omvat de aanduiding als vastgesteld bouwkundig erfgoed Norbertijnenabdij van Park
Deze vaststelling is geldig sinds
is deel van de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Abdij van Park met omgeving en vijvers
Deze bescherming is geldig sinds
Ten zuiden van de abdij van Park ligt een vijvercomplex van vier opeenvolgende en aan elkaar geschakelde historische visvijvers. Qua typologie gaat het om op lijn aangelegde vijvers in een smalle vallei. Deze vijvers liggen in het valleitje van de Molenbeek, die in Pellenberg ontspringt en in de Dijle uitmondt. Ter hoogte van de abdij is de Molenbeek duidelijk door de mens gekanaliseerd. En dat geldt ook voor de Leibeek, die stroomopwaarts van de abdijvijvers van de Molenbeek afsplitst en voorbij de vijvers er opnieuw op aantakt.
De vijvers zelf zijn het werk van de abdij, die zich in 1129 onder impuls van de hertog van Brabant in de omgeving van Leuven vestigde . De oudste vijver bestond al voor 1201, zoals blijkt uit vermeldingen in middeleeuwse oorkonden. Mogelijk gaat het om een soort voorloper van het huidige vijvercomplex. Soms wordt aangenomen dat de eerste twee vijvers pas bij het begin van de 14de eeuw zijn aangelegd, onder het abbatiaat van Siger van Vinckenbosch (1306-1314), maar dat is laat.
Vis speelde een belangrijke rol in de voeding van kloosterlingen die strenge religieuze voedingsvoorschriften moesten volgen. Het stond meestal op het menu als vlees uit den boze was, ongeveer twee derde van het jaar. De versheid van de vis veronderstelde vijvers die nabij lagen, zodat vis gemakkelijk en altijd voorradig was. En dus mogen we ervan uitgaan dat de abdij ook al voor de 14de eeuw over visvijvers beschikte, wat de oorkonden van de abdij van Park dus ook bevestigen.
Het kaartboek uit 1669 toont in elk geval twee vijvers ten zuiden van de abdij, het meest aansluitend bij de nutsgebouwen, het neerhof en de abdij. Voor 1746 liet de abdij van Park stroomopwaarts een derde vijver uitgraven, en voor 1774 een vierde. Het resultaat was het vijvercomplex van 12 ha zoals we het nu kennen. Tussendijken scheidden de vier vijvers onderling van elkaar. Vooral de oostelijke dijk lag bij elke vijver wat hoger, omdat aan die kant het waterpeil relatief hoger kwam in deze licht van west naar oost afhellende beekvallei. Bomen (olmen in 1553) op de dijken gaven het vijvercomplex een tamelijk gesloten aanblik.
Ook al was het niveauverschil gering, het speelde een rol in de werking van de vijvers. Door de verschillen in hoogte kon het water gravitair van de ene naar de andere vijver overlopen. Zogenaamde sluizen of ‘taps’ regelden het waterpeil. Een ‘tap’ (in de moderne literatuur ook ‘monnik’ genoemd) was een constructie met schotbalken en een buis onder de vijverdijk, waarlangs het overtollige water van de hoger gelegen vijver in de lager gelegen vijver kon overlopen. Bij de restauratie in 2015-17 werden enkele restanten van dergelijke constructies, deels in baksteen en deels in blauwe hardsteen, terug gevonden. Mogelijk gaan die restanten terug tot 1772, het jaar waarin een abdijrekening gewag maakte van betalingen aan een steenhouwer die blauwe steen aan de molenvijver had geplaatst. De huidige constructies zijn nieuw, maar bouwen voort op de vroegere. Er zijn taps tussen de Molenbeek en de vijvers, en tussen de vijvers onderling. Het nieuwe waterbouwkundig systeem voorziet ook in aflaten langs waar het uitstromend water via de Leibeek kan worden afgevoerd. De Molenbeek zorgt dus voor de watertoevoer, terwijl de Leibeek de rol van waterafvoer vervult.
Hoe de visvangst bij de abdij van Park precies in zijn werk ging weten we niet, maar uit onderzoek naar andere historische vijvers kunnen we wel de grote stappen onderscheiden. Wilde men de vis oogsten, dan liet men de vijver leeg lopen. Op het laagste punt van de vijver verzamelde de vis zich in een net ter hoogte van de tap, een soort filtersysteem dat voorkwam dat de vissen met het water mee werden afgevoerd. Vervolgens sleepte men het net de vijver uit. Op andere locaties beviste men de vijver op verschillende momenten van het jaar of dreef men de vis met netten bijeen.
Voorafgaand aan de oogst, kweekte men de vissen op. Termote beschrijft voor de West-Vlaamse veldvijvers een kweekcyclus van 3 jaar (17de-18de eeuw). In een kweekvijver kwamen de jonge visjes uit (gruij of grauw). De net iets oudere visjes groeiden uit in een groeivijver. En in de vetvijver kweekte men de vissen tot oogstrijpe exemplaren uit. Parallel aan de Molenbeek lagen nog enkele kleinere, langwerpige vijvers (savoir). Hun functie is niet helemaal duidelijk. Mogelijk dienden ze voor het sorteren van de vis naar soort of leeftijd of om de pas gevangen vis bestemd voor de keuken vers te houden.
Vooral karpers kwamen voor in de vijvers van de abdij van Park, paling in beduidend mindere mate. Deze twee soorten moeten (naast aangevoerde zoutwatervis) in de 15de-16de eeuw regelmatig op het menu hebben gestaan, zoals blijkt uit de analyse van dierlijk botmateriaal dat in een ophogingslaag in de keuken van de abdij van Park werd aangetroffen.
Feit is dat de vijvers geregeld droog werden gelegd, niet gelijktijdig want dat zou fataal zijn voor het visbestand. Door de bodem te ‘verluchten’ hield men de kwaliteit van het water op peil. In de 20ste-eeuwse Limburgse wijers (Burny) bestond de praktijk dat de vijverbodem gedurende een aantal maanden met een gewas zoals spurrie werd ingezaaid. Vulde men nadien de vijver opnieuw met water dan zorgden de stoppels voor een goede afzetplaats voor viseieren, wat de vijver heel geschikt maakte als kweekvijver. Voor het overige werden vijvers ook gemaaid, want een teveel aan planten zou tot zuurstofgebrek kunnen leiden.
Sinds 2016 knoopt de stad Leuven opnieuw aan bij de traditie van de drooglegging van één van de vijvers, zij het om andere, met name ecologische redenen. Vooral amfibieën zouden baat hebben bij een kortstondige drooglegging omdat ze in het ondiepe water betere voortplantings- en overlevingskansen hebben.
Auteurs: Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)