erfgoedobject

Sint-Aloysiuscollege

bouwkundig element
ID: 301499   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301499

Juridische gevolgen

Beschrijving

Oorspronkelijk neogotisch schoolcomplex uit 1882-1883 met priestergebouw en laagbouw aan de straatzijde (Weggevoerdenstraat) met klaslokalen op het gelijkvloers en patronaatszaal en kapel op de verdieping. In 1931 uitgebreid met vier nieuwe klaslokalen. Onder principaal Albert Steyaert (1895-1973) werd in 1938-1939 een nieuwe dwarsvleugel met toneelzaal en kapel opgetrokken in nieuwe zakelijkheid naar ontwerp van architect Flor Van Reeth (1884-1975). Architect Roger Cassiman (1910-1989) wordt in het lastenboek vermeld als coarchitect. Het schoolcomplex werd in 1957-1960 uitgebreid met 14 klaslokalen, een refter en een studiezaal. De laatste uitbreidingsfase dateert van 1983 wanneer opnieuw 14 nieuwe klaslokalen en een bijhorende bibliotheek en leraarskamer werden gerealiseerd.

Historiek

Het Bisschoppelijke Sint-Aloysiuscollege werd in oktober 1873 opgericht op vraag van Ninoofse katholieke politici en de toenmalige burgemeester om ook te voorzien in onderwijs aan jongens in de stad. Sinds 1836 bestond er in Ninove enkel een katholieke meisjesschool van de zusters der Heilige Harten, maar geen katholieke onderwijsinstelling voor jongens. De school was aanvankelijk geïnstalleerd in de stadsgebouwen aan de Dreefstraat. Ten gevolge van de schoolwet (1880) verhuisde de school naar een nieuw opgetrokken neogotisch gebouw in de huidige Weggevoerdenstraat. Het schoolgebouw werd in 1882-1883 opgetrokken op een stuk weide, die door de familie Simons-Milo in erfpacht was gegeven aan het bisdom. De architect was pastoor De Feyter uit Herdersem. Het hoge gebouw met puntgevel was het priestergebouw. De lange laagbouw aan de straatzijde bestond uit klaslokalen. Op de eerste verdieping bevond zich de patronaatzaal en de neogotische kapel. Na 1919 werd de patronaatszaal verbouwd tot klaslokalen. In 1924 telde het college 261 leerlingen in de lagere school en 80 in de middelbare school.

Een eerste uitbreiding kwam er in 1931 met de bouw van vier nieuwe klaslokalen. Het is onder principaal Albert Steyaert dat een nieuw blok met studiezaal/feestzaal en een nieuwe kapel wordt gebouwd in 1938. Tot en met de Tweede Wereldoorlog telde de school een 200 tot 300 leerlingen in twee Latijnse en twee moderne humaniora jaren en een aantal voorbereidingsjaren in het lager onderwijs. Na de Tweede Wereldoorlog maakte het stijgend aantal leerlingen een sterke uitbreiding van het gebouwenpark noodzakelijk. In het humaniora werden de studierichtingen uitgebreid. In 1950 werd de lagere school een volwaardige basisschool. Tussen 1957 en 1960 werden er 14 nieuwe klaslokalen, een refter en een studiezaal opgetrokken. Ook de neogotische gevel werd vervangen door een moderne gevelbouw.

In 1983 werd het college voor de laatste maal uitgebreid met 14 nieuwe klaslokalen en een bijhorende bibliotheek en leraarskamer. Ten gevolge van de reorganisatie van het onderwijs in Vlaanderen en van het katholieke onderwijs in Ninove in 1997, werden de humaniora-afdelingen van het Instituut der Heilig Harten en van het Aloysiuscollege samengebracht in één school van het Sint-Aloysiuscollege, maar met twee vestigingsplaatsen, namelijk de gebouwen aan de Weggevoerdenstraat en de lokalen aan de Onderwijslaan. Het beheer van alle katholieke en secundaire scholen in Ninove kwam in handen van een nieuw opgerichte vzw met participatie van het bisdom Gent. Het Sint-Aloysiuscollege is anno 2012 uitgegroeid tot een instelling met basisschool en humanioraschool van meer dan 1500 leerlingen en een lerarenkorps van 140 personeelsleden.

Kapelvleugel

De kapelvleugel is een rechthoekig gebouw van twee bouwlagen onder een plat dak. De vormgeving sluit aan bij de stijl van de Nederlandse architectuur van de nieuwe zakelijkheid, door zijn sobere kubistische vormgeving op verschillende niveaus, de materiaalkeuze van gestrekte baksteen, het accent op de horizontaliteit onder meer door het gebruik van platte daken. Het werd in 1938-1939 ingeplant haaks op de neogotische vleugel langsheen de Weggevoerdenstraat, als verlengde van het neogotische priesterhuis. Dit priesterhuis zal in 1966 worden gesloopt. De uitvoering verliep vlot. Op 18 juli 1938 wordt de eerste steen gelegd. De ruwbouw stond in maart 1939 volledig recht. Op 29 juni 1939 was het gebouw gebruiksklaar en werd de kapel ingezegend door de Gentse bisschop Honoré Coppieters.

De nieuwe schoolvleugel vormde de zuidelijke afsluiting van de speelplaats en liep oostwaarts door tot aan de perceelgrens. Tussen het gebouw en de zuidelijke perceelgrens lag een smalle strook grond, dat aanvankelijk diende als een aparte tuin voor de priesters. Het gebouw krijgt daardoor twee representatieve zijgevels beide in parement uitgewerkt. De zuidgevel met het overdekte terras vertoonde een meer privaat karakter. De noordgevel met de ingang van de trappenhal vertoont een meer publiek karakter. Het bouwblok ligt aan de oostkant van de eerste speelplaats, die een ingang heeft aan de Weggevoerdenstraat. In het westen sluit de vleugel aan op de oude neogotische structuur, die door de verbouwingen als dusdanig niet meer herkenbaar is. In het oosten wordt het bouwblok begrensd door de perceelgrens, waar nu een laagbouw van de kleuterafdeling staat. Langs de zuidzijde of achterzijde lag de vroegere tuin van de priesters, die nu een overdekte speelplaats vormt voor de kleuterafdeling.

De vormgeving van de kapelvleugel wordt gedomineerd door de horizontale lijn en de kubusvorm. Aan de oostzijde wordt het blokvormig geheel doorbroken door de ronde apsis van de kapel met zes betonnen ramen. Het niveau van het verdiep wordt tevens verhoogd door een kubusvormige toren, die deels eindigt in een eenvoudig maar karakteristiek bakstenen kruis. De ronde vorm van de koorapsis en de schuine vlakken van de vier uitspringende erkers (van de biechtstoelen) doorbreken de rechthoekige geometrie. De muurvlakken zijn strak gehouden. De raamdorpels en dekstenen van de muurkruinen springen niet of nauwelijks uit het muurvlak. De muren zijn afgedekt met bruinrode dekpannen. De vensterdorpels in de bovenverdieping zijn van zwart geglazuurde tegels; op de benedenverdieping van arduin. Het gebouw bestaat uit een betonnen skeletbouw, opgevuld met baksteen en aan de buitenkant omhuld met een rode baksteen uit de zandstreek. De gevelsteen is in strekverband opgemetst. De buitenmuur is met een schuine voeg gevoegd. De betonskeletbouw liet toe om heldere ruimten met grote ramen te maken.

De kapel is een eenbeukige, rechthoekige zaal met een vlakke zoldering en vlakke muurwanden. Het hoger gelegen koor is een kubusvormige ruimte. Zij wordt afgesloten door een ronde apsis. Twee zijkapellen zijn visueel afgesloten van de hoofdruimte. Zij werden oorspronkelijk gebruikt als ruimte, waar de priesters een private mis konden opdragen. In de kapel loopt een middengang van groene granitotegels, afgezoomd met een zwarte band, vanaf de kapeldeur naar de treden van het koor, die eveneens in granito zijn. Het trekt de kerkbezoeker aan om toe te treden naar het altaar. Naast de middengang zijn twee rechthoekige vakken afgebakend, waar de gelovigen plaatsnemen op de kerkstoelen. De vloer heeft hier een dambordstructuur met afwisselend gele en rozegele granitotegels. Met het verdwijnen van de principaalpriester in 1992 en van de laatst inwonende priester in 2004, wordt de functie van de kapel als liturgische ruimte minder evident. Anno 2012 wordt de kapel voornamelijk als turnzaal en opslagruimte gebruikt.

Zwart marmeren altaar met tabernakel, vermoedelijk naar ontwerp van broeder Urbain of een collega van het Sint-Lucasinstituut te Gent. Glasramen naar ontwerp van Eugeen Yoors (1879-1975).


Bron     : Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen, Beschermingdossier 4.001/40000/2354.1, Sint-Aloysiuscollege.
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2012


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Sint-Aloysiuscollege [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301499 (Geraadpleegd op 23-08-2019)