erfgoedobject

Sint-Albertuscollege

bouwkundig element
ID: 305558   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/305558

Beschrijving

Het Sint-Albertuscollege werd in 1936 opgetrokken in opdracht van de orde van de karmelieten. De site, pas in gebruik genomen in 1949, omvatte reeds van bij de bouw een verdeling in klooster- en onderwijsgebouwen, gericht op het huisvesten en het onderwijzen van leden van de orde. De gebouwen uit het interbellum worden gekenmerkt door een historiserende bouwstijl met neoromaanse stijlkenmerken. Dit is typerend voor de kloosterarchitectuur in het Leuvense van en bijgevolg mogelijk naar ontwerp van Theo Van Dormael. In de jaren 1960 werd een uitbreiding in expo-stijl toegevoegd ten noordwesten van de aanvankelijke kloostergebouwen. Ten gevolge van de recuperatie van bouwonderdelen, waaronder ‘glulam’-dakspanten, afkomstig van de Wereldtentoonstelling van 1958 ontstond stilistisch een groot contrast tussen beide gebouwen.

Historiek

In 1889 werd in de Voortstraat te Kortrijk door de karmelieten een apostolische school ingericht in een reeds bestaande residentie van de orde. In 1944 hadden de gebouwen zwaar te lijden onder vernielingen van de Tweede Wereldoorlog waardoor de residentie en de school in onbruik kwamen. Reeds voor deze oorlogsvernielingen, met name in 1936, werd gestart met de bouw van een nieuw klooster met aansluitend een college voor priesterroepingen in Haasrode, op grondgebied dat bij de fusie in 1977 deel ging uitmaken van Heverlee, deelgemeente van Leuven. Gedurende de oorlog lagen de werken stil, tot de ingebruikname van het klooster en de start van het college in 1949.

Doordat het leerlingenaantal bleef groeien barstte het Sint-Albertuscollege als snel uit zijn voegen. Vanaf de jaren 1960 werden het college uitgebreid. Ten noordwesten van de gebouwen uit 1936-1949 werd een nieuw gebouw voorzien. Dit volume zou gedeeltelijk opgetrokken zijn met onderdelen van gebouwen die werden gebouwd voor de wereldtentoonstelling van 1958 te Brussel. Bepaalde gebouwonderdelen zoals dakkoepels, schrijnwerk alsook de opmerkelijk ‘glulam’-spanten (gelijmde gelamelleerde houten liggers en boogspanten) werden gerecupereerd.

Beschrijving

Het Sint-Albertuscollege bevindt zich ten zuiden van het gehucht Park te Heverlee. Het college wordt omgeven door een gebied met een agrarisch karakter en ligt ingesloten tussen de Expressweg (N25) in het oosten en de Geldenaaksebaan in het westen. De sterk vergroende percelen van het college worden omgeven door een bomenrij.

Vanaf de Geldenaaksebaan vangt een met betonplaten verharde oprijlaan aan, geflankeerd door een bomenrij. Een kapel gewijd aan Maria bevindt zich links van de ingang van deze oost-west georiënteerde toegangsdreef. De beeldbepalende, rechtlijnige dreef eindigt bij het klooster in een lus rond een groen plantsoen. Het hoofdgebouw van het college en klooster in historiserende stijl uit 1936-1949 situeert zich loodrecht op deze dreef met centraal in de voorgevel de hoofdtoegang. Zo ontstaat een zichtas die de Geldenaaksebaan visueel verbindt met het college.

Het geheel bestaat uit vier aaneengesloten vleugels van drie tot vier bouwlagen met een pandgang die de vierkante kloostertuin omsluit; haaks op de noordwestelijke vleugel ligt de kapel. De vier vleugels die aanvankelijk zowel de klooster- als de onderwijsvertrekken omvatten, werden enigszins gelijkwaardig uitgewerkt, met uitzondering van de zuidwestelijke vleugel die de toegang omvat. Ze werden opgetrokken in rode baksteen boven een doorlopende plint in ruw bewerkte hardsteen. Een getrapte, bakstenen fries gevolgd door een sobere witgeschilderde, houten kroonlijst sluit de gevels doorlopend af. Zadeldaken bedekt met zwarte leien en veelvuldig geopend door dakkapellen in beide dakvlakken bekronen de vier vleugels. Omwille van het ontbreken van bouwplannen, kunnen de functies moeilijk in verband gebracht worden met de gevelgeleding en de afwijkende volumewerking die onder meer de noordwestelijke vleugel kenmerkt.

De zuidwestelijke voorgevel werd als representatieve gevel uitgewerkt. Deze vleugel telt drie bouwlagen en elf traveeën en een klassieke gevelopbouw waarbij de centrale travee alsook de twee uiterste hoektraveeën sterk risaliterend werden uitgewerkt. De gevel wordt gekenmerkt door een verticale gevelgeleding. Spaarvelden eindigend in een rondboogfries met hardstenen aanzetstenen worden per travee gescheiden door versneden lisenen. Ieder travee vertoont op zijn beurt twee tot vier over de verschillende bouwlagen doorlopende spaarvelden, eindigend in een rondboog. In deze spaarvelden situeren zich per bouwlaag de vensters, rondbogig op de bovenste bouwlaag, rechthoekig met hardstenen latei op de overige bouwlagen. Afwijkend is de centrale toegangstravee. Deze travee telt vier bouwlagen en steekt zo met zijn puntgevel uit boven de flankerende traveeën van drie bouwlagen. Het zadeldak van het volume met de puntgevel bevindt zich haaks op dat van de vleugel. De puntgevel is voorzien van hardstenen kroonlijst en schouderstukken. Een kruis, eveneens in hardsteen, bekroont deze prominente gevel. De geveltop wordt geopend door nissen volgens serlianamodel met in de centrale nis een beeld van Maria met Kind. Vier spaarvelden omvatten ter hoogte van de drie bovenste bouwlagen langwerpige vensters ter verlichting van de achterliggende vertrekken. De gelijkvloerse verdieping omvat het toegangsportaal en werd deels met een hardstenen en deels met een bakstenen parement uitgewerkt, van de overige bouwlagen gescheiden door een hardstenen cordonlijst. Een centrale, rondbogige toegangspartij wordt geflankeerd door twee rechthoekige vensters. Een rechthoekige, dubbele en houten voordeur wordt samen met een boogveld omgeven door een zware, geriemde hardstenen omlijsting. Het hardstenen boogveld werd ingevuld met een in bas-reliëf gesculpteerd lint met het opschrift “ZELO ZELATUS SVM PRO DOMINO DEO EXERCITUUM” (“Met vuur ben ik vurig geweest voor de Heer, God der Heerscharen”) met eronder het wapenschild van de karmelieten. Deze toegangspartij wordt geflankeerd door medaillons in hardsteen met het opschrift “ANNO” en “1936”. De centrale travee van de zuidwestelijke vleugel wordt geflankeerd door telkens vier traveeën die grotendeels identiek zijn opgebouwd: de gelijkvloerse verdieping wordt per travee gekenmerkt door een groot rondbogig venster, omgeven door een getrapte, bakstenen rondboog en met hardstenen lekdrempels. Een hardstenen cordonlijst maakt de scheiding met de twee bovenliggende verdiepingen die per travee gekenmerkt worden door de beschreven rondbogige spaarvelden met per bouwlaag langwerpige vensters. Een gelijkaardige gevelopbouw kenmerkt de hoekrisalieten van deze vleugel waarbij steeds drie spaarvelden worden geopend door vensters, op wisselende hoogte, afhankelijk van de achterliggende functies. Zo heeft de rechter hoekrisaliet verspringende vensteropeningen met, vermoedelijk, erachter de circulatieruimte. Beide hoektraveeën eindigen in een schilddak.

De overige vleugels tellen drie bouwlagen en hebben steeds enkele traveeën meer dan de zuidwestelijke vleugel, maar hebben desondanks ongeveer een gelijke lengte. Een meer vereenvoudigde gevelopbouw die overeenkomt met de gevels van de niet risaliterende traveeën van de zuidwestelijke vleugel kenmerkt de gevel van de zuidoostelijke vleugel. Ook de noordwestelijke vleugel kent deze gevelopbouw met een afwijkende gelijkvloerse verdieping waarbij de over de verdiepingen doorlopende spaarvelden met vensters, werden doorgetrokken tot op de eerste bouwlaag. Kenmerkend voor deze vleugel zijn de vier centrale traveeën onder opgetrokken bedaking. Deze traveeën springen ter hoogte van de drie bouwlagen vooruit richting de vierkante kloostertuin en integreren de gelijkvloerse pandgang. Grote rondboogvormige openingen kenmerken de achtergevel ter hoogte van de eerste verdieping, gericht naar de kloostertuin, en creëren zo een inpandige gaanderij, uitkijkend op de kloostertuin. Waar de noordoostelijke en de noordwestelijke vleugel samenkomen, bevindt zich de klokkentoren, gedeeltelijk ingebouwd en gedeeltelijk vooruitspringend ten opzichte van de noordwestelijke vleugel. De bakstenen klokkentoren op vierkante basis onder groenkoperen tentbedaking steekt uit boven het hoofdgebouw. De kapel bevindt zich in een tweelaags, rechthoekig volume dat zich haaks op de noordwestelijke vleugel situeert. Dit bakstenen volume, eveneens onder een zadeldak met zwarte leien werd vermoedelijk op een latere datum wit geschilderd. De kapel werd sober vormgegeven en is eerder gesloten uitgewerkt. Stilistische kenmerken van het hoofdgebouw zoals het gabarit, een getrapte fries en trapsgewijs verdiepte rondboogvensters, werden doorgetrokken in het ontwerp van de kapel. Gelijkvloerse latere toevoegingen, eveneens in witgeschilderde baksteen, sluiten de kapel sterk in.

Het gevelontwerp van de buitengevels van het hoofdgebouw trekt zich door naar de bakstenen gevels die zich naar de kloostertuin richten; drie tot vier bouwlagen worden steeds geopend door rondboogvensters, gelegen in spaarvelden die eindigen in een rondboogfries en worden per travee gescheiden door pilasters. Variaties kenmerken de gevels onderling.

Ten noorden van het hoofdgebouw werd in de jaren 1960, in verbinding met het hoofdgebouw, een uitbreiding toegevoegd. Dit paviljoen werd later ingebreid door nieuwe toevoegingen. Het eenlaagse gebouw omvat één grote ruimte en is gedeeltelijk opgebouwd uit bouwkundige elementen die werden gerecupereerd van de wereldtentoonstelling van 1958 waaronder een ‘glulam’-dakspant.

Een wegkapel bevindt zich links aan het begin van de dreef naar het college. Deze kapel werd vermoedelijk gelijktijdig opgetrokken met de bouw van het klooster en college in 1936-1949. De kapel heeft vandaag een rechthoekige plattegrond en werd opgetrokken in rode baksteen onder een overkragend zadeldak met grijze leien. Een verschil in baksteenmetselwerk doet vermoeden dat een aanvankelijke pijlerkapel werd uitgebreid met een achterliggend volume. Het oorspronkelijke volume in zandlopervorm onder uitkragende dakrand springt vooruit op het mogelijk later toegevoegde rechthoekige volume en brengt dynamiek in de voorgevel, gericht naar de de Geldenaaksebaan. Een trapsgewijs verdiepte en wit geschilderde nis, afgesloten door een borstwering, omvat een Mariabeeld in witte steen, op een voetstuk geplaatst. Een hardstenen muursteen met het opschrift “AVE MARIA” prijkt in de geveltop. De zijgevels van de rechthoekige achterbouw vormen blinde, bakstenen gevels, de achterzijde van de kapel wordt geopend door een eenvoudige deur.

  • MOEYS H. 2007: Het verleden van Salco: Project mondelinge geschiedenis, eindwerk, Sint-Albertuscollege Haasrode.

Auteurs :  Elsen, Liedewij
Datum  : 2019


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Sint-Albertuscollege [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/305558 (Geraadpleegd op 11-08-2020)