Modernistisch home voor verpleegsters

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Genk
Deelgemeente Genk
Straat Welzijnscampus
Locatie Welzijnscampus 7, Genk (Limburg)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen

Juridische gevolgen

Beschrijving

Tehuis voor de inwonende verpleegsters van het Sint-Jansziekenhuis, in 1961 ontworpen door de Brusselse architect-stedenbouwkundige Noël Van Malleghem. Gebouw in Internationale Stijl met typische expo-58 elementen, zoals V-vormige 'pilotis', kleurige sandwichpanelen en een plastisch vormgegeven trap.

Context en geschiedenis

Het Home voor inwonende verpleegsters van het Sint-Jansziekenhuis werd tussen 1961-1963 gebouwd in opdracht van de Commissie van Openbare Onderstand van Genk (C.O.O., vanaf 1976 O.C.M.W.). Het werd ingeplant op de site van het voormalig Sint-Jansziekenhuis vlak bij het centrum van Genk; tussen de Staatsbaan van Genk naar As (vandaag Weg naar As) en de Henri De Cleenestraat. Het tehuis bood oorspronkelijk een verblijfplaats aan 96 verpleegsters en was opgevat als uitbreiding van het toenmalige Sint-Jansziekenhuis.

Het Sint-Jansziekenhuis werd door het C.O.O. in 1934 gebouwd (officieel geopend in 1936) met de ambitie het 'mooiste en modernste' ziekenhuis van Limburg te zijn. Het ziekenhuis, met moderne open planopbouw, werd door de jaren steeds verder uitgebreid. Als antwoord op de groeiende nood aan geschoold personeel werd in 1946 ook een verpleegstersschool op de site gevestigd. Ten gevolge van de enorme expansie van Genk eind jaren 1950 en de opkomst van nieuwe ziekenhuistechnieken besliste het C.O.O. in 1961 om de ziekenhuisinfrastructuur nog verder uit te bouwen, onder meer met een tehuis voor inwonende verpleegsters.

Het C.O.O. stelde de in Brussel gevestigde architect-urbanist Noël A. Van Malleghem aan voor de volledige uitbreiding van het ziekenhuis, inclusief het 'home'. Van Malleghem was staatsarchitect en verbonden aan het studiebureau SOGETA (Société Générale d'Etudes de Travaux Publics et d'Architecture). Van Malleghem is vooral gekend van de survey en aanlegplannen voor Elisabethstad (Lumumbashi) in Belgisch-Congo, die hij eind jaren 1940 opmaakte in opdracht van het Ministerie van Kolonies (gepubliceerd in L'urbanisme au Congo Belge). In 1954 ontwierp hij ook een ziekenhuis voor de Afrikaanse gemeenschap in Elisabethstad (Lubumbashi), in een monumentaal modernisme. Met de publicatie Technique hospitalière tropicale (zonder datum, wellicht jaren 1950) positioneerde hij zich als expert in de ziekenhuisbouw.

Van Malleghem was ook actief in Limburg. Op het einde van de jaren 1940 was hij (in samenwerking met architect M. De Paepe uit Genk) betrokken bij de bouw van de zogenaamde Kolenslagcités, zoals Boxbergheide (Genk, 1947-1950), Termien (Genk, 1949-1951), Vlakveld (Genk, 1952) en de Cité Meulenberg in Houthalen (1948-1950). Elders in Vlaanderen was hij betrokken bij de heropbouw en restauratie van parochiekerken. Van Malleghem was ook werkzaam als scheepsbouwarchitect voor de Belgische Overheid (expeditie-jacht Atalante, 1961).

Van Malleghem ontwierp het Home voor verpleegsters in 1961 als een vrijstaande middelhoogbouw op pilotis; een nieuwe typologie die vanaf eind jaren 1950 steeds vaker werd toegepast in huisvestingsprogramma’s. Volgens modernistische principes werd het gebouw opgetrokken in een betonskelet met een open plantypologie, vrije gevelinvulling en functionalistische vormgeving. Het gebouw omvatte oorspronkelijk 96 kamers met private stortbadinrichting, gedeelde was- en strijkruimtes en sanitaire lokalen, een wintertuin, een spreekplaats, een refter en een ontspanningszaal ('living'). Het home had een afzonderlijke ingang maar sloot op de eerste verdieping aan op het 'moederhuis' van het Sint-Jansziekenhuis.

Van Malleghem ontwierp het Home voor verpleegsters volgens de principes van de Internationale Stijl, die na de internationale architectuurtentoonstelling Interbau van 1957 in Berlijn en Expo '58 in Brussel doorbraak kenden op grotere schaal. De vormgeving sloot ook nauw aan op ontwerpen van Brusselse architecten als Claude Laurens (Hotel en tankstation Miramar Brussel, 1956-1957) en Gaston Brunfaut (appartementencomplex in Evere, Brussel, 1960).

Aannemer Lambert Vandervelden uit Sint-Lambrechts-Lille voltooide de werken in 1963 (zie gedenksteen in de inkomhal). Het Home werd onder grote belangstelling ingehuldigd en in de lokale pers onthaald als zeer vooruitstrevend en modern. Bij de inhuldiging schonk de aannemer een kunstwerk van keramist Paul Claes (Leraar Plastische Kunsten aan de Kunstacademie te Genk) dat in de inkomhal werd geplaatst (bewaard). Het Home kende nooit een volledige bezetting, onder meer door de opkomst van de auto. Al snel na de opening vonden andere functies er onderdak (zoals een strijkwinkel, Centrum voor Alcohol- en andere Drugproblemen, …). In 1970 gaf het C.O.O. Van Malleghem de opdracht voor de totale verbouwing van het bestaande Sint-Jansziekenhuis, waarbij ook een uitbreiding van het home werd gepland (beiden niet uitgevoerd). In 1983 verhuisde het Sint-Jansziekenhuis naar een nieuwe campus (Schiepse Bos). Begin jaren 2000 werd het plan opgevat om de voormalige site van het ziekenhuis uit te bouwen tot een welzijnscampus, met verschillende instellingen uit de welzijnszorg en woningen voor specifieke doelgroepen. Vanaf 2014 werd het voormalige ziekenhuis gesloopt. Het Home voor verpleegsters werd bewaard als beeldbepalend gebouw op de nieuwe welzijnscampus. Anno 2018 staat het gebouw deels leeg en wordt een nieuwe bestemming gezocht.

Beschrijving en typering

Volumewerking en planopbouw

Het home voor verpleegsters is opgebouwd uit 1) een hoofdvolume van vier verdiepingen op 'pilotis' met de kamers voor verpleegsters (13 traveeën van circa vier meter), 2) een inkomtravee met verticale circulatie (in de achtergevel over de volledige hoogte uitspringend), en 3) een halfcirkelvormig volume van twee bouwlagen met de gemeenschappelijke ruimten. Aan de voorzijde, vlak naast de inkomhal, bevindt zich een uitspringend gebogen volume van één bouwlaag (oorspronkelijk stookplaats). De voorgevel geeft uit op het noordwesten; de achtergevel is zuidoost georiënteerd; blinde zijgevels. Het hoofdvolume wordt gekenmerkt door een rationele vormgeving; de gebogen volumes en de volledig beglaasde trappenhal geven het gebouw een dynamisch en expressief karakter.

Typerend zijn de functionalistische opvatting en de plantypologie. De indeling van het tehuis voor verpleegsters volgt het principe van het 'open plan': alle tussenwanden zijn niet-dragend (metselwerk of schrijnwerk) en kunnen in principe worden aangepast naargelang de behoeften.

Het hoofdvolume omvatte oorspronkelijk 96 kamers van ongeveer vierentwintig m² verdeeld over vier identieke verdiepingen. Elke verdieping is opgebouwd volgens een eenvoudig plan met telkens 24 kamers (ter breedte van een travee) in spiegelbeeldschema langs weerszijden van een middengang. Aan het begin van de gang (grenzend aan de trappenhal) bevonden zich gedeelde sanitaire voorzieningen. De kamers voor de verpleegsters waren zeer compact, met woonkamer-slaapkamer en een kleine badkamer (wc, lavabo en douche). Op het uiteinde van de gang bevindt zich een later toegevoegde externe noodtrap. Anno 2018 is op de meeste verdiepingen de indeling en inrichting aangepast aan nieuwe functies. Tussen de 'pilotis' bevindt zich een niet-ingerichte open ruimte (volgens historische foto’s vroeger gebruikt als parkeerplaats).

De inkomtravee omvat een ruime hal met open trap en lift; op het gelijkvloers met volledig beglaasde sas en bewaarde granito-vloer. De inkom wordt gemarkeerd door een betonnen luifel, in een vormgeving typisch voor de expo-stijl (gebogen luifel op schuins aflopende zijvlakken). Aan de achterzijde springt de trappenhal over de volledige hoogte uit het volume en is volledig beglaasd. De halfcirkelvormige trap (thans bedekt met linoleum) is een opmerkelijk plastisch element, dat rijkelijk daglicht ontvangt van de opengewerkte travee in de achtergevel. Aan de voorzijde bevonden zich oorspronkelijk op de verdiepingen gemeenschappelijke strijk- en wasplaatsen; op het gelijkvloers bevond zich naast de inkomhal een kamer voor de huisbewaarster ('kontrool'). In de inkomhal is een monumentaal keramisch kunstwerk van Paul Claes geplaatst (bewaard), dat de werkzaamheden van de verpleegsters uitbeeldt (blauwe tegels met kleurige tableaus, onderaan gedenksteen).

Het halfcirkelvormig volume maakte de verbinding met het Sint-Jansziekenhuis en omvatte oorspronkelijk op het gelijkvloers een wintertuin - met kenmerkende paddenstoelkolommen - en spreekplaats (in 2018 strijkatelier). Op de eerste verdieping bevonden zich een doorgang (middengang) van de trappenhal naar het ziekenhuis; een bureau en gemeenschappelijke ‘living’ met rondgaand terras (in 2018 leegstaand), een gemeenschappelijke refter en bureau. Met de sloop van het Sint-Jansziekenhuis in 2014 werd de doorgang afgesloten en een voorlopige zijgevel geplaatst.

Constructie en gevels

Het hoofdvolume is opgetrokken in een ter plaatse gestort gewapend betonskelet met dragende portalen op circa vier meter afstand loodrecht op de gevel. Op het gelijkvloers worden de krachten van het skelet overgedragen op bredere balken en kolommen in omgekeerde V-vorm, om de ruimte onder het gebouw zo open mogelijk te laten (4 rijen van telkens 4 V-kolommen). Volgens literatuur werd een nieuwe bouwtechniek toegepast: het gebouw werd geplaatst op een betonnen plateau om mijnschade te voorkomen. Ook volgens literatuur was constructief de mogelijkheid voorzien om het gebouw met drie verdiepingen te verhogen. De kolommen van het betonskelet behouden op de verdiepingen steeds dezelfde breedte; de twee buitenste zijn in het vlak van de gevel gelegen; de twee inpandige kolommen bepalen de breedte van de gang.Betonnen vloeren en kolommen vormen samen het betonnen raamwerk voor de gevels.

Volgens het principe van de vrije gevelinvulling is dit betonnen raamwerk ingevuld door verdiepingshoge en travee-brede raamvlakken samengesteld uit sandwichpanelen en glas, gevat in fijn witgeschilderd schrijnwerk (staal, bewaard). De raamvlakken zijn alternerend in het gevelvlak gelegen en terugspringend. Dit patroon wordt weergegeven in het kleurenschema van de sandwichpanelen: in de voorgevel lichtgrijs voor de in het gevelvlak liggende raamvlakken en bordeaux voor de terugwijkende; in de achtergevel respectievelijk helderblauw en heldergeel. Ook de indeling van het raamvlak verschilt licht van compositie voor de terugwijkende vlakken. Schrijnwerk en sandwichpanelen zijn bewaard.

Het halfcirkelvormig volume is op dezelfde manier opgebouwd: een betonskelet met verdiepingshoge en travee-brede raamvlakken, eveneens afwisselend in het gevelvlak liggend en terugspringend. Hier werden op het gelijkvloers witte sandwichpanelen toegepast. De zijgevels van het complex zijn blind en bekleed met prefab betonpanelen met gewassen silex. De zijgevel van trappenhal en lift werden later bekleed met leien.

Evaluatie:

Het Tehuis voor inwonende verpleegsters heeft historische en architecturale waarde, zowel op het vlak van typologie als vormgeving. Het getuigt van een specifieke woonvorm (home voor verpleegsters), gerelateerd aan de ziekenhuisbouw uit de periode jaren 1950-1960. Architecturaal is het een voorbeeld van het internationaal modernisme van deze periode, waarin gestreefd werd naar 'lucht, licht en ruimte'. Het ontwerp is gebaseerd op de principes van de Internationale Stijl, zoals het gebruik van nieuwe materialen (zoals sandwichpanelen) en bouwtechnieken (betonskelet), de expressie van de constructie in de gevels, het open-plan-principe, de vrije gevelcompositie en transparantie (grote glasvlakken). Het combineert dit met een aantal typische elementen uit de speelsere expo '58-stijl.

De belangrijkste erfgoedelementen die de erfgoedwaarde onderbouwen zijn: de geometrische volumes, de 'pilotis', de structuur in zichtbeton, de gevelbehandeling met verdiepingshoge en travee-brede raamvlakken met fijn schrijnwerk, de sculpturale open trap, de inkomluifel, het typisch materiaalgebruik (kleurrijke sandwichpanelen, silex-panelen), de transparante opvatting van de inkompartij.

Het Tehuis voor verpleegsters is anno 2018 zeer goed bewaard. Door de aanleg van de welzijnscampus en de sloop van de omringende gebouwen is de relatie met de omgeving grondig gewijzigd.

  • Archief Dienst Ruimtelijke Ordening Genk, dossier Milieuvergunning A1-748 (Weg naar As).
  • DE MEULDER B. 2000: Kuvuande Mbote. Een eeuw koloniale architectuur en stedenbouw in Kongo, Antwerpen, 1959-160.
  • HEYMANS M., RICQUIER G., J. GILSON & VAN MALLEGHEM N. 1951: Urbanisme in Belgisch Kongo, Brussel.
  • S.N. 1961: C.O.O. Genk – 25 jaar Sint-Jansziekenhuis, Genk.
  • S.N. 1963: Zeer modern tehuis voor verpleegsters te Genk ingehuldigd, Het Belang van Limburg mei 1963, Hasselt.
  • VAN DE VOORDE S. e.a. 2016: Post-war Housing in Brussels: Miramar Building by Claude Laurens in Sint-Joost-ten-Node 1956-1957, Brussel.

Bron: -

Auteurs: Van Herck, Karina

Datum tekst: 2018

Relaties

maakt deel uit van Genk

Genk (Limburg)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.