erfgoedobject

Klooster- en schoolcomplex

bouwkundig element
ID: 302518   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302518

Juridische gevolgen

Beschrijving

Voormalig ’s hertogenhuis met 13de-eeuwse kern dat later als klooster werd heringericht. Vanaf het begin van de 19de eeuw zijn de gebouwen in gebruik als school, waarvoor verschillende uitbreidingen plaatsvonden.

Historiek

Vooraleer de Brabantse hertogen in de 14de eeuw Brussel als vaste verblijfplaats uitkozen beschikten ze onder meer in Tienen, in de huidige O.L.V. Broedersstraat (voorheen Kleine Veldbornestraat), nabij de Hennemarkt, over een residentie die bekend stond als 's hertogenhuys' (1367) of 'domus domini ducis' (1374-1375). Met het oog op de hegemonie in het oostelijk deel van zijn bezittingen was Tienen namelijk door hertog Hendrik I (1190-1235) als bruggenhoofd uitgekozen voor zijn strijd met de prins-bisschop van Luik. Ook zijn opvolgers verbleven er vaak om strategische redenen. Rond 1372 – de data verschillen enigszins naar gelang de auteur - schonk Johanna, hertogin van Brabant, de Tiense residentie aan de karmelieten of 'Onze Lieve Vrouwe broeders' die reeds eerder in de buurt verbleven. Aan hofbouwmeester Adam Gheerijs werd opdracht gegeven om de residentie om te bouwen tot klooster. In 1375 werd de kapel door de suffragaanbisschop van Luik, Arnold van Diest, plechtig ingewijd.

Het klooster werd in 1507 door de Gelderse troepen geplunderd en verwoest, zo ook tijdens het beleg van Tienen in 1635 waarbij ook het archief in vlammen opging. In 1676 wordt gestart met de heropbouw van het klooster om uiteindelijk op 22 maart 1798 als nationaal goed openbaar te worden verkocht aan de Tiense rentenier Gérard Simons en aan notaris Guillaume Crampen, beide bekenden in de veilingzalen van de revolutie. Op dat moment besloeg het drie dagwand grote kloosterdomein met gebouwen, nuts- en siertuin en een brouwerij ter hoogte van de Ooievaarstraat gans het driehoekige perceel, begrensd door O.L.V. Broedersstraat, Ooievaarstraat en het verdwenen Steenstraatje dat de Hennemarkt met de Ooievaarstraat verbond. Deze toestand wordt bevestigd door de Ferrariskaart (circa 1777) die een beeld geeft van het centraal ingeplante en omvangrijke, vierkante kloostercomplex waarvan kapel en toegang ter hoogte van O.L.V. Broedersstraat waren gesitueerd.

Tijdens het Franse bewind doet het klooster enige tijd dienst als militair hospitaal. Op 22 december 1804 wordt het complex met inbegrip van alle bijgebouwen door Gérard Simons voor een termijn van 12 jaar verhuurd aan juffrouw Julienne Dehainault, een van de eerste volgelingen van de Henegouwse priester François-Joseph Delfosse (1769-1848) die rond 1800 in Jodoigne de congregatie van de ‘Soeurs de l’Union au Sacré-Coeur' of de 'Zusters van de Vereniging met het Heilig Hart' had opgericht. Deze op 23 maart 1835 officieel erkende congregatie, die de derde regel van Sint-Franciscus volgde en geen geloften aflegde, had zich het onderwijs en de godsdienstige opvoeding van meisjes tot doel gesteld. Het initiatief bleek succesvol want in 1809 telde de school in het vroegere karmelietenklooster al 30 internen en genoten er een 100-tal leerlingen kosteloos onderwijs. In 1810 werden er leerkrachten uitgestuurd naar Nijvel en in 1816 naar Halle. Nadat in 1817 het huurcontract was verstreken verlieten de zusters de intussen in slechte staat verkerende kloostergebouwen in Tienen. Ze namen hun intrek in het voormalige Bogaardenklooster in Hoegaarden, het huidige Mariadal, waar tot op heden de onderwijsactiviteiten worden voortgezet.

Intussen, wellicht rond de periode 1800-1820, had de opkoper van het klooster, Gérard Simons, aan de O.L.V. Broedersstraat, ter hoogte van de Hennemarkt, een bestaande woning laten verbouwen tot een imponerende, voorname herenwoning. Volgens J. Soille (1948) werd bij de inrichting van de hal gebruik gemaakt van zuilen en marmeren tegels afkomstig van de inmiddels gesloopte kloosterkapel. Rond 1820 komt de voormalige kloostersite in het bezit van de familie Struyven die een aanvang maken met de verkaveling van de aan de Ooievaarstraat grenzende kloostertuin. Wat er de daarop volgende jaren met de kloostergebouwen zelf gebeurde, blijft onduidelijk. Volgens sommige bronnen werden ze omgevormd tot woningen. Een deel van het klooster werd alleszins overgemaakt aan de door Alexandre Struyven († 1893) gestichte congregatie van Sint-Franciscus Xaverius, in 1939 ‘Sociéte les Xaveriens’ en later bekend als Xaverium.

In 1883 vestigen de zusters van Onze-Lieve-Vrouw van Namen, bekend als de ‘Soeurs de Notre-Dame’, zich op de oude kloostersite. Deze congregatie, in 1804 opgericht in Amiens door Julie Billiart (1751-1816), legde zich toe op jongerenonderwijs en zou zich vanuit Namen over alle continenten verspreiden. In Tienen verbouwen en vergroten ze de bestaande gebouwen tot klooster en kostschool. Deze in 1884 kadastraal geregistreerde ingrepen zullen samen met de bouw van een nieuw schoolgebouw langs de O.L.V. Broedersstraat in hoge mate het huidige uitzicht bepalen. Dit laatste werd in 1929 gerealiseerd naar ontwerp van de Tiense architect Albert Geens (1874-1936) en omvatte twee klaslokalen, vestiaires, sanitair en chambrettes op de zolderverdieping.

In 1954 kwamen de zusters van de Vereniging met het Heilig Hart van Jezus opnieuw naar hun vroegere klooster in Tienen en namen de school, die voorzag in algemeen secundair onderwijs en voortaan bekend zou staan als Immaculata-instituut, over. In 1960 werd het gebouwencomplex aan de Ooievaarstraat uitgebreid met een functionele nieuwbouw naar ontwerp van architect Stas. Bij die gelegenheid verdwijnt ook de fraaie binnentuin die wordt omgevormd tot betegelde speelplaats. Eind 1963 breekt er een overslaande brand uit op de verdieping van het Xaverium (feestzaal). Het interieur van de kloosterkapel wordt zwaar beschadigd alsook de drie westelijke traveeën van de resterende Karmelietenvleugel die aldus wordt ingekort tot de huidige 9 traveeën. De bewuste parochiezaal werd zonder verdieping heropgebouwd en in 1997 aangekocht door de zusters. Ten slotte werden er in 1973 nog enkele klassen bijgebouwd langs de Ooievaarstraat. In 1998 wordt het Immaculata-instituut opgenomen in de scholengroep Diocesane Instituten Tienen om deel uit te maken van het Onze-Lieve-Vrouwinstituut met tevens vestigingen in de Ooievaarstraat en de Broekstraat. Dit laatste maakt op zijn beurt deel uit van de scholengroep Vrije Instituten van het Aartsbisdom (VIA) die het katholiek onderwijs in Tienen groepeert. In 2000 werd het zogenaamde s’ hertogenhuis gerestaureerd. Onder meer werd de gevelcementering verwijderd en het buitenschrijnwerk vernieuwd. Eveneens werden de gevels van de panden aan de O.L.V. Broedersstraat bepleisterd en witgeschilderd.

Beschrijving

Tussen O.L.V. Broedersstraat en Ooievaarstraat gesitueerd, omvangrijk voormalige klooster- en schoolcomplex bestaande uit diverse, rond een onregelmatige binnenkoer (speelplaats) ingeplante, stilistisch heterogene volumes: het zogenaamde s’ hertogenhuis (circa 1676), in feite de noordvleugel van het overigens verdwenen karmelietenklooster met ondergronds de begin 13de-eeuwse kelder van het ’s hertogenhuis, een herenwoning uit de periode 1800-1820, klooster- en schoolgebouwen uit 1883 en een schoolgebouw uit 1927 met daarnaast recentere uitbreidingen.

's Hertogenhuis

Midden op het terrein bevindt zich het zogenaamde ’s hertogenhuis’ (circa 1676), waarvan de benaming verwijst naar de uniek bewaarde, begin 13de-eeuwse kelder van de hertogelijke residentie. De bovenbouw echter dient geïdentificeerd als de enig resterende (noord)vleugel van het verdwenen karmelieten- of Onze-Lieve-Vrouwbroedersklooster. Deze langgerekte onderkelderde, noord-zuid georiënteerde vleugel met verhoogde begane grond is opgetrokken in zogenaamde bak- en zandsteenstijl en telt twee bouwlagen van negen traveeën onder zadeldak (rode mechanische pan). Het huidige buitenaspect is het resultaat van een restauratie uit 2000 waarbij onder meer de gevelcementering werd verwijderd en het schrijnwerk vernieuwd. Nu toont de naar de Ooievaarstraat gerichte noordgevel een plint en speklagen in kwartsiet met gebruik van Gobertange voor steigergaten en voor lateien en negblokomlijsting van het dubbel register van voormalige kruisvensters. Twee vensters werden omgevormd tot een deur, voorafgegaan door een trapbordes; andere werden verlaagd. De zuidgevel met okerrode bepleistering, eveneens opengewerkt met rechthoekige vensters gaat op het gelijkvloers schuil achter een éénlaagse aanbouw. De van muur tot muur dragende moerbalken met sober bekapte slof op natuurstenen consoles alsook de acht traditionele, genummerde spanten en gordingen, inclusief hijsrad bleven bewaard.

Onder het meest westelijke gedeelte van de vleugel bevindt zich een tot het begin van de 13de eeuw opklimmende laatromaanse kelder van circa 6 bij 8,5 meter waarvan het niveau sterk werd opgehoogd. Volgens Doperé gaat het mogelijk om een restant van een woontoren. De ruimte wordt overkapt met vier kruisgewelven met gordelbogen met halfrond profiel, centraal opgevangen door een monolietzuil in kwartsiet van Overlaar met kelkvormig kapiteel. Lateraal worden gordelbogen en muraalbogen opgevangen door eveneens in kwartsiet uitgevoerde halfronde consoles. De wanden zijn uitgevoerd in tufsteen van Lincent, de gewelven in Gobertange. In de wand uitgespaard drie lichtspleten en twee nissen waaronder een driehoekige kaarsnis. Waar zich de oorspronkelijke toegang bevond blijft onduidelijk. Een recentere korfboogdeur in Gobertange leidt naar een gangaanzet met bakstenen tongewelf. De recente vloer dateert vermoedelijk uit de jaren 1960 toen er werken werden uitgevoerd.

Panden langs de O.L.V. Broedersstraat met kapel

Langs de O.L.V. Broedersstraat affirmeren zich drie stilistisch onderscheiden panden. Het meest in het oog springend is het op de Hennemarkt aansluitende, ruime, laatclassicistische herenhuis (circa 1820) met koetspoort. Het telt drie bouwlagen van acht traveeën onder een zwak hellend zadeldak, een verbouwing en vergroting van een eind 18de-eeuws pand van twee bouwlagen en zes traveeën zoals duidelijk afleesbaar aan de achtergevel. De bepleisterde en wit geschilderde, in baksteen en witte zandsteen opgetrokken, imponerende lijstgevel met verjongende ordonnantie wordt horizontaal belijnd door cordons, drie registers van grote rechthoekige vensters met spiegeldecor op de borstweringen en door een gekorniste houten kroonlijst met tandlijst en modillons. De drie, licht vooruitspringende, risalietvormig en plastisch decoratief geaccentueerde middentraveeën met volledig in witte natuursteen uitgewerkt parement onderscheiden zich door een met Franse voegen verlevendigde, sokkelvormende onderbouw waarboven een penantenstructuur met verdiepte vensters en een spiegeldecor met rankwerk en/of schijfmotieven op de borstweringen. De gekoppelde zware, met bloem- en bladmotieven versierde voluutconsoles verwijzen naar een verdwenen balkon waarvan delen van de gietijzeren balustrade werden hergebruikt als borstwering ter hoogte van de vroegere balkondeuren. De twee, aan weerszijden flankerende traveeën zijn soberder uitgevoerd en toonden tot voor kort een natuurstenen onderbouw waarboven een rood geschilderd baksteenparement. De rechthoekige vensters – op het gelijkvloers voorheen beluikt – zijn gevat in een plattebandomlijsting met geprofileerde lekdrempels met verbindend cordon en een spiegeldecor met schijf- en dropmotieven op de borstwering. Onderaan over de ganse gevelbreedte een rij rechthoekige, getraliede keldervensters. Verder wit geschilderd, respectievelijk zes- en vierledig houten raamwerk met afgeronde naald. Helemaal rechts affirmeert zich de iets lager uitgewerkte, drie bouwlagen tellende poorttravee (later toegevoegd?), eveneens met verjongende opbouw, en voorzien van een door pilasters geschraagde, geprofileerde rondboogpoort met voluutsluitsteen en acanthusbladmotief in de zwikken, het geheel ingeschreven in een rechthoek met flankerende pilasters met blokkapiteel op bladconsoles die een geprofileerde druiplijst dragen. Een smeedijzeren waaier bekroont de houten vleugelpoort. De momenteel witgeschilderde, bakstenen bovenbouw met verdiept middenveld en gevelhoge pilasters wordt opengewerkt door een geprofileerd, rondbogig bel-etagevenster met kraallijst, geprononceerde lekdrempel, flankerende pilasters met doorgetrokken imposten en een voluutsluitsteen met bladslinger en strikmotief. Erboven twee gekoppelde rondboogvenstertjes met doorgetrokken geprofileerde lekdrempel. Achteraan is het laat 18de-eeuwse volume met rood geschilderd baksteenmetselwerk, hoekketting en rechthoekige vensters met eenvoudige plattebandomlijsting duidelijk herkenbaar. De bovenste bouwlaag met bakstenen muizentandfries is duidelijk later toegevoegd. De achtergevel van de poorttravee onderscheidt zich op de verdieping, ter hoogte van de vroegere kapel van de kinderen van Maria, door een gevelbrede beglazing in een decoratief uitgewerkte, witgeschilderde houten paneelwand. Over de gehele breedte van het gelijkvloers vervangt een banale baksteenconstructie de voorheen volledig beglaasde verbindingsgang.

De poortdoorgang met beige-getinte reliëftegelvloer en in de wand ingemetselde wijdingssteen (?) met kruisje en het opschrift 'P.P. 1745' bedient zowel de herenwoning als de aangrenzende panden. Drie zware, geornamenteerde, deels met glas in lood beglaasde, geverniste houten vleugeldeuren met rondbogig bovenlicht zorgen resp. voor de verbinding met het rechts aangrenzende ‘kapelpand’ en met de eenlaagse verbindingsgang tegen de achtergevel. Links achteraan bevindt zich de natuurstenen keldertrap die leidt naar de overwelfde kelders (gebakken rode tegels, natuurstenen plavuizen en kassei) onder het herenhuis. Een viertal treden tellende, zwartmarmeren trap met zwenkende leuning en decoratieve, gietijzeren spijlen leidt via een door pilasters geflankeerde, hoge witnatuurstenen rondboogdeur met geriemde omlijsting, imposten en sluitsteen naar de traphal van het herenhuis. De ruime, lichte en witgeschilderde rechthoekige hal met zwart-grijs-rode marmeren vloer in diagonaalpatroon wordt gearticuleerd door tien zuilen met hoog basement en een in grijs en goudtinten beschilderd kapiteel met eier- en kraallijst, acanthusblad- en bloemmotief. Zij dragen een omlopende, geprofileerde kroonlijst opgehoogd met een kraallijst en stafwerk. De brede houten bordestrap met licht zwenkende aanzet en ranke spijlen is afgewerkt met een zuilvormige trappaal met rozet- en slingerende acanthusbladversiering waarop een als een bloemknop uitgewerkte siervaas met sierboord en pijnappelbekroning. Een dubbele paneeldeur met ruitmotieven, conform de beglaasde deur naar de poortdoorgang en eveneens gedecapeerd, bedient de aanpalende, op straat uitgevende “ontvangstruimte” met houten vloer en witmarmeren schouw met klauwstukken, blad- en rozetmotieven. In de as van de inkomdeur leidt een met glas in lood beglaasde, geverniste vleugeldeur met ingewerkte gebrandschilderde medaillons die de H.H. Ignatius van Loyola en Franciscus Xaverius voorstellen naar een met zwarte marmer beklede middengang waarop de overige kamers met hun karakteristieke rechthoekige paneeldeur met bekronend halfrond bovenlicht alsook de achteraan gelegen houten diensttrap uitgeven. Alle kamers - ofwel met diagonaal geplaatste grijs-zwarte natuurstenen vloer ofwel met planken vloer – zijn voorzien van een marmeren schouw met bijpassende venstertabletten en een bepleisterd plafond, al dan niet versierd met een rosas en eenvoudig omlopend lijstwerk, uitzonderlijk aangevuld met een houten lambrisering. Het meest opmerkelijke schouwtype bevindt zich in de hoekkamer aan straat: een grijs-rode marmeren schouw met veelkleurig geometrisch in- en oplegwerk en centraal een veelhoekig, met bladwerk versierd bas-reliëf – een type dat in verschillende, meestal versoberde varianten ook op de verdieping voorkomt. De verdieping of bel- etage vormt qua indeling en aankleding vrijwel een repliek van het gelijkvloers waarbij de traphal zich onderscheidt door een versoberd zuilendecor. Zich decoratief manifest onderscheidend is de grote kamer aan straatzijde, met toegangsdeur geflankeerd door op engelenhoofdjes rustende consoles. Een meer geëlaboreerde grijs-roze marmeren schouw met decoratieve oplegstukken en bas-reliëfversiering wordt er gecombineerd met een rose-wit geschilderde gestuct plafond met een met loofwerk opgehoogd rosas en omlopend gegroefd lijstwerk waarvan de hoeken worden geaccentueerd door palmet- en rozetmotieven. Op zolder bevestigt de aangepaste dakstructuur de 18de-eeuwse origine van dit markante herenhuis.

Rechts van de poorttravee bevindt zich een drie traveeën en twee bouwlagen tellend, bakstenen neogotisch pand (1883) met recent beschilderde gevel (voordien zichtmetselwerk) met op het gelijkvloers twee spreekamers en op de verdieping de kapel. Boven een lage hardstenen plint verheft zich een bijna gevelhoog, deels gekoppeld pilasterdecor met verdiepte steekboogvensters met eenvoudige sluitsteen, op de verdieping in de vorm van tweelichtvensters met tussenstijl met schijfmotief. Op de borstweringen een verdiept paneel. Markant is de brede baksteenfries van consolevormende, gestapelde blokmotieven die de geprofileerde houten kroonlijst dragen. Witgeschilderd houten raamwerk met op het gelijkvloers drieledige ramen en een dubbele, bruin geschilderde paneeldeur met decoratief lijstwerk en bovenlicht; op de verdieping, ter hoogte van de kapel, sobere glas-in-loodramen. De niet-georiënteerde (momenteel ontmantelde) neogotische kapel telt drie traveeën voorafgegaan door een driezijdig gesloten koor. Spitsboogvensters met eenvoudig maaswerk in de koppen en glas in lood met ruitpatroon en vierpasmotief, omlijst door een smalle rood-groene sierboord zorgen voor verlichting terwijl de ruimte wordt ontsloten door briefpaneeldeuren waarvan de bovenhoeken van het deurkader zijn versierd met consolevormige elementen met verguld bladwerk. De kapel wordt afgedekt door een in hout en pleisterwerk uitgevoerd kruisribgewelf op consoles. De gewelfvakken boven het koor tonen een in rood-groen-goudtinten uitgevoerde polychromie van rank- en bladwerk. Eenzelfde palet werd aangehouden voor de gewelfribben en consoles in de beuk. Achteraan in de ruimte een klein doksaal met houten balustrade. In de koorwand verwijst een vergulde, spitsbogige sierboord naar het verdwenen altaar.

Uiterst rechts ten slotte een derde pand van drie traveeën en twee bouwlagen met gecementeerde gevel onder leien mansardedak met vierkante houten dakkapellen. Dit schoolgebouw (1929) met art-deco-inslag toont een uitgesproken rastervormige gevelopbouw ontleend aan een strak symmetrisch-geometrische ordonnantie met liseenstructuur en verdiepte velden met een dubbel register van identieke, door fijne glasroeden sterk gecompartimenteerde houten ramen, een paneeldecor op de borstweringen en een rij eveneens identieke, getraliede keldervensters. De decoratie beperkt zich tot een bloemmotief en een blokfries bovenaan, onder de houten bakgoot. Op beide niveaus telkens een klaslokaal, vestiaire en sanitair terwijl de zolderverdieping oorspronkelijk voor de chambrettes was gereserveerd.

Klassenvleugels

Haaks op het herenhuis ingeplant en het terrein (speelplaats) aan westzijde afsluitend bevindt zich een langgerekte en deels onderkelderde, neoclassicistisch geïnspireerde klassenvleugel (1883) met geknikt verloop. Samengesteld uit drie onderscheiden, twee bouwlagen tellende volumes met kunstleien zadeldak is het geheel opgetrokken in baksteen (rode beschildering) met beperkt gebruik van blauwe hardsteen voor plint en omlijstingen. Het sobere gevelaspect wordt bepaald door een natuurstenen plint, deels opengewerkt met keldervensters, en een dubbel register van deels rechthoekige en deels lichtgetoogde, hoge vensters met hardstenen lateien met doorgetrokken uiteinden. Verder beglaasde deuren in een lichtgetoogde hardstenen omlijsting en zesdelig, witgeschilderd houten schrijnwerk. Boven het gelijkvloers is de aftekening zichtbaar van de verdwenen beglaasde verbindingsgang en luifel. De grotendeels blinde achtergevel wordt slechts doorbroken door een register van halfradvensters op de verdieping. Ook het interieur is uitermate sober uitgevoerd met karakteristieke gangstructuur met houten lambrisering, beglaasde houten tussenwanden, paneeldeuren, al dan niet met bovenlicht, cementtegel- en houten vloeren.

  • BRUSSEL, Archief van het kadaster, mutatieschets 28, 1884.
  • HOEGAARDEN, Archief Mariadal aangevuld met mondelinge informatie van zuster Irène.
  • TIENEN, Stadsarchief, 229, bouwvergunning 25 mei 1928.
  • JACOB VAN DEVENTER, 1560.
  • FERRARIS, circa 1777.
  • PRIMITIEVE KADASTERKAART, circa 1820.
  • POPPKAART, circa 1860.
  • BETS P.V. 1860: Histoire de la ville et des institutions de Tirlemont, d’après des documents authentiques 2, Leuven, 136-141, 159-161.
  • DE RIDDER F. 1911: Historiek der straten en openbare plaatsen, Hagelandse Gedenkschriften, s.l., 98-102.
  • DOPERE F. 2011: Le grès quartzitique du Landénien supérieur comme matériau de construction au Moyen Age en Hesbaye septentrionale. Considérations techniques et chronologiques in ID., Het huis van de hertogen van Brabant in Tienen, Museumopener, 12.3, s.l., 1-6.
  • DOPERE F. & LOOSEN H. 2008: De herontdekking van het oeuvre van Albert Geens, Museumopener, 9.3, s.l.
  • KEMPENEERS P. 1999: Thuis in Thienen 2, Tienen, 534-538, 607-611.
  • LODEWIJCKX M. (ed.) 2001: Belgian Archaeology in a European setting I, Acta Archeologica Lovaniensia Monographiae 12, Leuven, 157-173.
  • SOILLE J. 1948: L’Abbé François-Joseph Delfosse, Gembloux, 37.
  • THOMAS S. 2011: Karmelieten of Onze-Lieve-Vrouwebroeders in de stad, Museumopener, 12.3, s.l., 7- 8.
  • VRANCKEN L. 2011: De stad en de Brabantse hertogen, Museumopener 12.3, s.l., 9-14.
  • WAUTERS A. 1863: Géographie et histoire des Communes belges. Arrondissement de Louvain. Ville de Tirlemont, Brussel, 151-152, 162.

Bron     : Beschermingsdossier 4.001/20000/2368.1
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2011


Relaties

  • Is deel van
    Tienen
    Tienen (Tienen)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Klooster- en schoolcomplex [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302518 (Geraadpleegd op 21-07-2019)