een fonteintje toe op het laagste terras en gesnoeide hagen op de terrassen. Hij zorgde ook voor gesnoeide hoge struiken en heesters als omlijsting aan weerszijden van het kasteel. Een zichtas, die vanuit het kasteel vertrekt en eindigt op de Kruisberg (zuidzuidoosten), wordt visueel begeleid door een dubbele bomenrij van lindes, gelegen op ongeveer 300m afstand van het kasteel. Aan de andere kant van het kasteel liggen de parterretuinen die door Velbruck en zijn neef waren aangelegd. Oorspronkelijk was het een kleurrijk gedecoreerde rococotuin met vele plantbedden op verschillende terrassen, decoratieve elementen (zoals potten, vazen, vogelkooien, beelden), en verschillende muren. Louis Fuchs maakte in de jaren 1870 een nieuw ontwerp voor deze parterretuinen waarbij oa. ook perken werden aangelegd op de binnenkoer. De huidige aanleg is, net zoals de voortuin, naar ontwerp van Jules Janlet uit het begin van de 20ste eeuw. Hij ontwierp een tuin met veel rechte lijnen en geometrische lichamen en symmetrie. De paden in rode steenslag (oorspronkelijk in dolomiet) verdelen de tuin in vierkante en rechthoekige grasparterres en randstroken voor eenjarige planten. Er staan kuipplanten en vazen in de tuin. De hoge hagen rond deze aanleg geven het geheel een besloten indruk. Tussen de moestuin en de parterretuin ligt de Ezelweide, waar vanaf 1895 ezels graasden, maar die er nu niet meer zijn. Recent is hier een dendrologische collectie lindebomen aangeplant. Een rij leilindes vormt een scherm op de rand van het terras. Van hier is een mooi uitzicht over de moestuin en het Haspengouwse landschap. Iets meer naar het zuiden liggen twee kleine tuintjes, de Kleine rozentuin en de Chinese tuin. Deze twee tuinen werden reeds door Janlet voorzien, maar de huidige invulling volgde later. In 1934 werd het Chinees paviljoen ontworpen door architect Emile Deshaye, het is een typische interbellumtuin wat betreft het gebruik van bepaalde verharding en beplanting. De rozentuin werd pas recent ingericht door de eigenaresse van het kasteel en wordt omringd door een voor de streek typische haag van gele kornoelje. De prinsentuin grenst aan de zuidwestvleugel, de kant waar de Prins-Bisschop zijn kamer had en dus de tuin waar hij op uitkeek. De tuin bestaat uit verschillende bloemenperkjes met errond buxushaagjes. De moestuin bevindt zich ten westen van de parterretuinen en ligt een terrasniveau lager. Deze tuin is door de eeuwen heen steeds in gebruik gebleven als moestuin, wat vrij uniek is. De tuin is volledig ommuurd en bestaat uit twee terrasniveaus. Op het laagste terras is een boomgaard gelegen waar ook schapen grazen en een overdekte put ligt. Op het hogere terras liggen de bedden met groenten en bloemen, die omzoomd zijn door buxushaagjes of spalierfruit. De muur aan de noordoostzijde wordt benut als fruitmuur. In de tuin kwamen zeer verschillende variëteiten fruitbomen voor in verschillende verschijningsvorm (zoals vrijstaande snoei, geleid tegen de muur, hoogstam, in potten). De tuin was niet alleen voor het nut, maar werd vooral in de loop van de 19de eeuw steeds meer van belang voor de sier. Met het jaarlijkse plantenfestival (juli en september) wordt deze traditie in ere gehouden. Er is geen oranjerie meer, maar wel een groentekelder, gelegen onder het terras van de Prinsentuin, die nog steeds gebruikt wordt. Het meest noordwestelijke deel heeft een serre en kweekbakken voor vijgen. Daarachter ligt nog de Bijentuin (waar geen bijenkasten meer staan) met het Venusmonument genoemd naar het rijpaard van Velbruck. In het meest zuidoostelijke deel zijn een tennisbaan en zwembad ingericht.

Ten noordoosten van het kasteel en de tuinen ligt het uitgestrekte park in landschappelijke stijl. Velbruck zette de eerste stap voor de uitbreiding van het kasteelpark. In 1790 waren de gronden buiten de tuinen bij het kasteel (de kasteelrechthoek) heide en vage gronden. Velbruck wilde zijn grondgebied uitbreiden en palmde daarvoor de heidevelden in die eigenlijk in gemeen gebruik waren. De dorpsbewoners lieten hun ongenoegen merken door constant de nieuwe aanplantingen te vernielen en de jacht te verstoren. Velbruck liet daarom hagen aanplanten en barrières zetten. Het was Velbruck zijn wens het kasteel en de Franse tuinen te verbinden met de Zavelberg, uiteindelijke slaagde hij en zijn opvolger d’Ansembourg hier ook in. Een centrale dreef verbond de Franse tuinen met de Zavelberg. Langs de dreef werd een Engelse tuin aangelegd die in scherp contrast stond met de formele Franse tuinen, waar afwisseling, variëteit, ervaring en waarneming centraal stonden. Joseph-Romain d’Ansembourg bouwde de Engelse tuin verder uit: hij vergrootte het met verschillende percelen, plantte een boomgaard en liet voor verschillende delen van de tuin ontwerpen maken. Voor de realisatie van deze tuin wijzigde hij bovendien het reliëf. Hij legde ook een rots met spelonk aan die in 1878 gerestaureerd en verfraaid werd en die er nu nog steeds is. In 1790 liet d’Ansembourg de zgn. Huwelijkszuil bouwen, ter herinnering aan zijn huwelijk in 1779. De zuil staat bovenaan een glooiing met aan de ene zijde een grasland en aan de andere kant bomen. Er loopt een loofgang door het bos naar de zuil. In dit park waren slingerende paden, bankjes, verschillende ‘fabriekjes” of follies, beelden, een ruïne, een vijver en een ijskelder voorzien. In latere periodes zijn er nog gebouwtjes bij gekomen of gerestaureerd. Zo werden enkele lemen vakwerk gebouwtjes naar het park gebracht door Ghislaine de Bousies. Rond 1825 werd bij het afgraven van een artificiële heuvel in dit deel van het park een skeletgraf, ofwel een tumulus ontdekt. Deze is geniveleerd. Van de Engelse tuin is weinig overgebleven want Alfred I d’Ansenbourg (1813-1876) erft in 1868 het kasteel en wil een “modernere” aanleg dat wil zeggen een wintertuin en een landschappelijk park. Hij schakelt daarvoor de landschapsontwerper Louis Fuchs in. De oude aanleg werd grondig aangepast, verschillende bomen werden geveld, hagen werden gekapt en een boomgaard werd gerooid. Veel percelen werden omgespit, het reliëf versterkt/aangepast, mn. de aanleg van een vallei die door de beplantingen werd versterkt. Er werden kronkelige paden aangelegd, de rechte wegen en lanen verdwenen allemaal. Er werden gazonnen aangelegd met solitaire bomen (waarvan sommige al veel langer bestonden dan de parkaanleg) en boomgroepjes. Het eindresultaat is het beste te zien op de topografische kaart van 1886. Op de topokaart van 1903 is te zien dat er in de wegenstructuur in het park het één en het ander werd aangepast (er verdwenen verschillende parkwegen). Zo werd een belangrijke weg ten noorden van het kasteel opgeheven en werd een nieuwe dreef, vertrekkende van het kasteel naar de zavelberg, aangelegd. Deze dreef is de huidige platanendreef. Het bos op de Zavelberg is steeds meer verbost en is eerder een parkbos geworden, het aantal parkpaden is in de loop van de tijd sterk afgenomen. Op het hoogste punt van het bos is een open plek, momenteel beplant met een kring van jonge linden. In het park is ook een vijver aanwezig. Deze is niet altijd afgebeeld op de kaarten, waarschijnlijk heeft dat te maken met het wisselende waterpeil en het al dan niet levend zijn van de bronnen op het terrein.

In het park is een belangrijke dendrologische verzameling aanwezig. De twee grootste en oudste bomen van het domein zijn twee eiken die dateren van voor de parkaanleg. Er zijn nog vele andere monumentale bomen aanwezig. Nog steeds worden nieuwe bomen aangeplant met als doel deze uit te laten groeien tot monumentale grootte. In de laatste jaren zijn vooral verschillende variëteiten eiken en lindes aangeplant.

In het park zijn verschillende vergezichten mogelijk. Zowel in de Engelse tuin, als in de landschappelijke aanleg van Fuchs was er aandacht voor zichtassen en zichten over de omgeving. Het reeds aanwezige reliëf leende zich hier zeer goed voor. In het ontwerp van Fuchs waren aanzienlijk minder bomen in het park aanwezig dan nu. Door de hoge ligging zijn vanuit het kasteel en de tuin/park bovendien prachtige zichten naar de omgeving (vallei en dorp) en het Haspengouwse landschap.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam het Duitse leger intrek in het domein. De commandant betrok de Prinsenvleugel van het kasteel en er werd een kamp met observatiepost ingericht op het hoogste punt van het domein (top zavelberg).

Bommershoven

Bommershoven is ontstaan in de nabijheid van het water en aan de Romeinse weg. Langs beide zijden van de Wilderstraat werden in grote hoeveelheden Romeins bouwpuin (dakpanfragmenten, tegulaefragmenten, baksteenfragmenten, silexblokken), metaalvondsten (bronzen munten, fibulae, haarspeld) en keramiek (terra sigillata) aangetroffen. Deze vondsten duiden waarschijnlijk op de plaatselijke aanwezigheid van een Romeinse villa. De historische dorpskern vormt een bijzonder landelijk geheel omvattende het kasteel en zijn park, de kerk en een aantal vierkantshoeven en omringende hoogstamboomgaarden, akkers en weiden. Waarschijnlijk behoorde het tot het persoonlijke eigendom van de graven van Loon. In 1366 kwam het in bezit van de Bisschoppelijke Tafel van Luik. De abdij van Corbie hield tot ca 1559 de patronaatsrechten en tienden van de parochie, in 1588 ging dit over naar het Sint-Lambertuskapittel van Luik. Tussen 1702-3 (Spaanse Successieoorlog) kampeerden Franse legereenheiden van de generaal de Bousslerd in het dorp. In 1819-20 werd ten noorden van het dorp de steenweg aangelegd. In de loop van de 19de en 20ste eeuw vindt er een dorpskomverschuiving plaats waarbij de dorpskom zich verplaatst richting de nieuwe verkeersweg (en dan min of meer samengroeide met Haren). Hierdoor is de band tussen de historische dorpskern en de huidige verwaterd, maar heeft ervoor gezorgd dat rondom de oude dorpskern weinig recente bebouwing ligt.

Het kasteel van Bommershoven met zijn omringende park is het meest beeldbepalende element in het dorp. Het herenhuis werd gebouwd in 1759-61 door Marcel-Gérard Magnée op de locatie van een ruïneuze woning met hoeve. Ten tijde van Ferraris wordt het goed weergegeven en is zichtbaar dat de tuin nog aanzienlijk kleiner is dan nu. In de tweede helft van de 19de eeuw werden belangrijke veranderingen doorgevoerd oa. in de configuratie van de gebouwen. Het herenhuis is het enige resterende gedeelte uit de derde kwart van de 18de eeuw en bevat nog een interieur in rococo-stijl. Van de 18de-eeuwse tuin bleef enkel een stuk tuinmuur bewaard. Het huidige park is aangelegd in 1872-1884 in landschappelijke stijl met kunstmatige grot. Het is een eenvoudig ontwerp met een dichte bomengordel langs de rand, een licht geschulpt grasveld, bomengroepjes en solitairen. Voor de aanleg van het huidige park verdween een ruime gesloten hoeve op de straathoek, op deze plaats werd in het begin van de 20ste eeuw is een geometrische tuin geïntegreerd, mogelijk van Jules Janlet. Er werd iets later ook nog rozentuin aangelegd in het park. Het geheel bevat een ommuurde moestuin, op de plaats van drie voormalige boerderijtjes die in 1872 gesloopt werden. De moestuin wordt nog voor de helft gebruikt en bevat een serre en een pottenstal. Het park bevat ook belangrijk hekwerk en muren, waaronder langs de straatzijde, waar ook een scherm van lindes werd aangeplant. In één van de bijgebouwen staat een druivenpers die tot de jaren 1990 werd gebruikt. Achter de bomenrand is een open perspectief op het agrarisch landschap, die helaas deels werd dichtgeplant met coniferen, hulst en taxus. Het kasteelgoed vertoont een sterke uniformiteit, te danken aan een continue bewoning door een familie die over voldoende middelen beschikte. De 20ste-eeuwse ontwikkelingsfase heeft een stempel gedrukt op het kasteel, dienstgebouwen en het park, maar ook op het dorp. Zo zijn er verspreid over het grondgebied elementen terug te vinden die door deze familie (Naveau de Marteau) gebouwd werden. Op de hoek van de Alfonsstraat en de Moerenstraat stond een smeedijzeren kruis uit 1924 op kalkstenen sokkel met gotisch opschrift die verdwenen blijkt te zijn. Mogelijk was de sokkel de basis van de galg die zich vlakbij de Romeinse weg bevond, iets verderop, of het was de voet van een 17de-eeuws gedenkteken van een verongelukt familielid van de kasteelheren. Het kruis werd geflankeerd door twee snoeivormen en erachter staat een plataan (het kruis is verdwenen, de sokkel bewaard). Iets verder richting de steenweg aan de Moerenstraat, staat een “boswachterswoning” in neotraditionele stijl. Deze woning werd in het eerste kwart van de 20ste eeuw gebouwd door de familie Naveau de Marteau. In dezelfde stijl werd aan de straat een kleine kapel gebouwd met ervoor een paardenkastanje. De ligging van deze twee gebouwen, aan de rand van het dorp en het kasteelgoed en tegenover de oude tramstatie is voor de kasteelbewoners van strategisch belang. De kapel vormt een belangrijk richtpunt in het landschap, met een sterke beeldbepalende en symbolische waarde. Op het pleintje voor de boswachterwoning werd een herdenkingmonument voor de slachtoffers van de eerste wereldoorlog opgericht.

Nog iets verder langs de Romeinse weg richting het oosten staat op de hoek van een voormalige weg en de Romeinse weg, hier ook diep gelegen, een imposante eeuwenoude lindeboom. Deze boom staat op een grote hoogte en er zou op deze plaats mogelijk een galg, later zeker ook een kapel en kruis hebben gestaan.

Achter het kasteel staat de parochiekerk Sint-Alfonsus en de pastorie die samen met het kasteel een mooi geheel vormen. De kerk vervangt de oudere Sint-Annekapel die op dezelfde plaats stond. De huidige kerk is een neoclassicistische zaalkerk, gebouwd in 1841-44 (L. Jaminé). Het gebouw bestaat uit baksteen met hardstenen en mergelstenen elementen. De kerk ligt iets hoger dan de straat en is omringd door een ommuurd kerkhof (nu leeg op enkele oude grafkruisen na: 16-19de eeuw). Aan de zuidzijde van het koor bevindt zich een oratoruim met daarin een hardstenen wapensteen van Naveau de Marteau. De nabijgelegen bakstenen pastorie is van ca. 1860, gerestaureerd in 1903. Het geheel van kerk en pastorie werd aangelegd nadat de Luikse bisschop de parochie van Haren naar Bommershoven wilde overbrengen (1836).

Langs de weg van Bommershoven richting Heks/Monnikenhof liggen een tweetal imposante vierkantshoeves. De Rode hoeve werd reeds op de Ferrariskaart afgebeeld als gesloten geheel, op de atlas der buurtwegen als semi-gesloten. Het woonhuis dateert uit de eerste helft van de 18de eeuw, de dienstgebouwen uit de eerste helft van de 19de eeuw. De gesloten hoeve bevindt zich rond een gekasseid erf met centrale mestvaalt. Rechts ligt een ommuurde tuin. Ten zuidoosten bevindt zich een poortgebouw met duiventil. Er staan twee imposante bomen op het domein. Ten noorden van de hoeve staat een grauwe abeel met een omtrek van 569cm, de dikste gekende abeel van Vlaanderen (en België). Ten zuiden van de hoeve staat een tamme kastanje met een omtrek van 400cm. Het Biezenhof ligt aan de overzijde van de Rode hoeve, op enige afstand van de straat. De hoeve was afhankelijk van de landcommanderij Alden Biesen en werd voor de eerste keer vermeld in 1309. Aan de winning was een laathof verbonden. Uit de pacht blijkt dat het één van de rijkere hoeven van de orde was. Op een kaart van 1719 met eigendommen van de Orde in Bommershoven wordt de hoeve weergegeven. Op dit moment is ze nog niet gesloten en omvat ze naast het woonhuis, ruime dwarsschuren, vijf schaapskooien, varkensstallen en een runderstal. Achter het woonhuis liggen een bakhuis en een waterput. Alle gebouwen zijn van vakwerk. In de loop van de tweede helft van de 19de eeuw worden de gebouwen ingrijpend gerenoveerd. De huidige gebouwen zijn van baksteen en dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw.

Vechmaal

Op de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778) is te zien dat Vechmaal bestond uit enkele straten met woningen en hoeves, gelegen aan de bron(nen) van de Herkebeek. De bebouwing, boomgaarden en weilanden lagen in het beekdal, de akkers op de hogere delen. De structuur van wegen en bebouwing bleef tot op heden goed bewaard met tamelijk veel ruimte tussen de bebouwing. Het dorp is nog bij uitstek een landbouwdorp met verschillende belangrijke hoeves. De historische bebouwing in Vechmaal (zoals afgebeeld op vb. gereduceerd kadaster) is grotendeels bewaard gebleven, hoewel er in latere periodes bebouwing bij is gekomen. Ten noorden van het dorp breidde in de laatste decennia bebouwing uit langs de Langstraat en omgeving. Vechmaal behoorde tot het graafschap van Loon. De huidige deelgemeente bestond in de 11de eeuw uit drie heerlijkheden: Vechmaal, Horne en Hinnisdaal. Deze heerlijkheden kwamen in 1616 alle drie in bezit van Dionijs van Hinnisdaal, waardoor Vechmaal een eenheid zou vormen. Vanaf 1771 kwam de heerlijkheid Vechmaal in Luiks bezit waarna het in leen kwam van Charles de Velbruck. De drie afzonderlijke delen zijn in het huidige landschap nog goed te herkennnen. De dorpskern bestaat uit de kerk, pastorie en gemeenteschool. De parochiekerk Sint-Martinus werd voor de eerste maal vermeld in 1181 als deel van de goederen van de proostdij van Sint-Martin van Luik. De waarschijnlijk van oorsprong romaanse kerk, wordt tussen 1843-44 vervangen door een nieuwe kerk. Het is een neoclassicistische zaalkerk, gelegen in een ommuurd kerkhof en aan de westzijde toegankelijk via een hoge trap. Het kerkhof heeft twee niveaus, de oudste bij de kerk en de begin 20ste-eeuwse uitbreiding op straatniveau. Er zijn bakstenen borstweringen met zware dekstenen langs de trappen die worden onderbroken door een 19de-eeuws hekwerk. De naastgelegen pastorie wordt voor het eerst vermeld in 1666. In 1772 wordt hij heropgebouwd en in 1900 gerestaureerd. Het is een enkelhuis bestaande uit beschilderde/witgeschilderde bakstenen. De voortuin wordt van de weg gescheiden door een bakstenen voortuinmuur en inrijhek van 1908. In de tuin zelf zijn aarden paadjes begeleid door buxussen. Centraal staan in een cirkel van buxus drie bomen die voor schaduw zorgen: linde, zomereik en treures. In de achtertuin zijn een oude okkernoot en witte paardenkastanje behouden. In 1953-54 werd aan de buitenzijde van de muur, aan de oostzijde van de tuin, een Calvarietuintje aangelegd met voor die tijd typische materialen en vormen. De calvarie wordt beschaduwd door de linde in de pastorietuin en door twee kegelvormige Californische schijncipressen. De beelden zijn opgesteld op een verhoogde halfcirkelvormige sokkel van natuurstenen breukstenen met een smeedijzeren hek. Nabij de pastorie ligt de eerste, katholieke gemeenteschool van Vechmaal, gebouwd in 1840. In de 20ste eeuw wordt het gebouw gebruikt als kapelanie en burgerhuis. Aan de overzijde van de straat werd in 1877 een nieuwe gemeenteschool gebouwd, ter vervanging van de oude.

In het dorp zijn een 14-tal belangrijke hoeves gelegen waarvan de huidige gebouwen dateren uit de 19de eeuw, hoewel teruggaand op oudere (kleinere) hoeves. Deze hoeves hebben in de meeste gevallen een gesloten of U-vormige opstelling. De vierkantshoeve aan de Onze-Lieve-Vrouwstraat werd op een plan van 1828 als gesloten complex afgebeeld en dateert waarschijnlijk minstens uit deze periode, qua verschijningsvorm is ze laat-19de-eeuw. Deze hoeve is alle typische hoeve-componenten blijven omvatten: woonhuis, schuur, stallingen, inrijpoort en erf. Aan de linkerzijde van de hoeve zijn later nog enkele verbouwingen geweest. De hoeve ligt op een heuvelrug en wordt omgeven door weilanden en (hoogstam)boomgaarden. Een andere belangrijke gesloten hoeve is gelegen in de Peuskensstraat en dateert uit de eerste helft van de 18de eeuw. Inrijpoort, stal en woonhuis zijn stilistisch te identificeren met een oude kern. De overige volumes weerspiegelen de historische gesloten toestand van het complex. In 1844 was hier een brouwerij voor eigen gebruik aanwezig en in 1855-1866 een stroopfabriek. Hoeve Janvier gelegen nabij de kerk, werd reeds afgebeeld op de Ferrariskaart, maar de huidige hoeve dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. De achter de woning gelegen hoogstamboomgaard is nog begrensd door meidoornhagen en een gietijzeren toegangshek.

Enkele honderden meters ten westen van Vechmaal en ten noorden van Sint-Pieters-Heurne ligt een herenboerderij. Op Ferraris afgebeeld als een vierkantshoeve die sindsdien deze vorm heeft behouden, maar in de 19de eeuw wel werd herbouwd. In 1892 wordt een vierkant kasteeltje in eclectische stijl bijgebouwd. Er wordt dan ook een herenboerenparkje aangelegd waarvan enkele monumentale beuken en zomereiken resteren. Voor het huis bevindt zich een tuin die door een muur met smeedijzeren hek van de straat is afgesloten en waar enkele oudere coniferen en een esdoorn staan. Ook bevindt zich ten noordwesten van het oude bakhuis een omhaagde moestuin. In de aanpalende hoogstamboomgaard ligt een oude overdekte waterput, zoals wel vaker voorkomt en getuigt van het gebruik van boomgaarden als door koeien begraasde fruitweiden.

Sint-Pieters-Heurne

Vlakbij Vechmaal ligt het gehucht Sint-Pieters-Heurne aan de bovenloop van de Herkebeek. De oudste vermelding van het gehucht dateert uit 1175 (Horne), vanaf 1657 komt de benaming Horn Sint-Peter voor. Het was een heerlijkheid, leen van de graven van Loon. In Heurne fungeerden drie laathoven: Van Hinnisdael (1495), Van Holi, Holei of Horne (1364-1469) en Schervensteenpoort; ook het kapittel van Sint-Martin had er een laathof: Sint-Martinus of Sint-Lambrechtshof. Het dorp had een schepenbank die in beroep ging bij het hof van Vliermaal, en die vergaderde onder de linde die voor de kapel stond. Ook nu staat er een, nog jonge, lindeboom voor de kapel. Sint-Pieters-Heurne is een kleine kern van enkele hoeves en huizen rond de Romaanse Sint-Pieterskapel en het kasteel. Het behield de karakteristieken van een gehucht, die het al minstens sinds de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778) heeft: kleine bewoningskern, omgeven door een functioneel aansluitende context van landbouwland, beemden en bossen. Ten zuidwesten van de kapel stonden tot ongeveer 1900 nog verschillende woningen die ontsloten werden door wegen. Eén van deze woningen, het zgn. Witte huis, had een behoorlijke omvang en kwaliteit (primitief kadaster) en behoorde tot de familie Bellefroid die het nabijgelegen kasteel bewoonden. Dit huis is tijdelijk in gebruik geweest als dorpsschool, maar werd in 1892 afgebroken. Eind 19de eeuw werden nog verschillende gebouwen, vaak ook kleine vakwerkhuisjes, afgebroken en ook in 1960-1970 werden nog enkele gebouwen afgebroken. Op het terrein zijn in het reliëf van de huidige weilanden nog wel vele sporen zichtbaar van waar de woningen stonden en de wegen liepen. Het kasteel van Heurne is waarschijnlijk ontstaan uit een versterkte hoeve. Een gevelsteen met een wapensteen laat zien dat de huidige, gesloten kasteelhoeve van witgekalkte, bakstenen gebouwen door de familie Bosch in 1743 werd opgericht. In de eerste helft van de 19de werd een gedeelte van de hoeve als kasteel ingericht en een vleugel, in laatclassicistische stijl, toegevoegd. Aan de straatzijde werd een L-vormig dienstgebouw toegevoegd. In deze periode werd ook het vroeg-landschappelijk parkje aangelegd. Deze configuratie staat afgebeeld op het gereduceerd kadaster en bestaat vandaag nog steeds. Het langgerekte omhaagde parkje ten zuiden van het kasteel bestaat uit lustbos, een vijver en een tuin. Ten noorden van de hoeve strekt een langgerekt kanaal uit die steeds smaller wordt, maar van oorsprong breder was. Op het einde van dit kanaal staat een monumentale plataan (omtrek 458 cm, hoogte 40m). Op het erf zijn verschillende hekken, muren en (kassei-)wegen en paden aanwezig. Sinds 1948 stond het kasteel leeg en werd het goed verwaarloosd. In 1994 werd het verkocht en langzaam gerenoveerd. De Sint-Pieterskapel werd vermoedelijk voor het eind van de 13de eeuw gesticht, de aanwezigheid van grafstenen van de heren van Horne doen vermoeden dat zij de stichters waren. In de kapel zijn bouwsporen vanaf 1554 tot heden aanwezig. Rond de kapel is een kerkhof aanwezig die omgracht en omwald was, maar nu omhaagd met gewone beuk. Op de begraafplaats zijn verschillende oude grafstenen aanwezig zoals die van Daniel van Hinnisdael uit 1298 en verschillende uit de 17de en 18de eeuw. Het kerkhof vormt een historisch, functioneel en visueel met de kapel samenhangende site, dat daarenboven een centrale rol vervult in het gehucht. Naast de kapel ligt Hoeve de Bellefroid of in ’t Broeck. Deze belangrijke gesloten hoeve werd afgebeeld op de Ferrariskaart en werd voor de eerste keer vermeld in 1612. In 1704 wordt de hoeve verwoest en het tweede kwartaal van de 18de eeuw herbouwd, eind 18de eeuw werd er een kasteel bij gebouwd, zoals vermeld op de Ferrariskaart, maar deze wordt verwoest tijdens de Eerste Wereldoorlog. De huidige gebouwen dateren uit het eind van de 19de eeuw. Het erf heeft een onregelmatige vorm en bevat typische hoeve-onderdelen zoals een inrijpoort, stallingen, dubbele dwarsschuur, woonhuis en erf met mestvaalt in zuidelijke hoek.

Henisdael/Hinnisdael was een Loons leen binnen het grondgebied van Vechmaal en was voorzien van een burcht met hoeve, omgeven door grachten. Het was eigendom van de ridders van Hinnisdael die door huwelijk in bezit kwamen van Sint-Pieters-Heurne, vanaf dan noemen zij zich heren van Horne. In 1676 wordt het goed verkocht en is de burcht reeds onbewoond en vervallen. Op een afbeelding van 1661 wordt de burcht afgebeeld als een omgracht geheel, voorzien van een houten brug, en lijkt opgetrokken te zijn in natuursteen (mergel), wat een datering voor de 16de eeuw doet vermoeden. De burcht is dan reeds in ruïneuze toestand. Dat klopt met een getuigenis van 1708 die vermeld dat de enkel ruïnes nog zichtbaar zijn. Op de Ferrariskaart is hij niet meer afgebeeld. Over de exacte locatie van de burcht is nog discussie, mogelijk stond het nabij de kasteelhoeve in het weiland aan de overzijde. Een andere theorie zegt dat de burcht 'in de Bergkuilen' stond, dus in de depressie van de mergelkuilen. De huidige site bestaat uit de imposante hoeve, waarvan het poortgebouw en de flankerende traptoren nog oorspronkelijk zijn. Boven de rondboogpoort met zandstenen omlijsting bevindt zich een mergelstenen wapenschild van Hinnisdael in een uitgewerkte renaissance omlijsting (waarschijnlijk eerste helft 17de eeuw) en met ernaast twee gevelstenen. Op de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778) staat de huidige U-vormige opbouw afgebeeld, met de opening naar het noorden. De hoeve raakte in de eerste helft van de 20ste eeuw in verval en werd pas in de jaren 1960 opnieuw bewoond en hersteld. In 1831 wordt naast de hoeve een herenhuis gebouwd. Deze woning werd in de 19de en 20ste eeuw gerestaureerd en kreeg daarbij zijn huidige neoclassicistisch vormgeving. Het omringende parkje beslaat het oude moestuinperceel. Het werd aangelegd tijdens de eind 19de eeuwse verbouwingen en werd in de eerste helft van de 20ste eeuw herwerkt tot zijn huidige vorm. Het is aan de straatzijde afgesloten door een draadafsluiting en naar de woning loopt een oprit in kassei. Het parkje zelf bestaat uit grasveld en verschillende bomen en struiken, de oudsten teruggaand tot de 19de-eeuwse aanleg. Twee imposante welkomstlindes (Tilia cordata en Tilia platyphyllos) flankeren de erftoegang. De woning samen met de hoeve ligt geïsoleerd nabij een bron van de Herkebeek. De wegen die naar de hoeve lopen worden geflankeerd door meidoornhagen. Dit alles, samen met de traditionele barriers die de toegang bieden tot de hoogstamboomgaarden, dragen bij tot de esthetische waarde.

Horpmaal

Horpmaal is gelegen aan de bron van de Molenbeek, het dorp strekt zich uit aan weerszijden van deze hier nog smalle waterloop die diep is ingesneden in het plateau. Op de Ferrariskaart is dit nevelvlekdorp afgebeeld met een groot aantal (vierkants)hoeves en dorpswoningen die tussen de omhaagde hoogstamboombaarden langs de wegen liggen. Horpmaal werd voor het eerst vermeld als Horpala in 1067. Horpmaal behoorde tot het persoonlijk domein van de graven van Loon. Er leefde een adellijk geslacht die reeds in de 12de eeuw in bezit is van de heerlijke rechten. De oudst gekende heer is Vrient, ridder van Horpmaal, die stierf in 1264. Er zijn heren van Horpmaal tot in de 15e eeuw. Hierna komt Horpmaal in bezit van de heren van Heers. Sinds 1623 maakt het deel uit van het graafschap Heers. De versterkte toren, waarvan de motteheuvel nog resteert, in de Dumontlaan werd in 1424 vermeld al turris, maar was in de tweede helft van de 18de eeuw reeds afgebroken. De motteheuvel is nog in goede staat van bewaring en heeft een hoogte van 4-5m en aan de voet een omtrek van ongeveer 140m, bovenop ongeveer 47m. De ringgracht ligt droog maar is nog licht zichtbaar in het terrein. De nabijgelegen bron, die deze gracht voedde, is nog steeds duidelijk zichtbaar. Hier is tegenwoordig een pomp aanwezig waar de bewoners water kunnen halen.

De dorpsstructuur is sinds de Ferrariskaart zeer weinig veranderd. De dorpsstructuur heeft nog altijd een vrij open karakter, tussen de woningen liggen tuinen, weilanden en (restanten van) hoogstamboomgaarden. Op verschillende plaatsen zijn meidoornhagen rondom de tuinen aanwezig. Het aantal boomgaarden is in vergelijking met de historische kaarten wel afgenomen. Een groot deel van de hoevegebouwen en woningen dateert van (het begin van) de 19de eeuw. In enkele woningen zijn vakwerkelementen bewaard. Het dorp was een typisch landbouwdorp zonder industrie. Op de westelijke helling ligt het dorpscentrum met kerk, pastorie, klooster, gemeentehuis en –school. De parochiekerk Sint-Lambertus behoorde toe aan het kapittel van Sint-Martin van Luik waarvan het eigendomsrecht voor het eerst in 1181 vermeld werd. De oude kern van de kerk zou een vroegromaanse basilica kunnen zijn. In de loop van de tijd vonden herhaaldelijk herstellingen plaats en ten slotte werd de toren in 1860 afgebroken en vervangen door de huidige. De kerk wordt omringd door een ommuurd kerkhof waarin grafstenen liggen van onder andere Daniel de Horpale en zijn vrouwen van de eerste helft van de 14de eeuw (de oudste grafsteen in Limburg). Ten zuiden van de kerk, aangebouwd tegen de kerkhofmuur, staat eerst het voormalige klooster van de zusters annunciaden van Veltem. Dit gebouw fungeerde tot eind jaren 1960 als meisjesschool. De pastorie, die voor het eerst vermeld werd in 1615, staat hier weer naast. De oude kern dateert waarschijnlijk uit het begin van de 19de eeuw, maar het gebouw werd eind 19de, begin 20ste eeuw en recent nogmaals, grondig gerestaureerd en verbouwd. Tegenover de pastorie, aan de overzijde van de straat, staat het gemeentehuis en –school van Horpmaal. Dit gebouw dateert van 1874 en wordt van de straat gescheiden door een smeedijzeren hek. Tegenover de kerk ligt hoeve ‘Borghof’. Deze hoeve werd voor de eerste maal vermeld in 1640 en werd in 1693 volledig verwoest. De huidige hoeve dateert van het begin van de 19de eeuw en werd in de loop van de tijd grondig gewijzigd. Het Cretenshof aan de zuidzijde van het dorp wordt reeds vermeld in 1585 en staat ook afgebeeld op de Ferrariskaart. Het oudste deel, het woonhuis, dateert waarschijnlijk van rond 1800. Juist ten zuiden van de dorpskern ligt hoeve Renwa, of Goed van Gothem was een laathof. In 1790 werd de hoeve belegerd door Luikse patriotten. De hoeve is gebouwd in de loop van de 17de eeuw, de schuren en stallen waarschijnlijk in 1730, gezien de datering in de straatgevel. Het is een zeer grote hoeve en vormt een imposant geheel, bestaande uit bakstenen gebouwen met plinten van silex rondom een vrijwel vierkant gedeeltelijk gekasseid erf. Aan de westelijke zijde ligt een ommuurde tuin (zie de Ferrariskaart) en boomgaard die door een hek wordt afgescheiden van de straat.

Geïsoleerde hoeves

Het Monnikenhof, gelegen tussen Heks en Bommershoven, is een geïsoleerd gelegen imposante hoeve te midden van de akkers. Direct rond de hoeve ligt de huiskavel, een weiland, afgegrensd door een meidoornhaag, met daarin de restanten van een hoogstamboomgaard en een tweetal tamme kastanjes. Een platanendreef verbindt het poortgebouw met de straat. Deze hoeve werd (12-13de eeuw) gesticht door de cisterciënzerabdij van Villers. Deze “grangia” beschikte over een zeer uitgestrekt areaal landbouwgrond. In eerste instantie werden deze gronden door de broeders en vrije lieden bewerkt, maar vanaf 1505 werden er pachters vermeld. In 1582 staat de abdij hoeve en de gronden, samen met de heerlijke rechten over Heks, af aan het Sint-Lambertuskapittel van de kathedraal van Luik. Op verschillende momenten in de geschiedenis speelt de hoeve een rol in oorlogen, plunderingen,...: in 1651 maken Lorreinse troepen zich meester van de hoeve, in 1678-79 wordt er een detachement Franse troepen ingekwartierd, in 1693-4 plunderen Franse troepen het dorp van Heks en verschansen de inwoners van Heks, Vechmaal en Sint-Pieters-Heurne zich met hun vee in de hoeve en slagen erin de plunderaars af te weren, in 1703 kamperen Hollandse troepen in de buurt van de hoeve. Tijdens de Franse bezetting wordt de hoeve als kerkelijke goed aangeslagen en verkocht. De hoeve is een gesloten complex, waarvan op sommige plaatsen alleen nog de buitenmuur staat. Het binnenerf heeft een onregelmatige vorm en omvat een gekasseid looppad langs de gebouwen, de voormalige mestvaalt, een grote poel die als drenkplaats voor het vee gebruikt werd. In de Zuidoosthoek van het erf ligt een moestuin die ook op de Ferrariskaart werd weergegeven. Het huidige poortgebouw aan zuidelijke zijde dateert uit eind 17de of begin 18de eeuw, maar is later ontstaan dan het poortgebouw uit begin 17de eeuw aan noordoostelijke zijde. Het woonhuis werd recent gerestaureerd, de oudste delen dateren uit het begin van de 17de eeuw. Verschillende stallen, schuren en dienstgebouwen waarvan een tweetal recent ten zuiden buiten de vierkantshoeve werden toegevoegd.

Het Manshovenhof, gelegen ten noorden van Heks, behoorde tot het oude Loonse leen Manshoven (vermeld sinds de 14de eeuw) en was in oorsprong een semigesloten hoeve, die in fasen is uitgegroeid tot de huidige gesloten toestand. Het woonhuis en poortgebouw dateren uit de tweede helft van de 17de eeuw en de dienstgebouwen uit de 19de en 20ste eeuw. Bakstenen gebouwen gegroepeerd rondom een rechthoekig erf. De omgeving straalt een grote authenticiteit uit en heeft bovendien hoge esthetische waarde: tuin-, weiland- en boomgaardpercelen, doorsneden door de ter hoogte van de bebouwing nog gedeeltelijk gekasseide toegangsdreven.

Ten zuiden van Sint-Pieters-Heurne ligt een gesloten hoeve met oude inplanting. Op deze plaats staat op de Ferrariskaart een U-vormige hoeve afgebeeld. De huidige gesloten hoeve dateert waarschijnlijk uit 1834 maar kende later nog enkele aanpassingen in de 19de eeuw. Voor het woonhuis bevindt zich een zich een omhaagde tuin, achter de hoeve ligt een hoogstamboomgaard.

Klein bouwkundig erfgoed

In dit gebied staan enkele kleine kapellen of kruisen (enkele andere werden hierboven reeds vermeld). In Borgloon, beneden de mottesite staat de Kapel Onze-Lieve-Heer van de Kouden Steen en Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. De kapel was eigendom van de rederijkerskamer Die Goudbloeme. De gecementeerde kapel dateert van ongeveer 1850. In de kapel zijn beelden uit de 15de tot 17de eeuw aanwezig. Het begijnekruis staat op de landweg tussen Manshovenhof en het domein van Heks. Op dit kalkstenen kruis staat het opschrift ‘hier lyct begraeven gertuvd vandermase begeyne dyt sterft a 1622 den 26 mey bidt voer dye ziele’. Dit kruis is een oud voorbeeld van een ongelukskruis die getuigt van het oude gebruik om langs wegen allerhande devotiemonumenten op te richten. In het Manshovenbos staat een ongelukskruis. Dit kruis werd opgericht door de toenmalige eigenaar van het kasteel van Heks die ook het Manshovenbos in bezit had. Het herinnert aan de gebeurtenis in 1928 waarbij een stroper stierf tijdens een gevecht met de boswachter van het domein. Op een kruispunt in Heks staat de kapel Sint-Gerardus Majella die geflankeerd wordt door twee zomerlindes. De Onze-Lieve-Vrouwekapel te Vechmaal is gelegen op een kruispunt waar op de atlas der buurtwegen een belangrijke boom stond aangeduid. De kapel zelf dateert van 1908 en omringende beplantingen werden recent verwijderd. Ten zuiden van Widooie, langs de weg richting de N69, staat een kleine bakstenen kapel met es. In Horpmaal zijn een tweetal kapellen in het dorp gelegen, de kapel van Onze-Lieve-Vrouw Oorzaak onzer Blijdschap van het begin van de 20ste eeuw. Tegenover hoeve Renwa staat een Onze-Lieve-Vrouwekapel, in 1843 Chapelle du Viviers genoemd naar de eigenaar van de hoeve. Hier stond op de kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778) reeds een kruis afgebeeld. De huidige kapel dateert uit het begin van de 20ste eeuw. Juist ten zuidoosten van Horpmaal staat de Onze-Lieve-Vrouw Altijddurende bijstand, geflankeerd door twee lindes. In de dorpskern van Horpmaal staat nog een herdenkingsmonument voor Ernest Lux, die hier om het leven kwam in 1955, toen de rem van zijn tractor niet meer werkte, deze stuurloos raakte en hij om het leven kwam onder het voertuig.

Houtig erfgoed

Hoewel een groot deel van de ankerplaats uit uitgestrekte open akkers bestaat, is het gebied rijk aan houtig erfgoed. Zo zijn de hoogstamboomgaarden die vooral rond de dorpen en in de beekvalleien liggen in deze streek zeer goed vertegenwoordigd. Veel hoeves hebben nog restanten van hoogstamboomgaarden (al dan niet goed onderhouden). Langs de Romeinse Kassei liggen ook verschillende oude boomgaarden die soms nog beweid worden door koeien. Deze oude boomgaarden bevatten vaak een grote diversiteit aan fruitsoorten. De boomgaarden worden in veel gevallen afgegrensd met meidoornhagen, in oorsprong bedoeld om de dieren op de weide onder de bomen te houden. De meidoornhagen hebben veelal een dicht plantverband en zijn soms gevlochten (bijvoorbeeld te Sassenbroek). Deze hagen worden meer en meer vervangen door andere soorten zoals spaanse aak en soms zijn er ook hagen te zien van zwarte els rond laagstamboomgaarden, telkens gebruiken die uit recentere tijden stammen. Ook rond de erven van de hoeves zijn vaak meidoornhagen aangeplant. Mooie voorbeelden daarvan zijn Monnikenhof en Massenhovenhof, maar ook op vele andere plaatsen zijn meidoornhagen bewaard en soms zelfs heraangeplant. Op verschillende plaatsen komen bovendien monumentale bomen voor. Natuurlijk staan in de vele kasteelparken die dit gebied rijk is, monumentale bomen. Ook bij (grote) hoeves staan vaak monumentale bomen zoals de grauwe abeel en tamme kastanje bij de Rode hoeve te Bommershoven, twee welkomstlindes bij hoeve Hinnisdael, de notelaars bij Manshovenhof en te Sassenbroek,... Een veelvoorkomende soort op erven en bij kapelletjes is de linde. Te Widooie staat een oude kleinbladige linde, op het kruispunt van wegen en de gemeentegrens tussen Bommershoven en Widooie. De aangrenzende straat wordt “Widooierlinde” genoemd. Op een kruispunt tussen de Romeinse weg en een afgesneden holle weg, nabij Bommershoven, staat de Puesboom. De boom staat afgebeeld op historische kaarten (vanaf 1745) en er heeft een kapel bij de boom gestaan, mogelijk ook een galg. De boom is gelegen op een hoog punt. De boom is in zijn huidige toestand volledig hol en bestaat zelfs uit twee afzonderlijke delen welke op zich vrij vitaal zijn. In de openbare ruimtes in de dorpskernen zijn ook veel mooi ontwikkelde bomen te vinden, bijvoorbeeld te Borgloon, Bommershoven, Heks en Vechmaal. Op taluds en in holle wegen zijn vaak beplantingen aanwezig die in het verleden benut werden voor de productie van hout en loofvoeder voor de dieren. Op deze taluds worden zeer uiteenlopende soorten loofbomen aangetroffen. Soms werden deze als hakhout beheerd. Nabij de Romeinse Kassei zijn enkele voorbeelden van elzenhakhoutstoven langs een weg te vinden. Ook staan hier enkele bindwilgen die in het verleden zeker werden aangeplant voor hun gebruik in vlechttoepassingen.

Spoorlijn Hasselt-Borgloon-Oreye

De tramlijn Hasselt-Borgloon-Oreye werd aangelegd in 1899-1900. Het deel dat door de ankerplaats loopt kwam tot stand in 1900 en werd in 1956 alweer afgeschaft. De lijn gaf een economische impuls aan het gebied. Aangezien er veel suikerbieten mee werden vervoerd, werd de lijn ook wel de suikertram genoemd, in Oreye was er namelijk een suikerraffinaderij. In het landschap zijn nog verschillende relicten van deze spoorlijn. Zo is de lijn zelf in het reliëf nog op veel plaatsen zichtbaar, bijvoorbeeld ten zuidwesten van het Monnikenhof en wordt ze veelal nog als voetpad of perceelgrens benut. Er zijn nog twee bouwkundige restanten van de lijn. Bij Heks was een tramhalte bewaard gebleven (ID32083) die gebruikt wordt als woonhuis. Het gebouw werd gebouwd door de kasteelheer aan het begin van de 20ste eeuw in neotraditionele stijl. Een ander restant van bevindt zich bij de N79, het zijn de bakstenen restanten van de trambrug over deze weg.

Invloed ruilverkaveling op landschap

Door de ruilverkaveling vanaf de jaren 1960-1970 is de landbouw efficiënter gemaakt, maar zijn verschillende landschappelijke relicten verdwenen of vervaagd. Vooral in de gebieden die voor 1980 zijn aangepakt (Widooie en Horpmaal) werden vele landschapselementen 'opgeruimd'. De perceelsstructuur werd aangepast en ter bevordering van de ontsluiting van het gebied werden de wegen aangepakt, onverharde wegen werden verhard, sommige wegen geniveleerd waaronder verschillende holle wegen. Om grote percelen te verkrijgen, verdwenen vele cultuurtaluds. Als gevolg van deze drastische ingrepen nam de erosie in deze gebieden opnieuw toe. Na 1980 werd veel voorzichtiger omgegaan met deze ingrepen omdat men zich ervan bewust raakte dat de landschapselementen toch een belangrijke cultuurhistorische en ecologische en recreatieve waarde hebben. In het gebied rond Grootloon is te zien dat de ingrepen minder ingrijpend waren, wegen werden bijvoorbeeld wel verhard, maar niet zoveel opgeruimd.

Een voorbeeld van een historische weg die 'slachtoffer' werd van de ruilverkaveling is de Luikerbaan. Deze weg is al lang in gebruik en valt op sommige plaatsen samen met gemeentegrenzen (Borgloon-Heks). Op de historische topokaarten wordt de weg afgebeeld, tijdens de ruilverkavelingen zijn delen buiten gebruik genomen en in akker omgezet. Op luchtfoto’s en op het DHM zijn er echter wel nog sporen van zichtbaar. Op verschillende plaatsen bleven restanten van wegen voor kleine delen wel bewaard, dit is bijvoorbeeld het geval bij holle wegen die te diep waren om op te ruimen. Bijvoorbeeld tussen de Patrijzenkuil en de Grotten van Hinnisdael zijn een tweetal kruisende holle wegen bewaard en worden ze nu nog gebruikt als voetpad.

  • Informatie verkregen van Marijn Van Gils en Isabelle Jansen in verband met archeologie (2013-2015);
  • Informatie verkregen van Katrien Verwinnen in verband met bouwkundig erfgoed (2013-2015);
  • Informatie verkregen van Eddy Timmers, Erfgoedconsulent Landschappen Limburg (2013-2015);
  • Informatie verkregen van Tine Rijvers, Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren (2013-2015).

  • Institut National de l’Information Géographique et Forestière, Sint-Mande (France), CH 292, Kaart van Villaret, 1745, schaal 1:14.400.
  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842-1879, schaal 1:5.000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.
  • Topografische basiskaart numerieke reeks, Nationaal Geografisch Instituut, uitgegeven in 2009, schaal 1:10.000.
  • Basiskaart Grootschalig Referentie Bestand Vlaanderen (GRB), https://metadata.geopunt.be/zoekdienst/apps/tabsearch/?uuid=bb99337d-2146-413e-8c68-b9930061dc25 (afbakening op basis van GRB, geraadpleegd november 2015).

  • ALBERTS W.J. 1974: Geschiedenis van de beide Limburgen. Beknopte geschiedenis van het gebied omvattende de tegenwoordige Nederlandse en Belgische provincies Limburg sedert de vroegste tijden tot 1632. Maaslandse Monografieën, vol. 1. Van Gorcum & Comp. BV, Assen.
  • ALBERTS W.J. 1983: Geschiedenis van de beide Limburgen. Beknopte geschiedenis van het gebied omvattende de tegenwoordige Nederlandse en Belgische provincies Limburg vanaf 1632 tot ±1918. Maaslandse Monografieën, vol. 2. Van Gorcum & Comp. BV, Assen.
  • ARREN P. 1997: Van Kasteel naar Kasteel 7. Hobonia, Kapellen.
  • BATS H., VANDEN EEDE K. s.d.: Het dolinengebied ten zuiden van Horpmaal. Onuitgegeven documenten. Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg , Hasselt.
  • BAERTEN J. 1969: Het graafschap Loon (11de-14de eeuw). Maaslandse Monografien. Van Gorcum & Comp. BV, Assen.
  • BEYAERTS M. (ed.) 2006: België in kaart. De evolutie van het landschap in drie eeuwen cartografie. Uitgeverij Lannoo, Tielt.
  • BONNIE R. 2009: Cadastres misconceptions & Northern Gaul. A case study from the Belgian Hesbaye region. Sidestone Press, Leiden.
  • CLAES S., GULLENTOPS F. 2001. Toelichtingen bij de geologische kaart van België – Vlaams Gewest. Kaartblad 33 Sint-Truiden. Belgische Geologische Dienst en Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie, Brussel.
  • CLEENDERS F., WILLEMS M. & SMEETS L. 2007: Herkenrode netwerkt in Limburg, van Wijshagen tot Jeuk. Herkenrode vzw, Herkenrode.
  • DE MAEGD C., VAN DEN BOSSCHE H.J. 2003: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg Deel 1, Gingelom, Halen, Herk-De-Stad, Nieuwerkerken en Sint-Truiden. M&L Cahier 8. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: Afdeling Monumenten en Landschappen, Brussel.
  • DE MAEGD C., VAN DEN BOSSCHE H.J. 2007: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg Deel 3, Alken, Borgloon, Heers, Kortessem, Wellen. M&L Cahier 15. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: Afdeling Monumenten en Landschappen, Brussel.
  • DE MAEGD C. 2007: Hex, Een prinselijk landgoed ontsluierd. Mercatorfonds, Brussel.
  • DIRIKEN P. 2013: Het Haspengouwse Landschap in evolutie. Georeto's Haspengouw Monografieën.
  • DUPAE E. 2013: Levende relicten uit een ver verleden. De vegetatie van de tumuli in Haspengouw. M&L 34/4, p22-58. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel.
  • DUSAR M., LAGROU D., WILLEMS L., FELDER P.J. & MATTHIJS J. 2005: De mergelgrotten van Hinnisdael te Vechmaal (gemeente Heers, Limburgs Haspengouw), een geologische bijdrage tot de studie van het Krijt. Geological Survey of Belgium Professional Paper 2005/1 N. 301.
  • DUSAR M., DREESEN R. 2007: Stenen uit het Mergelland. Tweede Vlaams-Nederlandse natuursteendag, 47-87. TNO, Delft/Utrecht.
  • DUSAR M., DREESEN R., LAGROU D. 2007: De Mergelgrotten van Hinnisdael te Vechamaal, geologisch erfgoed in de schaduw. Likona jaarboek 2006. Likona, Genk.
  • GEYSENBERGH M. & ROBIJNS J. 1987: Haspengouw. De open ruimte in Vlaanderen, Een geografisch-landschappelijke en biologische verkenning, vol. 5. Koning Boudewijnstichting; Uitgeverij Den Gulden Engel bvba, Brussel/Wommelgem.
  • GOOSENS E., s.d.: Toelichting bij de Quartairgeologische Kaart. Kaartblad 33 Sint-Truiden. Dienst Natuurlijke Rijkdommen, Brussel.
  • GYSELS H. 1993: De landschappen van Vlaanderen en Zuidelijk Nederland. Garant, Leuven/Apeldoorn.
  • HACKENG T. 2006: Het middeleeuwse grondbezit van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht in de Regio Maas-Rijn. Publicaties van het regionaal historisch centrum Limburg, volume 1., Amsterdam.
  • HOFKENS E. & ROOSENS I. (eds.) 2001: Nieuwe impulsen voor de landschapszorg. De landschapsatlas, baken voor een verruimd beleid. M&L Cahier 5. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Bestuur Monumenten en Landschappen, Brussel.
  • INDENHERBERGE L., BOGAERTS D., GEUDENS T. & SNELLINGS J. 1996: Tussen Vechmaal en Kanne: een geologische tocht door het Krijt in Zuidoost-Limburg. Likona Jaarboek 1995 (Hasselt), 7-15.
  • JACOBS V. 1997: Limburgs-Haspengouw, een fruitstreek met traditie. Fruitstreekmuseum, Borgloon.
  • KNAEPEN E. 2001: De landelijke bewoning in de Gallo-Romeinse periode in Zuid-Limburgs Haspengouw. KUL, Leuven.
  • MASSART C. 1994: De bewaarde Gallo-Romeinse Tumuli van Haspengouw, topografische studie. Monografie van nationale archeologie, vol. 9. Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis, Brussel.
  • MERTENS (ed.) 2005: Ridders en kastelen, Alden Biesen in Haspengouw. Landcommanderij Alden Biezen, Bilzen.
  • MOONS J. 1988: Karel van Velbrück, prins-bisschop van Luik 1772-1784. Het oude Land van Loon, Jaarboek van de Federatie der geschied- en oudheidkundige kringen van Limburg, jaargang XLIII, p93-116. Jos Moons, Maasmechelen.
  • Niclaes M., 1988: De begraafplaatsen uit de Romeinse tijd in Vlaams-Brabant (band 1).
  • PLUYMERS L. 1989: Munckhof of Monnikenhof onder Heks. Limburg, vol. 68/2, 65-128. Federatie van Geschied- en Oudheidkundige Kringen van Limburg, Maaseik.
  • PROVINCIE LIMBURG 2012: Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg, gecoördineerde versie, tekst, september 2012.
  • ROBBERECHTS B. 1997-1998: Topografische spreiding van de landelijke bewoning in de Romeinse Tijd in de Belgische Kempen en Haspengouw. Boekdeel 1 en 2. Verhandeling tot het verkrijgen van de graad van licentiaat in de archeologie. Katholieke Universiteit Leuven, Leuven.
  • SECRETARIAAT DEMERBEKKEN 2009: Het bekkenbeheerplan van het Demerbekken. Integraal waterbeleid in de praktijk, 2008-2013.
  • VANVINCKENROYE W. 1989. Een onderzoek naar de Romeinse plattelandsbewoning in Zuid-Limburg. Limburg, 68/2, 75-82. Federatie van Geschied- en Oudheidkundige Kringen van Limburg, Maaseik.
  • VAN WESTREENEN F.S. 1991: De kuilen van Horpmaal. Natuurhistorisch maandblad, 80/4 1991, 69-71. Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Maastricht.
  • VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ 2002: De zorg voor open ruimte, niet zonder de zorg voor mensen. Jaarverslag Vlaamse Landmaatschappij, 2001. Vlaamse Landmaatschappij, Brussel.
  • VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ 2010: Cultuurhistorisch jaaroverzicht 2007-2009. Vlaamse Landmaatschappij, Brussel.
  • WESEMAEL E. 2011: Een buitengewoon aarden monument: het Romeins aquaduct van Tongeren. M&L mei-juni 2011, jaargang 30 nr.3, 6-21.
  • S.N. 1951: Limburgs Haspengouw. Bundel studiën uitgegeven bij de gelegenheid van de honderdste verjaring der stichting van het koninklijk Limburgs geschied en oudheidkundig genootschap te Tongeren. Koninklijk Limburgs geschied- en oudheidkundig genootschap te Tongeren, Tongeren.
  • S.N. 1972: Middeleeuwse burchten. Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren. Colloquium te Tongeren, 12 september 1970. Provinciaal Gallo-Romeins Museum, Tongeren.

  • Onroerend Erfgoed Limburg, Beschermingsdossier 4.03/73022/101.1, Grotten van Henisdael (H. Bats, s.d.).


Bron     : -
Auteurs :  De Haan, Aukje
Datum  : 2014


Relaties

  • Omvat
    Bedijkte molenloop Sassenbroek

  • Omvat
    Cluster van hoogstamboomgaarden

  • Omvat
    Grotten van Henisdael

  • Omvat
    Holle weg

  • Omvat
    Holle weg

  • Omvat
    Holle weg

  • Omvat
    Holle weg

  • Omvat
    Kerkhof van de parochiekerk Sint-Martinus

  • Omvat
    Opgeleide beek naar watermolen Heks

  • Omvat
    Trambedding lijn Borgloon-Oreye

  • Omvat
    Twee onverharde holle wegen

  • Omvat
    Wegennetwerk rond Romeinse weg

  • Is deel van
    Borgloon

  • Is deel van
    Heers

  • Is deel van
    Tongeren

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Haspengouw van Borgloon tot Vechmaal [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301114 (Geraadpleegd op 15-11-2019)