erfgoedobject

Begijnenborrebos

landschappelijk element
ID: 302506   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302506

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als beschermd cultuurhistorisch landschap Begijnenborrebos
    Deze bescherming is geldig sinds 06-02-1995

Beschrijving

Het Begijnenborrebos behoort tot de rijkste en best ontwikkelde hellingsbossen uit het centrale gedeelte van Brabant.

Fysische geografie

Topografie, geologie en bodem

Het bos, op het grondgebied van de gemeente Dilbeek (deelgemeenten Dilbeek, Sint-Martens-Bodegem en Itterbeek), heeft een oppervlakte van circa 17 hectare, waarvan ongeveer twee derde bebost is. Het ontleent zijn naam aan de Begijnenborre, een bronnencomplex aan de bovenloop van de Plankenbeek, een bijbeek van de Molenbeek (verderop Bellebeek genoemd), die bij Teralfene in de Dender uitmondt. De bronnen bevinden zich in het zuidelijk bosgedeelte aan de rand van het leemplateau, volgens de oude geologische kaart op kleilagen van de Formatie van Gent. Op de bodemkaart wordt de rand van het bos aangeduid als een matig droge tot matig natte leembodem met textuur B horizont (bodemtypes Aca en Ada). Het kleisubstraat begint bij dit bodemtype op geringe diepte (minder dan 75 centimeter). Dit substraat, dat rond de 60 meter-hoogtelijn dagzoomt, is paniseliaanklei (Formatie van Gent). Op de bodemkaart heten deze onsluitingen niet tot matig gleyige kleigronden met niet bepaalde profielontwikkeling (bodemtype EAx). Waar de beek het bos verlaat komt er een vlek natte leem zonder profiel voor (bodemtype Aep).

Flora en fauna

De beplanting van een aantal percelen aan de oostrand buiten beschouwing gelaten, werd de perimeter van het bos tijdens de laatste tweehonderd jaar slechts in geringe mate gewijzigd. De bijzonder rijke flora kan vermoedelijk in verband gebracht worden met de historische continuïteit in het landgebruik. In een biologische inventaris van de voormalige randfederatie Asse scoorde het Begijnenborrebos hoog (klasse 4: waardevol tot belangrijk). De plantengroei wordt gereduceerd tot een typisch beukenbos met een kruidlaag bestaande uit braam (Rubus) en boshyacint (Scilla non-scripta).

Het Begijnenborrebos is voor het grootste gedeelte beplant met beuk (Fagus sylvatica), niet zelden met stamomtrekken rond drie meter, een strook aan de oostrand met Europese lork (Larix decidua) en één perceel met grove den (Pinus sylvestris), in het zuidoosten bevinden zich enkele percelen met Canadapopulier (Populus canadensis (x)). In het beukengedeelte komen nog enkele exemplaren gewone es (Fraxinus exelsior), zomereik (Quercus robur) en, meestal in de vorm van doorgeschoten hakhout, tamme kastanje (Castanea sativa) voor. De struiketage bestaat hoofdzakelijk uit hazelaar (Corylus avellana) en verder uit gewone vlier (Sambucus nigra), aalbes (Ribes rubrum), haagbeuk (Carpinus betulus), Gelderse roos (Viburnum opulus), wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), éénstijlige meidoom (Crataegus monogyna) en gewone es (Fraxinus exelsior). Plaatselijk komen ook enkele struwelen van sleedoom (Prunus spinosa) of rode kornoelje (Cornus sanguinea) voor.

De in het Begijnenborrebos voorkomende plantengemeenschappen kunnen voor het grootste gedeelte ondergebracht worden in de eiken-beukenklasse. Op de vochtigste gedeelten, de colluviale Aep-gronden aan de westelijke rand van het bos, komt een goed ontwikkelde elzen-vogelkersgemeenschap voor. In de beekbedding gaat het om valeriaan (Valeriana repens) en echte waterkers (Nasturtium officinale). Op de hogere leemgronden ten zuiden van de beek groeit massaal wilde hyacint (Scilla non-scripta) en op de aangestorte gedeelten aan de bosrand grote kaardebol (Dipsacus fullonum). Het noordelijk gedeelte van het bos bestaat uit aanplantingen van beuk (Fagus) of lork (Larix) met een onderbegroeiing van bramen (Rubus). Onder de Canadapopulieren in het zuidoosten van het bos groeit bosorchis (Dactylorhiza fuchsii).

Het Begijnenborrebos is representatief voor de bosvegetaties tussen Dender en Dijle en behoort tot de rijkste en best ontwikkelde hellingsbossen uit het centrale gedeelte van het Brabantse plantendistrict. Hierdoor heeft het wetenschappelijke waarde. De esthetische waarde is in de eerste plaats een gevolg van het voorjaarsaspect, dat gekenmerkt wordt door de uitgestrekte ‘matten’, afwisselend gevormd door daslook en wilde hyacint. Vervolgens ligt de esthetische waarde in de steile hellingen met diep ingesneden beekjes en een bosbestand dat voor een groot deel uit oude, majestatische beuken is opgebouwd.

Als merkwaardige vogelsoorten werden koekoek, grote bonte specht en boomklever gesignaleerd

Cultuurhistorisch landschap

Op de kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) wordt een deel van het bos afgebeeld. De bossen rond de Plankenbeek, ten westen van het beschermde landschap, worden pas in de tweede helft van de 19de eeuw gedateerd. De perimeter van het bos is de afgelopen 200 jaar stabiel gebleven.

  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • ABTS H., VAN NUFFEL S. 1976: Biologische inventarisatie en evaluatie van groenzones in de randfederatie Asse, Asse.
  • CRESENS A., WIJNANT J. & DENEEF R. 2001: Relictzone 'Brongebieden en bovenlopen in Noord-Pajottenland'. Landschapsatlas, R20016, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
  • LOUIS A. 1957: Anderlecht 87 E, Bodemkaart van België Verklarende tekst bij de kaartbladen, Brussel.
  • RUTOT A. 1893: Carte géologique de la Belgique N°87: Asse-Anderlecht.

Bron     : Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Beschermingsdossier DB002001, Begijnenborrebos
Auteurs :  Cresens, André, Deneef, Roger, Wijnant, Jo
Datum  : 1994


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Begijnenborrebos [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302506 (Geraadpleegd op 06-12-2019)