erfgoedobject

Appartementsgebouw Borghgraef

bouwkundig element
ID: 302599   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302599

Juridische gevolgen

Beschrijving

Appartementsgebouw in art-decostijl, in 1935-1936 gebouwd als opbrengsteigendom voor de Hobokense tandarts Cyriel Borghgraef naar een ontwerp van architect Frans Cools.

Over architect Frans Cools is vooralsnog weinig geweten. Hij startte zijn loopbaan vermoedelijk omstreeks 1920 en lijkt als architect actief te zijn geweest tot de late jaren 1950. Met Frans Van Rompaey ontwierp Cools in de jaren 1920 voor de Gewestelijke Maatschappij voor Huisvesting enkele kleine tuinwijken en reeksen sociale woningen in Kruibeke en Beveren. Later evolueerden zijn ontwerpen van een expressieve baksteenarchitectuur onder invloed van de Amsterdamse School, naar een gematigd modernisme. Van deze stijlevolutie getuigen onder meer dit flatgebouw aan de Camille Huysmanslaan en een modernistisch woon- en bedrijfsgebouw in de Cuperusstraat te Antwerpen.

Met een gevelbreedte van vier traveeën omvat dit appartementsgebouw in de rij een souterrain en vier bouwlagen onder een plat dak. Het gebouw, 16 meter breed en gebouwd op de rooilijn, heeft een excentrisch geplaatste toegang en groepeert acht appartementen, twee per bouwlaag. De kroonlijsthoogte van 13 meter werd afgestemd op die van het reeds bestaande modernistische flatgebouw met nummer 73, een realisatie van architect Jan Jacobs.

Exterieur

Als parement is gebruik gemaakt van rode baksteen, gemetseld in kettingverband met grijze verdiepte lintvoegen en oorspronkelijk rood gekleurde platvolle stootvoegen, ruim verwerkt met witte natuursteen. Balkons, vloer- en dakroosteringen zijn uitgevoerd in beton, terwijl bakstenen metselwerk gebruikt is voor de muurdelen.

De bovenbouw is opgevat als een monumentaal vensterregister met omzomende arrière-corps in baksteenparement. Symmetrisch ontworpen volgens een spiegelend schema, krijgt dit register een evenwichtige plastische geleding door middel van zijwaartse, oplopende en vijfzijdige erkers die centraal aansluiten op een balkon, waarachter een parement in rode baksteen. Erker en balkon zijn telkens verbonden middels een doorlopende borstwering in witte natuursteen.

De begane grond is getekend als een hoge, expressief uitgewerkte rustica sokkel, met gefrijnde, afwisselend brede banden in witte natuursteen – ook ter verfraaiing van de parement tussen de erkerpartijen - en tussenliggende verdiepte stroken in blauwe hardsteen. Deze sokkel loopt bovenaan door in het geprofileerd balkonmassief, die fungeert als luifel van de begane grond en sokkel van de bovenbouw. De toegangsdeur met hardstenen treden bevindt zich in de derde travee en is geflankeerd door een langgerekt drielicht in functie van de conciërge/portier. Aan weerszijden van de pui zijn opnieuw drielichten voorzien die conform de bovenliggende erkerpartijen bestaan uit een breed middenvenster en twee smalle zijlichten, ter verlichting van de woonkamers. De twee centrale traveeën van de bovenbouw zijn ingedeeld met brede drielichten voor de slaapkamers. Middels een vensterdeur geven de erkerpartijen uit op het balkon, die voorzien waren in grès émaillé.

Ornamentele detaillering in blauwe hardsteen is verder aangewend voor de geprofileerde omlijsting van deuren en vensters en kwarthol afgewerkte lekdrempels op de begane grond en in de bovenbouw voor de halfrond beëindigde erkerposten en centrale decoratieve draagelementen die zich aan het balkon vastklemmen. Het gevelfront is verder verlevendigd door een dakrand met dekstenen in hetzelfde materiaal, die ter hoogte van de scheimuren lager is uitgewerkt en voorzien is van spuwers onder de voegen, ook in blauwe hardsteen. De kelderlichten zijn uitgerust met diefijzers in strak metalen smeedwerk.

Nog oorspronkelijk zijn de elegante, met gehamerd glas beglaasde smeedijzeren toegangsdeur en de zijpanelen met brievenbussen en parlofoon. Het schrijnwerk en de rolluiken in de drie lichten van het portiersverblijf bleven ook bewaard. De rest van vensterschrijnwerk en de erkerlijst zijn vervangen in kunststof waarin de oorspronkelijke raamverdeling niet werd hernomen. Nog aanwezig zijn bronzen ornamenten zoals het huisnummer en de brievensleuf met opschrift '[c]oncierge', en verder nog een voetschraper.

De functioneler vormgegeven achtergevel met baksteenparement heeft inpandige en deels uitkragende zijdelingse terrassen aan de keukens.

Interieur

De plattegrond groepeert twee grote appartementen per bouwlaag, met symmetrische indeling volgens een spiegelend schema in de lengteas. Alle niveaus zijn ontsloten vanuit de gemeenschappelijke traphal met lift, waarrond een halfcirkelvormige wenteltrap. Een centrale inkomhal met links ernaast een portiersverblijf verleent toegang tot de traphal, die, karakteristiek voor gegoede interbellumwoningen, bekleed is in Belgisch marmer: de trap is uitgevoerd in rood-grijs (Byzantin Beige) en de hoge plinten in rood (Rouge Royal). Volgens de bouwplannen bevond zich in de inkomhal oorspronkelijk een telefooncel voor de bewoners. De lift, met stalen kooi waarin een vouwhekken-deur en beglaasd houten paneelwerk is origineel.

Het kelderniveau, waarvan het plafond ongeveer een halve meter boven de straatpas ligt, wordt volgens de bouwplannen zowel vanuit de traphal als het portiersverblijf ontsloten. Naast twee keldervertrekken voor de conciërge en een stookruimte met kolenberging, biedt het souterrain ruimte aan acht private bergkelders en twee gemeenschappelijke keldertjes.

Van de acht appartementen is de indeling nagenoeg identiek. Aan de traphalzijde en aan de achtergevel zijn de circulatie- en secundaire ruimten voorzien, terwijl de leef- en slaapruimten de brede venstertravee innemen. Een langgerekte gang op het middenplan ontsluit alle ruimten met achter de traphal een vestiairekast en een aaneenschakeling van een lavatory, een toilet, en een badkamer die elk via de centrale lichtschacht indirect daglicht genieten. In de brede venstertravee een enfilade van woonkamer en eetplaats, gescheiden door schouderboog op gepleisterde halfzuilen. Erachter een slaapkamer met venster uitgevend op een groot inpandig terras met borstwering in metselwerk. Langs het terras en achter de slaapkamer een linnenkamer waarbij de oorspronkelijk voorziene kast en een bergplaats niet zijn uitgevoerd. In april 1936 werd in functie van grotere linnenkamers toelating verleend om de oppervlakte van de inpandige terrassen te verkleinen en een voorzien buitentoilet uit het ontwerp te schrappen. In de smalle venstertravee is een slaapkamer met balkon ingericht, en aan de tuinzijde een keuken en een toilet uitgevend op het terras. De gelijkvloerse flats boeten aan ruimte in vanwege de inkomhal en het portiersverblijf, en hebben daardoor vooraan geen slaapkamer. Deze flats hebben wel het genot van een groter, deels overdekt terras en van de kleine stadstuin.

De flats zijn voorzien van typische strakke grenen binnendeuren met vier horizontale glaspanelen. In meerdere appartementen werden deze deuren behouden. Dit geldt ook voor de parketvloeren in visgraat motief (hal, woonkamer, eetkamer en slaapkamers) en de donkerrode vierkante volkeramische tegeltjes type Winckelmans (balkons, terrassen, linnenkamers).

  • Stadsarchief Antwerpen, Bouwdossiers, 18#3203 en 18#4444.

Bron     : -
Auteurs :  Bisschops, Tim, Van den Borne, Steven
Datum  : 2016


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Appartementsgebouw Borghgraef [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302599 (Geraadpleegd op 23-08-2019)