Teksten van Vijvers van de abdij van Park

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302530

Vijvers van de abdij van Park ()

Ten zuiden van de abdij van Park ligt een vijvercomplex van vier opeenvolgende en aan elkaar geschakelde historische visvijvers. Qua typologie gaat het om op lijn aangelegde vijvers in een smalle vallei. Deze vijvers liggen in het valleitje van de Molenbeek, die in Pellenberg ontspringt en in de Dijle uitmondt. Ter hoogte van de abdij is de Molenbeek duidelijk door de mens gekanaliseerd. En dat geldt ook voor de Leibeek, die stroomopwaarts van de abdijvijvers van de Molenbeek afsplitst en voorbij de vijvers er opnieuw op aantakt.

Een vijvercomplex van middeleeuwse oorsprong

De vijvers zelf zijn het werk van de abdij, die zich in 1129 onder impuls van de hertog van Brabant in de omgeving van Leuven vestigde . De oudste vijver bestond al voor 1201, zoals blijkt uit vermeldingen in middeleeuwse oorkonden. Mogelijk gaat het om een soort voorloper van het huidige vijvercomplex. Soms wordt aangenomen dat de eerste twee vijvers pas bij het begin van de 14de eeuw zijn aangelegd, onder het abbatiaat van Siger van Vinckenbosch (1306-1314), maar dat is laat.

Vis speelde een belangrijke rol in de voeding van kloosterlingen die strenge religieuze voedingsvoorschriften moesten volgen. Het stond meestal op het menu als vlees uit den boze was, ongeveer twee derde van het jaar. De versheid van de vis veronderstelde vijvers die nabij lagen, zodat vis gemakkelijk en altijd voorradig was. En dus mogen we ervan uitgaan dat de abdij ook al voor de 14de eeuw over visvijvers beschikte, wat de oorkonden van de abdij van Park dus ook bevestigen.

Het kaartboek uit 1669 toont in elk geval twee vijvers ten zuiden van de abdij, het meest aansluitend bij de nutsgebouwen, het neerhof en de abdij. Voor 1746 liet de abdij van Park stroomopwaarts een derde vijver uitgraven, en voor 1774 een vierde. Het resultaat was het vijvercomplex van 12 ha zoals we het nu kennen. Tussendijken scheidden de vier vijvers onderling van elkaar. Vooral de oostelijke dijk lag bij elke vijver wat hoger, omdat aan die kant het waterpeil relatief hoger kwam in deze licht van west naar oost afhellende beekvallei. Bomen (olmen in 1553) op de dijken gaven het vijvercomplex een tamelijk gesloten aanblik.

Sluizen of taps, essentieel voor de waterhuishouding van de vijvers

Ook al was het niveauverschil gering, het speelde een rol in de werking van de vijvers. Door de verschillen in hoogte kon het water gravitair van de ene naar de andere vijver overlopen. Zogenaamde sluizen of ‘taps’ regelden het waterpeil. Een ‘tap’ (in de moderne literatuur ook ‘monnik’ genoemd) was een constructie met schotbalken en een buis onder de vijverdijk, waarlangs het overtollige water van de hoger gelegen vijver in de lager gelegen vijver kon overlopen. Bij de restauratie in 2015-17 werden enkele restanten van dergelijke constructies, deels in baksteen en deels in blauwe hardsteen, terug gevonden. Mogelijk gaan die restanten terug tot 1772, het jaar waarin een abdijrekening gewag maakte van betalingen aan een steenhouwer die blauwe steen aan de molenvijver had geplaatst. De huidige constructies zijn nieuw, maar bouwen voort op de vroegere. Er zijn taps tussen de Molenbeek en de vijvers, en tussen de vijvers onderling. Het nieuwe waterbouwkundig systeem voorziet ook in aflaten langs waar het uitstromend water via de Leibeek kan worden afgevoerd. De Molenbeek zorgt dus voor de watertoevoer, terwijl de Leibeek de rol van waterafvoer vervult.

Vis op het menu

Hoe de visvangst bij de abdij van Park precies in zijn werk ging weten we niet, maar uit onderzoek naar andere historische vijvers kunnen we wel de grote stappen onderscheiden. Wilde men de vis oogsten, dan liet men de vijver leeg lopen. Op het laagste punt van de vijver verzamelde de vis zich in een net ter hoogte van de tap, een soort filtersysteem dat voorkwam dat de vissen met het water mee werden afgevoerd. Vervolgens sleepte men het net de vijver uit. Op andere locaties beviste men de vijver op verschillende momenten van het jaar of dreef men de vis met netten bijeen.

Voorafgaand aan de oogst, kweekte men de vissen op. Termote beschrijft voor de West-Vlaamse veldvijvers een kweekcyclus van 3 jaar (17de-18de eeuw). In een kweekvijver kwamen de jonge visjes uit (gruij of grauw). De net iets oudere visjes groeiden uit in een groeivijver. En in de vetvijver kweekte men de vissen tot oogstrijpe exemplaren uit. Parallel aan de Molenbeek lagen nog enkele kleinere, langwerpige vijvers (savoir). Hun functie is niet helemaal duidelijk. Mogelijk dienden ze voor het sorteren van de vis naar soort of leeftijd of om de pas gevangen vis bestemd voor de keuken vers te houden.

Vooral karpers kwamen voor in de vijvers van de abdij van Park, paling in beduidend mindere mate. Deze twee soorten moeten (naast aangevoerde zoutwatervis) in de 15de-16de eeuw regelmatig op het menu hebben gestaan, zoals blijkt uit de analyse van dierlijk botmateriaal dat in een ophogingslaag in de keuken van de abdij van Park werd aangetroffen.

Tijdelijke drooglegging van de vijvers, een courante praktijk

Feit is dat de vijvers geregeld droog werden gelegd, niet gelijktijdig want dat zou fataal zijn voor het visbestand. Door de bodem te ‘verluchten’ hield men de kwaliteit van het water op peil. In de 20ste-eeuwse Limburgse wijers (Burny) bestond de praktijk dat de vijverbodem gedurende een aantal maanden met een gewas zoals spurrie werd ingezaaid. Vulde men nadien de vijver opnieuw met water dan zorgden de stoppels voor een goede afzetplaats voor viseieren, wat de vijver heel geschikt maakte als kweekvijver. Voor het overige werden vijvers ook gemaaid, want een teveel aan planten zou tot zuurstofgebrek kunnen leiden.

Sinds 2016 knoopt de stad Leuven opnieuw aan bij de traditie van de drooglegging van één van de vijvers, zij het om andere, met name ecologische redenen. Vooral amfibieën zouden baat hebben bij een kortstondige drooglegging omdat ze in het ondiepe water betere voortplantings- en overlevingskansen hebben.

  • Archief van de abdij van Park Heverlee (AAP), Typografieboek B (TB): Kaartboek van de goederen, tienden en cijnzen van de abdij van Park in opdracht van abt Libert de Pape, door landmeter Joris en Guillaume Subil, 1649-1663.
  • Algemeen Rijksarchief, Kaarten en plattegronden in handschrift reeks 2 (T 459) nr. 221: Plattegrond van de abdij van Park en omgeving, 1617, afschrift door landmeter G. Roy, eensluidend verklaard door notaris Van Willebringhen in 1681, Cartesius [online], https://agatha.arch.be/data/images/510/510_1600_000_00221_000/ (geraadpleegd op 7 maart 2025).
  • Bibliothèque nationale de France, département Arsenal, MS-15213 (15): Camp de l'Abbaye du Parc occupé par l'Armée du Roy, depuis le 24 juillet jusqu'au 1er aoust 1746, fragment uit Livres de guerre du comte d'Argenson, composés de cartes et de plans manuscrits réalisés lors de ses fonctions au ministère de la guerre entre 1743 et 1757, Gallica [online], https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/btv1b52507482g?rk=21459;2 (geraadpleegd op 18 maart 2025).
  • Ferrariskaart Brussel 1771-1778: Carte de cabinet des Pays-Bas autrichiens levée à l'initiative du comte de Ferraris, schaal 1:11.520, originelen in de Koninklijke Bibliotheek, Kaarten en plans, Ms. IV 5.62, Geopunt [online], https://www.geopunt.be/shared/1bec3a8f-8c36-4711-be8c-0f623332f85c (geraadpleegd op 7 maart 2025).
  • Van Deventerkaart 1550-1565: Jacob Van Deventer Stedenatlas van de Nederlanden met 73 locaties opgenomen tussen 1550 en 1565, kaartblad 47 Rouselberch, ter Banck, Hever, Parck, schaal: 1:10000, exemplaar bewaard in de Koninklijke bibliotheek, Cartesius [online], https://uurl.kbr.be/1043830 (geraadpleegd op 1 april 2026).
  • BURNY J. 2014: Historisch-ecologisch onderzoek in de Lage Kempen, deelstudie De Wijers.
  • Communicatie & Ecologie, in opdracht van de Provincie Limburg, het Regionaal Landschap Lage Kempen & Erfgoedcel Mijn-erfgoed, s.l.
  • DE MARNEFFE E. 1904: Cartae Parcenses, Bijdragen tot de Geschiedenis, bijzonderlijk van het aloude Hertogdom Brabant, 3 (1904), p.17-36.
  • KONINKLIJKE COMMISSIE VOOR GESCHIEDENIS 2015: Diplomata belgica, Les sources diplomatiques des Pays-Bas méridionaux au Moyen Âge [online], nr. 4035 (oorkonde uit 1155), nr. 5839 (oorkonde uit 1162), nr. 29758 (oorkonde uit 1210), https://www.diplomata-belgica.be (geraadpleegd op 28 oktober 2025).
  • MATTEONI O. 2000: La pêche des étangs du domaine comtal en Forez à la fin du Moyen-Âge, in Benoît P., Gresser P., Mattéoni O. (ed.), La pêche en eau douce au Moyen Âge et à l’époque moderne, Parijs.
  • https://play.google.com/books/reader?id=p41JAAAAMAAJ&pg=GBS.PP8&hl=nl (geraadpleegd op 28 oktober 2025).
  • TERMOTE J. 2010: Historisch-geografisch onderzoek naar het voorkomen van de voormalige veldvijvers in het Bulskampveld en de mogelijkheden van herstel in het natuurinrichtingsproject Biscopveld, in opdracht van de Vlaamse Landsmaatschappij, s.d.
  • PERSOONS E., VAN DER HAEGEN H., VAN ERMEN E., VAN HOVE L., VAN LANI S. 2000: Het kaartboek van de Abdij van Park 1665, Brussel.
  • VANDEPUT F., BYNENS J. s.d. (ca 1910): La pisciculture limbourgeoise, Zonhoven.
  • VAN LANI S. 1999: Abdij van 't Park Pachthoeven en Landbouwdomein, Leuven.
  • VAN NEER W. 2025: Een blik op de laatmiddeleeuwse voedselvoorziening van de Abdij van Park (Heverlee, Vlaams-Brabant) op basis van archeozoölogische en historische informatie, Brussel.

Auteurs:  Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Verboven H. 2026: Vijvers van de abdij van Park [online], https://id.erfgoed.net/teksten/454201 (geraadpleegd op ).


Abdij van 't Park met omgeving en vijvers ()

De abdij van 't Park is gelegen in de vallei van de Molenbeek ten zuiden van Leuven, in de vork van de spoorlijnen Leuven-Tienen en Leuven-Ottignies; merkwaardig architecturaal ensemble met delen vooral uit de 16de, 17de en 18de eeuw en met romaanse, gotische, renaissance, barokke en classicistische elementen; abdijgebouw, abdijkerk, abdijhoeve met koetshuis, stallingen, tiendenschuur, watermolen, smidse en gastenkwartier. Het huidige domein van de abdij ligt deels in de deelgemeente Heverlee en deels in de voormalige gemeente Korbeek-Lo, waarvan bij de gemeentefusies in 1976 een deel bij Leuven gevoegd werd. Ten zuiden van de abdij liggen vier vijvers en de Leibeek.

Geomorfologie, geologie en bodem

De abdij van Park, de Leibeek en de vier Parkvijvers liggen in het alluvium van de Molenbeek. De hoger gelegen flanken van de vallei bestaan geologisch gezien hoofdzakelijk uit bodemlagen behorende tot de Formatie van Brussel. Ten zuiden van de vallei bereikt de Petrusberg een hoogte van ongeveer 55 meter boven de zeespiegel. Noordoostelijk ten opzichte van de Parkabdij wordt het landschap gedomineerd door heuvels gevormd door de Formatie van Diest, met de 95 meter hoge Predikherenberg. Het is ter hoogte van deze heuvels dat de Molenbeekvallei afbuigt in westelijke richting. Aan de voet van de heuvels vinden we nog smalle zones met bodemlagen van de groep Rupel en Tongeren.

In de vallei van de Molenbeek komen zeer sterk gleyige gronden op lemig materiaal met reductiehorizont voor. De omgeving van de Parkabdij is evenwel sterk vergraven. Op de hoger gelegen delen ten noorden en ten zuiden van de Molenbeekvallei vinden we hoofdzakelijk zandleemgronden. Op de Petrusberg wordt melding gemaakt van stenig-leemgronden met een niet bepaalde profielontwikkeling en zandleemgronden met een stenig substraat beginnend op geringe diepte.

Historiek

Vanaf de 11de eeuw beantwoordde de beschikbare oppervlakte aan cultuurgronden niet meer aan de toenemende vraag naar landbouwproducten. De grootgrondbezitters stelden ‘woeste gronden’ en bossen ter beschikking van ondernemende boeren, landarbeiders, horigen en abdijen. In Brabant was het hertog Godfried met de Baard die religieuze orden inschakelde. Vooral de kort voordien in Frankrijk opgerichte norbertijnenorde speelde in dit kader een vooraanstaande rol.

In 1129 schonk hertog Godfried met de Baard aan de norbertijnen van Laon zijn jachtpark met bijhorend jachtverblijf, gelegen te Heverlee, met de uitdrukkelijke opdracht er de abdij van Park uit te bouwen. De romaanse kelders die we nu nog in de abdij terugvinden zouden resten van dit jachtslot uit de 11de eeuw kunnen zijn. Samen met andere landgoederen kregen ze alzo de beschikking over 350 hectare. Hiermee werd de basis gelegd van de op economische basis geschoeide organisatie van religieuze orden. De grootschalige graanproductie zou in belangrijke mate het welzijn van de abdijgemeenschap gaan bepalen. De exploitatie van ongeveer 700 hectare bos leverde ook aanzienlijke inkomsten op. Alzo werd de abdij enerzijds een belangrijke werkgever maar anderzijds ook een hulpverlener voor de minderbedeelden.

In de loop van de volgende eeuwen zou de abdij perioden van voorspoed kennen, afgewisseld met perioden van ellende vooral door oorlogen. Omstreeks 1660 omvatte het patrimonium van de Parkabdij ongeveer 3300 hectare, cijns- en tiendenland niet meegerekend.

Onder abt Libert de Pape werd in de 17de eeuw een kaartboek van de bezittingen van de Parkabdij samengesteld. Het bevatte erf-, tienden en cijnskaarten. De kaarten werden tussen 1650 en 1665 getekend door de Tiense landmeters Joris en zijn zoon Willem Subil. De Franse revolutie op het einde van de 18de eeuw zou een definitieve ommekeer betekenen. Na de opheffing van kloosters en abdijen in 1796 onder de Franse bezetting werd het grote patrimonium onherroepelijk versnipperd onder honderden andere eigenaars.

Beschrijving

Inplanting en uitbouw van de abdij

De abdij van Park vormt een merkwaardig architecturaal ensemble met delen vooral uit de 16de, 17de en 18de eeuw en met romaanse, gotische, renaissance, barokke en classicistische elementen. Men kan vier entiteiten onderscheiden: 1. het kloostercomplex met kerk, kloosterpand, kapittelzaal, refter, bibliotheek, dormitorium, recreatiezaal en prelatuur - 2. het landbouwcomplex met koetshuis, stallingen, tiendenschuur - 3. het industriecomplex met watermolen en smidse - 4. het gastenkwartier.

In de 13de eeuw werd een romaanse kerk gebouwd (voltooid 1280-1296) met kloostergang en dormitorium. In de 15de eeuw werd de kloostergang in gotische stijl wederopgebouwd, abts- en gastenkwartier, noorder- en westerpoort werden toegevoegd. In een periode gaande van 1558 tot 1730 noteren we een verdere wederopbouw van de kloostergang, oprichting van hoeve- en bijgebouwen, verbouwing van het abtskwartier met eretrap en balustrade en het provisorgebouw, de pastorie en de poorten. De kerk werd in de 18de eeuw sterk verbouwd, de huidige toren werd in 1729 opgericht. In 1803 werd de abdijkerk tevens parochiekerk van de wijk Park te Heverlee.

De bestaande molen werd herbouwd circa 1281, in 1285 werden te Heverlee een volmolen en een oliemolen gebouwd en twee jaar later een molen bij de ingang van de abdij met een woning voor de molenaar. De huidige watermolen stamt uit 1534 en bleef in gebruik tot in 1963. In 1829 werden brouwerij, smidse en de watermolen bij de abdij verkocht. Enkel de watermolen werd niet gesloopt. De voormalige gieterij en schrijnwerkerij zijn eveneens verdwenen.

Vooraan aan de abdijdreef, die met els beplant was, stond de Sint-Annakapel, die ingezegend werd in 1716 en gesloopt werd in 1813. Ze bevatte een 15de-eeuws beeld van Sint-Anna-ten-Drieën dat nog steeds in de abdij bewaard wordt. De dreef was afgesloten met een houten draaiboom die in 1726 vervangen werd door de nog bestaande Leeuwenpoort, waarvan de ijzeren slagdeuren intussen verdwenen zijn. Links van de dreef bij de Leeuwenpoort werd een bosje met Canadapopulieren (Populus x canadensis ) aangeplant op een moerassig terrein waar vroeger de vijver voor de Mariapoort gelegen was. Deze vijver, in feite een haakse gracht, wordt afgebeeld op de Ferrariskaart. De Mariapoort was oorspronkelijk voorzien van een ophaalbrug en werd herbouwd onder Joannes Drusius (1601-1634). Links van de Sint-Janspoort (gebouwd omstreeks 1534 en verbouwd in 1722), waar in de middeleeuwen voedselbedeling aan de armen gebeurde, was in de tweede helft van de 20ste eeuw de koffiebranderij van de abdij gevestigd. Aan de noordzijde van de abdij was er de boschpoorte (gebouwd in 1430), die in de 17de en 18de eeuw omgebouwd werd tot Norbertuspoort en uitgaf op het voormalig Parck binnenbosch, dat zich bevond ter hoogte van de huidige weilanden en pas in de 17de eeuw in cultuur gebracht werd. De weg vertrekkende aan de boschpoorte liep doorheen het Parck binnenbosch tot aan het boswachtershuis met bijhorende tuin, land en beemd. Een grenspaal vlak voor de brug over de Molenbeek bakende de Leuvense kuip af en ter hoogte van de herberg de Engel stond de grenspaal van de heren van Heverlee. In 1722 kreeg de Norbertuspoort haar huidig uitzicht.

In de jaren 2000 werd archeologisch onderzoek uitgevoerd aan het Locutorium en de westelijke poort, de Mariapoort. Hierbij konden verschillende bouwfasen vastgesteld worden. Gezien de rijke geschiedenis van de abdij kan men vermoeden dat de site en ook de vijvers een rijk archeologisch bodemarchief moeten bevatten.

In 1378 liet abt Hendrik Van Overbeke (1368-1391) de abdijhof omringen door een stenen muur. Deze vinden we eveneens terug op de Cijnskaart van Vinkenbos. Daarbinnen bevond zich de conventsboomgaard, nabij de hoeve was er een moestuin (cruythoff) en hophof. Het vandaag nog bestaande neerhof en de ruime tiendenschuur werden gebouwd in de periode 1661-1664, de stenen werden gebakken in kareelovens die de abdij liet inrichten nabij de Zeven Vijvers te Heverlee.

Abt Gerard Van Goetsenhoven (1414-1434) liet vanaf de Tiensepoort een hoge muur bouwen rond het Park-binnenbos. In 1542 werd de muur op bevel van de stadsmagistraat gesloopt omdat hij te dicht bij de stadswallen stond. In 1550 verdween ook het Park-binnenbos.

De moestuin achter het huidige neerhof leverde de groenten. De ommuurde abdijtuin die aansluit bij het neerhof bestaat nog steeds. Tot op het einde van de 16de eeuw beschikte de Parkabdij over meerdere wijngaarden.

De Parkvijvers

In het Kaartboek worden maar twee vijvers bij de abdij aangeduid. Ze werden aangelegd onder abt Sieger van Vinckenbosch (1306-1314) in de vallei aan de zuidkant van de abdij op laaggelegen moerassige gronden die niet geschikt waren voor de akkerbouw en aanvankelijk gebruikt werden als hooi- en weiland. Deze twee vijvers, door een dijk gescheiden, waren ongeveer zeven hectare groot en moesten de visvoorraad van de abdij verzekeren. In de vijvers van Vossem (uitgegraven in 1441) die ook eigendom waren van de abdij, werd eveneens vis gekweekt. De huidige derde en vierde vijvers waren toen nog weide, ze werden omstreeks 1700 aangelegd, waardoor de Parkvijvers een totale oppervlakte van twaalf hectare besloegen. De eerste vijver ligt op het grondgebied van Heverlee, de drie overige op Korbeek-Lo. Op de Ferrariskaart zijn de wegen langs de vijvers, de dwarsdijken en de wegen ten noorden van de abdij afgezoomd met bomen.

Aan de noordzijde van de Molenbeek worden op de erfkaart en cijnskaart van Park kleinere vijvers afgebeeld, één buiten en één binnen de muur. Deze en nog enkele andere vijvers langs de Molenbeek vinden we ook terug op een gravure uit 1669. Vermoedelijk gaat het om kleine kweekvijvers.

Abt Libert de Pape liet in 1671 in het midden van het hoeveplein een monumentale fontein in blauwe hardsteen plaatsen, een ingenieus buizensysteem zorgde voor de wateraanvoer. Nabij het provisorenhuis werd het nog bestaande waterbekken aangelegd, dat volgens archiefbronnen dienst deed voor het drenken van vee en het wassen van koetsen en karren.

Norbertijnenweg

De huidige Norbertijnenweg, de weg ten noorden van de abdij, vinden we op de kadastrale verzamelkaart van Korbeek-Lo (1832) terug als 'Dreef van de Abdij van Perck naar Hoegaerden', die liep langs de Spaanse kroon en Den Duyvel. Bij Ferraris heette de locatie 'Duyvel' nog 'Wit Peert'. Bij Popp is het de Dreef van de Abdij des Parks naer de Spaensche Kroon.

Historisch landgebruik

Steunende op de Erfkaart en de Cijnskaart uit het Kaartboek van de abdij van Park kunnen we besluiten dat ten noorden en noordoosten van de abdij zich een bos bevond dat later ontgonnen werd. Op de Ferrariskaart komt dat bos niet meer voor. De overige percelen waren akkerland. Volgens de beschrijving in de leggers van het primitieve kadaster (circa 1830) van de percelen in de omgeving van de abdij waren ze in gebruik als land, weide, vijver, tuin, slechts één perceeltje ten zuiden van de Leibeek was nog bos.

  • Beschermingsdossier DB002250, Omgeving van de Abdij van 't Park te Heverlee (uitbreiding) (Cresens A., 2007, digitaal dossier).
  • Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 2204 Abdij van 't Park.

Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: S.N. 2013: Abdij van 't Park met omgeving en vijvers [online], https://id.erfgoed.net/teksten/188477 (geraadpleegd op ).