erfgoedobject

Hoogstamboomgaarden met woning en bedrijfsgebouwen

bouwkundig / landschappelijk element
ID
302396
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302396

Juridische gevolgen

Beschrijving

Situering

De site is gelegen in de dorpskern van Oplinter, in het noordwesten van de geografische streek (droog) Haspengouw, die gekend is als de grootste fruitstreek van het land. Het geheel van woning, bedrijfsgebouwen, nutstuin en boomgaarden bevindt zich langs het Sint-Genovevaplein en wordt begrensd door de Lindebaan in het zuiden, de Oplintersesteenweg in het noorden en landbouwgronden in het westen. Het is een uniek bewaard geheel bestaande uit een goed bewaarde laat 19de-eeuwse woning met bedrijfsgebouwen, die via een kleine sier- en nutstuin verbonden is met een deels ommuurde hoogstamboomgaard met daarachter een aanzienlijke, grotendeels omhaagde weideboomgaard. De grote weideboomgaard is met een oppervlakte van 4,8 ha, traditioneel uitzicht en gebruik, een mooi, zeldzaam en uniek relict van de voormalige boomgaardengordel rondom de dorpskern van Oplinter. De twee types boomgaarden illustreren de overgang van de fruitweide voor eigen gebruik naar de weideboomgaard die meer gericht was op fruitproductie voor de verkoop. Dat hierbij het laat 19de-eeuwse, semi-gesloten fruitbedrijf opgetrokken in een uniforme decoratieve baksteenstijl gaaf bewaard is gebleven, verhoogt de authenticiteit, de herkenbaarheid en de ensemblewaarde aanzienlijk. De weideboomgaard, met typische oude commerciële rassen, snoeivormen en inrichting, is bovendien een bijzonder representatief voorbeeld van de beginperiode van de commerciële fruitteelt in deze streek en is door zijn grootte en ouderdom ecologisch zeer waardevol. Door de inplanting op een vrijstaand perceel langs het Sint-Genovevaplein,is dit ensemble een opvallend en beeldbepalend element in de dorpskern van Oplinter en vervult het een waardevolle contextuele functie als overgangselement tussen de bebouwde dorpskern en het achterliggende open agrarische landschap.

Woning met bedrijfsgebouwen

Op de kabinetskaart van graaf de Ferraris (1771-1778) is te zien dat op het einde van de 18de eeuw het gebied ten westen van het dorpscentrum nog volledig onbebouwd is en deel uitmaakt van de landbouwgronden (akkers) rond Oplinter. Kadasteronderzoek toont aan dat de site in 1834 bebouwd was. Jean Kempeneers bezat er een woning met tuin op de huidige percelen 328C, 328D en 329D. De achterliggende grond is op dat ogenblik nog in gebruik als bouwland. In 1888 komt het goed via verkoop en overerving terecht bij de broers August en Gustaaf Kempeneers die de bestaande gebouwen uitbreiden en opsplitsen. Als gemeentesecretaris en landbouwer Gustaaf Kempeneers en zijn vrouw Melanie Timmermans op het einde van de 19de eeuw eigenaars worden, laten ze de bestaande bouwvallige gebouwen slopen en bouwen ze het huidige U-vormige complex dat in 1897 geregistreerd wordt op het kadaster (mutatieschets 1897/7). In een latere fase, maar vermoedelijk vrij kort na de bouw van het complex, werd een stilistisch gelijkaardig, vrijstaand bedrijfsgebouw opgetrokken vlak achter en haaks op de zuidelijke vleugel. De noordvleugel is aan de achterzijde uitgebreid met een recenter volume onder plat dak. Beide gebouwen zijn niet geregistreerd op het kadaster. Oorspronkelijk werd de voortuin afgesloten door een bakstenen omheiningsmuur, deels voorzien van smeedijzeren grilles en een toegangshek tussen bakstenen pijlers. Dit wordt weergegeven op de vermelde mutatieschets en is ook te zien op een oude postkaart uit het begin van de 20ste eeuw. De voortuinafsluiting verdween vermoedelijk circa 1964 toen de Oplintersesteenweg werd verbreed (mutatieschets 1965/2).

Het semi-gesloten fruitbedrijf, bestaande uit een woning en bedrijfsgebouwen, werd gebouwd in verzorgde, sobere baksteenbouw. Het woonhuis maakt deel uit van een U-vormige complex van 1896 en is georiënteerd naar het dorpsplein. Voor de woning bevindt zich een kleine voortuin, afgeboord door een laag bakstenen muurtje en een taxushaag. Het hoog opgetrokken woonhuis wordt geflankeerd door lagere bedrijfsgebouwen. Ten westen van het erf staat een vrijstaande bedrijfsvleugel, vermoedelijk gebouwd in het eerste kwart van de 20ste eeuw.

De woning is een statig burgerhuis met dubbelhuisopstand van drie traveeën en twee bouwlagen onder een pseudo mansardedak (leien en zwarte Vlaamse pannen). Het huis is toegankelijk via drie hardstenen treden, gevat tussen lage aflopende muurtjes met hardstenen deksteen. De lijstgevel op een hardstenen plint is uitgewerkt met geblokte spaarvelden en een deurtravee in risaliet die wordt benadrukt door een centraal dakvenster met puntgevel op gestrekte uiteinden en bekronende decoratief uitgewerkte smeedijzeren piron. De flankerende oeil de boeufs zijn verdwenen (cf. postkaart). De licht getoogde vensteropeningen met hardstenen lekdrempels, hebben hun houten geprofileerd schrijnwerk met bovenlicht en typische indeling, alsook de houten rolluiken bewaard (cf. postkaart). De rechthoekige houten vleugeldeur met bewaarde deurtrekkers in gietijzer en brons, bezit eveneens een getoogd bovenlicht. Momenteel is de volledige gelijkvloerse verdieping begroeid met klimop. De achtergevel is eenvoudig met getoogde muuropeningen, hardstenen lekdrempels en bewaard houten schrijnwerk en blinde zijgevels. De binnen indeling bleef bewaard alsook de vloer- en plafondafwerking.

Aan weerszijden van de woning sluiten iets achteruit geschoven bedrijfsgebouwen aan van één bouwlaag onder gecombineerde zadeldaken met zwarte Vlaamse pannen, afgewerkt met decoratieve, wit geschilderde houten windborden. Deze werden opgetrokken in verzorgde baksteenbouw met hoeklisenen, fries, omlopende bakstenen kordon en overwegend getoogde muuropeningen met houten schrijnwerk. De vensters hebben roedeverdeling. De kopse gevels zijn voorzien van een getrapte gevelaflijning en een bakstenen oculus. De straatgevel van het noordelijke bedrijfsgebouw bevat een getoogde poortopening met hardstenen neuten, hoekblokken en een sluitsteen met jaartal ‘1896’. De houten vleugelpoort met klinket is toegankelijk via een gekasseid pad, afgeboord door een laag bakstenen muurtje. In de as van de gekasseide doorrit bevindt zich in de zuidelijke vleugel een korfboogpoort, eveneens voorzien van een houten vleugelpoort met klinket. Ten westen van het erf en deels achter de zuidelijke vleugel werd een vrijstaand, bedrijfsgebouw opgetrokken in dezelfde stijl en afwerking als de twee andere bedrijfsvleugels. Het erf wordt verder afgesloten door een eenvoudig recht ijzeren hek van gepunte ronde spijlen, gevat in een onder- en bovenregel, die toegang geeft tot de huidige siertuin.

Kleine hoogstamboomgaard

Gelijktijdig met de registratie van de woning in 1897, wordt er voor het eerst gesproken van een boomgaard (perceel 328B) en een hof (perceel 328C, moes- of nutstuin), beide gesitueerd achter het erf. In 1902 wordt Gustaaf Kempeneers ook eigenaar van het achterliggend perceel 327A. Vermoedelijk plantte hij vrij snel een combinatie van een thuis- en ‘opbrengst’ boomgaard aan, die hij ten zuiden en westen afschermde door een bakstenen muur en ten noorden door een haag. Deze omheiningsmuur met muizentandfries en ezelsrug vertrekt al ter hoogte van de zuidvleugel, en begrenst dus ook de zuidzijde van perceel 328C, langs de Lindebaan. Vervolgens volgt de muur de perceelgrenzen van de kleine hoogstamboomgaard (perceel 327B) tot aan de Oplintersesteenweg. De muur werd waarschijnlijk kort na de verwerving van het perceel in 1902 opgetrokken en vermoedelijk circa 1920 doorbroken met een hek naar de weideboomgaard toe. Het smeedijzeren poorthek is gevat tussen bakstenen pijlers met een hardstenen deksteen. De poortvleugels zijn voorzien van vierkante onder-, tussen- en bovenregels, ronde spijlen met gekromde lanspunten en voluten die het klimmende beloop van de spijlen naar de makelaar toe opvangen. De regels hebben decoratieve krullen aan de uiteinden. Vrij recent raakte één van de poortvleugels, een hekpijler en een stuk van de muur sterk beschadigd.

Deze boomgaard was in eerste instantie bedoeld als schaduwrijke weide voor het vee. De fruitteelt was ondergeschikt aan de veeteelt en de boomgaarden werden dus niet intensief onderhouden (fruitweides). Het fruit was vooral bedoeld voor eigen consumptie. Traditioneel kwamen hier dan ook veel verschillende soorten en variëteiten in een weinig regelmatig plantverband voor, met verschillende rijpingsmomenten en toepassingsmogelijkheden. Overschotten werden verkocht op de lokale markt als aanvulling op het landbouwersinkomen (Royen 2001; Caimu 2013).

Op een luchtfoto uit 1947 zijn de verschillende bestanddelen van het fruittelersbedrijf duidelijk te zien. Hieruit blijkt dat het kleine perceel 328B achter de woning niet meer als boomgaard fungeert, maar vermoedelijk als siertuin was aangelegd. Boomgaard en siertuin worden van elkaar gescheiden door betonnen platen.

De kleine hoogstamboomgaard (30,55 are) bevat momenteel nog 13 fruitbomen: 2 notenbomen, 1 appelboom (IJzerappel), 9 perenbomen en 1 kersenboom. De zijde van de Oplintersesteenweg is afgesloten door een draadafsluiting tussen betonnen paaltjes, vermoedelijk daterend van circa 1964 en vervangt de voordien aanwezige haag.

Weideboomgaard

Circa 1920 verwierf Gustaaf Kempeneers - Timmermans via aankoop en een grondruil de percelen 336A en 337 gelegen achter de hoogstamboomgaard. Hij voegde de percelen samen (perceel 337A) zodat ongeveer de huidige oppervlakte van de grote boomgaard verkregen werd en plantte een opbrengstboomgaard aan met circa 320 appel- en perenbomen (mutatieschets 1921-22/25, luchtfoto 1947). In de boomgaard vinden we onder andere Keuleman (appel) en Dubbele Flip (peer) terug, typische commerciële variëteiten voor deze periode. De variëteiten Keuleman en Dubbele Flip waren erg populair in het interbellum en werden dan ook op grote schaal aangeplant. Deze variëteiten stonden gekend om hun goede groeikracht en hoge opbrengsten. Keuleman, een appelras waarvan verschillende varianten bestonden, was in het begin van de 20ste eeuw de ster van het Haspengouw. Deze winterappel kon, door inkuiling, lang bewaard worden en werd ook voor de verwerking massaal naar het Duitse Ruhrgebied geëxporteerd. Dubbel Flip is een oud Belgisch perenras dat voor het eerst beschreven werd door Van Mons omstreeks 1800 als ‘Beurré de Merode’. Vermoedelijk was dit ras op het platteland al langer gekend als Dubbel Flip. Deze peer was gewaardeerd als dessertpeer maar werd, omwille van zijn beperkte bewaartijd, ook verwerkt in de stroopindustrie die zich gelijktijdig met de opmars van de fruitteelt ontwikkeld had (Van Royen & Van Laer 2011; S.A. 2014). De hoofdvariëteiten, gekozen omwille van hun verkoopswaarde, werden volgens de regels van de kunst gecombineerd met een aantal andere rassen die noodzakelijk waren om een goede kruisbestuiving te realiseren (Dufour 1949).

Circa 1937 wordt de Lindebaan doorgetrokken en de zuidelijke grens van het fruitbedrijf vastgelegd (mutatieschets 1938/10). De grote boomgaard krijgt op dat moment zijn huidige oppervlakte op een noordelijke grenscorrectie na in circa 1964, omwille van de aanleg van de Oplintersesteenweg.

Het bedrijf is dan in handen van Remi-Ferdinand Caluwaerts - Kempeneers, schoonzoon van Gustaaf Kempeneers en vader van de huidige eigenaars, zijn zoon en dochter. Volgens de eigenares brachten de bomen in de jaren 1940 nog goed geld op. Nadien nam het economisch nut af wegens de introductie van laagstamboomgaarden.

Deze boomgaard kende een dubbele functie wat onder andere blijkt uit de kadastrale leggers waar het perceel afwisselend als boomgaard of weide geregistreerd staat. Dit weerspiegelde zich ook in het uitzicht van de boomgaard. De plantafstand tussen de bomen (12 m x 12 m) werd ruim genomen om genoeg grasgroei onder en tussen de bomen toe te laten. Deze ruimte vergemakkelijkte bovendien de verzorging van de fruitbomen (Van Laer, 2015). Onder de hoogstambomen is er een permanent, overwegend naar het zuiden en oosten hellend, grasland aanwezig met microreliëf. Het gaat in oorsprong om een soortenrijk kamgrasland. Vandaag is het grasland door intensivering enigszins verarmd, maar soorten als kamgras, scherpe boterbloem, veldzuring en dergelijke komen er nog voor. Daarnaast was de boomgaard omringd door een traditionele meidoornhaag die diende als veekering, op de oostzijde na, die afgebakend werd door de bakstenen muur. De haag langs de westzijde en een groot deel van de zuidzijde bleef bewaard. Mogelijk dateert de haag van de aanlegperiode in 1921-1922 maar deze werd regelmatig verjongd door het inboeten van gaten met jongere planten. De haag is op natuurlijke wijze bijgemengd met vlier die mee geschoren wordt en zodoende in de haag geïntegreerd werd. De haag vertoont enkele gaten.De meidoornhaag, langs de noordelijke perceelsrand werd vermoedelijk na de onteigening in 1964 gerooid en vervangen door een draadafsluiting tussen betonnen paaltjes.

Ook de fruitopbrengst was belangrijk en deze werd dan ook gemaximaliseerd. Langs de westzijde werd een populierenrij aangeplant om de fruitbomen te beschermen tegen hevige regens en winden, die veelal uit deze richting te verwachten waren. Deze populieren werden regelmatig getopt om vooral de stamgroei te stimuleren en kruipende wortelgroei, die mogelijk kon concurreren met de fruitbomen, te vermijden. De fruitbomen werden aangelegd volgens een strak plantverband van 20 rijen (langs de Oplintersesteenweg) + 4 rijen (achter de kleine boomgaard), aangeplant in driehoeksverband en georiënteerd op de noord-zuidas. In de eerste 20 rijen varieerde het aantal bomen met de breedte van het perceel van circa 10 tot 20 bomen per rij. In de 4 rijen op het kleine driehoekige gedeelte ten zuiden van de kleine boomgaard stonden in het totaal slechts een tiental bomen. Een luchtfoto uit 1947 toont een verschil in kruinen tussen het noordoostelijke deel en de rest van het perceel. De scheiding loopt parallel met de westgrens van het perceel ter hoogte van het kruispunt van de Lindenbaan en Kleine Baan. Vermoedelijk stonden in het noordoostelijk, nu grotendeels verdwenen, gedeelte de appelbomen (5 rijen + gedeelte achter de kleine boomgaard) en in het zuidwestelijke gedeelte de perenbomen (15 rijen, waarvan nog 14 aanwezig). Deze inplanting was ook een rationele keuze: de robuurstere perenbomen in het hogere westelijk gedeelte boden zo bescherming aan de gevoeligere appelbomen in het beter afgeschermde oostelijk gedeelte.

De meeste bomen hebben een ideale snoeivorm ondergaan in functie van een hoge economische opbrengst. De perenbomen hebben een typische piramidale vorm, de appelbomen werden hoofdzakelijk in vaasvorm gesnoeid. De evenwichtige basisstructuur van de bomen getuigt van de uiterste zorg die er werd besteed aan de basis- en opvolgingssnoei. Het doel van de snoei was om meer lucht, licht en zon in de bomen te brengen. Enerzijds kon hierdoor het fruit optimaal rijpen en anderzijds droogden de bomen makkelijker na regen zodat ze minder vatbaar waren voor schimmelinfecties. Hiervoor vond tijdens de jonge jaren vormsnoei plaats. Appelbomen werden traditioneel in een vaasvorm gesnoeid. De centrale stam of harttak van de boom werd gestopt in de jonge jaren en een aantal stevige takken goed verdeeld rondom de stam (gesteltaken) werden behouden en op gelijke hoogte gesnoeid. Zo ontstond een ‘raamwerk’ van takken die zich radiaal vanaf de stam ontwikkelden en kregen de bomen een ‘vaasvorm’, met meer open centrum zodat het fruit meer zonlicht kreeg. Peren werden in een pyramidale vorm gesnoeid. Rondom de centrale tak werden meerdere kransen gevormd van 4 à 5 gesteltakken. Tussen de verschillende kransen zat ca. 1 m afstand om ook hier weer voldoende zonlicht toe te laten. Indien nodig werden takken afgebonden om in een juiste hoek te groeien. Die hoek is immers mee bepalend voor de uiteindelijke opbrengst. Op dit raamwerk, dat werd beschouwd als de permanente structuur van de boom, ontwikkelden zich laterale takken die regelmatig gesnoeid werden, het fruithout. Hout van maximaal 5 à 6 jaar gaf immers de beste fruitkwaliteit (Lever S.D.; Dufour 1949; S.A. s.d.).

De weideboomgaard is te bereiken via een hek aan de zuidzijde, waar de Lindebaan overgaat in de Grote Baan. De decoratief uitgewerkte poortvleugels tussen ijzeren I-leggers zijn opgebouwd uit platte ijzers met elkaar verbonden door klinknagels en schroeven en is typisch voor de streek. De stijlen, de hogere makelaar, de spijlen en onderspijlen zijn voorzien van een schroefmotief en een bekronende pijlpunt en worden verbonden door een onder-, dubbele tussen- en bovenregel. De liggende voluten vangen het klimmende beloop van de spijlen op. De voluten tegen de makelaar en de stijlen vormen al dan niet een hartmotief en onderaan de bovenregel zijn decoratieve krullen aangebracht.

Op de luchtfoto van 1971 is er al wat uitval waar te nemen in de boomgaard, vooral centraal in het noordoostelijke gedeelte. Door ouderdom, ziekten en plagen vielen ondertussen heel wat meer bomen uit, die niet meer vervangen werden. De overblijvende bomen zijn zeer oud en vertonen dus heel wat holtes. De combinatie van de grootte van de boomgaard, de aanwezigheid van meer dan 100 oude fruitbomen en de omzoming met een meidoornhaag maakt deze boomgaard ook ecologisch zeer interessant als habitat voor broedvogels, zoals de steenuil die in deze boomgaard huist, en zoogdieren zoals de das en de eikelmuis.

  • Kadasterarchief Limburg, Mutatieschetsen en kadastrale leggers Tienen, afdeling 10 (Oplinter).
  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Herziening derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1900-1930, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.
  • Topografische basiskaart numerieke reeks, Nationaal Geografisch Instituut, uitgegeven in 2009, schaal 1:10.000.
  • BOSSCHAERTS J. 2007: Fruitteelt en kunstmest, Tijdschrift voor Industriële cultuur 2007-4, 20-29, Gent;
  • CEUNEN N. 2011: Het landschap vertelt… Sporen van twee eeuwen wonen en werken in het Haspengouwse landschap (1800-2011), Leuven.
  • CAIMO K. 2013: De Belgische fruitteelt [online], geraadpleegd op http://www.hetvirtueleland.be/cag/exhibits/show/fruitteelt.
  • DUFOUR F. 1949: Volledig handboek over fruitteelt, vierde uitgave, Vilvoorde.
  • LEVER B. s.d.: Restoring Fruit Trees [online], geraadpleegd op http://www.ancienttreeforum.co.uk.
  • ROYEN L. 2001: Fruitteelt en hoogstamboomgaarden in Zuid-Limburg, M&L 20/1, 30-51, Brussel.
  • ROYEN L. VAN LAER P. & VETS E., 2011: Fruit-Wijzer, plantadvies voor streekeigen hoogstamfruitbomen in de provincie Antwerpen, Antwerpen.
  • S.A. s.d.: Cursus hoogstamboomgaarden, Ontstaan – evolutie – aanleg – onderhoud – snoei cursus van Inverde en de Nationale Boomgaardenstichting voor eigenaars en beheerders van hoogstamboomgaarden.
  • S.A. 2014: Hoogstamboomgaarden in Haspengouw vroeger en nu; brochure van de Nationale Boomgaardenstichting vzw, Vliermaal.
  • VAN LAER P. 2015: Historische hoogstamboomgaarden in het kader van de geschiedenis van de fruitteelt en de evolutie van het landschap, onuitgegeven nota.
  • S.A. s.d: Oplinter, Dorpsplaats zicht, postkaart uit het begin van de 20ste eeuw.
  • Luchtfoto 1947 B3-SINT-TRUIDEN 83, 1947: Nationaal Geografisch Instituut [online], http://www.ngi.be/cartesius/images/air/1947_B3-sint-truiden_083.jpg.

Bron     : -
Auteurs :  Kinnaer, Anse, Van Damme, Marjolijn
Datum  :


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Hoogstamboomgaarden met woning en bedrijfsgebouwen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302396 (Geraadpleegd op )