Boxbergheide

inventaris bouwkundig erfgoed \ geheel \ plaats

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Genk
Deelgemeente Genk
Straat Turfstraat, Klotstraat, Landwaartslaan, Boxbergstraat, Krommestraat, Kleinven, Craenevenne, Groenven, Bremstraat, Zonhoverweg, De Heuvel, Hazelnootstraat, Zandoerstraat, Heilapstraat, Roerstraat, Oude Zonhoverweg, Oude Heide, Plaggenstraat, De Bek, Berm, Vogelzangstraat, Houtwal, Kennipstraat, Kievitstraat, Ankerstraat, Boogstraat, De Vroente, Ploegstraat, Leemstraat, Schalmstraat, Sintelstraat, Gruisweg, Middenkruis, Bandstraat, Keistraat
Locatie Ankerstraat, Bandstraat, Berm, Boogstraat, Boxbergstraat, Bremstraat, Craenevenne, De Bek, De Heuvel, De Vroente, Groenven, Gruisweg, Hazelnootstraat, Heilapstraat, Houtwal, Keistraat, Kennipstraat, Kievitstraat, Kleinven, Klotstraat, Krommestraat, Landwaartslaan, Leemstraat, Middenkruis, Oude Heide, Oude Zonhoverweg, Plaggenstraat, Ploegstraat, Roerstraat, Roerstraat, Schalmstraat, Sintelstraat, Turfstraat, Vogelzangstraat, Zandoerstraat, Zonhoverweg (Genk)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen

Juridische gevolgen

Beschrijving

De Genkse wijk Boxbergheide ontvouwt zich ten westen van de mijncité van Winterslag en wordt aan haar westzijde begrensd door het domein van Bokrijk. De wijk werd na de Tweede Wereldoorlog uitgebouwd door de gewestelijke bouwmaatschappij van de Kleine Landeigendom, de S.M. Landwaarts, die hier in 1947 142 hectare heidegronden voor aankocht. Architect-stedenbouwkundige Noel A. Van Malleghem stond in voor het ontwerp van het aanlegplan (1947) en de vroegste woningen. Over een periode van vijftig jaar zouden 875 koopwoningen gebouwd worden door de Nationale Landmaatschappij en de gewestelijke maatschappij Landwaarts.

De uitbouw van de wijk sluit aan bij de zogenaamde Kolenslag, meer bepaald de poging vanuit de overheid om de steenkoolindustrie te laten herstellen na de oorlog en voldoende arbeiders aan te trekken door het imago van het beroep te verbeteren. In navolging van de wet van 14 april 1945 waren de Nationale Maatschappij voor de Kleine Landeigendom en de Kredietmaatschappijen van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas gemachtigd om aan mijnwerkers het volledige bedrag voor de aankoop of bouw van een eigen woning te lenen aan een voordelige interest. Daarnaast werd ook 5 miljard frank over 5 jaar verdeeld in functie van de bouw van mijnwerkerswoningen. Een aspect dat hierbij door de overheid werd aangeprezen was het verwerven van een mijnwerkerswoning in een gezonde, groene omgeving. De Kleine Landeigendom speelde hierop in met de bouw van een woonwijk op de Genkse heide, wat ook aansloot bij de algemene huisvestingsnood van dat moment.

Quasi alle kopers van de eerste 25 woningen die reeds in 1947 werden aanbesteed, waren mijnwerkers. Toch was het de bedoeling dat de wijk een echt dorp zou worden met een diverse, gelaagde bevolking van zo’n 2.000 inwoners en geen monofunctionele tuinwijk voor mijnwerkers. Op plannen van 1947 werd bijvoorbeeld melding gemaakt van ‘voorzieningen voor werklieden en bedienden’. Het contact tussen de mijnwerkers en mensen uit andere beroepsvelden werd positief geacht in functie van het gemeenschapsleven. Ook ging het reeds bij aanvang om koopwoningen, waardoor de bewoners zelf een eigen stempel konden drukken op hun woning en de omliggende grond, waarbij de wijk organisch zou kunnen evolueren. Dit diverse karakter zou worden versterkt door het laten bouwen van woningen door particulieren tussen de landeigendommen in. Het dorpskarakter van de wijk zou worden versterkt door de realisatie van gemeenschapsvoorzieningen.

Hoewel het concept zich distantieert van de mijncités, sluit de aanleg van de wijk toch nog aan bij de tuinwijkgedachte, namelijk huizen met omliggende tuinen, ingeplant langs een dynamisch netwerk van gebogen assen en pleintjes, met een grote zin voor perspectief. De grote aandacht voor de groenaanleg werd reeds in de vroegste fase gestimuleerd door de eigen inwoners. Vanaf 1951 richtten enkele eigenaars de vzw Van Heideblom tot Landeigendom op, gericht op de verfraaiing van de heidegronden tot een groene wijk met bloemenperken, bomen en groentetuinen. Tijdens de decennia daarna werden ook diverse tuinwedstrijden georganiseerd. Van Malleghem had in het centrum van de wijk een dorpsplein voorzien, begrensd door de Landwaartslaan, Boxbergstraat en Kleinven. Hier werd in 1951 een kapelletje gebouwd ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Landwaarts, dat ingehuldigd werd in 1952 gelijktijdig met een eerste processie. Het plein werd doorheen de jaren voornamelijk benut voor dorpsevenementen, terwijl de groenaanleg eerder onverzorgd was. Op initiatief van de lokale vereniging werd omstreeks 1990 een heraanleg van het plein gerealiseerd, waarbij het groene karakter werd verfraaid door onder meer de aanplanting van heideplantjes en de installatie van een open-tuin-uurwerk. Het plein werd bij de inhuldiging in 1991 herdoopt tot Heideblomplein.

Naast de aanleg, sluit de architecturale vormgeving van de woningen ook aan bij het ideaal van de landelijke woning als toonbeeld van eenvoud, gezelligheid en streekgebondenheid. In overeenstemming met andere naoorlogse woonwijken zijn de bakstenen een- en tweegezinswoningen traditionalistisch van vormgeving, gekenmerkt door onder meer doorlopende daken en puntgevels, en verlevendigd door een wit gekalkte afwerking. Zeker de vroegste reeksen van elk 25 woningen illustreren dit concept, meer bepaald de woningen die aan Craenevenne en Kleinven (vroeger Boomgaardstraat) werden gebouwd en de woningen aan hoofdzakelijk de Landwaartslaan en Boxbergstraat. In 1948 werden beide reeksen, die uitgevoerd waren door aannemer Van Montfort (Neeroeteren), ingehuldigd. De woningen werden niet enkel geprezen omwille van hun vorm, eveneens het comfort en de lage prijs van de woningen maakte ze gegeerd. Volgens contemporaine bronnen schommelde de prijs van een woning tussen 215.000 en 245.000 frank voor een woning met drie leefkamers op de gelijkvloerse verdieping, een geiten- en varkensstal onder hetzelfde dak en vier slaapkamers op de bovenverdieping. Tegen 1957 waren reeds 300 woningen gebouwd, voornamelijk naar ontwerp van architect Van Malleghem. Volgens plannen van 1958 werd het deel van de wijk ten westen van de Landwaartslaan aangevat, naar ontwerp van de Nationale Maatschappij voor de Kleine Landeigendom, bestaande uit acht verschillende types. In de vroege jaren zestig werd het bestemmingsplan voor dit deel van de wijk opgesteld (1960), evenals het bijzondere plan van aanleg voor het oostelijk deel van de wijk (1961). Eind jaren zestig volgde het bijzondere plan van aanleg van het zuidoostelijk deel van de wijk met bijhorend bestemmingsplan. Dit deel van de wijk werd uitgebouwd in verschillende fases tussen 1969 en 1975 door diverse architecten, zoals A. Van Hecke, J.M. Vanobergen, L. Leniere en Jan Olaerts. Deze woningen situeren zich onder meer aan de Turfstraat, Gruisweg, Sintelstraat, Kievitstraat en Ankerstraat.

Reeds vanaf de jaren 1950 werden de gemeenschapsvoorzieningen in de wijk uitgebouwd. Volgens plannen van 1950 werden de voorlopige schoollokalen van de lagere school gebouwd naar ontwerp van architecten N.A. Van Malleghem en Jean Cuypers (Genk). De wijk bezat ook een kindertuin, feestzaal, winkelhuizen en een apotheek. Volgens plannen van 1962 ontwierp architect M. De Paepe (Genk) het sportcentrum van de wijk, gelegen aan de Krommelaan. Daarnaast werd ook de bouw van een definitieve school aangevat en werd werk gemaakt van een religieus centrum. Aan het noordelijk eindpunt van de Landwaartslaan werd een kerkgebouw gepland voor de sinds 1951 erkende parochie ‘Bokrijk Sint-Jan Baptist de la Salle’. In eerste instantie werd een noodkerk geïnstalleerd in de huidige feestzaal tussen 1953 en 1967. De Hasseltse architect Van de Vondel kreeg reeds in 1959 het ontwerp van de parochiekerk Sint-Jan Baptist de la Salle toegewezen. De plannen dateren van 1961, terwijl de bouwvergunning pas in 1966 werd afgeleverd. De ingebruikname en inwijding vonden plaats in 1967. Het moderne kerkgebouw is vormgegeven als een strak volume onder een plat dak, gekenmerkt door een monumentale, losstaande toren en een opmerkelijke plattegrond met een schip in de vorm van een halve ellips. Het interieur van de kerk is functioneel opgebouwd, voorzien van een beglaasde kinderkamer en een eveneens ellipsvormige week- of winterkapel die bij het schip geïntegreerd kon worden. Hiertegen bevindt zich een lagere aanbouw met volgens de bouwplannen het portaal, een ruimte voor koorknapen, catechismus, de sacristie en een bergplaats. De Genkse kunstenaar Raf Mailleux ontwierp de calvariegroep achter het altaar (1954-1956). Daarnaast bezit de kerk mobilair uit de moederparochie, zoals een gotisch hardstenen wijwatervat en een neogotische doopvont.

Langs de Boxbergstraat, op het puntig plein begrensd door de Oude Zonhoverweg, werd in 1970 een herdenkingsmonument ter ere van slachtoffers van de Royal Air Force, het zogenaamde RAF-Memorial Heidekruisje ontworpen door de Genkse beeldhouwer Raf Mailleux. Het monument werd opgericht door een lokale vereniging van vrienden van drie Engelse vliegeniers die op 31 augustus 1941 neerstortten op de Genkse heide, nadat hun vliegtuig was neergehaald door de Duitse bezetter. Reeds in 1943 werd ter herinnering aan deze gebeurtenis een herdenkingskruis geplaatst.

Deze wijk werd binnen de thematische inventarisatie van het sociale woningbouwpatrimonium niet geselecteerd als bouwkundig erfgoed omwille van onvoldoende erfgoedwaarde op Vlaams niveau.

  • Afdeling Ruimtelijke Ordening en Woonbeleid, Genk, Bouwvergunningen, 41/4139 (1962) en 41/124 (1966), kerk.
  • Archief Nationale Maatschappij Kleine Landeigendom (in bewaring bij Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen), dossiernummers 332, 385, 442, 452, Boxbergheide
  • Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Dienst Onroerende Transacties, registratiefiches, SHM 7110, Genk, Wijk Boxbergheide.

Bron: -

Auteurs: Verhelst, Julie

Datum tekst: 2016

Relaties

maakt deel uit van Genk

Genk (Limburg)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.