erfgoedobject

Verdwenen kerk van Zelem

archeologisch geheel
ID: 301325   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301325

Juridische gevolgen

Beschrijving

De site van de verdwenen kerk in Zelem bevat ondergronds nog restanten van een omgrachte vol- tot laatmiddeleeuwse parochiekerk met bijhorend kerkhof.

Historiek

Het historisch bronnenonderzoek bracht het grootste deel van de informatie aan over de evolutie van de verdwenen kerk en nederzetting doorheen de middeleeuwen en moderne tijd. Over de exacte stichtingsdatum van de kerk zijn geen historische bronnen bekend. Wel lijkt het erop dat de ontstaansgeschiedenis nauw verband houdt met een lokale 7de-eeuwse adellijke familie, meer bepaald de ouders van Sint-Trudo. Volgens een 14de-eeuwse kroniek van de abdij van Sint-Truiden zou de vader van Trudo, Wicbold, afstammen van de Merovingische koning Chilperic en zou zijn moeder, Adela, een nicht zijn van Pepijn van Landen die sinds 622 als hofmeier Austrasië bestuurde. Volgens dezelfde kroniek zou bij het overlijden van Adela in 644 haar lichaam, bijgezet in een stenen sarcofaag, onder het altaar van de kerk van Zelem zijn begraven. Daarenboven werd melding gemaakt dat het lichaam wonderen opwekte, wat zou kunnen wijzen op een vereringscultus. Het lijkt er dus op dat de kerk van Zelem reeds bestond in de eerste helft van de 7de eeuw en na de dood van Adela heeft ze mogelijk ook gefungeerd als (lokaal) bedevaartsoord. Het kan zijn dat de kerk van oorsprong een zogenaamde ‘eigenkerk’ en eigendom van de plaatselijke elite was, die het kerkterrein ook als begraafplaats gebruikte.

Vanaf de late middeleeuwen wordt Sint-Lambertus aangewezen als patroonheilige, maar gezien de ouderdom van de kerk lijkt dit voor haar beginfase onmogelijk omdat de stichting van de kerk vooraf gaat aan de geboorte van deze heilige (circa 638). Het lijkt plausibel dat de kerk een tijd lang gewijd geweest was aan de Heilige Adela en in een later stadium aan Sint-Lambertus. Sint-Lambertus is sowieso een vroegmiddeleeuws patrocinium. Wellicht was er een kerk in de vroege middeleeuwen. Er heerst echter geen eenduidigheid op vlak van een aantoonbaar werkelijkheidsgehalte van het Wicbold-Adelaverhaal: sage of authentiek?

Het mag worden aangenomen dat de oorspronkelijke kerk van Zelem een kleine, houten zaalkerk was. Naar het uitzicht van de kerk tijdens de vroege middeleeuwen valt slechts te gissen. Het enige dat bekend is uit die periode, is dat zich in de kerk het altaar bevond waaronder de Heilige Adela was begraven.

Er zijn geen historische bronnen beschikbaar die melden wanneer er een ‘verstening’ van de kerk heeft plaatsgevonden. Naar alle waarschijnlijkheid is dit ten vroegste gebeurd in de volle middeleeuwen, omdat pas vanaf deze periode in de streek ijzerzandsteen wordt gebruikt voor kerkelijke architectuur. Bij de inspectie van Monumentenwacht Vlaanderen in 2010 werden twee grote ijzerzandsteenblokken in de oever van het Zwart Water waargenomen. In de nabijheid van deze blokken waren ook kleinere fragmenten ijzerzandsteen zichtbaar aan de oppervlakte. De vroegste baksteenfase van de kerk mag op basis van het aangetroffen materiaal in de 14de-15de eeuw worden geplaatst. De toren van de kerk bezat naast een klok ook een duiventil, die in opdracht van de abdij van Tongerlo was gebouwd. De dakbedekking bestond in een laatmiddeleeuwse fase uit geglazuurde dakpannen (daktegels) en later uit leistenen schaliën. Het kerkterrein was omgeven door een kerkhof en een in verval geraakte kerkhofmuur.

Rond 1666 werd ten westen van de kerkterrein het Zwart Water gegraven, een afwateringskanaal dat als functie had de beemden van het stroomopwaarts gelegen Linkhout te doen afwateren. Een historische bron uit 1666 beschrijft de waterloop: “eene nieuwe begonste te grauene leijbeke lancx den zuijdtvoet van de hooghde van zeelhem, ende soo lancx ende door het kerckhoff van zeelhem, van daer soe voirders ... tot in de voorgemelde swarte beke ... lancx die parochiekerck van zeelhem”. Dit kanaal werd dus getrokken langs de toenmalige kerk en zelfs door het kerkhof rond de kerk. Dit betekent dat restanten van het kerkhof ook ten westen van het Zwart Water kunnen verwacht worden, onder de voormalige kasseibaan Zelk-Zelem, parallel aan de rechtgetrokken Demer.

Volgens mondelinge gegevens werden tijdens de Tweede Wereldoorlog verschillende oude botten en schedels en (een gedeelte) van de oude vloer van de kerk opgedolven. Deze vondsten werden gedaan tijdens graafwerkzaamheden om grond te winnen voor de dichting van een bomkrater die ontstond nadat de vlakbij gelegen brug (ter hoogte van de kasseibaan tussen de Demer en het Zwart Water) opgeblazen was. Na sortering werden de skeletresten op een hoopje gegooid op de plaats waar ze werden opgegraven. Tijdens aanplantingswerken in 1999 werd een gedeelte van een skelet aangetroffen op circa 30 centimeter diepte. Het skelet bevond zich circa 15 meter ten oosten van het Zwart Water net voor een opvallende verhoging ten zuidoosten van de kerksite.

In 1647 of 1649 werd gestart met de bouw van de Sint-Appolloniakapel in het actuele centrum van Zelem. Zij diende als parochiekerk tot 1878 wanneer de huidige, vlakbij gelegen Sint-Lambertuskerk ingewijd werd. Bij de afbraak van de Sint-Appolloniakapel stootte men op een stenen sarcofaag. Men nam toen aan dat dit de grafkist van de Heilige Adela was, die na de inwijding van de kapel werd overgebracht vanuit de oude parochiekerk aan de Demer. De sarcofaag, die in slechte toestand verkeerde, bevatte een zwartachtige stof, een leeg flesje en een bijna compleet vergaan houten recipiënt. Volgens contemporaine oudheidkundigen dateerde de graftombe uit de 7de eeuw. Die datering was gebaseerd op de ‘primitieve’ versieringen op het deksel. De restanten verhuisden naar de Sint-Lambertuskerk.

Rond 1700 werd de in verval geraakte parochiekerk afgebroken; het is rond deze periode dat een verordening wordt uitgeschreven voor de bouw van een kapel op de voormalige locatie van de kerk. Mogelijk was het kerkhof op dat moment nog steeds in gebruik. Deze kapel deed slechts enkele tientallen jaren dienst, voordat ook dit gebouw werd afgebroken en vervangen door een groot stenen kruis. Het is zeer waarschijnlijk ditzelfde kruis dat figuratief op enkele oude plannen wordt weergegeven, ingeplant op een verhoging in het reliëf. In de loop van de 18de eeuw verloor het kerkterrein definitief zijn functie als kerkhof.

De oude dorpskern was bij de kerk gelegen. Ongeveer 400 meter oostwaarts lag de waterburcht van Zelem. De oprichtingsdatum is onbekend. In 1439 was de burcht al zo vervallen dat hij niet meer bewoond kon worden. De ruïne bleef zichtbaar tot in de 17de eeuw. Een noodopgraving in 1997 door Guido Creemers bracht sporen van in de lengte gestapelde blokken ijzerzandsteen en puin van bouwmateriaal aan het licht. Een nieuwe interventie vond plaats in 2012. Geert Vynckier (agentschap Onroerend Erfgoed) registreerde in het kader van toevalsvondstprocedure opnieuw grote concentraties van bouwmateriaal, kuilen en aardewerk uit de 13de-14de eeuw. Een zeldzame iconografische bron uit 1753 met de grenzen van Zelem, bewaard op het stadsarchief te Diest, toont de eerste parochiekerk en de waterburcht. Hierop wordt de burcht gesitueerd in een oude meander van de oude loop van de Demer, die later rechtgetrokken werd. Ook de loop van het Zwart Water en de overstromingszones die in die tijd reeds gekend waren, worden aangeduid. Op de Ferrariskaart (circa 1777) worden de kerk en waterburcht niet meer weergegeven.

Bovenaan op de heuvel ligt het 14de-eeuwse, beschermde kartuizerklooster Sint-Jansdal. Op de aangrenzende akkerlanden werden bij veldprospecties silexartefacten, Romeinse ceramiek en middeleeuws bouwmateriaal en aardewerk teruggevonden.

Het huidige domeinbos (circa 46 hectare waarvan ongeveer de helft bebost) werd in de 19de eeuw aangelegd. In 1844 slaagde de heer Blariaux, een Henegouwse puttenmaker, er in om artesische put te boren. Tot in de jaren 1960 voorzag de put het hele kloosterdomein van vers water. Deze put is onlangs gerestaureerd en ligt vlakbij de kerksite.

Beschrijving

De te beschermen archeologische zone bevindt zich in het westen van de provincie Limburg, op de grens met de provincie Vlaams-Brabant. Die grens wordt gevormd door de Demer, die ook de landschappelijke grens vormt van de Zuiderkempen, het Hageland en Vochtig Haspengouw. De site ligt dus op de overgang van diverse landschappelijke eenheden. Binnen de Zuiderkempen behoort het gebied tot het zogenaamde heuvelland van Lummen. Kenmerkend voor dit heuvelland (en het Hageland) zijn de westzuidwest-oostnoordoost georiënteerde heuvelruggen die gescheiden zijn door brede riviervalleien. De archeologische zone ligt aan de voet van een dergelijke heuvelrug: de Kolenberg of de Sint-Jansberg. Deze rug wordt aan de westzijde afgebakend door de Demervallei en aan de noordzijde door de Zwarte Beek.

Het Zwart Water vormt de westelijke grens van de archeologische zone. De E314 is de zuidelijke grens. In het noordoosten bakenen de steile flanken van de Sint-Jansberg de site af. De Sint-Jansberg is grotendeels een natuurgebied waarbij de hellingen van de heuvelrug beplant zijn met bomen. Aan de zuidelijke en oostelijke voet van de heuvel bevinden zich een boomgaard en laatmiddeleeuwse ijzerzandsteengroeven. Deze groeves lagen dichtbij de Demer, ideaal voor het vervoer van zware vrachten. De restanten van de groeves zijn vandaag nog goed herkenbaar in het landschap.

Aan de voet van de heuvelrug bestaat de ondergrond uit laat pleistocene en vroeg holocene rivierafzettingen van voorlopers van de Demer. Deze afzettingen zijn opgebouwd uit bruin, matig grof zand zonder duidelijke profielopbouw. Het ontbreken van een duidelijk bodemprofiel is het gevolg van verbruining. Dit is een bodemkundig proces waarbij door bodemleven en verwering van ijzerhomogenisatie optreedt van de bovengrond.

Het evaluerend en waarderend veldonderzoek in 2012 door RAAP Archeologische Adviesbureau omvatte een visuele inspectie, verkennend booronderzoek, metaaldetectie, geofysisch onderzoek (magnetometrisch onderzoek en elektrisch weerstandsonderzoek met controlerend booronderzoek) en proefsleuvenonderzoek.

De locatie van de verdwenen kerk was vóór het onderzoek van RAAP slechts bij benadering bekend en vooral gebaseerd op de melding van muurresten in het oostelijk talud van het Zwart Water. De visuele inspectie en het verkennend booronderzoek hadden tot doel om het kerkterrein preciezer te bepalen. De boringen brachten twee vondstlocaties aan het licht. De grootste concentratie bevond zich op het vermoedelijke kerkterrein, in het noordwesten van beschermde zone. Hier zijn houtskool, verbrande leem, fragmenten van dakleien en spijkers aangetroffen, maar ook grote hoeveelheden kalkmortel, baksteenpuin, aardewerk en zelfs menselijk bot en fragmenten vensterglas kwamen tevoorschijn. Een andere duidelijke vondstlocatie bevindt zich in het zuidoosten van het onderzochte gebied (in de boomgaard).

Hier werden voornamelijk houtskool, verbrande leem en handgevormd alsmede gedraaid aardewerk aangetroffen. Daarnaast kwamen ook enkele fragmenten van dakleien en een spijker aan het licht in het noorden van deze vondstlocatie. Mogelijk bevindt zich hier een nederzetting. Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in vijftien boringen archeologische sporen aangetroffen. Ze kunnen onderverdeeld worden in:

  • sporen die verband houden met het kerkgebouw (fundamenten, uitbraaksleuven);
  • sporen die wijzen op een mogelijke omgrachting van het kerkterrein;
  • greppels;
  • kuilen;
  • een vermoedelijk gebouw waar een lemen vloer is aangetroffen;
  • resten van menselijke graven.

Gelijktijdig met het booronderzoek werd het talud van het Zwart Water ter hoogte van het vermoedelijke kerkgebouw onderzocht op archeologische indicatoren. Hierbij zijn uitsluitend archeologische resten aangetroffen in het oostelijke oevertalud. Tijdens het opschonen van dit oeverprofiel kwamen drie muurfundamenten aan het licht met een gemiddelde dikte van 150 centimeter en een onderlinge tussenafstand (hart) van vier meter. De fundamenten zaten tussen 70 en 80 centimeter -Mv en waren opgebouwd uit bekapte ijzerzandstenen van uiteenlopend formaat, gaande van kleine brokken van 5 x 5 centimeter tot grote stenen van 75 x 50 x 50 centimeter. In de middelste muurfundering zijn nog resten van grof wit funderingszand aangetroffen. In de meest noordelijke fundering was de noordelijke muurinsteek nog herkenbaar. Bij het opschonen van het profiel kwamen tussen de bouwstenen fragmenten van baksteen, daklei en menselijk bot tevoorschijn.

De boswachter van het agentschap Natuur en Bos wist te melden dat er ook na het proefsleuvenonderzoek, tijdens een periode van lage waterstand, losse blokken van ijzerzandsteen te zien waren aan de overzijde van de Zwarte Beek. Een inspectie door Geert Vynckier op 18 maart 2014 bevestigde de aanwezigheid van ijzerzandsteenfragmenten in het water en restanten van een houten oeverbeschoeiing. De brokken puin werden waarschijnlijk losgetrokken door de machines van de Watering.

Aanvullend op het verkennend booronderzoek vond er metaaldetectie plaats op en rondom het kerkterrein. Alle aangetroffen metalen voorwerpen zijn afkomstig uit de bouwvoor. Het betreft voornamelijk objecten die verband houden met kledij, zoals schoengespen en knopen, maar ook enkele bouwmaterialen zoals (dakpan-)spijkers en loden architectuurpeggen zijn aangetroffen. Laatstgenoemde elementen kunnen in verband worden gebracht met het kerkgebouw.

Alleen het magnetometrisch onderzoek resulteerde in bruikbare sporen; de bevindingen van het weerstandsonderzoek zijn teleurstellend. Mogelijk heeft dit te maken met de algemene geologische staat van het terrein. Algemeen kan gesteld worden dat ook bij het magnetometrisch onderzoek uitsluitend de diepere sporen of sporen met een duidelijke puinconcentratie of brandresten aan het licht zijn gekomen. Het vermoedelijke woongebouw dat tijdens het verkennend booronderzoek aan het licht kwam, is immers niet opgemerkt tijdens het magnetometrisch onderzoek. Wel werden drie circulaire structuren waargenomen. Deze kringvormige structuren worden voor ongeveer een derde afgesneden door het Zwart Water. De aangetroffen muurresten liggen in de circulaire structuur en maken deel uit van een gebouwde structuur die door een greppel was omgeven.

Het proefsleuvenonderzoek bestond uit vijf proefsleuven uitgezet op de beschermde percelen. Vier sleuven werden aangelegd ter hoogte van het kerkterrein, circa 65 meter ten zuiden van de Kolenbergstraat. Het onderzoek bevestigde de veronderstelling dat het kerkgebouw zich op een zandige ophoging bevindt. Het aangetroffen kerkareaal heeft een ovaal tot ronde vorm met een diameter van ongeveer 50 meter en heeft een oppervlakte van 1.735 m². De exacte afmetingen van het kerkgebouw konden niet bepaald worden. Het lijkt erop dat het gebouw een minimale lengte had van 17 meter en een breedte van 15 meter. Resten van het kerkgebouw manifesteerden zich als drie parallelle, oost-west georiënteerde uitbraaksleuven. In deze uitbraaksleuven kwamen de grotendeels uitgebroken ijzerzandstenen fundamenten van het kerkgebouw aan het licht. De meest noordelijke uitbraaksleuf vormt de noordelijke begrenzing van het kerkgebouw. Op en rond de uitbraaksleuven kwamen voornamelijk grote hoeveelheden bakstenen aan het licht, die tot het bovengrondse muurwerk van de kerk hebben behoord. Ter hoogte van het kerkgebouw zijn daarnaast ook veel fragmenten van dakleien (schalie) aangetroffen en enkele geglazuurde dakpannen. Het is onduidelijk of de meest zuidelijke uitbraaksleuf ook de zuidelijke begrenzing van het kerkgebouw voorstelt. Er zijn namelijk nog twee mogelijke bakstenen poeren aangetroffen circa 1,5 meter ten zuiden van dit spoor. De muurfundamenten/uitbraaksleuven zijn nog 5, 30 en 40 centimeter bewaard in de ondergrond. Deze sporen zijn met de boor gegutst en onder de fundamenten kwam een intacte B-horizont aan het licht, wat doet vermoeden dat oudere sporen, zoals de eventuele oorspronkelijke houtbouwfase van de kerk, nog goed bewaard zullen zijn.

De oudste scherven gebruiksaardewerk zijn aangetroffen in het kerkgebouw en dateren uit de volle tot late middeleeuwen. Ze kwamen tevoorschijn onder het laatmiddeleeuwse vloerniveau van de kerk. Er werd slechts een handvol vloertegels teruggevonden. Dit kan erop wijzen dat de gemakkelijk opschepbare kerkvloer grotendeels weggegraven werd tijdens de Tweede Wereldoorlog voor het vullen van de bomkrater. Hierdoor ontstond er een kleine depressie daar waar de kerk oorspronkelijk op een ophoging stond.

Het is opvallend dat het kerkgebouw op basis van de huidige gegevens is opgebouwd uit drie muurfundamenten die niet in het verlengde liggen van de overeenkomstige muurfundamenten die zijn aangetroffen in het oevertalud van het Zwart Water. Zoals eerder vermeld, is het tot op heden onduidelijk of de zuidelijke begrenzing van de kerk wel in de sleuf is aangetoond. Voorafgaand aan het graafwerk is getracht om met behulp van een peilstok een mogelijk vierde muurfundament ten zuiden van de huidige fundamenten op te sporen langs het oostelijke oevertalud van de beek. Dit heeft jammer genoeg geen resultaten opgeleverd. Dit hoeft echter niet te betekenen dat het niet aanwezig is. Daarnaast kan op basis van onderhavig onderzoek ook niet worden bepaald of de aangetroffen fundamenten wel tot éénzelfde fase gerekend mogen worden. Verbouwingen van kerkgebouwen, inclusief aanbouwen, kwamen tijdens de volle en late middeleeuwen wel vaker voor.

Het kerkhof is ten noorden van het kerkgebouw aangetroffen, maar het mag verondersteld worden dat de begraafplaats zich rondom het hele kerkgebouw uitstrekte. De vondst van beenderen in anatomisch verband in 1999 bevestigen dit vermoeden. Uit het fysisch-antropologisch onderzoek blijkt dat begravingen uit verschillende periodes elkaar overlappen, wat op zich niet zo verwonderlijk is aangezien het kerkhof meerdere eeuwen in gebruik is geweest. De graven kwamen direct onder de bouwvoor aan het licht, maar verschillende botfragmenten zaten al in de bouwvoor. Dit betekent dat ter hoogte van het kerkhof een ontgraving en egalisatie heeft plaatsgevonden, wat strookt met de getuigenissen uit de Tweede Wereldoorlog. In het noorden, op de grens tussen kerkhof en omgrachting werden sporen van een mogelijk meerfasige kerkhofmuur aangetroffen. Dezelfde omgrachting werd ook ten zuiden van het kerkgebouw aangetroffen. De gracht heeft een breedte tussen circa twee en zeven meter en een diepte tussen 45 en 90 centimeter. De vulling van de gracht bestaat uit diverse dunne kleiige/siltige afzettingen, die mogelijk het gevolg zijn van overstromingen. Het is in dit opzicht dat de aanleg van de omgrachting moet worden beschouwd, namelijk als reactie op rivieroverstromingen die het gebied troffen vanaf de volle tot late middeleeuwen. Niet alleen is het oudste aangetroffen materiaal uit de omgrachting afkomstig uit deze periode; tevens zijn ook oudere (paal)kuilen aangetroffen onder deze structuur, wat erop wijst dat het gebied tot dan geschikt was voor bewoning. De omgrachting van het kerkterrein is dus waarschijnlijk niet zozeer symbolisch van aard geweest, maar ontstaan uit praktische overwegingen. Het volledige kerkterrein, inclusief ommuring en omgrachting lijkt zich op basis van de huidige resultaten te beperken tot de eerder vermelde zandige verhoging.

In de noordoostelijk punt van de afbakening werden in februari 2014 bij voorbereidingswerken voor de aanleg van een fietsersbrug over het Zwart Water allerlei bouwfragmenten aangetroffen. Er werd vastgesteld dat er tegen de afgegraven berm een heterogeen ophogingspakket lag met grote fragmenten ijzerzandsteen, baksteen, dakpanfragmenten (laatmiddeleeuws type van platte daktegels) en leisteen. Er zijn geen aanwijzingen van sporen of vondsten in situ, noch van belangrijke kerkresten op deze plaats. Misschien maakt dit ophogingspakket deel uit van de vulling van de bomkrater.

Circa 50 meter ten zuidoosten van het kerkterrein, ongeveer centraal binnen de afbakening, werd sleuf 5 aangelegd om restanten van de middeleeuwse parochie op te sporen. Ter hoogte van deze sleuf is geen zandkop aangetroffen. De bodemopbouw hier is het gevolg van rivieroverstromingen en erosie van de Sint-Jansberg. Onder deze afzettingen (circa twee meter diep) werden paalsporen en greppels aangetroffen. Door het proces van verbruining tekenden uitsluitend de basis van deze sporen zich af. Op basis van het vondstmateriaal interpreteert men de sporen als een nederzetting uit de ijzertijd en een volmiddeleeuws, omgreppeld erf. De archaeologicae bestaan uit scherven handgevormd, bruin-zwart aardewerk uit de ijzertijd (18 stuks). Eén enkele scherf was versierd met nagel¬indrukken. Daarnaast kwamen ook nog enkele volmiddeleeuwse scherven aan het licht; het betreft geelwitte, Pingsdorf-achtige baksels van lokale makelij. Tenslotte moeten ook nog enkele fragmenten aardewerk uit de nieuwe tijd worden vermeld, zoals geglazuurd roodbakkend aardewerk, maar ook oudere fragmenten geglazuurd (proto)steengoed. Deze zone leent zich uitstekend voor bijkomend onderzoek naar andere nederzettingssporen. Het colluvium en alluvium dekken mogelijks nog prehistorisch, vroeg- en volmiddeleeuwse sporen af. De meest interessante locatie is de groep tamme kastanjes in de boomgaard, dichtbij sleuf 5. Daar kon nu geen proefsleuf getrokken worden. Een indicatie voor bewoningssporen daar zijn de molshopen waarin telkens opnieuw scherven naar de oppervlakte worden gebracht. Het lijkt erop dat de vroegste parochie van Zelem zich direct rond de kerk had gevestigd op de vruchtbare, hoger gelegen riviergronden.

De uitgraving van het Zwart Water heeft enige schade aangebracht aan de ondergrondse restanten van de kerksite en het kerkhof. Het waarderingsonderzoek heeft anderzijds ook aangetoond dat nog heel wat archeologisch bodemarchief in situ aanwezig is. Ook de opdelving van (een gedeelte) van de oude kerkvloer en van menselijk botmateriaal tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft een niet nader bepaalde invloed gehad op de archeologische resten. Bij de bosbeheerwerken in 1999 vond er een verstoring van het kerkhof plaats. Er werd een deel van een skelet opgegraven. De essen die in 1985 aangeplant werden, werden in 2009-2010 kaalgekapt. Dit gebeurde met behoud van de stobben, waardoor de impact op het bodemarchief vermoedelijk beperkt bleef. Ondanks de aangetroffen verstoringen zijn organische en anorganische resten goed bewaard gebleven op het kerkterrein. Zo heeft de lemige en humeuze vulling van de graven er voor gezorgd dat het (menselijk) botmateriaal goed bewaard is gebleven. De begroeiing op de kerklocatie beperkt zich tot struiken en kruiden die in samenspraak met de beheerder vanaf vorig jaar periodiek gemaaid worden met afvoer van het maaisel.

Na het waarderingsonderzoek werd het talud met de dagzoomende ijzerzandsteenfragmenten afgedekt met een kokosmat/geotextiel en een laag streekeigen aarde. De afdekkende sedimenten (alluvium en colluvium) die rondom het hoger gelegen kerkterrein zijn aangetroffen, hebben gefungeerd als buffer tegen diepe bodemverstoringen. Ter hoogte van het prehistorische en middeleeuwse nederzettingsterrein staat een boomgaard.

Bibliografie

  • COENEN J. 1956: Was de H. Adela de moeder van Sint-Trudo? Limburg, 35.11, 257-261
  • SPRENGERS N. & D. KEIJERS 2012: Een archeologische evaluatie en waardering van de 'verdwenen' kerk van Zelem (Halen, provincie Limburg), RAAP-rapport 2400, Weesp.
  • VAN DRIESSCHE T. in voorbereiding: De ontginning en het gebruik van ijzerzandsteen in het Hageland van de middeleeuwen tot de 20e eeuw, Relicta.
  • PIETERS, R. en P. VANMARSENILLE 2012: De relieken van Sint-Trudo en Eucherius. Beredeneerde cataloog of “Proeve van inventarisatie aangaande”: de gegevens rond het Sint-Trudo- en Sint-Eucheriusschrijn, alsmede de iconografie; de voorwerpen rond de monstrans van Nonnemielen. Bewaard door de Kerkfabriek Onze-Lieve-Vrouw te Sint-Truiden, 56-57.
  • VYNCKIER G. 2012: Rapportage toevalsvondst: Zelemstraat, Halen – Zelem, rapportage in voorbereiding.

Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/71020/102.1, Halen: de verdwenen kerk van Zelem.
Auteurs :  Jansen, Isabelle, Van den Hove, Peter
Datum  : 2014


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Verdwenen kerk van Zelem [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301325 (Geraadpleegd op 23-10-2020)