Parkwijk Casablanca

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ bouwkundig geheel

Locatie

Alternatieve naam Tuinwijk Casblanca; tuinwijk Heuvelhof
Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Leuven
Deelgemeente Kessel-Lo
Straat Koning Albertplein, Prins-Regentlaan, Spaarstraat, Bijendreef, Weerstandlaan, Prins-Regentplein
Locatie Bijendreef 1-15, Bijendreef 2-16, Koning Albertplein 1, Prins-Regentlaan 1-39, Prins-Regentlaan 4-56, Prins-Regentplein 1-9, Prins-Regentplein 10-33, Prins-Regentplein 34-58, Spaarstraat 160-166, Weerstandlaan 7 (Leuven)
Status (deels) bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen

Juridische gevolgen

Beschrijving

Sociale woonwijk Casablanca kwam tot stand tijdens de jaren 1950 in opdracht van sociale huisvestingsmaatschappij Heuvelhof (heden Dijledal), naar ontwerpplannen van architecten Léon Stynen en Paul De Meyer. De wijk werd in eerste instantie Heuvelhof genoemd, maar aangezien reeds twee wijken in Kessel-Lo dezelfde naam hadden, wijzigde naam naar Wijk Koning Albertlaan en later Wijk Casablanca, genoemd naar het specifieke karakter van de witgeschilderde woningen. Ze vormt een mijlpaal in de geschiedenis van de naoorlogse sociale woningbouw en een opmerkelijk voorbeeld van een parkwijk met modernistische laag- en hoogbouw, een openbaar plein en collectieve voorzieningen. De 196 wooneenheden zijn opgevat als gekoppelde woningen in strokenbouw en appartementen in woonblokken.

Context en bouwgeschiedenis

De uitbouw van de wijk Casablanca kaderde binnen de naoorlogse stedenbouwkundige ontwikkeling van Kessel-Lo geleid door Victor Bourgeois. Het Bijzonder Plan van Aanleg 9 (Sportplein en omgeving) van 1954 stelde het kader voor de realisatie van de wijk, die als kern voor de verdere uitbouw van de gemeente werd beschouwd en waarbij het Prins-Regentplein voorzien werd als gemeenschapscentrum. Volgens literatuur werd het ontwerp voor de wijk toegekend aan architect Léon Stynen door middel van een nationale wedstrijd. De exacte inplanting van de wijk werd pas dan bepaald. De plannen voor de wijk werden reeds vanaf circa 1950 opgemaakt door Léon Stynen en Paul De Meyer in opdracht van de in 1938 opgerichte samenwerkende bouwmaatschappij Heuvelhof. Op het Bijzonder Plan van Aanleg van 1953 werden behalve de effectief als eerste bouwfase uitgevoerde gekoppelde eengezins- en duplexwoningen, twee pleinen voorzien waarlangs dezelfde gekoppelde woningen zouden worden ingeplant. Het Prins-Regentplein werd op die plannen afgebeeld met twee stroken woningen, waarbij de noordelijke op hoek voorzien was van drie winkels (bakkerij, kruidenier en beenhouwerij). Opvallend is echter het plein dat voorzien was aan de Koning Albertlaan en waarrond 22 gekoppelde woningen waren geschikt. Hoogbouw was in die vroegste ontwerpfase dus niet voorzien. Ten noorden en noordoosten van de wijk waren op de plannen twee kinderspeelpleinen voorzien. In 1954 werd dit aanlegplan te noorden uitgebreid en werden woningen voorzien aan de ontworpen zijstraten van de Spaarstraat (Bijendreef en Waterleidingstraat) en aan de Weerstandlaan. Het is pas op het uiteindelijke liggingsplan van 1955 dat de galerijflatgebouwen waren voorzien aan het versmalde Prins-Regentplein en het andere plein werd voorzien voor de Koning Albertbuilding met 60 appartementen, schuin ingeplant ten opzichte van de Koning Albertlaan. Het idee van hoogbouw in het groen verdrong het principe van de tuinwijk en bood een grotere bewoningsdichtheid. Het toenmalig plan voorzag eveneens woningen ten oosten van het Prins-Regentplein.

De uiteindelijke realisatie gebeurde in verschillende fasen en naar ontwerp van meerdere architecten. Léon Stynen ontwierp in eerste instantie 49 woningen (met 55 wooneenheden) aan weerszijden van de Prins-Regentlaan en vervolgens 20 huizen langs de Spaarstraat. Beide bouwaanvragen werden vergund in 1954. Hij ontwierp vervolgens de twee appartementsgebouwen met samen 49 eenheden aan het Prins-Regentplein, vergund in 1955, en de Koning Albertbuilding (1956), waarvan de planindeling in het definitief ontwerp wijzigde tot 72 appartementen waarvan tien bejaardenwoningen. Oorspronkelijk was nog een tweede, gelijkaardig woonblok voorzien, parallel aan de Koning Albertbuilding en ingeplant op voldoende afstand in functie van bezonning (strokenbouw). Dit complex werd echter niet gebouwd. De geplande woningen aan de Waterleidingstraat en aan de hoek van deze straat met de Spaarstraat, werden ontworpen door de lokale architect L. Hublé, terwijl de uitbreiding ten oosten van het Prins-Regentplein en de Weerstandlaan werd ontworpen door architect Charles Boghemans. Deze woningen wijken met hun traditionalistische vormgeving af van het modernistische idioom van Stynen. Casablanca werd omstreeks 1959 vervolledigd met een kleuterschooltje naar ontwerp van Stynen, gelegen ten zuiden van de wijk (Ortolanenstraat nummer 2). Centraal in de wijk bevindt zich ook een buurtlokaal (Weerstandlaan nummer 7), waarvan de vormgeving aansluit bij de bouwfasen van Stynen, maar het exacte bouwjaar onbekend is. De twee hoekhuizen van de Prins-Regentlaan en Willem Coosemansstraat, zogenaamd de Trein en de Toren (respectievelijk twee en drie appartementen), werden in 1996 gebouwd door de sociale huisvestingsmaatschappij binnen het oorspronkelijke aanlegplan.

Binnen het oeuvre van Léon Stynen is wijk Casablanca een unicum. Stynen, één van de meest bekende modernistische architecten in België, was lid van CIAM (Congrès Internationale d’Architecture Moderne). Hij was een van de pleitbezorgers van de industriële esthetiek en industrialisatie van de sociale woningbouw in die periode, en was ook sterk begaan met de sociale opdracht van de architectuur. Binnen zijn veelzijdig en uitgebreid oeuvre zijn slechts twee sociale woonwijken gekend van zijn hand, in samenwerking met Paul De Meyer, namelijk deze in Kessel-Lo en de gelijktijdige wijk De Vallaer in Wilrijk. Wijk Casablanca sluit aan bij het principe van mixed development en het CIAM-gedachtegoed, namelijk gekenmerkt door een gemengde ontwikkeling van laag- en hoogbouw met de Koning Albertbuilding als een monumentaal, verticaal landmark, gelegen in het groen. De eengezins- en duplexwoningen zijn geschakeld in rijen en ingeplant volgens het modernistisch principe van de strokenbouw. Behalve het hoogbouw woonblok, werden aan het Prins-Regentplein twee galerijflatgebouwen in middelhoogbouw ingeplant. De variatie in types eengezinswoningen, duplexwoningen en appartementen creëerde woongelegenheid voor diverse gezinssamenstellingen. Casablanca is eveneens een exponent van de idee van Le Corbusier dat een wijk als een organische gemeenschap moest kunnen functioneren en eigen winkels en voorzieningen hebben. De wijk beschikt immers over een gemeenschapscentrum aan het openbaar plein, voorzien van winkels en een speelplein. Ook vormelijk neemt het ontwerp – voornamelijk dat van de Koning Albertbuilding – principes over van Le Corbusier, zoals het gebruik van pilotis.

Beschrijving en typering

Algemene aanleg

Wijk Casablanca wordt gekenmerkt door een opvallende rationale, modernistische inplantingswijze, in lijn van de ideeën van CIAM. De gemengde ontwikkeling met hoogbouw in een open parkaanleg, middelhoogbouw gelegen aan een openbaar plein en laagbouwwoningen met private tuinen, wordt gekenmerkt door een grote stedenbouwkundige samenhang en ontwerpkwaliteit. Het aanlegplan is erg vooruitstrevend voor de bouwperiode en is een modelvoorbeeld op het vlak van een weloverwogen ordelijke planning. Kenmerkend voor de wijk is ook de strikte scheiding van verkeer, namelijk met een rechtlijnig stratenpatroon voor gemotoriseerd verkeer en voetgangerspaden tussen de woningvolumes. De wijk bezit eveneens een groen karakter, bepaald door open voortuinstroken bij de eengezinswoningen doorlopend in publieke groenzones, private omhaagde achtertuinen, de groenzone aan het buurtlokaal en de parkaanleg rond de Koning Albertbuilding, voorzien van een speeltuintje.

De algemene aanleg is verstoord door de toevoeging van garages tussen de rijen eengezinswoningen en door de heraanleg van het volledige openbaar domein (straten, pleinen en groenzones). De renovatie gebeurde omstreeks 1999 onder leiding van architectenbureau A33, waarbij de wegenisaanleg werd ontworpen in samenwerking met het ingenieursbureau Marcel Lavreysen en de buitenaanleg werd verzorgd door ontwerpbureau Pauwels. Er werd vooral gestreefd naar een duidelijke zonering van de functies en het karakter van de buitenruimte (privaat, semipubliek en openbaar). Het Prins-Regentplein, reeds bij aanvang bedoeld als speelplein is heden heraangelegd met een lager gelegen basketbalterrein. Ook de groenaanleg is volledig vernieuwd, met toevoeging van bomenclusters, bomenrijen, struiken,… Oorspronkelijk werd de toegang tot de wijk aan de hoek van de Prins-Regentlaan met de Willem Coosemansstraat gevormd door twee open graszones. Deze werden echter later bebouwd met twee kleinschalige appartementsgebouwen.

Op de hoek van de Prins-Regentlaan met het Prins-Regentplein is een strak vormgegeven wegkapelletje ingeplant, eenvormig met de woningen wit geschilderd.

Architectuur
Eengezins- en duplexwoningen

De 69 koppelwoningen in de wijk zijn hoofdzakelijk per vier eenheden gekoppeld en ingeplant volgens het modernistisch principe van strokenbouw, waarbij vaak meerdere rijen met een gelijke oriëntatie, parallel aan elkaar zijn ingeplant, haaks ten opzichte van de hoofdassen. Op architecturaal vlak vertonen de woonvolumes een sterke uniformiteit in uitwerking, stijl en materialiteit. De variatie ligt enkel in de aanwezige types die voornamelijk verschillen in grootte en onderling gekoppeld worden, zodat er gevarieerde rijen ontstaan met een combinatie van eengezins- en duplexwoningen. De woningen vertonen een uitgesproken modernistisch, kubistisch karakter, exemplarisch voor de industriële esthetiek. Eenvormige bakstenen woningen van twee bouwlagen, voorzien van een dematerialiserende witte beschildering, onder vlinderdaken. Uitspringende zijgevels sluiten de rijen af. De voorgevels worden sterk geleed door geprefabriceerde betonnen lateien en bakstenen pijlers (horizontaal en verticaal), waardoor de gevelvlakken gevat worden in uitspringende kaders. Zo ontstaat een modulair gevelbeeld, waarin de muuropeningen en oorspronkelijk ook claustra’s, uitgewerkt als betonnen panelen geopend met rijen cirkelvormige glasdallen, afhankelijk van de planindeling van de woning gesitueerd werden. De claustra’s vormden karakteristieke elementen, maar werden bij renovatie verwijderd en vervangen door ramen (voorzien van referenties naar de cirkelvormige glasdallen) of gesloten muurvlakken. De duplexwoningen markeren zich in de rijen door betonnen balkons met ijzeren balustrade. Het schrijnwerk was volgens de bouwplannen voorzien als ramen met ijzeren chassis gevat in een betonnen omlijsting of met houten chassis, maar is heden volledig vernieuwd.

De architecturale types zijn identiek aan de woningen die Stynen en De Meyer gelijktijdig ontwierpen voor wijk De Vallaer in Wilrijk (Antwerpen). De eengezinswoningen zijn opgevat als afzonderlijke types voor vier (types 4A-4C), vijf (types 5A-5B) en zeven of acht personen (types 7A-7C). De types bezitten een gelijkaardige planindeling die enkel verschilt in grootte en de eventuele aanwezigheid van een extra slaapkamer. Het basisplan is een eengezinswoning met op de gelijkvloerse verdieping een inkomhal met toilet en traphal, de woonkamer en de keuken, en op de bovenverdieping drie slaapkamers en een badkamer. Aan de tuinzijde was een terras voorzien. De afgeleide types ontstaan wanneer de woningen op het uiteinde van een rij zijn geplaatst en gemarkeerd worden door een uitkragende zijgevel of eventueel worden uitgebreid met een uitbouw of bergplaats. De duplexwoningen zijn allemaal van hetzelfde type (2A3B) en beschikken over een tweepersoonsappartement op de gelijkvloerse verdieping en een appartement voor drie personen op de bovenverdieping. Deze appartementen beschikken over een keuken en woonkamer in open plan. Ook het interieurontwerp was weloverwogen. Zo ontwierpen Stynen en De Meyer onder meer de keukenkast.

De oorspronkelijke witgeschilderde bakstenen tuinbergingen, ontworpen door de architecten samen met een afsluitingsmuur van de achtertuin, voorzien van ijzeren poortje, werden vervangen door nieuwbouw. Dit gebeurde omstreeks 1996-1999 toen de woningen gerenoveerd werden door Architectenbureau A33 (architecten Ludo Bekker en Johan Cockelaere). De nieuwbouw contrasteerde met de oorspronkelijke bebouwing door haar materiaalgebruik, namelijk een donkergrijze baksteen ('casa negra'), gecombineerd met een cederhouten beplanking. Gelijktijdig werden ook de woningen grondig gerenoveerd, waarbij onder meer het buitenschrijnwerk, het sanitair en de technische installaties werden vervangen en sommige woningen aan de achterzijde werden uitgebreid met een nieuwbouw volume. In sommige woningen en appartementen werd de planindeling aangepast.

Galerijflatgebouwen

De twee appartementsgebouwen aan het Prins-Regentplein waren vermoedelijk oorspronkelijk relatief gelijk van uitzicht, namelijk galerijflatgebouwen van vier bouwlagen onder een plat dak. De planindeling verschilt echter wel. Het noordelijke woonblok beschikt over 29 appartementen, terwijl het ten oosten van het plein ingeplante gebouw over 20 duplexappartementen beschikt en vijf winkelruimtes op de gelijkvloerse verdieping met aansluitende appartementen. Het uitzicht van het noordelijk woonblok is door vernieuwing van het parement ingrijpend gewijzigd. Het oostelijk flatgebouw bewaart echter de typische materialiteit in wit geschilderd baksteenmetselwerk, aansluitend bij de rijbebouwing. Latere ingrepen aan de traphal en de gevelvlakken aan de zijde van de galerij laten zich opvallend onderscheiden door het gebruik van zichtbaar metselwerk. Twee gemarkeerde volumes, ingeplant tegen de zijgevel en de achtergevel, bevatten de verticale circulatie. De volumewerking van de pleingevel wordt bepaald door de uitspringende winkelruimtes op de begane grond, evenals de inpandige balkons op de eerste en derde verdieping. De structuur van de planindeling met duplexappartementen (maisonettes) is duidelijk afleesbaar op basis van de buitengevels en de compositie van rechthoekige vensterpartijen en gesloten gevelvlakken. De achtergevel wordt bepaald door twee, in het gevelvlak terugspringende galerijen, afgesloten met ijzeren balustrades en gesitueerd op de eerste en derde verdieping.

Het oostelijk flatgebouw onderging net als het andere galerijflatgebouw een renovatie volgens plannen van 1984 naar ontwerp van architect André Collaer. Het schrijnwerk van ramen en deuren werd quasi volledig vernieuwd. De oorspronkelijke zijgevels van de traphallen met golfplaten en metalen liggers, wijzigde tot glasdallen en nieuw metselwerk. De planindeling onderging echter slechts beperkte wijzigingen. Het complex beschikt volgens de bouwplannen op de begane grond over vijf winkels, telkens opgevat als een appartement met winkelruimte, garage, bergplaatsen, woonkamer, keuken, badkamer, toilet en twee slaapkamers. De appartementen hebben ook een kleine private tuin. De twintig duplexappartementen zijn evenredig verdeeld over de bovenverdiepingen, namelijk met toegang op de eerste of derde verdieping, en de nachtvertrekken op de tweede verdieping. Elke wooneenheid beschikt op galerijniveau over een leefruimte en inpandig balkon aan de pleinzijde, een keuken, toilet en kamer. Aan de galerij was er ook naast de toegangsdeur van elk appartement een bergplaats voorzien, die enkel toegankelijk was vanaf deze gang. Bij renovatie werd deze ruimte geïntegreerd bij het appartement. Het tussenverdiep was in twee gelijke helften verdeeld in functie van de nachtgedeelten van beide appartementen, en was per appartement voorzien van een badkamer, bergplaats en twee slaapkamers.

Sinds 2014 vatte de sociale huisvestingsmaatschappij de plannen op tot sloop van deze twee complexen en vervangbouw. De opdracht werd gegund aan Atelier M Architects+Planners, onder leiding van Jan Maenhout. Twee nieuwe volumes met samen 56 wooneenheden zullen uitgevoerd worden in witte baksteen, op een transparante sokkel, en zullen bestaan uit duplexwoningen bereikbaar via één passerelle en voorzien van een terras en leefruimte georiënteerd naar het plein. De uitvoering van de werken is gepland vanaf 2017-2019.

Koning Albertbuilding

Het woonblok in hoogbouw dat ten zuiden van de koppelwoningen werd ingeplant, werd ontworpen onder leiding van architect Paul De Meyer, maar duidelijk in samenwerking met Léon Stynen. Een voorontwerp van deze zogenaamde Koning Albertbuilding dateert van 1955 en vertoont een afwijkende vormgeving. Op dat moment werd een woonblok voorzien met 60 appartementen, waaronder 20 appartementen voor drie en 40 appartementen voor zes personen. Het gebouw was in dat eerste plan opgevat als een volume met vier bouwlagen (twee niveaus duplexappartementen) op pilotis. De westgevel zou heel expressief uitgewerkt worden met in het gevelvlak terugspringende vensterpartijen, geritmeerd door sterk uitkragende balkons en voorzien van een sculpturale buitentrap. De uitstraling van het gebouw zou worden versterkt met kleuraccenten. De toegang tot de appartementen was voorzien via binnenstraten, zodat de gevels volop geopend konden worden in functie van verlichting en verluchting. Latere studies toonden de afweging van de architecten tussen een klassieke opbouw en het volume op pilotis, dat slechts een beperkte meerkost betekende. Stynen verdedigde volop bij de huisvestingsmaatschappij het ontwerp met pilotis als een goede stedenbouwkundige oplossing. De vrije ruimte onder het gebouw kon immers benut worden als overdekte speelplaats en gemeenschappelijke tuin. Ook het voetgangersverkeer tussen de omliggende wijken bleef hierdoor gegarandeerd. Het definitieve ontwerp nam enkele aspecten over van het voorontwerp, waaronder de vrijgemaakte begane grond. Het plan evolueerde wel tot een monumentaler volume met een beperktere volumewerking. Naast het woonblok was een kleiner volume voorzien met kleine en grote bergruimtes.

De Koning Albertbuilding is geconcipieerd als een bescheiden, maar doordachte wooneenheid naar voorbeeld van Unité d’Habitation van Le Corbusier. Het volume werd oorspronkelijk bepaald door de pilotis en een opvallend brutalistische vormgeving (béton brut). Stynen en zijn medewerkers gebruikten vaak beton, enerzijds voor de draagstructuur van het gebouw, maar ook voor de afwerking, als gevelmateriaal en zelfs voor meubilair. In de optiek van het modernisme wilde Stynen het betonskelet in gevel en opbouw zo veel mogelijk zichtbaar laten. Hiermee plaatste Stynen zich in de stroming van het ‘brutalisme’, dat het beton als ‘bruut en naakt materiaal’ zichtbaar wilde laten. De aandacht voor polychromie die reeds in het voorontwerp van het woonblok aanwezig was, werd vermoedelijk ook toegepast in het definitieve ontwerp. Het dak van het woonblok had, in tegenstelling tot Unité d’Habitation, geen gebruiksfunctie als bijvoorbeeld terras.

Woonblok van twaalf traveeën en acht bouwlagen onder een plat dak, verheven boven de grond en rustend op pilotis. Het dak is afgelijnd met een balustrade. Het appartementsgebouw wordt aan de ene zijde geflankeerd door een gemarkeerd volume met inkom en traphal, en aan de andere zijgevel door een sculpturale buitentrap. Het complex had oorspronkelijk een brutalistische uitstraling gevormd door een zichtbare betonnen draagstructuur, ingevuld met geprefabriceerde betonpanelen. De gevel werd bij renovatie echter volledig ingepakt, waardoor de originele afwerking enkel bewaard is in de zijgevel van het volume met de circulatie. De gevels zijn relatief vlak uitgewerkt met grote vensterpartijen. Oorspronkelijk werd de oostgevel gekenmerkt door inspringende terrassen op de bovenverdiepingen van de duplexappartementen.

Het karakter van het woonblok is sterk aangetast door renovaties. Het meest opvallende aspect van het ontwerp, namelijk de pilotis, werd reeds in 1968 aangepast door een ingrijpende verbouwing waarbij vierentwintig garages werden gebouwd op de begane grond tussen de pilotis. Enkele jaren later werd dit aangevuld met een fietsenstalling en een werkplaats. Toen het gebouw begin jaren 1990 kampte met grote vochtproblemen en betonrot, werd overgegaan tot een ingrijpende renovatie naar ontwerp van architect Ludo Bekker (ontwerp 1992, uitvoering 1994-1995). De oorspronkelijke gevelafwerking verdween achter een gordijngevel van glas en aluminium, en de kopgevels werden voorzien van een isolerende bepleistering. De nieuwe vensters van de oostgevel creëerden een uniforme geleding, die de oorspronkelijke raamindeling volgt. De terrassen met hun hekwerk werden volledig afgesloten door vensters waardoor de volumewerking verloren ging. Vensterpartijen werden bijkomend geritmeerd door sandwichpanelen.

De renovatie had geen impact op de planindeling, waardoor deze in zijn oorspronkelijke staat is bewaard. De appartementen omvatten twee types namelijk kleine appartementen met twee slaapkamers en duplexappartementen (maisonettes) met drie slaapkamers. De appartementen worden volgens de bouwplannen ontsloten door een centrale gang, telkens op de oneven verdiepingen waardoor de duplexappartementen hun toegang hadden op de gelijkvloerse verdieping. De kleine appartementen bevonden zich aan de westzijde, telkens zes per verdieping, terwijl aan de oostzijde steeds twaalf duplexappartementen waren voorzien met een over de volledige breedte van het gebouw voorziene bovenverdieping. Elk duplexappartement beschikte op de bovenverdieping over een terras aan de oostzijde. Aan de westzijde was een vide voorzien boven de woonkamer, waardoor deze dubbelhoge ruimte met grote vensters werd verlicht.

Evaluatie

Parkwijk Casablanca is een modelvoorbeeld in de geschiedenis van de sociale huisvesting, zowel vanuit het toegepaste stedenbouwkundig en architecturaal model als door ontwerper Léon Stynen. Ze neemt een belangrijke rol in binnen de naoorlogse ontwikkeling van Kessel-Lo. De wijk is exemplarisch voor de industriële esthetiek en industrialisatie van de sociale woningbouw in die periode, alsook voor het brutalisme en hoogbouw naar model van CIAM en Le Corbusier. De wijk is echter anno 2014 ingrijpend gerenoveerd. Voornamelijk de Koning Albertbuilding is sterk aangetast door het toevoegen van een vliesgevel en het dicht bouwen van de voorheen open ruimte tussen de pilotis. Ook de renovatie van de eengezins- en duplexwoningen met vernieuwing van het schrijnwerk en de decoratieve betonpanelen, de heraanleg van het openbaar domein en groenaanleg, en de toevoeging van garages en uitbreidingen, is nefast. De geplande sloop van de galerijflatgebouwen, waarvan er één ingrijpend werd verbouwd, zal het karakter van de wijk verder aantasten. Desalniettemin is de erfgoedwaarde nog herkenbaar in het algemeen beeld van de architectuur en stedenbouwkundige inplanting.

Bepalende erfgoedelementen zijn:

  • De globale inplanting en de stedenbouwkundige aanleg als voorbeeld van mixed development (strokenbouw, galerijflatgebouwen met collectieve voorzieningen en hoogbouw in het groen) met scheiding van verkeer en voetgangers
  • Het witte beeld van de wijk, voornamelijk de wit geschilderde eengezins- en duplexwoningen
  • De uniformiteit in stijl en materialiteit van de eengezins- en duplexwoningen: kubistische esthetiek met karakteristieke geleding van de volumes (horizontaal en verticaal), in combinatie met typische elementen uit de jaren 1950, zoals de vlinderdaken
  • De bewaarde planindeling van het hoogbouw woonblok met duplexappartementen, evenals de kenmerkende indeling van de galerijflatgebouwen, waarvan één eveneens met duplexappartementen
  • Depot Vilvoorde van de Vlaamse overheid, Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, bouw- en renovatieplannen, 278.
  • Stadsarchief Leuven, bouwdossiers, 89/1954, 331/1954, 244/1955 en Koning Albertplein.
  • Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Dienst Onroerende Transacties, registratiefiches, SHM 2420, Kessel-Lo, Casablanca.
  • BEKAERT G. 1990: Léon Stynen. Een architect. Antwerpen 1899-1990, Antwerpen, 100-101.
  • BONTRIDDER A. 1979: Gevecht met de rede. Léon Stynen. Leven en werk, Antwerpen, 148-149.
  • HERREGODTS K. 2004: Casablanca te Leuven (Kessel-Lo), Rondom Wonen mei-juni, 6-8.
  • S.N. (1995): Heuvelhof 1967-1994, s.l, 8, 10.
  • STERCKX E. 2005-2006: Léon Stynen (1899-1990). De Koning Albertbuilding te Kessel-Lo (1956-1960). Een modernistisch sociale huisvestingsproject, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, 51-92.
  • VAN DEN BERGHE A. 1995: De rol van Victor Bourgeois in de urbanisatie van de gemeente Kessel-Lo van 1938 tot 1962, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, 60-86, platen 46, 47.

Bron: -

Auteurs: Van Herck, Karina & Verhelst, Julie

Datum tekst: 2016

Relaties

maakt deel uit van Kessel-Lo

Kessel-Lo (Leuven)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.