erfgoedobject

Spaanse citadel van Zoutleeuw

archeologisch geheel
ID: 302105   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302105

Juridische gevolgen

Beschrijving

Historisch overzicht

Inleiding

Toen Zoutleeuw onder Spaans bewind kwam, werd omstreeks 1667 besloten om de stadsmuren te vernieuwen en uit te breiden met een nieuwe wal om zo aan mogelijke aanvallen van de Fransen of Hollanders weerstand te kunnen bieden. Nog voor de voltooiing van deze werken, in 1670, werd beslist een extra fortificatie uit te bouwen in de vorm van een citadel. Voor de bouw van de citadel viel de keuze op de locatie van het klooster van de dalscholieren en de Sint-Sulpitiuskerk, omwille van de topografisch hoger gelegen ligging van deze site. De versterking bestond uit wallen, grachten en (half)bastions, gebouwd in aarde. De citadel vormde een dorp op zich. Het omvatte kazernes, een kerk, magazijnen, een bakkerij, barakken, stallen en een hoge batterij.

Studiebureau Antea Group analyseerde voor een evaluerend en waarderend onderzoek van de ‘Spaanse Citadel’ de beschikbare archeologische, historische, iconografische en cartografische bronnen. Het bureauonderzoek richtte zich op deelaspecten, zoals de evolutie van de Leeuwse stadsversterkingen, een focus op de citadel met de (vroeg)middeleeuwse ontwikkelingen en de oprichting van de citadel gekaderd in een ruimere historische context.

Vroegmiddeleeuwse ontwikkeling van Zoutleeuw

Eén van de oudste bewoningskernen van Zoutleeuw is gelegen ter hoogte van Ophem, waar volgens enkele 10de-eeuwse hagiografieën in de 7de eeuw een Sint-Sulpitiuskapel gebouwd werd. De prinsbisschop van Luik stelde deze heiligenlevens echter op binnen een politieke context. Wellicht wilden de bisschoppen van Luik in de 10de eeuw de controle over dit gebied claimen, wat ze onder meer deden via deze hagiografieën, maar eveneens door Zoutleeuw op te nemen in de parochiale en decanale structuur van het bisdom. Nieuw historisch onderzoek wijst eerder in de richting van de bisschoppen van Metz als oprichters van de kerk. Zij hadden tijdens de vroege middeleeuwen via de nabijgelegen Trudoabdij in Sint-Truiden belangen in de regio.

Het toponiem Ophem wordt verklaard als ‘een plaats op een hoogte liggend’, in tegenstelling tot het neerwaarts of stroomafwaarts gelegen Dalhem. Strikt genomen is er geen concreet bewijs dat de vermelde Sint-Sulpitiuskerk zich in Ophem bevond. Pas in de 13de eeuw wordt de kerk op deze locatie specifiek benoemd. Anderzijds zijn er evenmin argumenten om te stellen dat de kerk zou verplaatst zijn. Ongeveer gelijktijdig bevonden zich in de nabijheid drie andere evenwaardige bewoningskernen: Dalhem (met Sint-Leonarduskapel), Uithem (met Sint-Janskapel) en Kastel (met de 12de-eeuwse Castelbergh motte). Ophem, Dalhem en Uithem zijn vroegmiddeleeuwse plaatsnamen met een hem-suffix, wat duidt op een plaats bewoond door een groep van personen, met elkaar verbonden door een familie- of dienstverband. Het patrocinium Sint-Sulpitius verwijst naar de vroegmiddeleeuwse bisschop Sulpitius II Pius (ook de Goede of de Vrome) van Bourges (Frankrijk; † 647).

De volmiddeleeuwse ontwikkeling en aanleg van de eerste stadswal

Vanaf de volle middeleeuwen zijn er heel wat archivalische en literaire bronnen over Zoutleeuw ter beschikking. Dit is niet verrassend omdat de nederzetting een belangrijke schakel bleek in de geo- en handelspolitiek van de graven van Leuven en later de hertogen van Brabant tegen de prinsbisschop van Luik. Wellicht zijn het dan ook de graven van Leuven die opdracht gaven tot de bouw van de omwalling. Die eerste stadsomwalling dateert uit de periode 1100-1133 en beperkte zich tot de nederzetting van Dalhem. De aanleg van een omwalling omheen dit gehucht suggereert dat Dalhem aan het begin van de 12de eeuw al druk werd bewoond. Dalhem profiteerde mogelijk van een betere ligging aan de Kleine Gete en werd zo de kern van de latere stad Zoutleeuw. Door cartografisch onderzoek, op basis van de relicten van de wal die nog op de kaart van Deventer te zien zijn, konden de contouren van de stadsomwalling gereconstrueerd worden. Dat de eerste omwalling geen overbodige luxe was, blijkt onder meer uit het feit dat de gehuchten Ophem en Kastel in 1213 tijdens de Slag van Steps vernietigd werden door de prinsbisschop van Luik. Een oorkonde uit mei 1235 stelt expliciet dat de Sint-Leonarduskerk in Dalhem werd opgewaardeerd tot parochiekerk in 1231. Dit betekent dus dat er aanvankelijk een andere kerk stond in Zoutleeuw, die de functie van parochiekerk had (en de hoofdplaats was van een dekenij). Twee andere oorkonden uit 1235 stellen dat de Sint-Sulpitiuskerk de vroegere parochiekerk was. Aangezien het kerkgebouw in 1235 werd geschonken aan de dalscholieren - en de precieze ligging van het dalscholierenklooster door heel veel bronnen wordt bevestigd – is dit een affirmatie dat de Sint-Sulpitiuskerk ook voorheen in Ophem lag, op de plaats waar Jacob Van Deventer in 1560 het dalscholierenklooster heeft afgebeeld.

Tweede stadomwalling

De hertogen van Brabant kenden bepaalde vrijheden toe en verplichtten mensen de weg door Zoutleeuw te gebruiken om van Leuven naar Tienen te gaan. Ze lieten de haven aanleggen en de Kleine Gete bevaarbaar. Deze en andere maatregelen wierpen hun vruchten af. Tot het midden van de 14de eeuw floreerde de stad immers op alle vlakken: economisch, politiek, demografisch, bestuurlijk, religieus en stadsmorfologisch. Al deze factoren zorgden ervoor dat de omwonenden tot de stad aangetrokken werden. De interesse van de Brabantse hertogen daarentegen beperkte zich alleen tot het fiscale en territoriale voordeel van Zoutleeuw als pion op het politieke toneel.

De tweede stadsomwalling werd opgetrokken tussen 1330 en 1350. Deze keer was het stadsbestuur de opdrachtgever. De bouw van de tweede muur stond zo symbool voor de toenemende financiële macht van het stadsbestuur. Er heersten in die periode echter ook conflicten tussen de hertogen van Brabant en de omringende machtshebbers. Naast Zoutleeuw kregen ook andere belangrijke steden in de regio zoals Leuven, Brussel en Tienen een (tweede) omwalling in de 2de helft van de 14de eeuw.

Over de tweede stadsomwalling zijn meer gegevens beschikbaar door de toename aan historische bronnen, de weergave ervan op de kaart van Deventer, het archeologisch onderzoek dat delen van die omwalling blootlegde (o.a. de Kunkensepoort) en de integratie ervan in de derde stadsomwalling, waardoor delen nog zichtbaar zijn in het landschap. De buitenste omwalling, zoals te zien op de kaart van Deventer, was 3.000 meter lang en telde vijf poorten en twintig torens. De westelijke zijde van de eerste omwalling werd geïntegreerd. Uit archeologisch onderzoek in 1994-1996 bleek dat de basis en het parament uit natuursteen bestonden, terwijl de binnenzijde en opbouw uit baksteen waren opgetrokken. Er was een waterdragende gracht die aan de noordoostzijde werd ontdubbeld. De gracht was op sommige plaatsen wel 25 à 35 meter breed. Het omwalde gebied werd voornamelijk naar het oosten en het zuiden toe uitgebreid. De uitbreiding naar het zuiden toe kwam er op vraag van de dalscholieren. Over het uitzicht van dit kloosterdomein in de late middeleeuwen is niet veel geweten. Een aantal elementen werden aangehaald in het toponymisch onderzoek van Kempeneers:

  • De aanwezigheid van een wijngaard tussen de kloostergebouwen en de ommuring, wellicht op de zuidelijke flank;
  • Het kerkhof grenst aan de stadswal, de kerk en de straat;
  • Er zou een molen in de buurt gestaan hebben, op de ‘Stadsbeek’, de exacte locatie is onduidelijk;
  • De kloostergebouwen bevonden zich ten zuiden van de kerk.

De bewoning langs de Koepoortstraat nam toe. Met de aanleg van de tweede stadsomwalling verschoof ook de ‘Koeipoort’ ongeveer 275 meter naar het zuiden. Vanaf de 14de eeuw komt deze poort ook onder de naam ‘Dodenpoort’ voor in de historische bronnen. Volgens Kempeneers herinnert deze naam aan het feit dat de overleden Leeuwenaren langs deze weg werden weggedragen naar het kerkhof van Sint-Sulpitius. Vanuit toponymisch standpunt blijkt deze interpretatie waarschijnlijk. Het zou ook bevestigen dat de Sint-Sulpitiuskerk in de 14de eeuw niet alleen door de dalscholieren werd gebruikt. Vanaf de 15de eeuw was de economische bloeiperiode van Zoutleeuw voorbij. Concurrentie van laken uit Engeland zorgde voor de neergang van het Leeuwse laken. Die neergang werd versterkt door de opkomst van Tienen als handelscentrum toen de Grote Gete in 1525 tot in die stad bevaarbaar werd. Het resultaat is dat Zoutleeuw de aansluiting verloor met de andere Brabantse steden. Ook op demografisch vlak valt een daling op. Tijdens de godsdienstoorlogen en de Tachtigjarige Oorlog werd de stad enkele keren grondig vernield. Op militair-strategisch vlak won Zoutleeuw echter aan belang. Vanaf 1552 werd gestart met de gefaseerde uitbouw van de derde wal, waarbij de tweede stadsomwalling werd geïntegreerd en vergroot.

De citadelfase

In de 17de eeuw, onder Spaans bewind, kreeg de stad een uitgesproken militaire functie. Vanaf 1642 werden de deels vervallen vestingen hersteld en aangevuld met monumentale aarden versterkingen in de vorm van halve manen of hoornwerken. Dit was vooral indrukwekkend aan de oostelijke zijde waar de Sint-Truidensepoort werd versterkt met een barbacane en diverse voorwerken. Een belangrijk facet in de 17de-eeuwse verdedigingsstrategie werd namelijk gevormd door lager gelegen gebieden die in tijden van oorlog onder water gezet konden worden. Aan de (noord)oostelijke zijde van Zoutleeuw kon inundatie omwille van de topografie niet. De andere poorten werden eveneens versterkt met hoornwerken. De bestaande muren werden wellicht aangeaard. Naast de omwalling rond de stad vormde een netwerk van diverse schansen, sluizen en kanalen een belangrijk aspect van de verdedigingsgordel. De schansen dienden ter verdediging van die sluizen en waterwegen omdat de watertoevoer van essentieel belang was.

Na de snelle verovering van de vestingstad door de Fransen vanuit Maastricht in 1678 heeft ook de bekende Franse vestingbouwkundige Vauban zijn licht op de vesting geworpen. Door tijdsgebrek konden zijn ideeën echter niet worden uitgevoerd. Door de vrede van Nijmegen van 1678 kwam Zoutleeuw immers opnieuw in Spaanse handen. Toen de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) uitbrak, ging men werden de door Vauban voorgestelde verbeteringswerken opnieuw bestuderen. De Fransen lieten de vesting opnieuw in staat van verdediging brengen door de grachten uit te diepen en de borstweringen te verhogen. Vesting Zoutleeuw werd in deze periode geïntegreerd in ‘La ligne du Brabant’, een verdedigingslinie met als doel de Zuidelijke Nederlanden veilig te stellen tegen aanvallers uit het noorden en het oosten. Dit feit had tot gevolg dat Franse militaire ingenieurs plannen maakten voor de verdere uitbreiding en verbetering van de vesting. Zo werden bijkomende ravelijnen, bastions, wapenplaatsen en tal van voorwerken gepland. Deze werden evenwel niet uitgevoerd. Aan de Sint-Truidensepoort werd in 1703 wel een grote halve maan toegevoegd. Deze halve maan was zelf beschermd door een voorliggende natte gracht met op het voorterrein twee wapenplaatsen. In 1705 valt Zoutleeuw in de handen van de geallieerde aanvoerder hertog van Marlborough (1650-1722).

Een aangepaste stadswal volstond niet als verdediging tegen een artillerieaanval en daarom besliste de Spaanse bewindvoerder tot de oprichting van een imposant aarden bolwerk. In 1670 werd Ophem onteigend en startte de bouw van de citadel naar de plannen van de militaire ingenieurs Salomon van Es en Antoine van Marck. Onder hun leiding ontstond een min of meer vijfhoekig bolwerk met een kroonwerk, een bastion, drie ravelijnen en een halfbastion. Dit alles werd beschermd door twee grachten en een brede contrescarp als eerste verdedigingswal. Enerzijds werd gebruik gemaakt van de aanwezige structuren van de tweede stadsomwalling. Anderzijds werd maximaal gebruik gemaakt van de landschappelijke elementen: de verhoogde positie van het kloosterareaal en de lager gelegen, drassige gebieden errond.

De hoofdwal aan westelijke zijde werd aangelegd ter hoogte van de middeleeuwse muur. De ingang bevond zich op de locatie van de middeleeuwse Koepoort. Ook de gracht werd gedeeltelijk geïncorporeerd, zij het wel aangepast en uitgebreid met voorwerken. Aan de zuidwestelijke en zuidelijke zijde werd het areaal uitgebreid, waardoor de voormalige stadsgracht binnen de hoofdwal kwam te liggen. Aan de stadzijde en de landerijen ten oosten ervan bestond de citadel uit een groot kroonwerk, een bastion met daarnaast aan weerszijden twee halfbastions die onderling verbonden waren door een courtine. Hier pikte de inplanting van de citadel weer aan bij de middeleeuwse relicten: resten van de muur vormden de verbinding tussen het bastion Sint-Andries en de eerste wal en verderop vielen de middeleeuwse en 17de-eeuwse gracht weer samen. Aan de veldzijde kwam een kleiner bastion en was voorzag men ook nog een halfbastion. Ter dekking van de courtines werden ravelijnen gebouwd, eilanden in de voorliggende gracht met telkens twee facen en een open keel. De wallen van de citadel werden net als de rest van de vesting in aarde opgebouwd. Vanuit de stad was de citadel bereikbaar door een opening in de nieuw aangelegde versterkingen. Via deze doorsteek zou men in de bedekte weg komen van de buitenste wal. Deze bedekte weg kon men volgen tot voorbij het halfbastion van Sint-Carolus om op een ravelijn te komen dat was aangelegd voor de toegangspoort. Tussen de ingangspoort en de flank van het halfbastion Sint-Philip lag een aarden onderwal, waarlangs men zich beschermd rond de citadel kon begeven aan de binnenzijde van de gracht. Via een coupure in de flankhoek van dat halfbastion kon men de binnenplaats achter het naastliggende bastion Sint-Louis bereiken. De steenweg zelf liep verder in de richting van Dormaal buiten de vesting, via een andere doorsteek in het glacis. De citadel moest op zichzelf kunnen bestaan wanneer het nodig was om effectief haar rol te kunnen vervullen als verdedigend én controlerend bolwerk. Daarom moesten alle voorzieningen aanwezig zijn. Zo had men een bakkerij, een watercisterne, een poedermagazijn, stapelplaatsen voor voldoende proviand, stallen en een gebouw dat dienst deed als huisvesting voor de gouverneur. Een ziekenboeg was er niet, hoewel het garnizoen beschikte over een aalmoezenier en een dokter. Op elk bastion van de citadel stond een barak, die dienst deed als kazerne voor de soldaten. De Sint-Sulpitiuskerk bleef functioneren, niet alleen als garnizoenskerk maar diende ook voor niet-militairen. De dalscholieren verzorgden er de diensten en begrafenissen. De versterking kon bij een belegering autonoom standhouden.

Net zoals de stad werd de citadel omgeven door een inundatiegebied, behalve in het oosten waar het terrein hoger lag. Langs die kant mocht het zicht niet belemmerd worden door hoge begroeiing. Net voor de buitenste gracht waren houten palen schuin in de grond gedreven om als eerste hindernis dienst te doen. Daarna volgde dan de buitenste gracht van circa 12 meter breed. Na de eerste gracht was het schuin oplopende glacis aangelegd waarop ook een palissade stond begroeid met doornen. Achter het glacis bevond zich de bedekte weg van ongeveer vier meter breed. Er waren schietbanketten aangebracht waarop de verdedigers zich konden opstellen om onder bescherming van de borstwering op de aanvallers te vuren. In de rug waren de soldaten op de bedekte weg gedekt door een palissade. Om de troepen op de bedekte weg te beschermen tegen zijdelings vuur, werden in de bedekte weg aarden traversen aangelegd. De bedekte weg werd als het ware onderbroken door aarden ophopingen waarin zijdelings vuur zou terechtkomen in plaats van de troepen over de volledige zijde van de bedekte weg te kunnen raken. Men kon deze aarden traversen passeren door chicanes in de bedekte weg. In de bedekte weg waren ook wapenplaatsen aangelegd, die toelieten dat manschappen er zich verzamelden om een uitbraak te forceren. De bedekte weg werd van de citadel gescheiden door de hoofdgracht van ook 12 m breed. Aan de vestingzijde van de hoofdgracht was net als aan de overkant van de gracht een rondweg aangelegd, afgebakend met een palissade. Die rondweg deed dienst om herstellingen te kunnen uitvoeren als de hoofdwal werd beschadigd. Ook zorgde de weg ervoor dat de aarde van de wal niet rechtstreeks in de gracht verdween bij beschietingen. Bovenop de wal stond het geschut opgesteld, achter een borstwering. Op sommige plaatsen waren schietopeningen in de borstwering voorzien. Waar deze schietgaten niet voorzien waren, moest men overbanks vuren. Het geschut stond op een houten ondergrond. Via grashellingen aan de binnenzijde van de wal kon het geschut op zijn plaats worden gebracht. Op de binnenplaats van de citadel was een ‘kat’ aangelegd, die dienst deed als verhoogde opstellingsplaats voor geschut. Vanop deze kat beheerste men het terrein voor de Sint-Truidense poort en de vier stukken die erop stonden opgesteld, werden ‘hoge batterij’ genoemd.

In het begin van de 18de eeuw waren door de Fransen tal van verbeteringswerken gepland, maar deze werden niet uitgevoerd. Er zijn in die periode wel enkele galerijen of kazematten in de citadel gebouwd zijn. Deze werden met aarde bedekt om ze aan het oog te onttrekken en als bescherming tegen inslagen.

Een contemporaine kaart is de ‘Spaanse Kaart’ uit de 17de eeuw. De kaart geeft bijna uitsluitend die aspecten weer die iets met de stadsomwalling te maken hebben, niet de interne structuur of gebouwen van de stad. Hetzelfde geldt voor de zone van de citadel. De samenstelling van de citadel wordt weergegeven, maar bouwwerken binnen de citadel worden niet afgebeeld. In het buitengebied worden de uitvalswegen van de stad en van de citadel, de waterlopen die de derde stadsomwalling voeden, evenals de schansen en bruggen afgebeeld. In de zone van de citadel staan een muur (in een gracht in het noordoosten), een ronde toren (samen met een gracht, in het zuidelijk deel van het binnenplein van de citadel) en een poortgebouw (in het westen) weergegeven. Vanaf dit poortgebouw leidt een weg over de wallen via de Koepoortstraat naar de binnenstad.

In vergelijking met de Spaanse Kaart-1670 geeft de kaart ‘Belegering van de vestinge Leeuwe’ uit 1705 iets meer detail, maar nog wel zeer schetsmatig weergegeven. Van de stad zelf wordt de derde stadsomwalling weergegeven. De Kleine Gete en de bebouwde zones in de stad zijn zeer schematisch weergegeven. Hetzelfde geldt voor de zone van de citadel. Op het binnenplein van de citadel worden verschillende gebouwen, waaronder de Sint-Sulpitiuskerk, afgebeeld. Op basis van de iconografische vergelijkingen lijken de gebouwen in natuur-en/of baksteen opgetrokken. De gebouwen die in de legende als ‘barakken’ staan beschreven, werden uit hout gemaakt. De kat staat duidelijk ingetekend op de kaart. Op de westelijke wallen loopt een weg via de Koepoortstraat naar de binnenstad. In het buitengebied zijn schansen, wegen en waterlopen te herkennen. Opmerkelijk is ook dat op deze kaart aardwerken zijn getekend die aangelegd waren in het kader van de belegering van Zoutleeuw in 1705.

Na de Oostenrijkse successieoorlog (1740-1748) kwam er een einde aan het strategische belang van Zoutleeuw. Het garnizoen werd teruggetrokken en vanaf 1748-1749 startte de afbraak van de Sint-Sulpitiuskerk en de militaire gebouwen in de citadel. Dat geldt trouwens voor de volledige stadsversterking. De situatie zoals afgebeeld op de Kabinetskaart van graaf de Ferraris (1771-1777) illustreert de situatie net voor de egalisering. In 1781-1782 werd het bolwerk voor afbraak verkocht en gedeeltelijk genivelleerd. Op het einde van de 18de eeuw werden de percelen van en rondom de citadel omschreven als ‘gersinge’ ofwel grasland. Op het primitief kadaster uit 1828 blijken nog geen grote perceelsveranderingen opgetreden. De westelijk gelegen gracht is nog de enige waterdragende structuur die herinnert aan de citadel/derde stadsomwalling. Over deze gracht is de Koepoortstraat doorgetrokken, en komt vanaf die periode dus overeen met zijn huidige ligging. De contouren van de citadel laten zich nog duidelijk aflezen in de percelering. Vanaf medio 19de eeuw komt de site onder grotere druk te staan door de stedelijke expansie. Bij de aanleg van twee nieuwe straten, de Stationsstraat/Zoutleeuwse Steenweg en de Nieuwstraat, en de bebouwing daarlangs die spoedig volgde, ging het noordoostelijk deel van de citadel nagenoeg volledig verloren. Restanten van de omwallingen werden geïntegreerd bij de creatie van de toen veelvuldig aangelegde landschappelijke tuinen.

In 1876–1878 werd de spoorlijn Tienen-Tongeren aangelegd. De bedding doorsneed de citadel van oost naar west tot ca. 8 m diep. Bij de werken zouden talrijke menselijke beenderen aangetroffen zijn, vermoedelijk van het oude Sint-Sulpitiuskerkhof. Verdere vernielingen volgden door het afgraven en egaliseren van het noordwestelijk deel. De impact die deze infrastructuurwerken hadden op de citadel, wordt geïllustreerd op de topografische kaart uit 1933. Op de kaart zijn hoogtelijnen ingetekend, in tegenstelling tot de meeste oudere historische kaarten. Voor de top van de bolwerken wordt een hoogte van 43 m aangegeven. In de percelen rond de kern van de citadel zijn weinig hoogtelijnen aangeven, wat er op lijkt te wijzen dat de grachten/wallen gedeeltelijk genivelleerd waren. Ook in de westelijk gelegen percelen lijken nauwelijks relicten bewaard.

Deze situatie bleef grotendeels dezelfde tot na de Tweede Wereldoorlog. Wel nam de bewoning gradueel toe ten noorden en oosten van de bolwerken. Mondelinge bronnen getuigen van een aantal ‘onderaardse bakstenen gangen’, onder meer toegankelijk via het talud van de spoorweg, die tot in de Tweede Wereldoorlog nog gebruikt werden voor de opslag van bieten en als schuilplaats. Deze werden na de oorlog gedicht uit veiligheidsoverwegingen. Op de zuidelijk gelegen percelen zou zich een boomgaard bevonden hebben.

In 1976 werd de sporthal ‘ter Wallen’ langs de Stationsstraat gebouwd. Het voetbalveld was al vóór 1962 aangelegd. Hierbij werd een gedeelte van de voorwerken genivelleerd. Bij graafwerken in 1980 achter het rustoord van de grauwzusters (nu Sint-Elisabethrusthuis) kwamen ‘onderaardse gangen’ in de wallen van de citadel vrij, die toegang verschaften tot de opslagruimten en bastions van de citadel. Deze resten werden niet archeologisch geregistreerd. In 1982 werden bij de aanleg van de tuin van het rusthuis skeletresten in situ aangetroffen. Bouwresten van de kerk werden toen niet waargenomen Op basis van de informatie aangereikt door de huidige directie van het rusthuis en omwoners zou de top van de site inderdaad afgegraven zijn, maar de grond voor een groot deel verplaatst zijn naar de westelijke helling. Latere verstoringen gebeurden door de bouw van enkele huizen langs de Stationsstraat en de bouw van het Sint-Leonardusinstituut in de Bethaniastraat ter hoogte van de voorwerken. De aanleg van een Aquafintracé in de jaren 1980 werd opgevolgd door de Katholieke Universiteit Leuven. Recente aanleg van andere nutsleidingen door de site, onder meer parallel lopende met de Koepoortstraat, gebeurde echter zonder archeologische opvolging.

In het noorden van de citadelzone zijn de reliëfverschillen uitgevlakt door de expansie van de stad. De driehoekige tip in de Bethaniastraat en de parallel lopende beek herinneren aan de voorwerken van de citadel. Het geknikte lijntracé in de noordwestelijke hoek komt overeen met het eerste stuk van het Walstraatje. In de weilanden die zich direct ten zuiden en westen van dit pad bevinden, zijn duidelijke reliëfverschillen op te merken. Een langgerekte depressie loopt van noordwest naar zuidoost, kruist de Koepoortstraat, en loopt nog even door tot aan de IJzerenweg. Dit relict kan in verband gebracht worden met de tweede stadsomwalling. Dit grachttracé lijkt plaatselijk doorbroken. Parallel met het tweede stuk van het Walstraatje en eveneens aansluitend aan de Koepoortstraat loopt ook een depressie. Dit relict is een onderdeel van de derde stadsomwalling en citadel, meer bepaald van de buitengracht die zich daar bevond. De percelen die zich ten westen van de Koepoortstraat bevinden, langs beide zijden van de IJzerenweg, liggen hoger. Ze werden in de tweede helft van de 20ste eeuw opgehoogd. Ten zuiden van de IJzerenweg zijn de reliëfverschillen zeer uitgesproken. Hier kunnen de wallen en grachten duidelijk afgelezen worden, met uitzondering van de zone waar zich nu voetbalvelden bevinden. Ook voor het areaal dat overeenkomt met het centrum van de citadel zijn er uitgesproken reliëfverschillen. In het centrum, naast de omwalling, is een driehoekige hoogte te herkennen. De westzijde daarvan wordt wellicht gevormd door de muur van de tweede stadsomwalling, terwijl de depressie aan de zuidzijde de voormalige stadsgracht vertegenwoordigt. Ten noorden van de IJzerenweg situeert zich weliswaar een hoger gelegen gedeelte, maar uitgesproken verschillen die gelinkt kunnen worden aan historische of archeologische gegevens ontbreken. Het betreft hier duidelijk een geaccidenteerd terrein. Dat geldt eveneens voor de zone ten oosten, grenzend aan de Stationsstraat, waar de bebouwing en aanleg van tuinen schade hebben aangericht.

Vesting Zoutleeuw werd relatief laat in de ontwikkeling van het Oud-Nederlands stelsel aangelegd. De werken aan de citadel startten in 1670. Al in 1672 zorgde de snelle Franse opmars in de Nederlanden ervoor dat de bestaande kritieken op het Oud-Nederlands systeem luider klonken en aanleiding gaven tot een aangepaste versie van het gangbare systeem en de implementatie van het Nieuw-Nederlands verdedigingsstelsel met vooral grotere bastions en gebogen flanken om meer geschut te kunnen opstellen. Een bijkomend punt van kritiek was dat te strak werd vastgehouden aan een zuiver meetkundige opzet. Voor de citadel van Zoutleeuw kon deze kritiek allerminst gelden, want de plannen ervan tonen duidelijk aan dat men zich hier had laten leiden door het terrein en bestaande verdedigingsstructuren met als gevolg dat de citadel een onregelmatige polygoonvorm kreeg.

Voor woonkernen betekenden deze gebastioneerde versterkingen een keurslijf. De groei van een stad werd erdoor geremd. Van zodra de vestingwerken geen militair nut meer hadden, was er een vrij algemene vraag naar afbraak van deze bolwerken. In 1781-1782 beval Jozef II (1741-1790) de ontmanteling van de verdedigingsstructuren, op enkele uitzonderingen na. Zo ook in Zoutleeuw. Gelukkigerwijs was de industriële en demografische groei van Zoutleeuw nooit groot genoeg om tot de volledige ontmanteling van de stadsversterkingen over te gaan en bleven de ondergrondse resten van de citadel gespaard van stedelijke expansie.

Beschrijving

Landschappelijke context

De stad Zoutleeuw, ongeveer 60 kilometer ten oosten van Brussel, behoort tot de provincie Vlaams-Brabant, arrondissement Leuven, en grenst in het oosten aan de provincie Limburg. Zoutleeuw is vandaag een kleine stad met zeven kernen of gehuchten gelegen tussen Sint-Truiden en Tienen. De stad ligt op de grens van het Hageland, Vochtig en Droog Haspengouw. De Kleine Gete die door Zoutleeuw loopt, vormt de fysieke grens tussen het Hageland in het westen en Haspengouw in het oosten.

De archeologische zone staat op de bodemkaart voor een groot deel gekarteerd als ‘opgehoogde gronden’. Dit is niet onlogisch doordat de wallen van de citadel zich hier bevonden. De westelijke rand ligt in een venig gebied en maakt deel uit van de holocene opvulling van de Kleine Getevallei. Centraal bevindt zich een noord/noordoost-zuid/zuidwest georiënteerde hoogte, die opgebouwd is uit een opeenvolging van zandige en kleiige lagen. Deze sedimenten zijn zowel aan de hand van het proefputtenonderzoek, de boringen als het geofysisch onderzoek gedocumenteerd. Bij gebrek aan een goed referentiekader, kunnen deze sedimenten niet met zekerheid benoemd worden. Op basis van de opbouw en hoogte kan het om pleistocene, alluviale sedimenten gaan. Bovenop dit kleiig en zandig materiaal is tijdens de laatste ijstijd leem afgezet. De dikte van het leempakket varieert sterk en bereikt een maximale dikte ter hoogte van de latere locatie van de citadel. Oorspronkelijk was deze natuurlijke hoogte nog meer uitgesproken, maar het colluvium wijst erop dat erosie optrad, wellicht voor het ontstaan van permanente bewoning op de site. Ook ten oosten is het quartaire, lemige pakket dunner en het reliëf gevoelig lager gelegen.

Beschrijving van het archeologisch waarderingsonderzoek

Het veldonderzoek van Antea Group concentreerde zich op de zone van de Spaanse Citadel. De archeologische relicten werden er onderzocht aan de hand van een visuele inspectie, een booronderzoek, metaaldetectie, geofysisch onderzoek en een proefputtenonderzoek. In de loop van het onderzoek werd in functie van de resultaten en betredingstoestemmingen geopteerd om het luik metaaldetectie in beperkte mate uit te voeren ten voordele van het geofysisch luik. Ook het aantal geplaatste boringen werd verhoogd. De resultaten van dit onderzoek worden geclusterd per perceel.

  • Perceel 277E komt overeen met het tracé van de tweede stadsomwalling. Parallel met het wandelpad, op de scheiding met perceel 174k, dagzoomt een bakstenen muur die wellicht een restant is van de middeleeuwse omwalling. De muur was op het moment van de terreincontrole overwoekerd. Losse stukken baksteen wijzen erop dat de muur in slechte staat is. Verderop vertoont het voetpad een knik (perceel 277f), het resultaat van de herinrichting van het terrein in het kader van de derde stadsomwalling. Het pad ligt ook hier hoger dan de terreinen aan beide zijden ervan.
  • Percelen 174D-147M: Boringen en geofysisch onderzoek situeerden hier de middeleeuwse muur. Een gracht werd niet opgemerkt, maar mogelijk heeft dit te maken met de zwakke verschillen tussen de natuurlijke venige ondergrond en de verveende grachten. Wat de citadelfase betreft, valt op dat de punt van het voorwerk wellicht meer naar het noorden gepositioneerd was. De wallen werden gemeten, de gracht slechts lokaal. Tot slot zijn er nog op 2 locaties aanwijzingen voor gebouwen aangetroffen.
  • Percelen 34t12 en 34/2B: De zone waar de Sint-Sulpitiuskerk wordt gesitueerd, is voor een groot deel geaccidenteerd. Dit gebeurde door nivelleringswerken in de jaren ’80 van de 20ste eeuw aan de achterzijde van het rusthuis, evenals door de aanleg van de spoorweg. Ook de restanten van de citadel werden gedeeltelijk genivelleerd. Het noordelijk gedeelte van perceel 34t12 is bebost en komt overeen met de locatie van één van de bastions. Omwille van de dichte begroeiing was dit gedeelte niet bereikbaar. Vanaf de randen zijn wel nog duidelijke reliëfverschillen merkbaar zowel vanuit de tuin van het rusthuis als aan de andere kant, aan de achterzijde van het Sint-Leonardusinstituut. De boringen uitgevoerd op dit perceel geven een sterk geroerd profiel aan. De top werd steeds gekenmerkt door een sterk humeuze, geroerde laag met kalkmortel en botfragmenten. Op een aantal locaties werd baksteen aangetroffen en diende de boring gestaakt te worden. Het kleinschalige proefputtenonderzoek bevestigde dat de site op deze locatie sterk verstoord is. Langs het talud werd een dik pakket colluvium aangetroffen. Dit colluvium werd afgezet vóór de middeleeuwse bewoning en wijst erop dat de oorspronkelijke top van de heuvel hoger lag. Deze lemige sedimenten situeren zich direct bovenop een sequentie met afwisselend klei en zand met een sterk erosieve top.
  • Perceel 21K-21X: In de noordelijke hoek tussen de Koepoortstraat en de IJzerenweg is een duidelijke depressie die herinnert aan de tweede stadsomwalling. Vervolgens loopt het terrein omhoog, maar kan geen onderscheid gemaakt worden tussen afzonderlijke wallen of structuren. Geofysisch onderzoek laat duidelijk een aantal structuren zien. De langgerekte, min of meer noord-zuid georiënteerde lineaire structuur wordt geïnterpreteerd als de voormalige stadsmuur. De middeleeuwse Koepoort werd gelokaliseerd. Contemporaine kaarten van de citadel plaatsen ter hoogte van deze locatie de toegang tot de citadel. Uit de metingen en het booronderzoek blijkt dat er nog omvangrijke ondergrondse resten bewaard zijn. Interessant is dat ten oosten van de mogelijke stadsmuur nog meer structuren aan het licht komen. Een grote dubbele V-vorm valt op, maar de interpretatie ervan is niet eenduidig. Mogelijk staat dit in verband met de infrastructuur zichtbaar op de kaart van Deventer.
  • Perceel 21L: Op basis van informatie aangereikt door de Vrienden van Zoutleeuw en de eigenaar, zou hier afval gestort zijn in het verleden. Het terreinonderzoek kan dit niet bevestigen.
  • Perceel 21D: De boringen situeerden de walgracht en de middeleeuwse muur. De aanwezigheid van een begraven A-horizont kan misschien gelinkt worden aan het middeleeuwse loopniveau. Het proefputonderzoek toonde aan dat gracht en wal bewaard zijn, weliswaar sterk geërodeerd. De grachten zouden een geleidelijke opvulling gekend hebben en moeten tot in de 19de - vroege 20ste eeuw zichtbaar geweest zijn in het landschap. Het materiaal dat uit de grachten gegraven werd, werd gebruikt voor de aanleg van de wallen. Op basis van een grondbalansstudie wordt aangenomen dat dit voor de voorwerken het geval was. Echter voor de hoofdwal zou dit mogelijk niet opgaan. De grondbalans geeft aan dat hiervoor extra materiaal werd aangevoerd.
  • Percelen 21M-34E10-34D10: Ten zuiden van de IJzerenweg zijn de hoogteverschillen het best zichtbaar. Zowel de contouren van de hoofdwal, als de opeenvolging van gracht/wal/gracht blijken zichtbaar. De grachten zijn momenteel niet meer waterdragend. Op perceel 21m zijn sprekende reliëfverschillen te zien. Aan de zuidelijke zijde is een hoogte op te merken. Halfweg de helling dagzoomt een muur, aan de binnenzijde opgebouwd uit natuursteen en aan de buitenzijde met baksteen. Wellicht betreft het hier een restant van de tweede stadsomwalling. In welke mate de helling nog overeenkomt met het oorspronkelijke reliëf, dan wel opgehoogd of afgegraven werd, is niet duidelijk. De depressie die in een bocht door het terrein loopt herinnert aan de gracht van de tweede stadsomwalling. Aan de zuidzijde loopt het terrein terug omhoog en kan duidelijk een bastion herkend worden. Het geofysisch onderzoek leverde muurresten binnen de citadel op, o.m. toe te wijzen aan gebouwen, maar een toewijzing aan de middeleeuwse of latere citadelfase is moeilijk.
  • Perceel 21P: De boringen toonden de opeenvolging van gracht/wal/gracht.
  • Percelen 37C en 38D: vage verschillen te merken zijn in begroeiing en reliëf.
  • Percelen 21B2-21P2-21S2: De zuidzijde van de citadel is nog nauwelijks herkenbaar in het landschap door de aanleg van de voetbalvelden. Enkel de helling van de hoofdwal is bewaard. Geofysische metingen suggereren een driehoekige structuur die in de weerstandsmeting werd bevestigd. Deze structuur komt goed overeen met de historische reconstructie uit de citadelfase.
  • Perceel 37R: Op dit perceel voerde agentschap Onroerend Erfgoed een extra boring uit. Dit resulteerde in de vondst van één opgevulde gracht en de bevinding dat het terrein in het verleden gevoelig werd opgehoogd omwille van het drassige karakter.
Beschrijving van de archeologische zone

Uit het archeologisch waarderingsonderzoek blijkt de inhoudelijke waarde van de archeologische zone hoog te zijn. Het gehucht Ophem, met zowel de kerk, het klooster als de latere citadel ligt op een noord/noordoost-zuid/zuidwest georiënteerde hoogte. Wellicht speelde deze specifieke positie een rol bij de bouw van de eerste kapel of kerk op deze locatie. Mogelijk was dit aspect ook bepalend bij de keuze voor bewoning, hoewel het archeologisch onderzoek hiervoor geen bewijzen kon aanleveren. Vanaf 1230 werd de tweede stadsomwalling aangelegd en het klooster van de dalscholieren geïntegreerd. De verbinding tussen de Kunkensepoort en de buitenste Koepoort werd dwars door veengebied aangelegd. Hierdoor was de walgracht steeds waterdragend. Ten zuiden van het kloosterareaal werden de wal en muur doorgetrokken op de flank van de heuvel, doorheen de tong. De aanwezigheid van een zuidelijke helling binnen het kloosterdomein zorgde ervoor dat de dalscholieren er aan wijnbouw konden doen. De dominerende hoogte bleek een ideale positie voor de aanleg van de citadel, die niet alleen ter defensie van de stad, maar eveneens als controle ervan werd opgeworpen. Het omwalde areaal werd in zuidelijke richting uitgebreid door de grachten naar het lager gelegen gebied te verschuiven.

De oppervlakte van de zone bedraagt circa 28 hectare en omvat:

  • Percelen 280A-278B-278K: Deze percelen zijn momenteel in gebruik als weiland. De kaart van Deventer toont langs de Kleine Gete een lage densiteit aan bewoning. Resten hiervan werden niet aangetroffen tijdens de werfbegeleiding bij de herinrichting van de Kleine Gete in 1994-1996, maar deze werfcontrole verliep onder weinig gunstige omstandigheden. Belangrijker nog is dat de Stadssluisbeek ten noorden van het weiland teruggaat tot de eerste stadsgracht en dit de enige open ruimte betreft die nog rest tussen de eerste en tweede omwalling. Gezien het feit dat deze percelen op de 18de-,19de- en 20ste-eeuwse kaarten steeds een rurale functie kenden, is de kans op de bewaring van erfgoedrelicten reëel.
  • Percelen 277E-277F-277C met het openbaar domein van het Walstraatje: Het tracé van het perceel 277e gaat terug op de tweede stadsomwalling. Langs het pad zijn nog muurresten bewaard, weliswaar ondergaan ze bovengronds negatieve gevolgen van begroeiing en weerselementen. Verder oostwaarts, vanaf de knik, volgt het Walstraatje het traject van de derde stadsomwalling. Omwille van de verhoogde ligging en rurale invulling langs beide zijden ervan, wordt de bewaringstoestand hoog ingeschat, hoewel op basis van het gevoerde onderzoek niet kan vastgesteld worden welke archeologische relicten nog effectief bewaard zijn.
  • Percelen 174D-174M-174G en Koepoortstraat: Door het booronderzoek en het geofysisch onderzoek werd duidelijk dat in deze zone de monumentale restanten van de versterkingen zeer goed bewaard zijn. Een deel van de muur van de tweede stadsomwalling werd weliswaar afgebroken voor de aanleg van de 17de-eeuwse versterking. De grachten werden volledig geïntegreerd. Het is niet duidelijk in hoeverre het onderhoud en de heraanleg van de versterkingen de middeleeuwse grachten hebben aangetast. Sinds de opgave van de citadel kenden deze percelen steeds een rurale invulling, afwisselend als weiland en bos. Langs de zuidelijke rand staan momenteel nog steeds bomen. Of er op dit perceel afval zou gestort zijn, kon niet bevestigd worden, noch door officiële instanties, noch aan de hand van het veldwerk. De aanleg van nutsleidingen, parallel met de Koepoortstraat en dwars over het terrein, hebben wel geleid tot een lokale verstoring.
  • Percelen 21K-21X: Op het terrein zijn nog duidelijke niveauverschillen aanwezig. De aanwezigheid van archeologische structuren o.a. de Koepoort, de tweede stadsgracht en -wal, componenten van de citadel, werd bevestigd door het booronderzoek, het geofysisch onderzoek en metaaldetectie. Bovendien blijkt uit het booronderzoek dat er zich op deze percelen nog een begraven A-horizont bevindt. Ook het geofysisch onderzoek wijst op de aanwezigheid van diverse structuren binnen de omwallingen. Het onderscheid tussen recente vergravingen en grondverzet dat gepaard gingen met de opwerping of afbraak van de citadel kon op basis van het booronderzoek niet gemaakt worden.
  • Perceel 34t12 (deel): De top en oostelijke flank van dit perceel werden sterk vergraven in de jaren ’80 van de 20ste eeuw. Daarvoor waren op het terrein nog wallen van de citadel aanwezig. Ook werden er menselijke begravingen aangetroffen, afkomstig van het kerkhof rond de Sint-Sulpitiuskerk. Het is onduidelijk of er nog skeletten in situ aanwezig zijn. Op basis van het booronderzoek werd vastgesteld dat langs zuidelijke zijde nog een sterk geroerde laag met botfragmenten aanwezig is, wat er mogelijk op wijst dat een deel van het kerkhof nog bewaard is. Recentelijk werd een verzakking vastgesteld op de oostelijke flank, in het tuingedeelte van het rusthuis. Deze verzakking werd veroorzaakt doordat een ‘ondergrondse gang’ instortte. Dit impliceert dat er onderaardse monumentale structuren, toebehorend tot de citadel, wel nog bewaard zijn. Hoewel in deze zone geen oude A-horizonten zijn aangetroffen, blijkt uit de boringen dat er zich op de oostelijke flank nog steeds een opgebracht pakket bevindt. Vermoedelijk dateert dit aangevoerd materiaal uit de citadelfase. Ook de noordelijke punt, het vroegere Sint-Andriesbastion, is nog duidelijk als verhoging in het landschap aanwezig. Omwille van de sterke begroeiing kon dit perceel niet grondig onderzocht worden. Maar op basis van de hoogtedata en het feit dat hierop in recente tijden geen vergravingen plaatsvonden, is de bewaring vermoedelijk goed. Samengevat: de bewaringstoestand op dit perceel varieert zeer sterk, waarbij vooral op de top de impact van de verstoringen groot is.
  • Percelen 34/2B-34/2C-34/2D-169T (deel) ofwel IJzerenweg: De impact van de aanleg van de voormalige spoorweg was groot op de site. Uit de secties blijkt dat de spoorweg tot diep doorheen de natuurlijke lagen snijdt. Echter, voor het westelijk gedeelte, ter hoogte van de kruising met de Koepoortstraat, blijkt dat de IJzerenweg hoger ligt dan het omringende landschap. De kans is groot dat de grachten op deze locatie nog intact bewaard zijn.
  • Percelen 21L-21D-21W: De bewaring op deze percelen varieert eveneens. Aan oostelijke zijde is de opeenvolging van hoofdwal/gracht /eerste wal nog goed bewaard. Booronderzoek maakte wel duidelijk dat de wallen geërodeerd zijn. Het centrale en westelijke gedeelte van het terrein zou in het verleden als stortplaats gebruikt zijn. Aan het oppervlak ligt centraal op de percelen duidelijk bouwafval. Ook het reliëf op het terrein illustreert dit. Naar de IJzerenweg toe valt op dat het terrein een vlakker reliëf vertoont, maar het booronderzoek heeft niet eenduidig kunnen aantonen of dit terrein werd genivelleerd dan wel opgevuld.
  • Perceel 21P: De alternatie wallen/grachten is duidelijk herkenbaar op dit terrein. Dit werd bevestigd door het boor- en proefputtenonderzoek. Men stelde eveneens vast dat de wallen geërodeerd zijn.
  • Perceel 21M: De hoogteverschillen op het terrein, evenals het dagzomen van muurresten, maakte bij aanvang van het onderzoek al duidelijk dat het potentieel van dit terrein hoog is. De reliëfverschillen konden via het historisch onderzoek duidelijk geïdentificeerd worden met, naast de resten van de citadel, ook restanten van de middeleeuwse muur en gracht. De goede bewaring van het archeologisch erfgoed werd bevestigd door de geofysische analyse. Dit perceel kent bovendien een hoge natuurwaarde. Er komt kattendoorn voor, een zeldzame plant die gebonden is aan kalkrijke bodems.
  • Perceel 34E10: De wallen op dit stuk perceel zijn gedeeltelijk afgegraven, wellicht naar aanleiding van de bouw van het woonhuis langs de Stationsstraat. Het grachttracé, dat binnenin de tweede stadsomwalling functioneerde, is nog duidelijk zichtbaar op het terrein. De archeologische relicten zijn op dit perceel matig goed bewaard.
  • Perceel 34D10: Dit terrein werd gedeeltelijk genivelleerd bij de bouw van het woonhuis. Wel ligt het niveau nog steeds gevoelig hoger dan de Stationsstraat, wat suggereert dat niet alles vergraven werd.
  • Perceel 34C10: Het terrein werd genivelleerd, zij het dat dit al gebeurde voor de 19de-eeuwse bewoning erop. Wel zijn nog duidelijke reliëfverschillen te zien.
  • Percelen 21B2-21P2-21N2-21R2-21S2-21T2-21T-21Z-21H2 en Stationsstraat ofwel de sporthal + hoofdvoetbalveld: voor de aanleg van de sporthal en het voetbalveld is het terrein genivelleerd. Het geofysisch onderzoek heeft duidelijk gemaakt dat de grachtstructuren nog duidelijk aanwezig zijn in de ondergrond. De percelen liggen hoger dan de omgeving – mogelijk wijzend op de bewaring/nivellering van de oorspronkelijke ophoging. Dit perceel heeft een matige bewaring.
  • Perceel 37R: Hier bevindt zich minstens één opgevulde gracht van de citadel.

Uit de cartografische analyse komt bovendien duidelijk naar voor dat er zich vroeger componenten van de citadel bevonden op een aantal percelen waar geen archeologisch waarderingsonderzoek plaatsvond. De contextwaarde van deze relicten is bijzonder groot, gezien hun associatie met de rest van de citadel. Het gaat over:

  • Percelen 174K (deel)-174L: Op deze percelen heeft het agentschap Onroerend Erfgoed via het Regionaal Landschap Zuid-Hageland in 2012 het vrijmaken van de stadsmuur betoelaagd. Tijdens het terreinbezoek werd vastgesteld dat de muur op de grens tussen 174k en 277e stond. Daarom is het logisch dat beide percelen worden opgenomen. Het gegeorefereerde kaartmateriaal toont tevens aan dat de tweede stadswal en -gracht hier gesitueerd kan worden.
  • Perceel 169N ofwel de gemeentelijke composteerweide voor bermmaaisel: het gegeorefereerd kaartmateriaal maakt duidelijk dat in deze zone bestanddelen van de Spaanse omwalling liggen. Het perceel werd echter in de 20ste eeuw een 3 à 4-tal m opgehoogd en veldwerk was op deze plaats niet mogelijk. Door de ophoging is de kans groot dat de archeologische restanten goed bewaard zijn gebleven.
  • Perceel 19 (deel): Omwille van de aanwezigheid van gewassen kon dit perceel niet onderzocht worden. Het historisch onderzoek maakte echter duidelijk dat de contouren van de citadel de perceelgrens tussen dit perceel en perceel 21p overschrijden.
  • Percelen 20Y2-20C3-129N (deel): Voor deze percelen werd geen betredingstoestemming verkregen. Op basis van het bureauonderzoek en de resultaten van de boringen op het aanpalende terrein wordt hier de grens van de citadel gesitueerd, evenals de aanwezigheid van een voedingskanaal. De voetbalvelden op deze percelen liggen gevoelig lager dan het terrein van de sporthal.
  • Percelen 37C-38D waar in het terrein nog vage verschillen te merken zijn in begroeiing en reliëf, hebben archeologisch potentieel. Het gegeorefereerd kaartmateriaal situeert overduidelijk hier de zuidoostelijke hoek van de citadel met het halfbastion Sint-Augustijn.
  • Percelen 36/2G-36/2H (deel) of spoorwegzate: onder de spoorwegberm is de kans dat de archeologische sporen van de citadel zijn afgedekt heel groot, aangezien de spoorweg in de tweede helft van de 19de eeuw werd opgehoogd.
  • Percelen 37P en 37/2B: Onder de bestaande woningen kunnen nog restanten zitten van de citadel.
  • Percelen 23H-23L-23K-24P-24R-24N-25K2 met de Bethaniastraat: De Bethaniastraat en de Bethaniagracht zijn een reminiscentie van de buitenste gracht van de citadel en onderdeel van de derde stadsomwalling. Het Sint-Leonardusinstituut zit geprangd tussen de Bethaniagracht en de talud van het Sint-Andriesbastion. De percelen waarop deze campus werd gehuisvest, maakten deel uit van het voorwerk van de citadel. Gelijkaardige vondstomstandigheden in binnen- en buitenland leverden monumentale restanten (wallen, grachten, bakstenen muren) op.

Bron     : Onroerend Erfgoed, digitaal beschermingsdossier 4.001/24130/102.1, Zoutleeuw: de Spaanse citadel.
Auteurs :  Jansen, Isabelle
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Spaanse citadel van Zoutleeuw [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302105 (Geraadpleegd op 18-10-2019)