Teksten van Noodwoning

Noodwoning Slachthuisstraat 20 (Ieper - WOI) ()

Locatie

Gelegen in een naamloos straatje, tussen Slachthuisstraat 18 en 22, in het centrum van Ieper, ten noorden van de kathedraal.

Historische achtergrond

De oorlog liet een groot litteken na in de Westhoek. Reeds op 23 september 1916 werd het "Koning Albertfonds" (KAF) opgericht om de woningnood via het bouwen van barakken te bestrijden. Het Fonds ging van start in 1917, maar tegen 1918 was het niet veel meer dan een papieren organisatie zonder geld, arbeiders, materieel of vervoer, noch met een serieuze visie op het vraagstuk van de huisvesting.

De eerste vluchtelingen die rond de wapenstilstand terugkeerden naar de “verwoeste gewesten” gingen bij gebrek aan iets anders wonen in militaire schuilplaatsen of bunkers of ze trokken eigenhandig een primitieve woning op met al het bruikbaars dat ze aantroffen: brokstukken uit het puin en allerhande oorlogsmaterieel (“squatterbouw”).

Begin 1919 ontving het KAF de langverwachte subsidie van de regering en kon er van start gegaan worden met het voorzien in noodwoningen. Ze zouden moeten worden ingeplant op gronden waarop geen andere wederopbouw was voorzien en verhuurd worden aan wisselende bewoners. Door de toenemende terugkeer van vluchtelingen na de winter van 1918-'19, schoot stilaan de meest diverse verzameling noodwoningen uit de puinbodem op.

Om de grootste nood te lenigen kocht het Fonds eerst barakken van het Britse leger op (“Nissen Huts”, van 8, 5 x 5 m). Ook barakken van het Belgische leger, genoemd naar Generaal Dossin, werden gebruikt. Vanwege hun grootte dienden zij als kerk, school, meergezinswoning e.d.m. Reeds tijdens de oorlog hadden directeur-generaal ingenieur Zanen en secretaris architect Moenaert demonteerbare houten woningen van 6 x 6 en 4 x 4 m met aangebouwd stalletje ontworpen. De uitvoering van de aanbesteding liep echter maanden vertraging op, onder meer vanwege het nijpende houttekort. Jouret en Speltincks ontwierpen dan weer dure paviljoenen van 8 x 6 m in hout en beton.

Dit alles was slechts een druppel op de hete plaat, het KAF kon de grote vraag niet aan. Bovendien ontbraken elementaire voorzieningen in de barakken. Vanaf 1920 institutionaliseerde de overheid dan ook de zelfbouw: ze stelde bijv. 3.000 BEF aan bouwmaterialen ter beschikking zodat mensen ofwel zelf hun semi-permanente woning van minimum 9 x 6 m ofwel aan de hand van een standaardgeraamte konden optrekken (“Drieduisters”). Het eerste kende een relatief succes, maar nog steeds had men te kampen met onder andere transportproblemen. Daarnaast bleef het KAF gedurende de eerste helft van de jaren '20 de gecentraliseerde aanmaak van noodwoningen voorstaan.

Begin 1925 werd het KAF geliquideerd omdat de wederopbouw grosso modo als voltooid werd beschouwd. In theorie moesten de barakken onder de beste voorwaarden verkocht worden, in praktijk echter bleven ze veelal bewoond vanwege de lage huurprijs. De “noodwoningen” deden zoals aanvankelijk gevreesd, veel langer dienst dan voorzien, voor een tiental tot op de dag van vandaag.

Deze woning is géén houten barak, maar een barak van "plak en stak": een houtskelet met bakstenen vullingen. Inmiddels is de noodwoning bijgewerkt en witgepleisterd. De meeste noodwoningen werden opgericht op 8m afstand van de rooilijn, zodat de bouw van definitieve woningen langs de rooilijn niet gehinderd zou worden. Vandaar dat deze noodwoning zich in het midden van een huizenblok bevindt. De huidige bewoner werd in 1920 geboren in het huisje. Zijn ouders zouden de barak in 1919 gekocht hebben van brouwer Vermeulen uit de Diksmuidestraat.

Beschrijving

Lage woning onder zadeldak. Houtskelet met bakstenen vullingen, inmiddels bijgewerkt en witgepleisterd.

DEMOEN Wim 1993: Diksmuide, een stad in beweging. Wederopbouw 1915-1935, Eindverhandeling, 1992-1993 - Hoger Instituut voor Architectuur, Sint-Lucas Gent, Gent, Eigen beheer, 90. DENDOOVEN Dominiek & DEWILDE Jan 1999: De wederopbouw in Ieper. Een wandeling, St.-Niklaas, Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. GOBYN Ronny 1985: De woningnood en het probleem van de voorlopige huisvesting in België na de eerste wereldoorlog, SMETS Marcel (red.), Resurgam. De Belgische wederopbouw na 1914. Tentoonstelling in Passage 44 Brussel van 27 maart tot 30 juni 1985, Brussel, Gemeentekrediet, 169-187.

Bron: DECOODT H. & BOGAERT N. 2002-2005: Inventarisatie van het Wereldoorlogerfgoed in de Westhoek, project in opdracht van de provincie West-Vlaanderen, “Oorlog en Vrede in de Westhoek”, en Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en Landschappen.
Auteurs:  Bogaert, Nele, Decoodt, Hannelore
Datum:


Je kan deze pagina citeren als: Bogaert, Nele; Decoodt, Hannelore: Noodwoning [online], https://id.erfgoed.net/teksten/195739 (geraadpleegd op )


Semi-permanente woning ()

Achter de noordelijke huizenrij, semipermanente woning aan grindwegel naar de Masscheleinlaan. Samen met de nabijgelegen noodwoningen aan laatst genoemde laan, een nog uitzonderlijk bewaarde getuige van de oplossing aan het woningtekort kort na de Eerste Wereldoorlog. Lage woning onder zadeldak. Houtskelet met bakstenen vullingen, inmiddels bijgewerkt en witbepleisterd.


Bron: Delepiere A.-M., Huys M. & Lion M. 1987: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Ieper, Kanton Ieper, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 11N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs:  Delepiere, Anne Marie, Huys, Martine, Lion, Mimi
Datum:


Je kan deze pagina citeren als: Delepiere, Anne Marie; Huys, Martine; Lion, Mimi: Noodwoning [online], https://id.erfgoed.net/teksten/30543 (geraadpleegd op )