Bandkeramische site van de Sieberg

inventaris archeologisch erfgoed \ archeologische zone

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Riemst
Deelgemeente Herderen, Vlijtingen, Riemst
Straat
Locatie Herderen, Riemst, Vlijtingen (Riemst)

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • AZ-project Bandkeramische sites (bureauonderzoek, inventarisatie: 2010 - 2016).

Juridische gevolgen

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Algemene situering

De archeologische zone (AZ) is gelegen op een vooruitstekend plateau dat een oostelijke uitloper is van de Sieberg. Pedologisch wordt het plateau gedomineerd door droge leembodems met textuur B horizont (bodemserie Aba naar de Belgische bodemclassificatie). De belangrijkste waarnemingen in deze zone gebeurden tijdens de aanleg van de aardgasleiding Oupeye-Lanaken, waarbij, naast enkele ijzertijdkuilen, sporen van een Bandkeramische nederzetting werden opgetekend. Deze bevestigden vroegere oppervlaktevondsten op het plateau. In een ruimer geografisch verband behoort deze site tot de zgn. Heeswatercluster van nederzettingen van de Lineaire Bandkeramiek (LBK) (Bakels 1982), waartoe ook verschillende andere sites toe behoren (Lux 1964), o.a. Rosmeer- Staberg (De Laet 1953; Roosens 1954, 1955, 1958a, 1958b, 1960, 1961, 1962, 1963, Lux 1966) en Vlijtingen- Keiberg (Marichal 1982; Marichal et al. 1987).

Archeologische nota

Bandkeramische vondsten in de omgeving worden voor het eerst vermeld in het overzicht van Lux (Lux 1964) te Riemst- Sieberg en Riemst- Reek. De vondsten van de Sieberg werden bevestigd door oppervlaktevondsten van de heer K. Groenendijk. De voornaamste waarnemingen op deze site gebeurden echter in 1999, bij de aanleg van de Distrigasleiding tussen Oupeye en Lanaken. De resultaten van dit onderzoek werden summier gerapporteerd (Vanmontfort et al. 1999), een volledige publicatie bleef echter vooralsnog achterwege. Tussen 15-08-1999 en 31-08-1999 werd door de KU Leuven in samenwerking met het toenmalig Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) een noodonderzoek uitgevoerd waarbij sporen werden herkend over een lengte van ca. 150 m op het tracé van de gasleiding. De opgravingszone is gelegen op een relatief flauwe helling (ca. 1,5 tot 2,5 %) van een oostelijke uitloper van de Sieberg, op een hoogte van ca. 101 tot ca. 102 m TAW. Dit plateau is ten noorden, oosten en zuiden begrensd door droge valleien, die op de bodemkaart gekarakteriseerd worden door de aanwezigheid van colluvium. De sporen behorend tot de LBK zijn onder te verdelen in drie types: 1) heel ondiepe (ca. 0,5 m) kuilen, met zeer weinig archeologisch materiaal in de vulling; 2) ca. 1 m diepe kuilen, met veel vondsten en houtskoolrijke lagen; en 3) diepe kuilen (tot 2 m) met eveneens weinig archeologisch materiaal in de vulling. Deze laatste zijn geïnterpreteerd als silo’s. In de sporen konden geen configuraties zoals huisplattegronden herkend worden, wat vermoedelijk gedeeltelijk te wijten is aan het feit dat de breedte van de sleuf slechts 15 m bedroeg, mogelijk ook doordat erosie van de zone reeds sporen heeft uitgewist. Het aanwezige versierde aardewerk wijst op een datering van de site in de jongere fasen van de Bandkeramiek. Op de site werden eveneens een aantal kuilen uit de ijzertijd aangetroffen.

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

*Evaluatie van de bewaringstoestand

Tijdens de opgraving en aangrenzende bodemkundige waarnemingen (Groenendijk & Meijs 1999) werd geobserveerd dat de bodem in de zone aanzienlijk door erosie is aangetast. Op basis van de diepte van de kalkrijke loess schatten de opgravers dat dit plaatselijk verantwoordelijk kan zijn tot een bodemverlies van ca. 1 m. (Vanmontfort et al. 1999). De absolute waarde van deze inschatting moet echter genuanceerd gelezen worden, aangezien de ‘natuurlijke diepte’ van deze horizont sterk afhankelijk is van lokale factoren. In ieder geval wijst ook de bewaringstoestand van de archeologische structuren op een gedeeltelijke erosie.

Het interimverslag van de opgraving maakt geen melding van bewaring van organische materialen. De pedologische omstandigheden van de zone, zoals op nagenoeg alle LBK nederzettingen in de buurt, zijn van die aard dat bewaring van onverbrande plantenresten niet kan verwacht worden, tenzij in diepere structuren zoals waterputten. De bewaringsmogelijkheden van onverbrand bot zijn eveneens als gering in te schatten. Deze mogelijkheid neemt wellicht toe in de diepere kuilen, ter hoogte van de kalkaanrijkingshorizont.

*Motivatie voor afbakening

Bandkeramische nederzettingen zijn dikwijls sterk gebonden aan de lokale topografie, met een voorkeur voor opvallend ‘uitstekende’ plateausituaties. Ook de nederzetting van de Sieberg is op een dergelijke topografische positie gesitueerd. De begrenzing van de afgebakende zone is daarom geënt op de uitgestrektheid van het aanwezige plateau.

BAKELS, C. 1982: The settlement system of the Dutch Linearbandkeramik, Analecta Praehistorica Leidensia 15, 31-45.

DE LAET, S.J. 1953: Nouvelles données sur la culture omalienne, Archeologie 1953.1, 120.

GROENENDIJK, A.J. & MEIJS, E.P.M. 2002: Riemst: erosie in Vlaams Haspengouw, Limburg - Het Oude Land van Loon 81.4, 303-305.

VANDERHOEVEN, A. & CREEMERS, G. (eds.) 2002: Riemst: erosie in Vlaams Haspengouw, Archeologische kroniek van Limburg 1999 81.4, 303-305.

LUX, G.V. 1957: De vroegste geschiedenis van Rosmeer, Het Oude Land van Loon 12, 5-36.

LUX, G.V. 1964: Bandceramiek in de noordoost-hoek van Haspengouw, Archeologie 1964.1, 8-10.

LUX, G.V. 1966: Rosmeer: bandceramiek, Archeologie 1966.2, 79.

MARICHAL, H. 1982: Bandkeramiek te Vlijtingen - Kayberg (prov. Limburg - België), Notae Praehistoricae 2, 97-98.

MARICHAL, H., VERMEERSCH, P.M. & VANDERHOEVEN, A. 1987: Bandkeramiek te Vlijtingen, Kayberg, Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren 33, Tongeren, 1-106.

MODDERMAN, P.J.R. 1970: Linearbandkeramik aus Elsloo und Stein, Analecta Praehistorica Leidensia 3, Leiden.

NOTEBAERT, B., GOVERS, G., VERSTRAETEN, G., VAN OOST, ., RUYSSCHAERT, G., POESEN, J. & VAN ROMPAEY, A. 2006: Verfijnde erosiekaart Vlaanderen - Eindrapport, onuitgegeven rapport, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ANIMAL.

ROOSENS, H. 1954: Rosmeer (Limb.), Archeologie 1954.2, 433.

ROOSENS, H. 1955: Rosmeer (Limb.), Archeologie 1955.1 , 136.

ROOSENS, H. 1957: Rosmeer (Limb.), Archeologie 1957.1 , 144.

ROOSENS, H. 1958: Rosmeer (Limb.): Bandkeramiek, Archeologie 1958.1, 126-128.

ROOSENS, H. 1958: Rosmeer (Limb.): Bandceramiek, Archeologie 1958.2 , 412-413.

ROOSENS, H. 1961: Rosmeer: Bandkeramische nederzetting, Archeologie 1961.2 ,519-520.

ROOSENS, H. 1962: Gebouwen van een bandkeramische nederzetting op de Staberg te Rosmeer, Archaeologia Belgica 61, 121-144.

ROOSENS, H. 1963: Rosmeer: Bandkeramische nederzetting, Archeologie 1963.2 ,65.

VAN BERG, P. & HAUZEUR, A. 2001: Le Néolithique ancien, Anthropologica et Praehistorica 112, 63-76.

VANMONTFORT, B., VERDUYN, K., MEYLEMANS, E., GROENENDIJK, A.J. & VERMEERSCH, P.M. 1999: Linear Pottery along the Pipeline. Remnants of the Bandkeramik on the Distrigas-pipeline in Herderen (Riemst, Belgian Limburg), Notae Praehistoricae 19, 97-100.

VAN WIJK, I. & MEURKENS, L. 2008: Tussen Graetheide en Heeswater. Nieuw zicht op de bandkeramische bewoningsgeschiedenis van de Caberg bij Maastricht (NL), Notae Praehistoricae 28, 73-86.

VYNCKIER, G., VANMONTFORT, B. & VANDERBEKEN, T. 2009: Een nieuwe site uit de bandkeramiek te Riemst - Toekomststraat (Prov. Limburg, B), Notae Praehistoricae 29, 77-80.

Bron: AZ-dossier

Auteurs: Meylemans, Erwin

Datum tekst: 2016

Relaties

maakt deel uit van Bilzen

Bilzen (Limburg)

maakt deel uit van Herderen

Herderen (Riemst)

maakt deel uit van Vlijtingen

Vlijtingen (Riemst)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.