erfgoedobject

Burgerhuis Zech-Steyteheff

bouwkundig element
ID: 302624   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302624

Juridische gevolgen

Beschrijving

Burgerhuis in sobere art-decostijl, gebouwd in 1931-1932 als eigen woning voor mevrouw Eleonore Zech-Steyteheff, naar een ontwerp van architect Eduard De Winter (inscriptie op de pui) uit 1931. In 1937 bewoont advocaat Ferdinand Zech het pand.

Eduard De Winter realiseerde omstreeks 1930 nog twee andere burgerhuizen in de Vlaamsekunstlaan, de nummers 6 en 21. Het gekende oeuvre van De Winter wordt gekenmerkt door een voorkeur voor meer behoudsgezinde stijlen zoals een ornamentele art deco of cottagestijl. Slechts in enkele van zijn ontwerpen neigt de architect naar het modernisme.

Deze rijwoning maakt deel uit van een visueel geheel van vier burgerhuizen, die twee aan twee gekoppeld zijn met tussenliggende zijtoegangen tot de nummers 4 en 6. Volume, vormgeving en materiaalgebruik werden mee ingegeven door de architectuur van de stadsvilla’s en herenhuizen in conventionele art deco die in 1932 sterk het beeld van de verlengde Jan van Rijswijcklaan bepaalden. Alle vertegenwoordigen ze een behoudsgezinde, burgerlijke smaak, die haaks staat op de algemene tendens van moderniteit die de Tentoonstellingswijk typeert.

Het onderkelderde burgerhuis heeft een gemengd bak- en natuursteenparement en omvat drie bouwlagen onder een pseudo-mansardedak met leien in maasdekking. De vloerplaten zijn uitgevoerd als houten roosteringen in de voorbouw en gewapend beton in de achterbouw, terwijl het dragend muurwerk is opgetrokken in baksteen en de niet-dragende binnenmuren in Lugino.

De compositie deelt de lijstgevel op in enerzijds een sokkel in witte natuursteen op een zware plint met twee versnijdingen in hetzelfde materiaal, en anderzijds een symmetrisch ontworpen bovenbouw geflankeerd door kolossale witstenen pilasters die zonder topstuk overgaan in een blinde witstenen fries. De klemtoon ligt op de bel-etage die is uitgewerkt als een bow-window met vierlicht. Hierop sluiten een balkon met drielicht aan, doorlopend tot in de mansarde met twee dakvensters. Op de begane grond wordt de toegang links geflankeerd door de garagepoort met tussenliggend een hoog geplaatst vestiairevenster. Het baksteenparement is van bezande bruinrode handvormsteen, gemetseld in staand verband met platvolle voegen. Het geveldecor bestaat uit geometrisch lijstwerk, typisch gecanneleerde pilasters, en ornamenten in een florale art deco.

Verder ontleent de gevel zijn art-decokarakter aan de opvallende versiering van de borstweringen, met typisch gegroefde onderdorpels, hier afwijkend aan het aanpalend nummer 6 zonder rankwerkornamenten in spiraalvorm.

Nog behouden zijn de houten voordeur, het vestiaireraam, en de vierledige garagepoort, alle voorzien van art-decosiertraliewerk. Ook de smeedijzeren balkonbalustrades zijn bewaard. Het houten vensterschrijnwerk van de verdiepingen werd vernieuwd zonder de fijne roedeverdeling te hernemen. De oorspronkelijke houten kroonlijst en daklijst zijn vervangen door of bekleed met kunststof.

Volgens het bouwplan werd de achtergevel even rijk uitgevoerd als de voorgevel, met grote en ranke deur- en vensteropeningen en met een natuur- en baksteenparement gedecoreerd met onder meer geometrisch lijstwerk en balustrades in art-decosmeedwerk. Klassiek opgevat, is de achtergevel voorzien van een achterbouw voor de dienstlokalen en een terugwijkend woongedeelte. De achterbouw kreeg een opvallende halfronde uitwerking, op de verdieping uitgerust met een smal balkon aan de badkamer. In het terugwijkend linkerdeel kreeg de eetkamer op de bel-etage een terras boven de keuken.

De plattegrond volgt de conventionele typologie van de bel-etagewoning voor de vermogende burgerij (uitgerust voor inwonend personeel) met op de begane grond de dienstlokalen met keuken, daarboven de leefruimten met terras, en bovenliggend de slaap- en mansardevertrekken. In de inkomtravee ontsluit de traphal met wenteltrap onder plat licht alle niveaus en een achterliggende lift geeft toegang tot de begane grond, de bel-etage en de slaapvertrekken.

Volgens het bouwplan wordt op de begane grond de diepe, smalle rechtertravee ingenomen door een inkom met vestiaire, via de trapzaal leidend naar een dienstgang met personenlift, en in de achterbouw een wasplaats en een diensttoilet met pompplaats. In de brede linkertravee een garage met smeerput waarachter een grote keuken met etenslift. Met een beglaasde vleugeldeur geeft de keuken uit op een groot L-vormig betegeld terras dat het diensttoilet en de pompplaats afzoomt, waarachter een volledig ommuurde tuin. De bel-etage is klassiek ingedeeld met dienstruimten (office en toilette) achteraan in de inkomtravee en aanpalend in de bredere travee een klassieke enfilade van salon (gevelbreed aan straatzijde), eetkamer (middenplan) en terras aan tuinzijde. De eetkamer is uitgewerkt als scharnierruimte, voorzien van vierdelige vouwdeuren naar het salon en de trapzaal en bediend door een monte-plats aan de keukenzijde. De slaapverdieping, ook bereikbaar met de lift, biedt ruimte aan een slaapkamer en een kleine naaikamer vooraan, en een slaapkamer met en-suite badkamer achteraan. Op de mansardeverdieping bevinden zich behalve de traphal met bergkast, drie mansarden en een linnenkamer.

Nog volgens het bouwplan strekt de kelder, ontsloten via de traphal, zich uit onder de volledige woning behalve onder de garage. Vanuit de zijdelingse gang met houtbak biedt dit ondergrondse niveau ruimte aan een verwarmingsruimte met twee kolenkelders aan de straatzijde, een grote provisiekelder met eetkas achteraan, en aansluitend een wijnkelder onder de achterbouw.

  • Stadsarchief Antwerpen, Bouwdossier, 1931#39649.
  • RATINCKX F. 1937: Adresboek Van Antwerpen, Antwerpen, 79.

Bron     : -
Auteurs :  Bisschops, Tim, Van den Borne, Steven
Datum  : 2016


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Burgerhuis Zech-Steyteheff [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302624 (Geraadpleegd op 21-08-2019)