erfgoedobject

Tuinwijk Matadi

bouwkundig geheel
ID: 302709   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302709

Beschrijving

Traditionele tuinwijk, gebouwd volgens ontwerpplannen van 1922 van de hand van de Leuvense architecten en broers Eugène en Georges Jotthier, in opdracht van de huurderscoöperatieve De Goede Haard (Le Bon Logis) te Heverlee. De tuinwijk werd aangevat op 1 december 1922 en de bouw strekte zich uit tot 1925.

Historiek

Huurderscoöperatie De Goede Haard werd opgericht in navolging van de huisvestingswet van 1919, waarin werd gesteld dat elke werknemer van wie het loon onder een maximumgrens lag, beroep kon doen op een premie en gunstige leenvoorwaarden. In Heverlee ging het initiatief uit van enkele jonge bedienden van het Leuvense stadhuis, en werd later ondersteund door kennissen en collega’s van hen, die eveneens afkomstig weren uit de lagere burgerij. De Goede Haard werd definitief gesticht in augustus 1922 met als doel de bouw van een tuinwijk naar model van de wijk Le Bon Logis in Watermaal-Bosvoorde. De architecten die instonden voor het stedenbouwkundig plan van de wijk (gedateerd 25 juli 1922), meer bepaald broers Georges en Eugène Jotthier, waren eveneens verbonden aan het Leuvense stadhuis. Het architectenduo was in het interbellum zeer actief in het Leuvense, vooral in de periode van de wederopbouw en ook frequent in opdracht van lokale sociale woningbouwmaatschappijen en huurderscoöperatieven. De naam van wijk verwees in de vroegste archiefdocumenten naar de locatie van de wijk, meer bepaald Perkveld. Al gauw raakte een alternatieve wijknaam in voege, namelijk Matadi, aangezien de aanblik van de wijk referenties opriep met cités in de Congolese kolonie Matadi.

De wijk bestaat in totaal uit zo’n 172 gekoppelde eengezinswoningen, voorzien van voor- en achtertuinen. Deze kwamen tot stand in twee bouwfases. De eerste fase vatte aan in 1922 en omvatte 105 woningen. De eerste woningen werden gebouwd aan de Zegelaan. Nadien werden koppelwoningen gebouwd aan de Goede Haardlaan, Vinkenlaan, Toekomstlaan, Bloemenlaan en Guido Gezellelaan. In 1923 konden ze worden verhuurd en vanaf 1924 werden er ook woningen verkocht. De pers was lovend over het project, meer bepaald over de schilderachtige uitstraling van het ensemble, waardoor de wijk een inspiratiebron vormde voor andere tuinwijken die in Heverlee en daarbuiten zouden worden gebouwd. De tweede bouwfase vond plaats in 1925 met de bouw van 35 woningen in het zuiden van de wijk, aan de Broekstraat en de uiteinden van de Zegelaan, Vinkenlaan en Goede Haardlaan. En vervolgens werden 32 woningen gebouwd ten westen van de wijk, aan de Volhardingslaan.

De ontwikkeling van de wijk werd bij aanvang belemmerd door een laattijdige aanleg van de bestrating door een discussie over de kwaliteit van te gebruiken kasseien. Het onderhoud van de publieke groenaanleg en het scheren van hagen werd voorzien door de coöperatieve, mits kleine bijdragen van de bewoners. Omstreeks het midden van de jaren dertig werden verfraaiingswerken uitgevoerd aan de koppelwoningen die nog in bezit waren van de coöperatieve, meer bepaald het voorzien van gecementeerde banden en omlijstingen van de muuropeningen, evenals het vervangen van de zinken dakgoten door houten kroonlijsten. De maatschappij verwijderde eveneens de wit, groen en rood beschilderde luiken, die de gevels verfraaiden, vermoedelijk omwille van een beperking van het onderhoud.

Het aantal huurwoningen in bezit van De Goede Haard daalde stelselmatig tot 33 in 1952 en zes in 1982.

Stedenbouwkundige aanleg en architectuur

Wijk Matadi vormt een voorbeeld van een tuinwijk uit het interbellum. Ze onderscheidt zich echter wel van de sociaal bewogen tuinwijkgedachte naar Engels model, aangezien de wijk werd bewoond en gesticht door bedienden en er ook geen collectieve, gemeenschapsvormende voorzieningen waren geïntegreerd in de wijk. Toch namen de ontwerpers herkenbare, vormelijke principes over van de tuinwijken, zoals de aandacht voor perspectief in het stratenpatroon, het groeperen van woningen rond een, weliswaar heel beperkt, plein en het ontwerpen van woningen in een homogene stijl en typologie, doch gekenmerkt door een rijke variatie en individualiteit.

Inplanting en groenaanleg

Tuinwijk Matadi is gesitueerd op het terrein Perkveld, nabij het Lemmekensveld, in de nabijheid van de Abdij van ’t Park. De site wordt gekarakteriseerd door een sterke helling, die bijgevolg bepalend was voor de inplanting van de wijk en woningen. Hoewel het gemeentebestuur een alternatief voorstel deed voor het stratenpatroon, hield De Goede Haard vast aan het aanlegplan van architecten Jotthier, waarbij de straten gekenmerkt werden door sterke hellingen. Vermoedelijk werd dit verkozen omwille van een gunstigere inplanting van de percelen. De wijk is ingepast tussen twee bestaande straten, namelijk de noordelijke Paul Van Ostaijenlaan en de zuidelijke Broekstraat. Het oorspronkelijk aanlegplan van 1922 is herkenbaar en bestaat uit rechte assen tussen beide straten, voorzien van een kleine, pleinvormige verbreding met groenzone in het hart van de wijk, ter hoogte van de kruising van de centrale Zegelaan met de dwarse Goede Haardlaan. Hoewel geen hiërarchie in het stratenpatroon was voorzien, kreeg de Zegelaan toch het gevoel van hoofdas aangezien ze breder was en beboomd. De bomen langs de straat zijn recent heraangeplant. Ook de originele kasseibestrating is niet langer bewaard.

De woningen waren oorspronkelijk voorzien van omhaagde voor- en achtertuinen. De verzorgde tuinaanleg was in handen van H. Christiaens, hovenier te Park Heverlee. Thans is het homogene beeld van de voortuinstroken sterk gediversifieerd door individuele aanpassingen van de aanleg en de afsluitingen.

Architectuur

Het aanlegplan voorzag oorspronkelijk ruime koppelwoningen van twee tot acht eenheden. In de tweede bouwfase werd echter licht afgeweken van dit oorspronkelijke plan en werd het aantal geplande woningen opgevoerd door een hogere dichtheid van bebouwing met langere rijen aaneengeschakelde woningen en kleinere percelen. Vermoedelijk werd dit overwogen in functie van een hogere opbrengst voor de maatschappij. Het karakter van de bouwfases evolueerde aldus van een uitgesproken tuinwijkesthetiek tot een eenvoudigere rijbebouwing.

Traditionalistische baksteenarchitectuur van twee tot twintig wooneenheden onder een gemeenschappelijk pannen schilddak of onder afzonderlijke zadel- en schilddaken, waarbij de noklijn trapsgewijs verspringt door de inplanting van de woningen langs de hellende straten. Overwegend woningen van twee bouwlagen en twee traveeën, op uitzondering van de centrale woningen van de driewoonsten met drie traveeën. Lijstgevels in combinatie met puntgevels bij sommige woningtypes. Sobere bakstenen gevels in zichtbaar metselwerk met rechthoekige muuropeningen onder bakstenen rollagen. Een groot deel van de woningen getuigt van de aanpassingen tijdens de jaren 1930 en worden verlevendigd door gecementeerde venster- en deuromlijstingen en horizontale banden. Rechte en driezijdige erkers op de gelijkvloerse verdiepingen ritmeren de gevelwanden. Rechthoekige muuropeningen (oorspronkelijk beluikt) worden afgewisseld met rondboogvormige deuropeningen. Bij de buitenste wooneenheden van een koppelwoning zijn de toegangsdeuren vaak gesitueerd in de zijgevel, onder een luifel. Het eenheidsbeeld van de woningen is verstoord door renovatie, schilder- en pleisterwerken aan gevels, evenals de individuele aanpassingen van het schrijnwerk.

Ondanks de variatie in woningtypes is de variatie in planopbouw relatief beperkt. De eerste fase omvatte elf typeplans, waarvan er negen effectief werden gebouwd, en waarbij kandidaat-bewoners de mogelijkheid hadden om lichte wijzigingen ten opzichte van de plannen door te voeren. Meestal betrof dit heel beperkte aanpassingen aan muren en muuropeningen. In de bouwfasen van 1925 waren er vijf typeplans voorzien. Volgens de bouwplannen was elke woning relatief traditioneel opgevat, met op de gelijkvloerse verdieping een gang met traphal, een woonkamer (meestal aan de straatzijde), een keuken en wasplaats en/of studio. Boven waren er drie slaapkamers voorzien, evenals een kleine badkamer.

Vanaf 1958 beschikte de wijk over een eigen gebedsruimte, namelijk met de inhuldiging van de bakstenen Mariakapel, gelegen aan het uiteinde van de Matadilaan. Op het pleintje aan de Zegelaan staat een witgeschilderde bakstenen pijlerkapel onder een zadeldakje van rode leien.

Evaluatie

Typologisch interessant voorbeeld van een tuinwijk uit de vroege jaren 1920, doch met een specifiek karakter aangezien de wijk werd gesticht en bewoond door bedienden. De bepalende erfgoedelementen op stedenbouwkundig vlak zijn onder meer het herkenbare oorspronkelijke inplantingsplan met aandacht voor perspectief, publieke en private groenaanleg en (weliswaar heel beperkte) pleinvorming. Ook de architectuur van de koppelwoningen is typerend en wordt gekenmerkt door een variatie in de woningtypes, die ingepast worden tot een stilistisch homogeen ensemble. Ingrijpende verbouwingen van parementen en de heraanleg van tal van voortuinstroken, hebben de eenheid van de wijk wel sterk aangetast.

  • Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, Dienst Onroerende Transacties, registratiefiches, SHM 2360, Leuven, Wijk Matadi.
  • ELSEN L. 2014: De sociale woningbouw in Leuven tijdens het interbellum. Ideologieën en discussies bij betrokken actoren, onuitgegeven masterproef, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Letteren, 58, 79, 85, 116.
  • EXELMANS L. 1983: Analyse van bestaande woningen in een beperkt weefsel vanuit een morfologische, typologische aanpak (Matadi wijk), onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit toegepaste wetenschappen, departement architectuur, 28-53 en bijlage 1.
  • UYTTERHOEVEN R. & MORIAS C. 1996: Heverlee 1846-1976. Evolutie in woord en beeld, Leuven, 135.

Bron     : -
Auteurs : Van Herck, Karina, Verhelst, Julie
Datum  : 2016


Relaties

  • Is deel van
    Heverlee
    Heverlee (Leuven)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Tuinwijk Matadi [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302709 (Geraadpleegd op 24-06-2019)