erfgoedobject

Kasteel en park de Bunswyck

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 305513   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/305513

Beschrijving

19de-eeuws neoclassicistisch landhuis met oudere kern, aansluitende bijgebouwen en een omringend park. Het park bestaat uit twee duidelijk te onderscheiden delen: het bij het landhuis aansluitende “Klein park” aangelegd in landschappelijke stijl met pittoresk karakter en het tijdens het interbellum hoger op de helling aangelegde “Groot park” met centrale boomgaard, belvedère en dienstgebouw.

Het kasteeldomein ligt langs de tussen 1710 en 1717 aangelegde Tiensesteenweg op de zuidelijke flank van de Predikherenberg. Deze getuigeheuvel waarvan het hoogste punt (95 meter) zich net buiten het park bevindt, is de westelijke uitloper van een Diestiaan massief gevormd door afzettingen van zand- en kleilagen tijdens het mioceen.

Historiek

Volgens heemkundige literatuur ligt de oorsprong van het goed vermoedelijk in een 18de-eeuws jachthuis voor de adellijke familie van Aarschot. Hiervoor werd vooralsnog geen bewijs gevonden. Het huis verschijnt voor de eerste maal op de Villaretkaart (1745-1748). In de primitieve kadastrale legger van 1832 staat de Leuvense Henri Peemans als eigenaar geregistreerd, hij baatte ten noorden van de woning een pannenbakkerij uit. Na zijn overlijden wordt het goed verkocht aan Louis Alexandre de Dieudonné, tevens eigenaar van het domein Hof ter Biest in Korbeek-Lo en de vroegere bezittingen van baron Schouten te Korbeek-Lo en Lovenjoel. Louis de Dieudonné, advocaat en schepen, verwierf in 1843 de titel van baron en bekleedde van 1843 tot 1862 het burgemeestersambt van Korbeek-Lo. Zijn dochter Zélie huwde in 1865 met Léopold Jean Gérard Alexandre Ernst (1835-1921), telg uit een welgestelde familie, waarbij de mannelijke afstammelingen hoofdzakelijk werkzaam waren als jurist, advocaat, rechter of als docent rechten aan de Universiteit van Leuven. Leopold Ernst werd in 1871 in de adelstand verheven, vier jaar later verkreeg hij de titel van pauselijk baron. In 1912 verwierf hij door erving de toelating om de titel ‘de Bunswyck’ aan de familienaam toe te voegen.

In 1937 verkoopt de familie de Bunswyck het kasteeldomein aan de familie Hottat-Hennau. Raymond Eduard Pierre Joseph Hottat (1897-1964) nijveraar en textielbaron uit Leuven was eigenaar van de vermaarde breigoedfabriek Fabota die sinds 1924 in de Leuvense Ridderstraat gevestigd was. In 1939 kocht de familie Hottat-Hennau ook het grote kasteeldomein van Korbeek-Lo dat nu nog bekend staat als domein Hottat.

Na het overlijden van Raymond Hottat wordt het goed de Bunswyck opgedeeld over verschillende familieleden. Zoon Edouard-Esther Joseph (°1924) verwerft het landhuis met bijhorend “Klein park”. Het landhuis wordt door de familie tot 1995 bewoond waarna het een nieuwe invulling krijgt als congrescentrum met feestzalen en restaurant. Het overige deel van het ruime parkdomein komt toe aan de dochters Hottat. Het naastgelegen eigendom De Mol wordt kort daarna verkocht en krijgt een nieuwe bestemming als restaurant.

Het landhuis

Het huis verschijnt voor het eerst op de Villaretkaart (1745-1748) als een L-vormig volume met aan de achterzijde een rechthoekig volume ten westen. De Atlas der Buurtwegen uit 1844 schetst een duidelijker beeld van de toenmalige bebouwing: drie in een U-vorm geordende gebouwen en op het achterliggende primitief perceel nr. 46 twee smalle, omgrachte, L-vormige gebouwen in spiegelbeeld ten opzichte van elkaar gelegen, de in 1853 na het overlijden van de eigenaar afgebroken pannenbakkerij.

De nieuwe eigenaar, Louis de Dieudonné, laat volgens de mutatieschets van 1857 het oude breedhuis slopen. Het volume met de korte gevelzijde parallel aan de steenweg blijft behouden en wordt enkele jaren later aanzienlijk vergroot tot een L-vormig volume met een kleine uitbouw aan de noordzijde. De omvangrijke verbouwing, waarbij het landhuis naar de tuinzijde werd georiënteerd, zorgde er voor dat bij de registratie van de nieuwe eigenaars in 1873 - het echtpaar Leopold Ernst-de Dieudonné - de woning volgens het kadaster de status van ‘kasteel’ verwierf. Volgens de mutatieschets van 1875 wordt de westelijke zijgevel van de nieuwe vleugel uit 1871 aan de straatzijde gewijzigd tot een apsis-vormig volume, vermoedelijk voor de inrichting van een huiskapel, die in 1938 weer werd afgebroken.

Het huidige uitzicht van het landhuis is het resultaat van veranderings- en uitbreidingswerken door de familie Hottat, kadastraal geregistreerd in 1938. De gevel langsheen de straatzijde wordt uitgebreid tot aan de westelijke perceelrand, de gevels rondom het westelijk gelegen binnenhof rechtgetrokken en de nutsgebouwen aan de noordzijde in een quasi S-vorm uitgebreid langsheen de westelijke perceelzijde.

Het exterieur

Het landhuis, een vierkantig volume met een sober en symmetrisch voorkomen, was oorspronkelijk toegankelijk langs de westzijde. De gecementeerde en lichtgeel geschilderde lijstgevels met neoclassicistische inslag, het hoge met leien bedekte mansardedak en de houten Louvreluiken geven aan het kasteel de allure van een stijlvol en charmant Frans landhuis. Aansluitend ten noorden bevinden zich de dienst- of nutsgebouwen in een meer traditionele stijl met neorenaissance inslag.

De hoofdbouw van twee bouwlagen onder mansardedak telt langs de lange oostzijde zeven traveeën, met op het gelijkvloerse niveau in de tweede travee de ingang. Boven de deuropening bevindt zich een ingemetselde gevelsteen met de wapenschilden van het echtpaar Ernst - de Dieudonné, begeleid door een banderol met de lijfspreuk “SINE INVIDEA LAUDEM”. De rechthoekige, boven elkaar geplaatste vensters corresponderen telkens met de bovenliggende dakkapellen. Houten, beluikte vensters met roedeverdeling in acht glaspanelen op het gelijkvloers en zes op de eerste verdieping.

Aan de straatzijde is het hoofdvolume van vier traveeën aan de linkerkant uitgebreid met een bouwvolume van één bouwlaag en drie traveeën onder leien mansardedak, beiden met een gecementeerde, geschilderde gevel met pseudovoegwerk op een plint van witte natuursteen. Deze korte zijgevel is meer expliciet uitgewerkt met een licht vooruitspringende middentravee, waarvan de vensteropening op de verdieping geaccentueerd wordt door een brede, vlakke omlijsting en bekroond met een zwaar entablement in hardsteen. De corresponderende houten dakkapel met driehoekig fronton is afgelijnd met houten vleugelstukken. Dakkapellen met deels bewaard schrijnwerk.

De oostgevel sluit aan bij vroegere dienstgebouwen: een vroeger koetshuis (bepleisterde en beschilderde gevel) en een oudere schuur met recent opengewerkte hooizolder. De bakstenen voorgevel van de schuur werd in 1938 aangepast in neorenaissancestijl met rondboogpoorten in witstenen omlijsting. Bij de vroegere dienstgebouwen sluiten drie annexen aan: een duiventoren, een aanbouw met open nissen en een volière. De hoge bakstenen duiventoren van één travee op vierkantig grondplan en twee bouwlagen, etaleerde de welvaart van de bewoners. Een laag gebouw van één bouwlaag onder leien lessenaarsdak vormt de verbinding tussen deze toren en het torentje dat als volière in gebruik was. De vierkante bakstenen volière van één bouwlaag onder leien tentdak is versierd met witsteenelementen en steunt op een fries in witsteen.

De westgevel van het kasteel ligt verborgen achter het groen van hoog opgroeiende bomen. De hoofdbouw met de twee zijdelingse dwarsvleugels vormt aan de achtergevel een vroeger binnenhof, heden afgeschermd door een nieuwe constructie tussen de beide dwarsvleugels.

Het interieur

De plattegrond van het U-vormige hoofdvolume omvat onder meer de inkom met traphal en vestibule, twee salons aan de straatzijde en een eetkamer rechts van de inkomhal die uitkijkt over het park. De interieuraankleding in neorenaissance stijl dateert van de laatste grote bouwcampagne in 1938. Voor de talrijke houten onderdelen zoals lambriseringen, decoratieve balken en radiatorkasten werd pitch pine gebruikt.

Een monumentale bordestrap en haard fungeren als blikvanger in de vestibule en traphal. De wanden van de vestibule zijn rondom volledig bekleed met een manshoge houten lambrisering. In het salon links van de vestibule, uitgevoerd in Franse neorenaissance stijl, bleef eveneens een houten lambrisering bewaard waarvan de spiegelvlakken met decoratief spanbehang zijn opgevuld. Het salon aan de straatzijde, uitgevoerd in dezelfde stijl, bezit een cassetteplafond en een monumentale, breed uitgewerkte renaissanceschouw. In de eetzaal is een plafond met fijn geprofileerd stucwerk bewaard.

Het park

Ontstaan en evolutie

Enkele jaren na de afbraak van de pannenbakkerij, kadastraal geregistreerd in 1853, kwam Bunswyck, samen met de afspanning De Mol, in handen van Louis de Dieudonné. De topografische kaart van 1868 geeft een eerste, weinig gedetailleerd beeld van de eigendom onder de nieuwe eigenaar. De roze inkleuring op de kaart die op de aanleg van tuinen duidt, komt overeen met het terrein van het huidige “Klein park” bij het landhuis, het perceel rondom De Mol en de huidige moestuin. De hoger gelegen primitieve percelen 34 en 35, geregistreerd als bouwland, werden in 1858 samengevoegd tot één perceel van 92 are met als bestemming bos. Dit bosje is bereikbaar vanuit een dreef die de westgrens van het domein vormt en vertrekt vanuit de as van het bijgebouw ten noorden van het landhuis. In het verlengde van deze dreef liep aan de noordzijde van het bosje eveneens een dreefje naar het achtergelegen Tichelpad. Ook vanuit de nu doodlopende veldweg nr. 17, die de oostelijke grens van het park vormt, werd vanop de splitsing een westelijk pad langs de graft naar het bosje aangelegd. Deze buurtweg liep oorspronkelijk naar één van vier schansen die zich op de plateauachtige top van de Predikherenberg bevonden. Deze redoutes of veldschansen werden vanaf de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) als verdediging van strategische plaatsen gebruikt en zijn nog weergegeven op de Villaretkaart (1745-1748) .

Na haar huwelijk in 1864 vestigden Zélie de Dieudonné (1838-1883) en haar echtgenoot Léopold Ernst zich op Bunswyck. In het eerste kwart van de 20ste eeuw liet baron Ernst een parkje in landschappelijke stijl bij het kasteel aanleggen, in 1920 kadastraal geregistreerd als een “lusthof” van 1,8 hectare. De topografische kaart van 1931 geeft een beeld van de aanleg van dit “Klein park”. Het parkje bestaat uit een groene bomengordel langs de noord- en oostzijde rondom een centraal gazon met bomengroepje en een ovale vijver, restant van de noordelijke grachtarm van de pannenbakkerij. Vanaf de straat vertrekt ten oosten van de huidige ingang een rondweg die een lus maakt rond de centrale bomengroep en zo vanuit het noorden de gebouwen bereikt. Het perceel 29 c, ten oosten van De Mol werd vergroot tot zijn huidige oppervlakte en in gebruik genomen als moestuin en ten noorden van het Klein park werd een boomgaard aangeplant. Het bovenste gedeelte van het domein met centrale hoogstamboomgaard is langs de oostzijde nog volledig open tot aan de buurtweg. De noordelijke top werd wel bebost. Deze boomgaard is de embryonale kern waarrond tijdens het interbellum het “Groot park” werd aangelegd. De afspanning De Mol vervulde in deze periode wellicht de rol van hovenierswoning.

In 1937 koopt textielbaron Raymond Edouard Pierre Joseph Hottat het domein. In zijn ontwerp voor het domein incorporeert hij de bestaande boomgaard en voegt twee gebouwtjes toe, de belvedère en de loods, die samen het pastorale karakter van de aanleg moeten onderstrepen en zowel als zichtpunt en bestemming van de omgaande wandeling dienen. Uitgangspunt van de parkaanleg in landschappelijke stijl met groots karakter is de boven op de heuvel gesitueerde belvedère waarvan het grondplan pal op de kerktoren van de Parkabdij is gefixeerd, twee kilometer benedenwaarts gelegen in de brede vallei van de Dijle en haar bijbeken, de Molen- en Leibeek. Het weidse uitzicht vanuit de belvedère op de hoogstamboomgaard, het kasteel en aanhorigheden en het lager gelegen valleilandschap, is fraai omkaderd door bomengroepen van naaldhout en loofhout ten oosten en de tamme kastanjedreef ten westen.

Hottat ontwerpt een nieuwe grote lus doorheen de bomenrand van het “Groot park”, en een vernieuwd en uitgebreid padennetwerk in het “Klein park”. De bestaande bomenrand rondom het “Groot park” wordt uitgebreid naar het oosten en aangevuld met bomengroepen van dezelfde soort, een groep fijnsparren op de oostelijk kop van de bomengordel in het Groot park en een groep bruine beuken op de westelijke kop. Ook langs de oostgrens en naast de loods is bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’) aangeplant. Het gebruik van gepersonaliseerde elementen in cementrustiek doorheen het “Groot park" en de moestuin versterkt de eenheid van het ontwerp. Een zeldzaam cementen paaltje, ten westen in de bocht van de secundaire toegangsweg, draagt de initialen “HH” en verwijst naar de toenmalige eigenaars-ontwerpers Hottat-Hennau. Van de heringerichte, op de fruitteelt georiënteerde moestuin wordt enkel de bouw van twee serres kadastraal geregistreerd in 1937.

Een luchtfoto uit 1947, tien jaar na de aanleg van het domein, geeft samen met de topografische kaart van 1952-1955 een beeld van de aanleg dat ook nog op de topografische kaart van 1982 identiek oogt.

Het “Klein park” vandaag

Het domein Bunswyck met een oppervlakte van circa 9,5 hectare bewaart heden nog steeds zijn landschappelijke aanleg uit circa 1937. Het zogenaamde “Klein park” in de onmiddellijke omgeving van het landhuis is aangelegd in landschappelijke stijl met pittoresk karakter en bestaat uit gemengd loofhout rondom een eerder schraal, deels vochtig, bloemrijk grasveld met als prominente voorjaarsbloeier pinksterbloem (Cardamine praetensis) en met een cirkelvormige waterpartij uit 1998. Het reliëf is ter hoogte van de bomengroepen en heestermassieven licht opgehoogd, zodat hun inplanting 'natuurlijk' en vanzelfsprekend oogt. De overblijvende secties van de kleine rondweg liggen enigszins verdiept.

De noordelijke grens van het parkje valt samen met de uitloper van de zuidelijke steilrand en het restant van de midden 19de-eeuwse gracht rond de gesloopte pannenbakkerijconstructies. De tuinmuur en het poorthek van de hoofdtoegang, dat sinds het eerste kwart van de 21ste eeuw terugwijkend werd verplaatst, vormen de zuidgrens. Dit poorthek uit het interbellum en met verwijzingen naar de art nouveau is gevat tussen twee oorspronkelijke smeed- en gietijzeren pijlers, bekroond met een pijnappelbloem, en twee oorspronkelijke hekken, aangevuld met twee nieuwe, gelijkaardige hekken tussen vierkante kalkstenen hekpijlers, bekroond met een uitkragende blauwe hardstenen dekplaat.

Het bomenbestand bestaat uit witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) met stamomtrekken van 311 en 261 cm (standaard gemeten op 150 cm hoogte); gewone beuk (Fagus sylvatica) 311 cm; vederesdoorn (Acer negundo) 141 cm; Amerikaanse eik (Quercus rubra) 198, 352 en 403 cm; zomereik (Quercus robur) 275, 284 en 329 cm; gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 216, 232 en 189; venijnboom (Taxus baccata) 147 cm (de dikste van 5) en 270 cm (voetmeting in een groep van 6 taxussen); zuilvormige eik (Quercus robur ‘fastigiata’) 372 cm (stamomtrek gemeten op 1m hoogte); tamme kastanje (Castanea sativa) 339 en 299 cm; gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) 271 cm; bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’) 408 en 310 cm; Japanse kers (Prunus serrulata) 264 cm en gewone plataan (Platanus x hispanica) 297 cm. De bomen in de zone langsheen de tuinmuur verkeren in een slechte toestand.

Het “Groot park” vandaag

Sinds de aanleg in het interbellum is de open parkarchitectuur van het “Groot park” geëvolueerd tot een spontaan verbost en gesloten park met centrale, sterk uitgedunde, gemengde hoogstamboomgaard. Centraal op de helling ligt een relict van een hoogstamboomgaard van appel, peer, pruim en kers, omgeven door parkaanplanting met hoogstambomen ten oosten, ten noorden en ten zuiden. De hoogstamboomgaard waarvan de aanplanting van vlak na de Eerste Wereldoorlog dateert, is opgedeeld in vier fruitweiden. De cementen weidepalen staan voornamelijk in het zuidelijk gedeelte, ten noorden staan houten weidepalen. De doorgangen naar de verschillende fruitweiden bestaan uit cementen hekpijlers. Langs de oostzijde flankeert een jonge haag van eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) de prikkeldraadomheining.

De op de noordoostelijke helling gelegen, niet gekadastreerde belvedère uit omstreeks 1937 is een traditioneel, roze geschilderd bakstenen gebouw met grote hoekvensters onder invloed van het moderne bouwen, op een rechthoekig grondplan met erker ten noordoosten en onder een leien mansardedak. Het gebouw is west-zuidwest georiënteerd op de toren van de Parkabdij. Ten zuiden zijn nog bakstenen steunpijlers aanwezig van een bij het gebouw aansluitend kort terras met restanten van begeleidende sierbeplanting van witte sneeuwbes (Symphoricarpus albus var. laevigatus) en pontische rododendron (Rhododendron ponticum). Ten oosten van de hoogstamboomgaard loopt de parkwandeling tussen bomengroepen van eenzelfde loof- of naaldhoutsoort. Van de oorspronkelijke grote rondweg zijn hier nog fragmenten in het microreliëf te herkennen.

Op de steilrand op de grens van het “Klein park” met het “Groot park” ligt langs de dienstweg een door klimop overwoekerde open, bakstenen en een lager, aansluitende stal- en dienstgebouw met deels bewaard schrijnwerk en een plafond van bakstenen troggewelven. Ten westen van de open loods bevindt zich een metalen pomp met oudere smeedijzeren zwengel, onderaan afgewerkt met een gietijzeren pijnappel.

De oostgrens van het domein met de vroegere veldweg nr. 17 wordt gedeeltelijk gevormd door een oude, vandaag opgeschoten haag in haagbeuk (Carpinus betulus) op een talud, wellicht opklimmend tot het ancien régime. De stammen hebben omtrekken van circa 40 tot 90 centimeter. Vanaf de noordoostelijke hoek van het primitief perceel 46 begeleidt een nu doorgeschoten haag van eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) de perceelgrens. Ten westen markeert een monumentale, oplopende dreef van tamme kastanje (Castanea sativa) met een breedte van circa vier meter de grens van het domein. De tamme kastanjes zijn overstaand op twee rijen aangeplant en hebben een gemiddelde stamomtrek van circa 320 cm. In de bovenste helft van de dreef komt bieslook (Allium schoenoprasum) als bolgewas voor. De noordelijke grens valt samen met de primitieve perceelsgrenzen, gemarkeerd door een graft die te zien is op de topografische kaart van 1868.

Ten noorden en oosten van de hoogstamboomgaard staan onder meer gewone es (Fraxinus excelsior) met een stamomtrek van 257 en 262 cm (standaard gemeten op 150 cm hoogte); gewone beuk (Fagus sylvatica) 272 en 294 cm; tamme kastanje (Castanea sativa) 362 cm; gewone robinia (Robinia pseudoacacia) 232 cm; Amerikaanse eik (Quercus rubra) 289 cm; gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 203 cm; Italiaanse populier (Populus nigra ‘Italica’) 234 cm; boskers (Prunus avium) 207 cm; fijnspar (Picea abies) 146 cm en een zomereik met drie opgaande stammen (Quercus robur) met 554 cm stamomtrek gemeten op 50 cm hoogte en de drie stammen met stamomtrekken van respectievelijk 260, 286 en 246 cm.

De kruidlaag is samengesteld uit gele dovenetel (Lamium galeobdolon), gewoon speenkruid (Ficaria verna), sneeuwklokje (Galanthus nivalis), Maarts viooltje (Viola odorata), kleine maagdenpalm (Vinca minor), gevlekte aronskelk (Arum maculatum), boshyacint (Hyacinthoides non-scripta), gewone salomonszegel (Polygonatum multiflorum), akkerhoornbloem (Cerastium arvense), wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum), bosanemoon (Anemone nemorosa), bieslook (Allium schoenoprasum) en wijfjesvaren (Athyrium filix-femina).

De moestuin

In de zuidoosthoek van het domein ligt de grotendeels door bramen en opslag van bomen overwoekerde moestuin. Bakstenen keermuren stutten de vlakgelegen moestuin langs de verdiepte secundaire toegangsweg. Het naastgelegen poorthek met verwijzingen naar de art nouveau, tussen bakstenen hekpijlers bekroond met een gecementeerde bol, sluit de secundaire toegang af. Door schade aan één van de hekpijlers is één van de hekvleugels weggenomen.

Van de twee in 1937 op het kadaster geregistreerde serres rest van de noordelijke, niet verwarmde serre enkel nog de basis van de bakstenen onderbouw. De zuidelijke, verwarmde serre met oost-west georiënteerd rechthoekig grondplan, heeft een bakstenen onderbouw en houten, scheefgezakte bovenbouw met metalen draagstructuur en bewaart nog de planttafels en elementen van het verwarmingssysteem. In de noordoostelijke hoek van de voormalige moestuin groeit een groepje Spaanse boshyacinten (Hyacinthoides hispanica).

De leifruitspalieren langs twee oost-west georiënteerde parallelle paden en langs de secundaire toegangsweg en de oost- en noordgrens van het moestuinperceel, de sporen van het gebruik van de zuidelijke tuinmuur als fruitmuur en de vermoedelijke, vroegere aanwezigheid van een bijenhal tegen de keermuur van de oostelijke steilrand, getuigen allen van de focus die op de fruitteelt lag.

  • Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/24062/124.1, Het kasteel de Bunswyck, de voormalige Afspanning De Mol, de kasteelmuur met toegangshekken, de loods met dienstgebouw, de belvedère, de kilometerpaal K29 en het kasteelpark met Klein park en Groot park (MICHIELS M., VAN BRANDEN G. & VAN DEN BOSSCHE H. 2017).

Bron     : -
Auteurs :  Michiels, Marijke, Van Branden, Gudrun
Datum  : 2019


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Kasteel en park de Bunswyck [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/305513 (Geraadpleegd op 20-10-2019)