erfgoedobject

Prehistorisch sitecomplex in alluviale context van Nijlen-Varenheuvel-Abroek

archeologisch geheel
ID
302889
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302889

Juridische gevolgen

Beschrijving

Algemene situering

De archeologische zone Nijlen Varenheuvel omvat de alluviale zone van de Kleine Nete, net voor de confluentie met de Aabeek. De alluviale vlakte, gekenmerkt door de aanwezigheid van slecht gedraineerde bodems zonder profielontwikkeling op de bodemkaart, is hier ongeveer 1km breed. Een opvallend element in deze vlakke zone is de aanwezigheid van verschillende hoger gelegen zones, die niet bedekt worden alluvium. Deze opduikingen zijn duidelijk zichtbaar op het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen, ten dele zijn ze eveneens gekarteerd op de bodemkaart als zandige relatief goed gedraineerde bodems met podzolontwikkeling. Het gaat om zgn. ‘donken’ van pleistocene eolische oorsprong.

De afgebakende zone omvat dit complex van opduikingen in het alluvium, tussen de autostrade in het noorden, het kanaal in het westen, en tenslotte de Laak en de Kleine Nete in het zuiden.

Naast de Kleine Nete zelf, lopen verschillende beken door de zone. Het oorspronkelijk verloop van deze beken is verstoord door de aanleg van het kanaal, maar is te reconstrueren op basis van historische kaarten.

Het gebied is grotendeels in gebruik als grasland. Enkele van de hoger gelegen ruggen worden als maïsakkers gebruikt.

Archeologische nota

De eerste gerapporteerde prehistorische site is gelegen in het noorden van het gebied, langs het Netekanaal, op de oever van de ‘Kleine Pulse Beek’. Bij graafwerken in een weiland door de eigenaar van de nabijgelegen hoeve ‘Grimon’ kwam begin jaren 1970 een belangrijk depot van metaalvondsten (wapens) uit de late bronstijd aan het licht (Van Impe 1973). De daarop volgende prospectieactiviteiten van de eigenaar op de akkers rond diens hoeve leverden echter vooral vuurstenen vondsten op, behorend tot finaal- paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Ongeveer 950 artefacten werden van deze zone ingezameld, en verwerkt in de licentiaatsverhandeling van W. Swiggers (Swiggers 1986).

In 2006 werden door de heer Ferdy Jacobs verschillende andere sites gemeld, verspreid doorheen het gebied. Deze collectie werd in het kader van de Centrale Archeologische Inventaris en een ruimtelijke analyse project beschreven en verwerkt (Finke et al. 2008; Meylemans 2014). Hierdoor werden in het gebied een groot aantal oppervlaktevindplaatsen gekarteerd, die gelieerd kunnen worden aan de hoger gelegen niet door alluvium bedekte ruggen. In de loop van 2006 werden door het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed aanvullende prospecties uitgevoerd, waarbij de locaties van deze vindplaatsen werden bevestigd.

De meeste van deze vindplaatsen worden gekarakteriseerd door diagnostische artefacten die voornamelijk aan het laat-mesolithicum kunnen toegewezen worden (zeer veel Wommersomkwartsiet, trapezia, zeer regelmatige (‘montbani’) micorklingdebitage. Daarnaast is het opvallend dat veel van de sites eveneens (midden-) neolithische diagnostische artefacten bevatten (gepolijste bijlen, mijnbouwklingen, enkele pijlpunten) (Meylemans 2014).

Eén van deze oppervlaktevindplaatsen viel op door de aanwezigheid van een tweetal artefacten die paleolithische kenmerken vertoonden. Op deze plaats werden in 2007 testputten (Van Peer et al. 2007a) gegraven en een evaluatieopgraving uitgevoerd (Van Peer et al. 2007b) door de KU-Leuven in samenwerking met het toenmalige Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed.

Met deze testopgravingen werden voornamelijk twee vondstenconcentraties aangesneden.

De eerste bestaat overwegend uit artefacten in Wommersomkwartsiet, waarvan ook de debitagekenmerken een laatmesolithische datering doen vermoeden. De vondsten bevonden zich op de rand van een fossiele geul, en kunnen stratigrafisch geassocieerd worden met een veenlaagje in deze geul. Op dit veen werd pollenonderzoek uitgevoerd (Van Peer et al. 2007a). Een radiokoolstofdatering van dit veen biedt een datering tussen 5200 en 4900 cal. BC, wat de laatmesolithische datering van het ensemble bevestigt, en een gelijktijdigheid suggereert van de vindplaats met de Bandkeramische nederzettingen in de leemstreek. Interessant in dit verband is dat in dit vondstenensemble zich ook twee spits bevinden, die kenmerken vertoont van zgn. Bandkeramische spitsen.

De tweede vondstenconcentratie is te associëren met de paleolithische artefacten die aanleiding gaven tot het opgravingsonderzoek. Het betreft een relatief klein aantal artefacten, allemaal in een rood-bruin gepatineerde ‘vlekkerige’ vuursteen. Bij de opgegraven artefacten bevindt zich o.a. een vrij forse steker. De typologische kenmerken van dit ensemble aan vondsten plaatsen ze in het laat- of finaalpaleolithicum. De aanwezigheid van vorstkenmerken op één van de artefacten doet een Laatglaciale (jonge Dryas?) datering vermoeden. Mogelijk is de site te associëren met de zgn. Ahrensburg groepen. Helaas kon dit tot nog toe niet bevestigd worden door een absolute datering.

Beide vondstenensembles konden gelieerd worden aan de aanwezigheid van een paleosol, gekenmerkt door een uitgeloogde zandige horizont.

Tenslotte vermelden we nog dat in deze testopgraving ook een tweetal vuurstenen pijlpunten werden aangetroffen, die te dateren zijn in het laatneolithicum of de bronstijd.

In het kader van het Sigmaplan werd een landschappelijk onderzoek uitgevoerd doorheen heel de zone. Op basis van de uitgevoerde boringen werden er ook op andere plaatsen in het gebied nog bedekte fossiele bodems/ sedimenten aanwezig (Ryssaert et al. 2014).

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

Evaluatie van de bewaringstoestand

De gekarteerde oppervlaktevindplaatsen zijn uiteraard voor een deel verploegd. Door het relatief vlakke terrein zal horizontale verplaatsing van de artefacten echter gering zijn, zodat de ruimtelijke integriteit van deze vindplaatsen nog relatief gaaf is. Dit wordt bevestigd door het feit dat de vondsten op de verschillende akkers zich in duidelijke concentraties bevinden. Het grootste gedeelte van het gebied is echter steeds grasland geweest. Archeologische sites dicht aan het oppervlak zullen hier beter bewaard zijn, want minder of niet aangetast door verploeging.

Daarnaast toont het opgravingsonderzoek dat zich in het gebied ook nog bedekte vindplaatsen bevinden, te associëren met paleobodems en fossiele geulen. De bewaringstoestand van deze sites is sterk afhankelijk van lokale processen van erosie en sedimentatie. De aanwezigheid van fossiele geuelen gevuld met organisch rijke sedimenten biedt de mogelijkheid van bewaring van organisch materiaal, en de studie van het paleomilieu.

Motivatie voor afbakening

De zone is afgebakend aan de hand van het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen, in combinatie met de gekende archeologische gegevens. In het zuiden is de afbakening vooral geënt op de rand van de vallei, in het westen gedeeltelijk de loop van de Kleine Nete. In het noorden is als afbakening de autostrade genomen, in het gedeelte van de vallei ten noorden hiervan zijn immers geen prehistorische vindplaatsen gekend. De afbakening omvat zo alle gekende vindplaatsen, de zichtbare donken via het DHM Vlaanderen, en de valleivloer met aanwezigheid van fossiele bodems en –geulen.

Beschrijving van de erfgoedkenmerken

Het prehistorisch sitecomplex in alluviale context van Nijlen - Varenheuvel - Abroek is gelegen in de alluviale vlakte van de Kleine Nete, een zone met verschillende hoger gelegen donken.Het gebied wordt gekenmerkt door een groot aantal sites uit de steentijd, met name het finaalpaleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Er zijn eveneens vondsten uit de bronstijd aangetroffen. Het gaat vooral om vondsten van lithisch materiaal aangetroffen bij veldkartering. Via een evaluerende opgraving werd eveneens vastgesteld dat er zich archeologische sites bevinden in afgedekte paleobodems.

  • FINKE P., MEYLEMANS E., VAN DE WAUW J. 2008: Mapping the possible occurrence of archaeological sites by Bayesian inference. Journal of Archaeological Science, 35, 2786-2796.
  • MEYLEMANS E. 2014: Enkele oppervlaktevindplaatsen langs de Kleine Nete in het toekomstig overstromingsgebied ‘Varenheuvel’ (gem. Zandhoven, Nijlen en Grobbendonk, prov. Antwerpen, B), Notae Praehistoricae 34, 125-135.
  • RYSSAERT C. (red.) 2014: Paleolandschappelijk, archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek in het kader van het geactualiseerde Sigmaplan. Deelgebied: Kleine Nete. Deel 1: Algemene resultaten, ongepubliceerd rapport.
  • SWIGGERS W. 1986: Studie van de lithische artefacten in het westelijk deel van de Zuiderkempen en het Mechelse, Licentiaatsthesis KUL.
  • VAN IMPE L. 1973: Enkele wapens uit de late bronstijd te Pulle, Archaeologica Belgica 150.
  • VAN PEER P., MEYLEMANS, E., VAN GILS, M. & DEFORCE K. 2007: Nijlen-Varenheuvel, een Jong-Paleolithische site?, onuitgegeven rapport.
  • VAN PEER P., MEYLEMANS E., VAN GILS M. & VERBRUGGE A. 2007: Nijlen-Vaerenheuvel: Laat-Pleistocene en Holocene occupaties in fluviatiele context uit de vallei van de Kleine Nete, Notae Praehistoricae 27, 51-59.

Bron: AZ-dossier
Auteurs: Meylemans, Erwin
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: Prehistorisch sitecomplex in alluviale context van Nijlen-Varenheuvel-Abroek [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/302889 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.