erfgoedobject

Restanten gravenburcht: heuvel en gracht

archeologisch geheel
ID
302700
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302700

Juridische gevolgen

Beschrijving

Archeologische nota

De motteheuvel en gracht vormen het relict van de volmiddeleeuwse burcht van de graven van Loon, opgericht op een strategisch gelegen heuvelrug. Hoewel de burcht reeds in een vroeg stadium verlaten werd en nooit een nieuwe functie kreeg, is de structuur ervan bepalend gebleven voor de verdere ontwikkeling van het centrum van Borgloon.

Historiek

De keuze van Borgloon als caput comitatus van de graven van Loon heeft waarschijnlijk te maken met de hoge ligging op een heuvel van het massief van Borgloon en haar strategisch belang op de meest bedreigde grens van het graafschap, namelijk die met Luik. Op één van de hoogste heuvels, die nog eens kunstmatig werd verhoogd, bouwden zij in de tweede helft van de 10de eeuw (alleszins na 966) een burcht. Rond deze kern ontwikkelde zich de huidige stad. Het is mogelijk dat de plaats reeds eerder bewoond was: J. Daris (1876) vermeldt dat bij het nivelleren in 1871 onder de heuvel resten van een oudere versterking ontdekt werden, waarvan niet kon uitgemaakt worden of het om een Romeinse, een Merovingische of Karolingische constructie ging. Er werden onder andere Romeinse tegels en dakpannen aangetroffen.

De primitieve constellatie van de burchtsite was typisch voor de tijd: een motte met neerhof en kerk in de onmiddellijke omgeving. De uitgekozen heuveltop werd kunstmatig verhoogd en erbovenop werd een platform aangelegd, dat met een palissade was omwald. In het midden van het platform werd een donjon opgetrokken. Om de heuvel, die aan drie kanten ongenaakbaar was omwille van de steile helling, aan de vierde zijde te beschermen, werd een gracht aangelegd. Aan het opperhof grensde een neerhof, waarop zich de Sint-Odulphuskerk bevond, waarschijnlijk een oudere stichting, die uiteindelijk als burchtkapel ging fungeren.

De burcht werd beheerd door een borchgraef, een functie die de graven van Loon verwierven als erfelijk leen, begiftigd met goederen en renten. Na het verval van de burcht zou de functie blijven bestaan als een erfelijke, honoraire titel. Het burggraafschap was op verschillende tijdstippen in handen van de families van Herck (eerste helft 13de eeuw) en van Sassenbroeck (eerste helft 14de eeuw); vervolgens kwam het in het bezit van de heren van Veulen. De laatste burggraaf was François-Joseph-Charles-Marie d'Argenteau; hij protesteerde tegen de verkoop van de Borchgracht in 1823.

In 1180 werd de burcht, samen met de kerk, verwoest door prins-bisschop Raoul de Zähringen. De burcht werd heropgebouwd, maar opnieuw verwoest in 1232; het is niet duidelijk in welk conflict dit gebeurde. Vóór 1232 echter hadden de graven hun residentie reeds naar het kasteel van Kuringen bij Hasselt overgebracht, alsook de Edele Leenzaal, het feodale hof. Bovendien werd de abdij van Herkenrode van dan af de officiële begraafplaats van de graven. Geleidelijk aan verloor Borgloon zijn functie van hoofdplaats aan Hasselt. Eén van de redenen voor deze verschuiving is waarschijnlijk het feit dat de ontwikkeling van Borgloon als stad sterk belemmerd werd door haar ongunstige ligging op korte afstand van de welvarende steden Sint-Truiden en Tongeren.

De eerste vermelding van het Loonse stadhuis als ’s grevenhuis (1358) schijnt erop te wijzen dat de graven het stadhuis betrokken wanneer zij in Borgloon resideerden. Bij de inlijving van het graafschap Loon bij het prinsbisdom Luik in 1366, verloor de burcht zijn strategische betekenis en trad een periode van verval in. Pogingen tot rehabilitatie werden ondernomen in het kader van de burgeroorlog tussen de familie de La Marck en de prins-bisschoppen Louis de Bourbon (1456-1482) en Jean de Hornes (1483-1505), toen Louis de La Marck een aantal oude burchten en kastelen in het land van Loon opnieuw in staat van paraatheid probeerde te brengen. De werken aan de Loonse burcht bleven echter onvoltooid en na de oorlog verdween geleidelijk het gehele gebouw, tot enkel nog een kale heuvel met grachtrestanten getuigde van de vroegere situatie. Een tekening van Peril (16de eeuw) toont nog imposante ruïnes naast de kerk; op een tekening van Remacle Le Loup (1738) is vrijwel geen bebouwing meer zichtbaar. De kabinetskaart van de Ferraris (1770-1778) toont enkel nog een circulaire structuur, vermoedelijk verwijzend naar de motteheuvel.

Het bouwterrein zelf bleef uiteindelijk ook niet gespaard: in 1823 was sprake van de verkoop van de Borchgracht, het terrein waarop zich de oude burcht bevond, maar deze verkoop werd afgewend. In 1827 stortte een gedeelte van de burchtheuvel in. In 1870 werd uiteindelijk begonnen met het opruimen van de burchtheuvel, het dempen van de oostelijke gracht (de zogenaamde Peerdspoel) en het nivelleren van het Speelhof, dat zijn kerkhoffunctie sinds 1850 verloren had. De werken namen een zevental jaren in beslag en een gedeelte van het afbraakmateriaal werd gebruikt voor de verharding van wegen. Op de vrijgekomen plaats werd in 1870 begonnen met de bouw van de gemeentelijke jongensschool naar ontwerp van H. Jaminé. Deze verdween op haar beurt op het einde van de jaren 1970. In de plaats kwam een nieuwbouw-bibliotheek.

Beschrijving

Van de burcht rest tegenwoordig enkel nog een deel van de basistopografie en de benaming Borchgracht. Op de zuidelijke uithoek van het terrein, waarop de versterking gesitueerd is, bevindt zich een cirkelvormige verhevenheid, die als een middeleeuwse motte kan geïnterpreteerd worden. De motteheuvel, met een doorsnede van circa 13 meter, situeert zich op het uiteinde van een natuurlijke rug, die zich ruim 30 meter boven de vlakte aan de voet ervan verheft, en zou slechts een restant van een oorspronkelijk grotere, min of meer ovale ophoging zijn. Deze ophoging bestaat enkel nog uit een heuvel en een afgegraven gedeelte ten noorden ervan.

Grondsporen, meestal afkomstig van uitgebroken muren in silex, wijzen op een rechthoekig gebouw van 33 bij 10 meter binnenwerks, dat in een tweede fase mogelijk ondergronds kwam te liggen door aanaarding. In het noordelijk gedeelte bevond zich een waterput. Langs de noord- en oostzijde van het gebouw, tussen de motte en het neerhof (vandaag gekend als het Speelhof) was een gracht aangelegd. Palen aangetroffen in het zuiden en westen behoorden waarschijnlijk tot een palissade. Deze sporen werden als volmiddeleeuws gedateerd.

Ondanks het feit dat er van de eigenlijke burcht niets meer bewaard is gebleven, is de vroegere aanleg en bebouwing steeds een stempel blijven drukken op de evolutie van dit deel van de stad. Het beeldbepalende karakter van het terrein is dan ook uitgesproken. Op het terrein is daarenboven een nieuwe verhoging aangebracht, van waarop de wijde omgeving van Borgloon kan worden bewonderd, wat garant staat voor uitzichten over het rijke Haspengouwse landschap. Bovendien zou de ondergrond nog archeologische informatie kunnen bevatten.

  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden van Jozef Jean François de Ferraris, opgesteld tussen 1770-1778, schaal 1:11.520.
  • Beschermingsdossier DL002322, Borgloon: burchtheuvel en -gracht (S.n., 2003, digitaal dossier).
  • Centrale Archeologische Inventaris, ID 50126, Motte Burchtgracht 1.
  • https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/4478 (geraadpleegd op 6 januari 2013).

Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties

  • Is deel van
    Historische stadskern van Borgloon


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: Restanten gravenburcht: heuvel en gracht [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302700 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.