erfgoedobject

Woonblok van 1923 naar ontwerp van Edward Craeye

bouwkundig geheel
ID: 302571   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302571

Juridische gevolgen

Beschrijving

Bouwgeschiedenis en situering

Tijdens het tweede kwart van de 20ste eeuw bouwde de Antwerpse Maatschappij voor Goedkope Huisvesting (later: Huisvesting) op de wijk Kiel heel wat sociale woningen in de vorm van woonblokken, voornamelijk in de noordelijke hoek van de Sint-Bernardsesteenweg en de Hendriklei, waar tussen 1924 en 1949 de woonblokken Hennig, Thiebaut en Eric Sasse verrezen. Het woonblok aan de Julius De Geyterstraat 81-131 was echter het allereerste project van deze maatschappij. Het werd al op 1 oktober 1923 officieel opgericht naar plannen uit 1922 van Edward Craeye, die ook verantwoordelijk was voor de meeste andere woonblokken van de maatschappij in deze wijk. Aannemer was Kempische Betonwerken N.V. Calmpthout. Tussen 1993 en 1998 werd dit woonblok ingrijpend gerenoveerd naar plannen uit 1991 van Paul Storme.

Typering en beschrijving

In vergelijking met de meeste andere woonblokken die tijdens het tweede kwart van de 20ste eeuw werden opgetrokken door de Antwerpse Maatschappij voor Goedkope Huisvesting op ’t Kiel, omvat dat aan de Julius De Geyterstraat geen volledig bouwblok. Het werd ingeplant op een breed en relatief ondiep perceel. Toch sluit het zowel qua inplanting als qua architectuur aan bij de andere woonblokken in deze wijk, die waarschijnlijk geïnspireerd waren op de Weense Hoven.

Aan de straatzijde bevinden zich drie volumes van vijf bouwlagen (met respectievelijk 20, 30 en opnieuw 20 appartementen) en ertussen een conciërgewoning van één bouwlaag. Aan weerszijden van deze twee conciërgewoningen bevinden zich poorten die toegang verlenen tot twee achterliggende, U-vormige appartementsgebouwen van vijf bouwlagen (elk met 25 appartementen) en vijf kleine binnenpleinen. Volgens de ontwerpen werden twee van deze pleinen (die rechtstreeks toegankelijk waren van op de straat) voorzien als speelplaats, de overige drie (die via doorgangen verbonden waren met de twee speelplaatsen) werden ingericht als meer private tuinen (“lusthof”).

Het uitgesproken symmetrische karakter van het complex verleent het een zekere monumentaliteit, wat nog versterkt wordt door de rijkelijk gedecoreerde gevelarchitectuur, een bewuste keuze van de ontwerpers en de opdrachtgever om het kazerneachtige verleden van de sociale appartementsbouw van zich af te schudden en resoluut te gaan voor een meer genereus, burgerlijk, zelfs paleisachtig imago. Voor de voorgevels aan de straat en de gevels achter de conciërgewoningen en poorten (die ook zichtbaar waren vanop de straat) werd gekozen voor de toen modieuze, op de Franse Beaux-Arts geïnspireerde art deco. Kenmerkend zijn onder andere een puilijst met consoles die onderbroken wordt door de opgaande traphallen met een verschillende vensterordonnantie van de gevel, de bekroning van de ingangen met een vooruitspringende kroonlijst en een neoclassicistisch aandoende kroonlijst, onderbroken door hoger opgaande gevels boven de traphallen, gedecoreerd met geometrisch gestileerde consoles en tandlijst. Verder zijn de grotendeels gecementeerde gevels verlevendigd met verticale, rode bakstenen muurvlakken, die het monumentale karakter ervan nog onderstrepen, net zoals enkele vooruitspringende raamtraveeën. Gevels aan de binnenpleinen waren veel eenvoudiger opgevat en werden vooral gekenmerkt door het geometrische volumespel van de horizontale balkons en verticale, geprononceerde trapkokers. Bij de renovatie in de jaren negentig bleven enkel de voor- en zijgevels van de gebouwen aan de straatzijde behouden (façadisme).

Wat de planindeling betreft, werd dit complex – net zoals de andere woonblokken uit deze wijk – gekenmerkt door het grote aantal traphallen waardoor deze slechts twee appartementen per verdieping ontsloten. De meeste appartementen (110) waren typeappartementen (die Craeye ook toepaste in andere woonblokken) met een woonkamer, keuken (spoelplaats) en een private buitenruimte (balkon) die naar het binnenplein gericht waren, en drie slaapkamers. Twaalf appartementen telden slechts twee slaapkamers.

Evaluatie

Het woonblok aan de Jules De Geyterstraat 81-131 is een mooi en vroeg voorbeeld van hoe het type van de Weense Hoven toegepast werd in de context van een Vlaamse provinciestad (stedenbouwkundige waarde) en van de monumentale, rijkelijk gedecoreerde gevelarchitectuur die men in deze periode hanteerde voor dit woningtype (architecturale waarde). Door de ingrijpende renovatiewerken van de jaren negentig bleef enkel die gevelarchitectuur deels bewaard als erfgoedelement, evenals de algemene inplanting met kleinere, semipublieke binnenpleinen en -tuinen.

  • FelixArchief, dossier 1922#13406 en 1923#15473
  • Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Dienst Onroerende Transacties, registratiefiches, SHM 1030, Antwerpen, Kiel, De Geyterstraat.
  • Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Bouw- en renovatieplannen, 1182.
  • PLOMTEUX G. & STEYAERT R. met medewerking van WYLLEMAN L. 1989: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 3NC, Brussel - Turnhout.

Bron     : -
Auteurs :  Vandeweghe, Evert
Datum  : 2016


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Woonblok van 1923 naar ontwerp van Edward Craeye [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302571 (Geraadpleegd op 11-12-2019)