Halfvrijstaand burgerhuis Hofman

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Antwerpen
Deelgemeente Antwerpen
Straat Serigiersstraat
Locatie Serigiersstraat 22, Antwerpen (Antwerpen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Herinventarisatie Tentoonstellingswijk Antwerpen (inventarisatie: 01-10-2015 - 15-12-2015).

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Typologieburgerhuizen
Stijlmodernisme
Dateringna WO II
Betrokken personen

Beschrijving

Halfvrijstaand burgerhuis in naoorlogs modernisme, gebouwd in 1957 in opdracht van A. Hofman naar een ontwerp door architect Etienne Oppeel uit 1956. De woning werd bij de bouw voorzien van een schuilkelder.

Etienne Oppeel is een architect uit Deurne (Antwerpen), actief in de tweede helft van de 20ste eeuw. Na een stage bij René Grosemans, is Oppeel een tijdlang medewerker op het architectenbureau van Louis Stynen in Borgerhout, waarna hij een eigen praktijk in Deurne begint. In 1953 bouwt hij zijn eigen woning op de Venneborglaan in Deurne. Met die woning geeft hij uiting aan zijn uitgesproken voorkeur voor het modernisme, waar hij bij de opdrachten die hij krijgt soms van afwijkt, om tegemoet te komen aan de klant. Bij het ontwerpen van de woning Hofman in de Serigiersstraat diende de architect dan weer aansluiting te zoeken bij de rest van het straatbeeld, getypeerd door overwegend in de jaren 1950 gebouwde woningen in een traditionalistisch geïnspireerd modernisme.

Deze halfvrijstaande rijwoning met zijdelingse toegang vormt visueel een geheel met de woning Serigiersstraat 24. De garage is gekoppeld aan deze van het buurpand met huisnummer 20. Volume, vormgeving en materiaalgebruik werden mee ingegeven door de architectuur van het in 1956 reeds gebouwde buurpand; tegelijk wist Oppeel de woning duidelijk te onderscheiden. Het gebouw met een gevelbreedte van twee traveeën aan de straat, is deels onderkelderd en omvat twee bouwlagen onder een in 2016 volledig vernieuwd pseudo-mansardedak (leien). Betonnen welfsels of gewapend stortbeton is gebruikt voor de vloerplaten, terwijl het muurwerk in baksteen is opgetrokken. De lijstgevels kregen een parement in gladde rode baksteen, gemetseld in halfsteens verband met verdiepte lintvoegen, op een plint van leisteentegels in wildverband. Voor dorpels, luifels, muurpanelen en kolommen wordt gebruik gemaakt van witte kunststeen.

De compositie kenmerkt zich door de als één geheel ontworpen voor- en zijgevel met een monumentale geleding van overhoekse en geometrisch uitgewerkte vensterregisters, die contrasteren met het sobere rode baksteenparement. In de zijgevel gaat het om een liggend T-vormig venstervlak, dat volgende ruimten visueel groepeert: de inkomhal met verticaal traplicht geflankeerd door de vestiaire en het hoekvenster van de spreekkamer. In het gevelfront aan de straatzijde zijn de vensters uitgewerkt als liggende L-vorm die de brede vensterpartijen van de leefruimte en de slaapvertrekken samenbrengt. Aan de rechter zijde zijn de vensters hier oplopend en op de eerste verdieping gedeeltelijk opengewerkt met metalen borstwering. Als bindelementen voorziet Oppeel in de beide gevelfronten gecanneleerde muurpanelen in witte kunststeen en leisteentegels in wildverband.

Verder ligt de nadruk op de horizontaliserende en massief uitgewerkte begane grond van de drie traveeën brede zijgevel met de scharnierende hoektravee. Deze massief beklede strook, die de secundaire ruimtes aangeeft, komt tot stand door het zware omkaderde en overluifelde inkomportaal geflankeerd door forse kunststenen staanders uiterst links (vestiaire) en in de hoek (spreekkamer). Deze stenen ornamentatie, die de achterliggende ruimten de nodige intimiteit verleent, contrasteert sterk met de rode bakstenen bovenbouw, met de grote vensterpartijen in licht metalen schrijnwerk – het traplicht als verticaal tegengewicht - en met de kleinere daklichten die de travee-indeling volgen. Het horizontale streven wordt nog benadrukt door de puilijst die over de hoek doorloopt en aansluit aan de oplopende vensterpartijen in de voorgevel en door de uitkragende dakgoot in gehamerd beton die vandaag is bekleed met volkunststofplaten. Het verdiepte inkomportaal is verder verlevendigd door trappen in leisteen en een paneel van blauwe glasmozaïek met gekleurde accenten.

De achtergevel is meer functioneel uitgewerkt met nadruk op de linkerzijde waar Oppeel aan de eetkamer een breukstenen terras voorziet en hierboven een balkon waarop de slaapkamer uitgeeft.

Het metalen schrijnwerk, oorspronkelijk wit geschilderd, en de metalen spijlenbalustrade bleven bewaard. Het mansardedak werd in de zomer van 2016 volledig vernieuwd, weliswaar met behoud van het stalen vensterschrijnwerk. De originele natuurleien, geplaatst in halfsteens verband (dubbele dekking) ruimden plaats voor kunstleien van groter formaat, en ook het dun gecanneleerd en oorspronkelijk witgeschilderd houtwerk tussen de dakvensters week voor een leibekleding. De drieledige metalen garagepoort is vervangen door een sectionale poort.

Hoewel dit burgerhuis halfvrijstaand is, past de architect de sinds de 19de eeuw gangbare enkelhuisindeling in twee afgelijnde traveeën toe, kenmerkend voor rijwoningen. De deur zit wel in de zijgevel, maar is daar ingepast in het klassieke stramien.

De leef- en slaapvertrekken zijn toegankelijk vanaf een zijdelingse, dwars op de straat ingeplante trappenhal, terwijl de kelder ontsloten wordt via een diensttrap in de keuken. Deze kelder strekt zich uit onder deze keuken en de hal en werd volgens het bouwplan gedeeltelijk ingericht om te dienen als schuilplaats tegen bomaanvallen, conform "de beschikkingen van het KB van 20 mei 1939, bekrachtigd door de wet van 16 juni 1947". De keldertrap komt uit op het rechthoekige sas van de schuilkelder. Van het sas en de schuilkelder zijn het plafond en de muren versterkt met gewapend beton, de deuren zijn van staal. Achter de schuilkelder liggen een kolenkelder met keldermond aan de zijgevel en een voorraadkelder.

Het plan is op de begane grond traditioneel opgevat. Zo voorziet het ontwerp in de linker travee de secundaire ruimten met van straat- naar tuinzijde de spreekkamer, de traphal met vestiaire en de keuken. Oppeel ontwerpt achter de centrale toegang in de zijgevel een ruime hal met een halfcirkelvormige metalen wenteltrap zonder stootborden en een aparte vestiaire met gastentoilet. Deze opmerkelijke trap is zichtbaar vanop straat en bepaalt daar meer de esthetiek van de zijgevel. Een binnenmuur met flagstonebekleding tegenover de inkom accentueert de toegang tot de woonkamer, die overloopt in de eetkamer. Samen nemen ze de volledig rechtertravee in van voor- tot achtergevel. Via een glazen vleugeldeur met vast zijpaneel geeft de eetkamer uit op een gedeeltelijk inpandig en onregelmatig gevormd terras in flagstones en op de tuin, twee treden lager. Een witgelakte stalen spijlenbalustrade zoomt het terras af. De garage, oorspronkelijk bereikbaar over een oprit in flagstones is niet vanuit de woning toegankelijk.

Behalve aan de trapzaal en nachtgang met bergplaats, biedt de eerste verdieping ruimte aan drie slaapkamers, twee aan de straatzijde en één aan de tuinzijde met en suite badkamer. De slaapvertrekken zijn gescheiden door een linnenkamer op het middenplan. Van het dakniveau met dezelfde plattegrond als de eerste verdieping, zouden volgens het bouwplan enkel de trapzaal en de gang worden afgewerkt. De overige vier ruimten bleven onbestemd, wellicht gebruikt als zolderbergruimtes.

  • Stadsarchief Antwerpen, Bouwdossier, 18#36335.

Bron: -

Auteurs: Bisschops, Tim & Van den Borne, Steven

Datum tekst: 2016

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Antwerpen - 19de- en 20ste-eeuwse stadsuitbreiding

Antwerpen (Antwerpen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.