Meander van Vorsdonk - Turfputten

inventaris landschappelijk erfgoed \ landschapsatlas relict \ landschapsatlaselement

Locatie

Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Aarschot, Begijnendijk
Deelgemeente Gelrode, Betekom
Straat
Locatie Gelrode (Aarschot), Betekom (Begijnendijk)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen

Juridische gevolgen

is beschermd als cultuurhistorisch landschap Meander van Vorsdonk - Turfputten

Deze bescherming is geldig sinds 02-03-1994.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Het landschap van de meander van Vorsdonk - Turfputten (totale oppervlakte 143,68 hectare) bevindt zich grotendeels in het zuidwesten van Aarschot (deelgemeente Gelrode). Een klein deel van dit landschap, in het uiterste noorden, ligt in Begijnendijk (deelgemeente Betekom). Het Vorsdonkbos vormt de westelijke helft van het beschermde landschap, de Turfputten omvatten de oostelijke helft. Het gebied is gesitueerd langs de benedenloop van de Demer.

Het beschermde landschap is ontstaan uit een paleo-meander van de Demer. Bijgevolg is dit gebied zeer belangrijk voor de studie van de vorming, evolutie en geomorfologie van de Demer en Vlaamse Vallei. De uitgesproken variatie in bodemgesteldheid en waterhuishouding heeft geleid tot een voor Vlaanderen uitzonderlijke floristische rijkdom. Bovendien is dit landschap, omwille van de aanwezigheid van turfputten, sporen uit de steentijd en de site van het Kasteel van Rivieren, ook op historisch vlak belangrijk. Dit beschermde landschap heeft eveneens een esthetische waarde. Verschillende elementen spelen hierbij een rol: het reliëf met onder andere de steile flank van de Eikelberg aan de zuidrand van het gebied en het gevarieerde microreliëf (met name de talrijke donken), de gevarieerde begroeiing (meer bepaald de sterk versneden bosranden en het voorkomen van bloemrijke graslanden tussen de beboste percelen) en de 19de-eeuwse parkaanleg rond de kastelen van Rivieren en Nieuwland.

Fysische geografie

Tot voorbij Betekom lopen zowel de Demer als de Laak door dezelfde vallei. De Demer loopt centraal door deze vallei. De Laak volgt de noordzijde van de Demer en buigt bij Betekom naar het noorden om in een eigen vallei verder te stromen en uit te komen ten noorden van Werchter. De Demer- en Laakvallei vormen de overgang tussen de Zuiderkempen in het noorden en het Hageland in het zuiden. De Zuiderkempen worden gekenmerkt als een vrij vlak, zandig gebied (plaatselijk verstoven tot duinen) dat de noordelijke zijde van de Demer- en Laakvallei begrenst. Het Hageland is een heuvelland, gedomineerd door een aaneenschakeling van quasi parallelle, langgerekte heuvelruggen uit ijzerzandsteen (getuigenheuvels van de Formatie van Diest). Deze heuvels zorgen voor een waarneembare scherpe overgang naar de vallei. Het beschermde landschap situeert zich tussen de Demer in het noorden en de ijzerzandsteensteenheuvel in het zuiden (onder andere de Eikelberg, tevens beschermd als landschap).

Tijdens het laatglaciaal (14500-11560 jaar geleden) loopt zowel door de Demer als door de Laakvallei een vlechtend riviersysteem. Op een gegeven moment wordt de huidige Demervallei ten zuiden van Werchter verlaten en loopt enkel door de Laakvallei een rivierloop. Tegen het eind van het laatglaciaal is onder andere de meander van Vorsdonk -Turfputten gevormd. Tijdens het atlanticum (8000-5000 jaar geleden) stroomt zowel door de Laak- als de Demervallei een diffuse rivier. Door ophoging van de bedding van de Laak wordt deze verlaten en vormt de huidige Demervallei de hoofdvallei. Vanaf het subboreaal (5000-2600 jaar geleden) volgt de rivier dan ook zijn huidige vallei. Tijdens deze periode snijdt de rivier zich in een bedding in en door de toegenomen suspensielading neemt het meanderen van de rivier toe en krijgt ze min of meer haar huidige uitzicht. Vanaf de alleröd-interstadiaal (13800-13000 jaar geleden) groeit met name in oude verlaten meanders en stroomgeulen veen. Tijdens het atlanticum stopt de veengroei vrijwel overal ten gevolge van de afdekking door sedimenten. Vanaf het subatlanticum (vanaf 2600 jaar geleden) kan de veengroei lokaal opnieuw opstarten. De gehele alluviale vlakte van de Demer (en Dijle) kan worden beschouwd als oostelijke uitloper van de Vlaamse Vallei. De vele zandige opduikingen of donken, ontstaan tijdens het pleistoceen (2,6 miljoen-10000 jaar geleden), vormen een essentieel kenmerk van deze vallei.

Langs de benedenlopen van Dijle, Demer en langs de Leibeek (een oude Dijlebedding) tussen Wijgmaal en Hever komen op regelmatige afstanden relicten van grote afgesneden meanders voor. Deze meanders zijn op basis van hun afmetingen en straal duidelijk te onderscheiden van de talrijke vrije meanders die recenter (tijdens de laatste 300 jaar) van de Dijle en Demer werden afgesneden. De topografie, het microreliëf en de bodemgesteldheid van het gebied Vorsdonk - Turfputten wijzen er op dat het hier om een paleo-meander gaat. Dit meandertype is qua omvang veel groter dan de meanders van de huidige rivier en kent een opvallend reliëf. Paleo-meanders kenmerken zich door een grote ronding met daarin stroken zeer vochtig of venig alluvium.

Tijdens de 15de eeuw wordt het water vanuit de sterk hellende gebieden, ten gevolge van ontbossing, in snel tempo afgevoerd naar de rivier. Overstromingen worden bijgevolg steeds frequenter. Op het einde van de 15de eeuw worden ingrepen om de bevaarbaarheid van de rivier te verbeteren uitgevoerd: de bedding wordt geruimd, de rivier wordt verbreed (tussen Zichem en Werchter) en er wordt een 1,5 meter hoge dijk aangelegd. De politiek van het rechttrekken van rivieren vindt vooral uitvoering vanaf de 17de en 18de eeuw. Tussen 1778 en 1850 gebeuren nog verschillende radicale ingrepen, daarna volgen nog enkele wijzigingen. De laatste belangrijke bochtafsnijdingen worden uitgevoerd in 1976-1980 en gaan gepaard met een algemene verhoging van de Demerdijken. Deze ingrijpen zijn bepalend geweest voor de transformatie van deze rivier. In het beschermde landschap zijn langs de Demer enkele sporen zichtbaar van deze afgesneden meanders.

Het beschermde landschap wordt doorsneden door talrijke, min of meer gestroomlijnde, zandige opduikingen of donken (bodemtypes Zbf, Zcf, Zbp, Zcp, Zdp, Scp, Sdp en Ldp) die in de kern van het Vorsdonkbos een duinachtig massief vormen. Deze lage heuvels, voornamelijk in het westen van dit gebied gesitueerd, steken uit boven de jongere sedimenten van natte klei. Het kunnen restanten van oudere zandige rivierbeddingen zijn of ze kunnen ontstaan zijn door afzetting van zandig sediment tijdens de verplaatsing van de meander (kronkelwaard) of ze zijn opgewaaid uit de regelmatig droogvallende rivierbeddingen. Ook het Vorsdonkbos ligt op een zandige bodem. In het bos is een grote variatie in ondergrond zichtbaar en ook het reliëf is sterk golvend. Doordat deze grond lange tijd onder bos heeft gelegen is er geen vervlakking opgetreden, zoals mogelijk wel op andere plaatsen in de vallei. Door deze merkwaardige hoogteverschillen heeft zich een zeer waardevolle flora (en fauna) ontwikkeld.

Het gebied bestaat voor ongeveer 1/4 uit moerassig laagveen (bodemtype V), voor de helft uit alluviale kleigronden (bodemtypes Edp, Eep en Efp) en zandige duinen (ongeveer ¼ van de totale oppervlakte van dit gebied). Het complex van veengronden is qua oppervlakte het grootste van de Demervallei. De dikte van het laagveen varieert zeer sterk volgens het oorspronkelijk patroon van geulen en donken. Dit gebied ligt ongeveer 11 meter boven de zeespiegel en de hoogste donken overschrijden de hoogtelijn van 15 meter. De meanderbocht wordt in het zuiden begrensd door de circa 50 meter hoge Eikelberg (eveneens een beschermd landschap). Door onderspoeling ontstond hier een zeer steile helling met een zeer snel verlopende gradiënt vanuit het veen tot de kruin van deze ijzerzandsteenheuvel. Het zandige terras dat voor de rest de meander omsluit en waarin een tweede, kleinere fossiele meander ligt is, net zoals sommige donken in de meander, een relict van de valleibodem tijdens de ijstijd. De stootoever van de meander heeft een rand gevormd die soms 4 meter hoog is.

De ontwatering van de vallei vindt plaats via sterk vertakte slotenstelsels die aansluiten op een aantal leigrachten. Vanuit de aangrenzende ijzerzandsteenheuvels van Gelrode en Nieuwrode wordt een sterke kwel- en bronactiviteit naar het gebied toe gestimuleerd. De gradiënten in de waterkwaliteit zijn medebepalend voor de grote landschappelijke en biologische variatie. Het is deze variatie in bodemgesteldheid en de daarmee samenhangende waterhuishouding, die aanleiding geven tot grote biologische variatiemogelijkheden die zelden worden aangetroffen.

Cultuurhistorisch landschap

Archeologisch onderzoek in alluviale gebieden en beekdalen heeft reeds herhaaldelijk het grote archeologisch potentieel van deze regio aangetoond. Ten gevolge van sedimentatie tijdens het holoceen zijn veel sites afgedekt door jongere sedimenten en bevinden ze zich meestal op relatief grote diepte onder het maaiveld, waardoor ze gaaf bewaard blijven. Een aantal donken had tijdens de steentijd een grote aantrekkingskracht op de mens in deze omgeving. In vergelijking met de rest van de Demervallei zijn de vondsten van steentijdmateriaal talrijker in de omgeving van het Vorsdonkbos. Bij veldprospectie werd in het westen van het beschermde landschap, ter hoogte van de Begijnendijksesteenweg, onder andere lithisch materiaal uit het mesolithicum en neolithicum aangetroffen. De donken tegen de Demer werden ingenomen door twee kastelen, namelijk het kasteel ter Rivieren met een middeleeuwse oorsprong (in het noordwesten) en het 18de-eeuwse kasteel van Nieuwland (in het noordoosten). Het kasteel ter Rivieren gaat terug tot een strategisch belangrijk feodaal slot en heerlijkheid, dat in 1197 voor het eerst vermeld wordt. In 1764 werd er een kasteel gebouwd en later ook een buitenplaats. In de loop van de 19de eeuw raakte het complex onbewoond en in 1869 werd het geheel afgebroken. In 1885 werd een eclectisch landhuis gebouwd dat er nog steeds staat. In primitieve vorm bestond dit kasteel uit een grote donjon met een neerhof omgeven door een gracht. Tijdens archeologische opgravingen in 2007 werden vlakbij het huidige kasteel de muurresten van deze middeleeuwse donjon (gedateerd 13de-14de eeuw met eind 15de-eeuwse herstellingen -) opgegraven. De donjon bleef tot ongeveer 1880 bestaan en werd daarna afgebroken. De belangrijkste verbindingsweg van het Hageland naar Betekom, aangelegd op een dwarsdijk door de Demervallei, liep langs dit slot langs de westelijke helft van het beschermde landschap. In 1877 wordt ook de omgeving van het kasteel heraangelegd, onder andere ook het Vorsdonkbos dat met een kronkelig drevenpatroon in de aanleg betrokken wordt. Het bos werd wellicht gebruikt als jachtdomein bij het kasteel. Over dit kasteel is weinig meer gekend dan een aanduiding op de kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) als “Cense de Nieven Landt”. Het huidige gebouw werd vermoedelijk omstreeks 1850 gebouwd of verbouwd in zijn huidige vorm. In het kasteelpark komen enkele zeldzame bomen voor.

Volgens de Ferrariskaart bestond het gebied Vorsdonk - Turfputten op het einde van de 18de eeuw voor ongeveer de helft uit drassige weiden, vaak opgedeeld door houtkanten, en de rest uit bouwland en voornamelijk bos, meer bepaald hoogstammig bos of kreupelhout. De omliggende zandige Demerterrassen en de Eikelberg zijn met heide of bos begroeid. De veenlaag in de paleo-meander, werd, aangezien het laagveen hier moeilijk ontginbaar was, tot het begin van de 19de eeuw slechts op kleine schaal ontgonnen. Op het einde van het ancien regime werden de eigendommen van de kerkelijke instellingen echter verkocht aan privépersonen die de veenlagen systematisch ontgonnen. Vooral in de periode 1812-13 werden vergunningen afgeleverd om in Gelrode turf te steken. De percelen met veen waren op dat moment vooral in eigendom van personen van buiten de gemeente, die weinig rekening hielden met de verminderde landbouwopbrengsten, maar vooral op korte termijn een zo’n groot mogelijk winst op de gronden wilden halen. Omstreeks 1830-1840 was het merendeel van de turf waarschijnlijk al verwijderd. Het veen werd op deze natte plaatsen uitgebaggerd en na afloop bleven waterplassen achter die in de loop van de tijd moerassig werden en ondertussen zijn verland. Slechts op enkele plaatsen liggen nog open putten, die soms in functie van recreatie open gehouden worden. De verdwenen turfputten blijven nog zichtbaar in het microreliëf.

Binnen het landschap Vorsdonk - Turfputten komen meerdere bomkraters voor, ontstaan tijdens het luchtbombardement van 1944 dat gericht was op het spoorwegknooppunt Aarschot. Bijgevolg ontstonden nieuwe open waterplassen. In de loop van de tijd zijn deze kraters, die slechts tot 10 meter in diameter zijn, verland. Sommige werden recent terug open gemaakt in functie van natuurontwikkeling. Het grasland en bosareaal in de omgeving ondergaan pas vanaf de jaren 50-60 van de 20ste eeuw veranderingen door het staken van het traditionele hooilandbeheer en het aanplanten van populieren (Populus).

Fauna en flora

De grote variatie in begroeiing bevordert de aanwezigheid van een groot aantal diersoorten. Door het moerassig en ondoordringbaar karakter van een groot gedeelte van het gebied is er de nodige rust voor het herbergen van een rijk vogelbestand. Opmerkelijke vogels vinden hier hun broedplaats in Vlaanderen. Wat betreft de insecten zijn enkel de waarnemingen van enkele voor Vlaanderen sterk bedreigde vlindersoorten bekend. Voor reptielen en amfibieën zijn er observaties van levendbarende hagedis, hazelworm en kamsalamander. De oorspronkelijke piscifauna is door het dichtgroeien en de overschaduwing of vernieling van sloten en turfputten grotendeels verdwenen. Vanuit de sterk vervuilde Demer vinden geen migraties van vissoorten meer plaats. In dit gebied werden enkele minder algemene soorten van zoogdieren waargenomen, met name hermelijn, bunzing, ree en diverse soorten vleermuis.

Bij een telling van de plantensoorten in het gebied Vorsdonk - Turfputten (1993) bleken onder andere circa 425 soorten vaatplanten voor te komen. Deze unieke botanische rijkdom kan verklaard worden door de (reeds beschreven) variatie in bodemgesteldheid en waterhuishouding, geconcentreerd op een relatief kleine oppervlakte, het sterk gedifferentieerd beheer en de invloed van opeenvolgende exploitaties in het verleden. De thans verdwenen of bedreigde plantensoorten zijn kenmerkend voor de actief beheerde milieus van hooiland, trilvenen, turfputten en dergelijke. Deze half-natuurlijke vegetaties worden vanaf de jaren 50 van de 20ste eeuw systematisch omgezet in populierenplantages of verruigen en groeien dicht met opslag van bomen en struiken. Een andere mogelijke verklaring is de hydrografische situatie: de Demer bracht uit haar grote ontwateringsgebied sterk verschillende bodemsoorten en diasporen mee en heeft deze verspreid met haar alluvium. De soortenrijkdom houdt mogelijk ook verband met het samenkomen van drie grote plantengeografische districten, met name het Kempense (zandstreek), het Brabantse (leemstreek) en het Vlaamse district (de alluviale vlakte van de Vlaamse vallei), waardoor vele typische floraelementen uit deze districten samen voorkomen. Diverse soorten vinden hier de uiterste grens van hun verspreidingsareaal; de Brabantse soorten zijn enigszins in de meerderheid.

Uit de floralijst blijkt dat 30 van de 42 voor de Belgische voorgestelde socio-ecologische groepen vertegenwoordigd zijn. De planten van heiden, venen, schraallanden en kalkmoerassen zijn vrij sterk vertegenwoordigd met:

  • Planten van voedselrijke waterbiotopen resten nog in niet verlande open waterpartijen van turfputten, bomkraters, sloten en één weinig intensief gebruikte visvijver. De vennen op de zandige donken zijn dichtgegroeid met opslag van houtgewassen zonder kruidlaag. De recente visvijvers worden intensief onderhouden en zijn nagenoeg vegetatieloos.
  • De open verlandingsvegetaties langs de oude turfkuilen, sloten en plassen zijn door bosvorming of door vergraving herleid tot fragmenten van de vroegere situatie. Trilvenen, een voor Vlaanderen uitzonderlijk fenomeen, worden nog door enkele soorten aangeduid. Rietvegetatie komt slechts op één plaats in dit gebied voor. Op enkele plaatsen groeien, op de grens van hun areaal, nog typische Brabantse soorten.
  • Tot het einde van de jaren 60 van de 20ste eeuw maakten de graslandvegetaties nog meer dan de helft van het gebied uit. Het betrof toen verspreide, kleine percelen op vochtige tot natte bodems. De meeste van deze percelen werden sindsdien beplant met populieren of verruigden en verdwenen onder spontane bosopslag. Enkele goed bewaarde voorbeelden van dit vegetatietype komen voor op natuur-technisch beheerde percelen.
  • Fragmenten droge heide zijn nog aanwezig op de zandige donken.
  • Naast uitgebreide struwelen komen in de Turfputten ook goed ontwikkelde gagelstruwelen voor. Wilde gagel bereikt hier een van de zuidelijkste groeiplaatsen in Vlaanderen. Gagelstruwelen behoren tot de meest typische, maar ook sterkst bedreigde vegetatietypes van de Kempen.
  • De donken zijn grotendeels begroeid met bos, plantensociologisch te duiden als eiken- (Quercus), berken- (Betula of beukenbos (Fagus sylvatica), met onduidelijke overgangen naar essenbos (Fraxinus exelsior). De struik- en kruidlaag is zeer soortenrijk. In het Vorsendonkbos zitten verschillende Brabantse plantensoorten op de grens van hun areaal. Oud en zeer goed ontwikkeld elzenbroek (Alnus) vormt de belangrijkste bosvegetatie in het gebied. Het landschap Vorsdonk - Turputten bevat één van de belangrijkste relicten van het matig voedselarme, grondwatergebonden elzenbroek in Vlaanderen.

Bron: Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, beschermingsdossier DB000064, Meander van Vorsdonk - Turfputten.

Auteurs: Deneef, Roger

Datum tekst: 1993

Relaties

maakt deel uit van Betekom

Betekom (Begijnendijk)

maakt deel uit van Demer- en Laakvallei tussen Aarschot en Werchter

Aarschot, Gelrode (Aarschot), Betekom (Begijnendijk), Rotselaar, Werchter (Rotselaar), Tremelo (Tremelo)

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Gelrode

Gelrode (Aarschot)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.