erfgoedobject

Hoeve Foch farm

bouwkundig element
ID: 307057   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/307057

Beschrijving

Gaaf bewaarde hoeve 'Foch farm' uit de wederopbouwperiode, gebouwd in de jaren 1920 in regionalistische architectuur, vermoedelijk door architect Marcel Hocepied. De hoeve bestaat uit drie gebouwen in U-opstelling: de westvleugel met de stallen en de opslagzolder, de oostvleugel met de schuur en het wagenhuis en in het noorden het woonhuis. Achter het huis staat de achterbouw met de bakoven en de varkensstallen.

Historiek

Voor de Eerste Wereldoorlog

De hoeve ‘Foch farm’ is één van de talrijke sites met walgracht rond Ieper. De aanleg met walgracht wijst op een oorsprong van de hoeve in de late middeleeuwen. Ook de wegen rond de hoeve hebben een laatmiddeleeuwse origine. De Hogeziekenweg verwijst naar het leprozenhuis dat in 1235 verhuisde van Ieper naar een plaats buiten de stad, op een verhevenheid ten oosten van ‘Foch farm’ die sindsdien gekend was als ‘Hoge Zieken’. De Pilkemseweg ontstond op het einde van de 13de of het begin van de 14de eeuw als weg naar Pilkem, een gehucht binnen de parochie Boezinge, 2,5 km ten noorden van de hoeve.

Voor de inplanting van de hoeve ‘Foch farm’ viel de keuze op een waterrijke maar tegelijk droge plaats. De ligging vlakbij de Zwaanhofbeek vergemakkelijkte de aanleg van de walgracht, terwijl het licht hellende terrein toch enige afwatering van het erf mogelijk maakte. Op de Ferrariskaart (1771-1778) is de hoeve schematisch weergegeven. Binnen de walgracht bevinden zich drie gebouwen in U-vorm. De toegang tot de binnenkoer is aan de zuidzijde. De omgeving van de hoeve bestaat op de Ferrariskaart grotendeels uit akkers en slechts in mindere mate uit graslanden. De eerste gedetailleerde weergave van de hoeve is op het primitief kadaster (1830-1834). Tussen de Pilkemseweg en de gebouwen herkent men de afbakening van de toegangsdreef die reeds samenvalt met de huidige toegangsweg. De walgracht omsluit een wooneiland met een vrijstaand woonhuis. Ten zuiden van het huis bevinden zich drie hoevegebouwen in U-opstelling. Naast het westelijke gebouw ligt een poel. Gedurende het grootste deel van de 19de eeuw was de hoeve in het bezit van de adellijke Gentse familie Derindsmael. In 1882 werden verbouwingen kadastraal geregistreerd. De westvleugel werd verbreed en verlengd naar het zuiden, het woonhuis vergroot en achter het huis werden in een L-schikking kleine bijgebouwen opgetrokken. Eén van die gebouwen was, gezien het typerende grondplan, een bakhuis. De andere gebouwtjes waren wellicht kleine stallen. Ten gevolge van de uitbreiding van de gebouwen werden de westelijke en oostelijke arm van de walgracht gedeeltelijk gedempt.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bevond de hoeve zich pal in de frontzone. Op militaire kaarten staat de hoeve aangeduid als ‘Foch farm’, naar de Franse maarschalk en geallieerd opperbevelhebber Ferdinand Foch (1851-1929). De oorlogsnaam van de hoeve verwijst naar de Franse troepen die hier in 1914 en 1915 gelegerd waren. Slechts 2,5 km ten noorden van de hoeve lag de zwaar bevochten heuvelrug van Pilkem. In het voorjaar van 1915 verschoof het oorlogsfront naar dit gebied ten noordoosten van de hoeve. Aanleiding was de Duitse gasaanval op 22-23 april 1915 vanuit de loopgraven tussen Bikschote en Langemark naar de zuidwestelijk gelegen stellingen van de Geallieerden. De Duitse opmars kwam tot stilstand op de strategische hoogte die de oorlogsgeschiedenis inging als ‘Pilckem ridge’. De heuvelrug gaf zijn naam aan de eerste fase van de derde slag om Ieper (31 juli tot 10 november 1917), ‘the battle of Pilckem ridge’.

In de jaren 1915-1917 was de vallei van de Zwaanhofbeek, met daarin de hoeve ‘Foch farm’, het slagveld van waaruit de Geallieerden het Duitse offensief vanuit Pilckem ridge probeerden tegen te houden. In dit gebied net achter de frontlinie organiseerden de Britse troepen de eerste evacuatie van de gewonden. Door de oostelijke opmars van de Geallieerden in juli-november 1917 was de hoeve nu verder (enkele kilometers) van de frontlijn gelegen. In het voorjaar van 1918 nam het Belgisch leger dit stukje front over van de Britse troepen. ‘Foch farm’ lag toen net op de grens van de Belgische verdediging. Luchtfoto’s uit de Eerste Wereldoorlog geven een beeld van de verwoesting van de hoeve en haar omgeving. Een Duitse opname van 28 april 1915, enkele dagen na de eerste Duitse gasaanval, toont de nog deels intacte boerderij met de poel en het U-vormige restant van de walgracht. De omgeving van de hoeve draagt met inslagen en loopgraven reeds de sporen van het oorlogsgeweld, maar van een omgewoeld maanlandschap is nog geen sprake. De open zijde aan de zuidkant van het erf verschijnt wel als een druk begaan en bereden terrein, wat aangeeft dat de hoeve was ingeschakeld in de logistiek van de Britse troepen nabij Pilckem ridge. De eerste loopgravenkaart met militaire infrastructuur rond de hoeve dateert van april 1917. Hierop is een loopgraaf afgebeeld die vanaf het kanaal Ieper-Boezinge rechtstreeks naar de hoeve loopt. Op dat moment lag de hoeve in Brits gebied, op 1 km ten zuiden van de toenmalige frontlijn. Op Britse luchtfoto’s uit juli en september 1917 is een inmiddels zwaar beschadigde hoeve te zien, een gevolg van de derde slag om Ieper die op dat moment volop woedde. De contouren van de drie gebouwen zijn nog steeds herkenbaar, maar de hoeve ligt duidelijk in puin. Het erf en de omgeving zijn bezaaid met artillerie-inslagen en langs de zuid- en oostzijde van de hoeve loopt een smalspoor. De poel en de walgracht zijn echter nog intact.

Na de Eerste Wereldoorlog

Na de oorlog werd de hoeve heropgebouwd op dezelfde plaats. De heropbouw door eigenaar Albert Vercruysse gebeurde ná 1919,wanneer de hoeve in het kadaster nog wordt beschreven als “in puin”, en vóór 1924, wanneer sprake is van een huis. De opstelling van de nieuwe gebouwen herhaalt grotendeels de vooroorlogse configuratie: het woonhuis in het noorden en twee vleugels ten zuiden ervan. Mogelijk werden het woonhuis en de twee hoevevleugels (de vleugel met stallen en graanzolder in het westen en de schuur in het oosten) geheel of gedeeltelijk op de plaats van de vooroorlogse gebouwen opgetrokken. De zeker in 1915 reeds verdwenen vleugel aan de zuidzijde van het erf werd niet heropgebouwd. Het bakhuis en de stalletjes achter het woonhuis werden verenigd in één volume, hierna de achterbouw genoemd, dat opnieuw achter het woonhuis werd opgetrokken. De walgracht en de poel bleven tijdens de heropbouw bewaard in hun vooroorlogse omvang.

Het archief van de Dienst der Verwoeste Gewesten bewaart geen dossier van de heropbouw van de hoeve. Eigenaar Albert Vercruysse bezat voor en na de Eerste Wereldoorlog echter ook andere hoeven, waaronder de hoeve Taffin in Kemmel (Kemmelstraat 17). Van deze hoeve is wel een dossier bewaard in het archief van de Dienst der Verwoeste Gewesten. De ontwerptekening van het woonhuis door de Moeskroense architect Marcel Hocepied (1894-1962) toont verschillende bouwelementen die in identieke vorm voorkomen in het woonhuis van de hoeve ‘Foch farm’: de uilengaten in de geveltoppen; de hoge schoorstenen met gekoppelde rookgaten onder zadeldakjes, onderaan de gevel steunend op een segmentboogje op kraagstenen; de dakkapellen onder lessenaarsdak; en de binnendeuren met verglaasd bovenlicht bestaande uit drie rijen van vier glasvakken. Het ontwerp van de hoeve ‘Foch farm’ kan daarom hoogstwaarschijnlijk worden toegeschreven aan architect Hocepied, die blijkbaar door Albert Vercruysse werd geëngageerd voor de heropbouw van de verschillende hoeven in zijn bezit.

Sinds de heropbouw in de vroege jaren 1920 zijn de hoevegebouwen zo goed als ongewijzigd gebleven. Alleen twee loodsen werden gebouwd aan de overzijde van de poel, in 1979 en 1984. In dat jaar werd ook de walgracht gedempt, behalve een deel ten noorden van de westvleugel. De pijlerkapel aan de Pilkemseweg, naast de toegangsdreef, werd opgericht voor of na de Tweede Wereldoorlog.

Beschrijving

De toegangsdreef van de hoeve wordt gemarkeerd door een pijlerkapel uit de jaren 1930 of 1950. Op een natuurstenen sokkel met offerblok staat een hardstenen bovenstuk met puntgeveltje. Het reliëf onderaan het bovenstuk toont twee duiven die uit een kelk drinken. Binnen de omlijsting van het bovenstuk bevindt zich een kunststenen reliëf met het opschrift “O.L.V. Ter Troost B.V.O”. Voorgesteld onder een drielob is Maria die een knielende figuur zegent.

Aan de linkerzijde van de dreef, voorbij de Zwaanhofbeek, ligt een poel. Deze heeft de Eerste Wereldoorlog overleefd en gaat minstens terug tot de 19de eeuw. De dreef loopt uit op de binnenkoer (25 x 35 m) van de hoeve, afgebakend door drie gebouwen in U-opstelling: de westvleugel met de stallen en de opslagzolder (36 x 11,5 m), de oostvleugel met de schuur en het wagenhuis (32 x 10 m) en, in het noorden, het woonhuis (18 x 10,5 m). Achter het huis staat de achterbouw (19,5 x 8 m) met de bakoven en de varkensstallen.

De vier gebouwen zijn opgetrokken in oranjerode baksteen en worden overdekt door zadeldaken met Muldenpannen, plaatselijk ook gekend als ‘Duitse pannen’. De architectuur van de hoevegebouwen wordt gekenmerkt door regionalistische bouwvormen. De onderaan beplankte dakranden steunen op houten modillons die zijn ingewerkt in de kroonlijst, gevormd door vijf uitkragende baksteenlagen. Aan de dwarsgevels steunen de aandaken van de dakschilden op de uitstekende gordingen van de dakkap. Daaronder zijn rechte muurankers aangebracht, onder de nokgording in hoefijzervorm. De houten aandaken van de dwarsgevels zijn onderaan bezet met zinken platen met aan de onderzijde een afgerond tandprofiel. Alle dakkapellen, zowel van de westvleugel als van het woonhuis, worden overdekt door lessenaarsdaken met aandaken.

De deuren, vensters en laadopeningen van de drie nutsgebouwen (westvleugel, oostvleugel en noordelijke achterbouw) hebben dezelfde uitvoering. Alle vensteropeningen hebben een getoogde overspanning in strekkenlaag. De grote vensteropeningen hebben hardstenen vensterbanken. De kleine vensteropeningen en de luchtspleten hebben onderaan afzaten van schuin geplaatste bakstenen. De dorpels van de deuren en de laadopeningen zijn in hardsteen. In de drie nutsgebouwen zijn de luiken van de deuren en het schrijnwerk van de vensters grotendeels origineel. Ook het hang- en sluitwerk is grotendeels oorspronkelijk. De rode beschildering van het schrijnwerk van de nutsgebouwen (luiken, beplanking van de aandaken, uitstekende gordingen, modillons en beplanking van de dakranden) is de oorspronkelijke kleurstelling. De nutsgebouwen onderscheiden zich zo van het woonhuis waar de deur- en vensterluiken wit en grijs geschilderd zijn. Deze beschildering is van recente datum maar benadert mogelijk de originele kleurstelling.

De binnenkoer was steeds zonder mestvaalt - deze bevindt zich aan de achterkant (westzijde) van de stalvleugel. De kasseien verharding rond de nutsgebouwen is niet oorspronkelijk, maar de kasseistenen zijn wel gerecupereerd uit de west- en oostvleugel van de hoeve. De oorspronkelijke verharding rond de gebouwen was in baksteen. Hiervan zijn nog resten bewaard langs de westvleugel. De poel tussen de westvleugel en het woonhuis is een overblijfsel van de walgracht die het woonhuis omsloot tot vóór de gedeeltelijke demping in 1984.

De westvleugel (stallen en opslagzolder)

De westvleugel van de hoeve bestaat uit twee delen: het grote en hoge volume met stallen en opslagzolder en, aan de noordzijde, een lager en smaller volume met het trappenhuis en de vroegere paardenstal. Vanuit de toegangsdreef staat men eerst oog in oog met de zuidelijke dwarsgevel van de westvleugel. De gevel bezit door de monumentale architectuur een representatieve allure. Het muurvlak wordt centraal geleed door twee steunberen met hoge afzaten van schuin geplaatste baksteenlagen. Tussen de steunberen bevindt zich de getoogde laadopening van de graanzolder, waarrond luchtspleten zijn aangebracht, twee boven de steunberen en één boven de laadopening. Bovenaan in de gevelpunt steekt een uilengat met acht straalsgewijs geplaatste bakstenen. Onderaan de gevel, tussen de twee steunberen, staat een verplaatste voederbak uit één van de hoevegebouwen. De voederbak, met halfrond profiel aan de bovenzijde, is vervaardigd in gewapend beton.

In tegenstelling tot de representatieve zuidgevel bezit de noordgevel van de westvleugel een uitgesproken sobere uitvoering. Op een centrale verticale as bevinden zich, van onder naar boven, een deur, een laadopening en een uilengat.

Het grote volume van de westvleugel bevat in de oostelijke langsgevel, hierna erfgevel genoemd, vier deuren en zeven vensters, zes kleine en één groot. De deur naast het grote venster wordt als enige overspannen door een metalen latei. Deze overdekte mogelijk een oorspronkelijk bredere opening, zoals blijkt uit de naden in het baksteenmetselwerk. De kleine vensters bevatten twee rijen van vier glasvakken, verdeeld door wit geschilderde raamroeden. Het grote venster bevat een T-raam. De twee vensterhelften bezitten elk vier rijen van twee glasvakken, het vaste bovenlicht bevat vier glasvakken. De raamroeden zijn wit geschilderd. Onder de modillons van de dakrand bevinden zich de verluchtingsgaten van de stallen. Tussen de verluchtingsgaten zijn op regelmatige afstanden muurankers aangebracht. Boven de twee centrale deuren bevinden zich evenveel bakstenen dakkapellen met laadopeningen naar de graanzolder. De laadopeningen worden onderaan afgeboord door natuurstenen dorpels en bevatten draaideuren met een vast bovenlicht van drie glasvakken. De westelijke langsgevel van het grote volume, hierna achtergevel genoemd, bevat twaalf doorbrekingen: acht kleine toogvensters en vier deuren, waarvan de twee centrale vandaag met baksteen gedicht zijn. Boven de vensters bevinden zich verluchtingsgaten en muurankers.

In de oksel gevormd door de terugwijkende bouwlijn van de erfgevel en onder een uitloop van het zadeldak bevindt zich de kleine uitbouw van het toilet. De deuropening, met bewaard origineel houten deurluik, wordt geflankeerd door een verluchtingsgat en een schuin oplopende steunbeer. Naast het toilet geeft een brede deuropening met dubbele luiken toegang tot het trappenhuis en de achterliggende paardenstal. Het beglaasde bovenlicht van de deur bevat vier vakken, verdeeld door wit geschilderde raamroeden. In de achtergevel bevinden zich de twee kleine toogvensters van de paardenstal, verluchtingsgaten en muurankers. In de oksel gevormd door de terugwijkende bouwlijn staat een bakstenen hondenhok, deel van de oorspronkelijke aanleg.

Onderaan de erf- en achtergevel van de westvleugel bevinden zich vierkante openingen van mestputten. De openingen worden afgeboord door bakstenen en zijn overdekt met betonluiken. Aan de erfgevel zijn er twee mestputten, aan de achtergevel vier, waarvan één achter de paardenstal. In het baksteenmetselwerk boven de mestputten zijn de metalen ringen bewaard waaraan de mestpompen werden vastgehaakt. De oorspronkelijke bakstenen verharding langs de buitengevels van de westvleugel is alleen in verweerde toestand bewaard langs de achtergevel en de erfzijde van het kleine noordelijke volume. Het platform van de mestvaalt aan de achtergevel is verhard met kasseistenen en hergebruikte abristenen.

Het kleine noordelijke volume van de westvleugel bevat een voorplaats (aan de erfzijde), het vermelde toilet, een trap naar de opslagzolder en, achteraan, de paardenstal. Vanuit de voorplaats bereikt men langs het trappenhuis het grote volume van de westvleugel. Hierin bevinden zich vier stalruimtes, geschikt langs een laterale gang aan de erfzijde van de westvleugel. De voorplaats in het noordelijke volume bezit een zwarte tegelvloer en wordt overdekt door een troggewelf op metalen liggers. De houten deuren naar de omliggende ruimtes zijn origineel. Ze bevatten een bovenlicht bestaande uit twee rijen van drie glasvakken. Ook de houten trap naar de opslagzolder is origineel. De paardenstal wordt overspannen door bakstenen troggewelven op metalen liggers. De vier stalruimtes worden overspannen door bakstenen troggewelven op metalen liggers. In elke stal rusten de gewelven op twee metalen liggers met I-profiel, geplaatst volgens de lengteas van de westvleugel. Twee stallen bevatten bakstenen dwarsmuren met vlak afgedekte doorbrekingen.

De zolder van de westvleugel heeft een vloer van vierkante, rode keramiektegels. Deze vaste bevloering, aangelegd bovenop de betonnen overspanning van de begane grond, beschermde de opgeslagen goederen in de zolder (hooi, stro, graan) tegen ongedierte. De dakkap van de zolder bestaat uit driehoeksspanten met gordingen. Op de zichtbare onderzijde van de dakpannen ziet men talrijke stempels van verschillende fabrikanten, onder meer "Tuileries Tongroises", "Gebr. Vetter A.G. Pforzheim Muhlacker", "Progrès Hennuyères Belgique", "Thonwerk Kolbermoor Steinbeis Genossen A.G.", "Ludovici Jockh[…]" en "Tonwerk Neufa[…]". Het grote en kleine volume van de westvleugel worden ook op de zolder gescheiden door een bakstenen muur, met een doorgang onder een betonnen latei.

Aan de binnenzijde van de gevelpunt van de zuidelijke dwarsgevel is de constructie van de luchtspleten zichtbaar. De openingen zijn niet recht door de muur aangebracht, maar hebben een geknikt verloop volgens twee haakse bochten. Dit type luchtspleet is ontleend aan het modelboek voor hoevebouw in West-Vlaanderen door Alfred Ronse en Théodore Raison, uit 1918. Het geknikte verloop van de luchtspleten, "en barbacane" volgens het modelboek, verhinderde rechtstreekse luchtstromen en beschermde de zolderruimte tegen neerslag van buitenaf.

De oostvleugel (schuur)

De erf- en achtergevel van de oostvleugel worden gedomineerd door de gevelhoge poorten van de centrale, dwars georiënteerde doorrit. Aan beide zijden van de centrale poort, zowel aan de erfzijde als aan de achterkant, zijn telkens drie hoge luchtspleten voorzien, van hetzelfde type "en barbacane" als in de stalvleugel. Aan de uiterste zijden van de erfgevel bevinden zich twee poorten. De linkse poort vervangt een smallere deuropening, zoals aangeduid door de ontlastingsboog die dezelfde grootte heeft als de ontlastingsboog van de deur ernaast. De poort aan het andere uiteinde van de schuur is, gezien de brede ontlastingsboog, wel oorspronkelijk. De deur naar de vroegere aardappelkelder wordt geflankeerd door telkens twee kleine luchtspleten.

De achtergevel van de schuur bevat slechts twee doorbrekingen, de poort van de centrale doorrit en de deur van de vroegere varkensstal, die ook hier een luchtspleet doorsnijdt. Voor- en achtergevel hebben een bescheiden kroonlijst van drie baksteenlagen op twee overkragende baksteenlagen en vier trekankers onder de modillons. In tegenstelling tot de zuidelijke dwarsgevel van de westvleugel is deze van de oostvleugel uiterst sober: alleen een centrale, getoogde laadopening en een uilengat in de geveltop. De noordelijke dwarsgevel bevat onder de centrale laadopening drie kleine vensters, van hetzelfde type als in de westelijke stalvleugel. De twee poorten van de doorrit worden overspannen door houten lateien met grote secties. Onderaan draaien de duimen van de poortluiken op betonblokken. Aan de erfzijde zijn fragmenten bewaard van de oorspronkelijke bakstenen dorpel van de poort. De twee andere poorten in de erfgevel worden overdekt door metalen lateien. De deuren in de erf- en achtergevel hebben natuurstenen dorpels maar lateien in gewapend beton. Ook in de oostvleugel zijn de luiken, het schrijnwerk en het hang- en sluitwerk van de vensters, deuren en poorten grotendeels oorspronkelijk.

De oostvleugel wordt overspannen door driehoeksspanten met gordingen. De schoren van de spanten steunen op bakstenen penanten. De doorrit wordt afgebakend door lage baksteenmuren waarachter varkens werden gehouden. Op de baksteenmuren staan de stijlen van de plankenvloer van de stapelruimte onder de dakkap. Links van de doorrit wordt de plankenvloer gedragen door houten kinderbalken, aan de andere zijde door dunne metalen liggers, volgens de eigenaar van de hoeve hergebruikte smalsporen uit de Eerste Wereldoorlog.

Het wagenhuis in het zuidelijke uiteinde van de oostvleugel wordt overspannen door metalen draagbalken. Hierop rusten houten kinderbalken een zijde en hergebruikte smalsporen aan de andere zijde. De aardappelkelder, vandaag in gebruik als werkplaats, ligt ongeveer één meter onder het maaiveld van de binnenkoer. De ruimte wordt opgedeeld door een baksteenmuur. Hierop ligt een metalen draagbalk die fungeert als ondersteuning voor het bakstenen troggewelf met metalen liggers. De ruimte in het noordelijke uiteinde van de oostvleugel wordt door bakstenen troggewelven op metalen liggers.

Rechts van de centrale poort staat een voedertrog in blauwe hardsteen, vandaag in gebruik als plantenbak. Wellicht is de trog gerecupereerd uit het puin van de vooroorlogse hoeve.

Het woonhuis

Het woonhuis omvat een hoger westelijk deel met kelder en opkamer en een lager oostelijk deel. Het onderkelderde deel met de opkamer heeft zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde een dakkapel. Het andere deel heeft alleen aan de voorzijde twee dakkapellen. De compositie van de voor- en achtergevel van het woonhuis is identiek: een venster en een getralied kelderraam in het opkamergedeelte, vervolgens een deur en vier vensters in het lage deel.

De vensters en deuren worden overspannen door korfbogen in baksteenstrekken die in de benedenhoeken zijn bijgehakt. De vensters hebben hardstenen vensterbanken, betonnen lateien en een blind boogveld in baksteenmetselwerk. De voordeur aan de erfzijde heeft een gekoppeld bovenlicht, wat ontbreekt bij de achterdeur. Bovenaan de muurdammen tussen de vensters zijn trekankers aangebracht. De houten vensterluiken zijn wellicht nog oorspronkelijk. De beschildering is van recente datum, maar de bleke kleurstelling (wit en grijs) benadert mogelijk de originele afwerking.

De westelijke dwarsgevel wordt geleed door de schachten van de twee schoorstenen. Deze zetten aan op baksteenconsoles en een verbindend segmentboogje, verjongen ter hoogte van de trekankers met een afzaat in schuine strekken en lopen boven het aandak uit in hoge schoorstenen, waarvan echter alleen het zuidelijke exemplaar bewaard is. Tussen de schoorsteenschachten zijn de doorbrekingen geschikt op een centrale verticale as: een getralied kelderraam, een tweelicht afgedekt door strekkenlagen, een venster (hetzelfde type als in de voor- en achtergevel) en een uilengat. De oostelijke dwarsgevel heeft een minder monumentale uitvoering. Het gevelvlak wordt slechts doorbroken door de centrale laadopening (met metalen takelbalk) en twee flankerende vensters. Een uilengat ontbreekt. De twee schoorstenen halverwege het zadeldak worden bekroond door overkragende topgeveltjes met pannen zadeldakjes. Recente aanpassingen aan het woonhuis zijn de dakgoten aan de dakranden en het vernieuwde schrijnwerk van de vensters. In de achtergevel zijn de vensters van de keuken onderaan met ongeveer negen baksteenlagen verhoogd.

In het woonhuis is de oorspronkelijke indeling grotendeels bewaard. De kelder wordt vanuit de keuken bediend door een bakstenen trap. Twee kelderruimtes, in het noorden en het zuiden, worden verbonden door een gang langs de westgevel van het huis. De twee ruimtes worden gescheiden door de bakstenen onderbouw van het trappenhuis. Dat bestaat uit twee delen: de keldertrap en ernaast een kruipkelder met tongewelfje. De kelderverdieping heeft baksteenmuren, een baksteenvloer en een bakstenen troggewelf op metalen liggers.

De gelijkvloerse verdieping van het woonhuis omvat een gang, gelegen naast de opkamer, die toegang geeft tot de eetkamer aan de erfzijde en de keuken aan de noordkant van het woonhuis. De eetkamer was eertijds opgedeeld door een dwarsmuur. Die is nog bewaard op de eerste verdieping en bevat de rookkanalen van de twee kleine schoorstenen halverwege het zadeldak. In het oosten van de eetkamer is er een doorgang naar een vertrek in de noordoostelijke hoek van het huis. Ten noorden van de gang en de eetkamer ligt de keuken, met aansluitend in het oosten een kleiner vertrek. De verticale circulatie in het woonhuis wordt verzekerd door het trappenhuis, aangelegd centraal in het volume met de opkamer. Het niveau van de opkamer bevat twee vertrekken, geschikt ten zuiden en ten noorden van de trap. De trap geeft toegang tot een grote ruimte onder de dakkap, aan beide zijden begrensd door een bakstenen muur: aan de westzijde de scheiding met het opkamergedeelte, aan de oostzijde de muur met de rookkanalen van de schoorstenen halverwege het zadeldak. Beide muren worden doorbroken door twee deuren: aan de westzijde naar de overloop van de trap, aan de oostzijde naar twee vertrekken in het oostelijke uiteinde van het huis. Aan de westzijde, boven de twee vertrekken van de opkamer, bevindt zich een vertrek onder de dakkap dat alleen toegankelijk is via een opening ter hoogte van de bovenste gordingen. De functie van deze ruimte (stapelplaats?) is onduidelijk. Het woonhuis wordt overspannen door driehoeksspanten met gordingen.

In het woonhuis zijn nog diverse originele interieurelementen bewaard: de bakstenen schouw in de keuken, houten deuren met verglaasde bovenlichten en, in enkele gevallen, originele sloten en krukken, de houten trap met balustrade ter hoogte van de zolder, de plankenvloer op de zolder. Enkele deuren zijn nog bewaard met hun originele bruine beschildering.

De achterbouw

Het gebouw achter het woonhuis is een eenlaags volume met zadeldak met aan de westzijde een kleine aanbouw onder lessenaarsdak. De westelijke aanbouw, deel van de oorspronkelijke aanleg, bevat het ovenlichaam van de oven. De ruimte ernaast bevat de ovenmond en, aan de voorzijde, de wasplaats. Het grootste deel van de achterbouw wordt ingenomen door stallen waar voorheen varkens werden gehouden. Naast de wasplaats bevindt zich een door baksteenmuren afgezonderd toilet. Op de westelijke geveltop staat een schoorsteen, met dezelfde vormgeving als de schoorstenen halverwege het woonhuis.

De gevel aan de voorzijde wordt gekenmerkt door de opeenvolging van deur- en vensteropeningen: eerst de deur van de westelijke aanbouw, vervolgens het venster en de deur van de bak- en wasplaats, dan de deur van het toilet en ten slotte de vier deuren en evenveel vensters van de stal. Boven de deur naar de bak- en wasplaats staat een dakkapel met laadopening en onder lessenaarsdak. De achtergevel van het stalgedeelte herhaalt het schema van de voorzijde. De bak- en wasplaats heeft aan de noordzijde één groot, deels gedicht venster.

Alle deuren en vensters van de achterbouw worden overspannen door strekkenlagen. Alleen de deuropening van de wasplaats is als enige overdekt door een betonnen latei onder een bakstenen ontlastingsboog. De dorpels van de deuren zijn in natuursteen, de afzaten van de vensters worden gevormd door schuin geplaatste bakstenen. Onder de dakrand zijn trekankers aangebracht; een kroonlijst is evenwel afwezig. De voorzijde van het stalgedeelte bevat verluchtingsgaten, van hetzelfde type als in de westelijke stalvleugel van de hoeve. De oostelijke dwarsgevel van de achterbouw wordt op de hoeken geschoord door schuin oplopende steunberen, van hetzelfde type als de steunbeer tegen het toilet in de westelijke stalvleugel. Centraal in de gevel bevinden zich een deur, met betonnen latei onder bakstenen ontlastingsboog, en een laadopening.

De westelijke aanbouw wordt verlicht door twee kleine vensters (met betonnen lateien) en heeft een originele baksteenvloer. De bak- en wasplaats bewaart een baksteenvloer, de ovenmond en het rookkanaal, en bakstenen troggewelven op metalen liggers. De hardstenen wastafel is afkomstig uit de keuken van het woonhuis. Het stalgedeelte van de achterbouw wordt overdekt door moerbalken, met kinderbalken aan de oostzijde en gerecupereerde smalsporen aan de westzijde. De zolder wordt verdeeld door een bakstenen dwarsmuur met een centrale doorgang onder een betonnen latei. De dakkap bestaat uit driehoeksspanten met gordingen. Op de zolder bevinden zich gedemonteerde oorspronkelijke deur- en vensterluiken uit de hoevegebouwen en een waterpomp.

Aan de voorzijde van de achterbouw staan twee voederbakken in gewapend beton, van hetzelfde type als aan de zuidgevel van de westvleugel. Op het grasperk tussen het woonhuis en de achterbouw staat nog een natuurstenen voederbak.

  • Kadasterarchief West-Vlaanderen, leggers Ieper, afdeling V (Boezinge), artikel 97.
  • Kadasterarchief West-Vlaanderen, mutatieschetsen Ieper, afdeling V (Boezinge), 1882/4, 1928/188, 1984/5.
  • Brussel, Algemeen Rijksarchief: Archief van de Dienst der Verwoeste Gewesten, 6153.
  • Brussel, Algemeen Rijksarchief: Kadaster. Primitieve Plannen, Boesinghe, Section B, 5e feuille.
  • Ieper, In Flanders Fields Museum, luchtfoto’s WO I: Von Kanne (8.10, 821-5; album 8), dianummer 18779 (FID 15594), dianummer 18789 (FID 15603).
  • Ieper, Stadsarchief: bouwdossiers 79/315 en 84/158.
  • DEGRANDE V. 2012: “Langs deze weg zet gene voet”. De kapelletjes van West-Vlaanderen. Regio Ieper, Assebroek.
  • DELEPIERRE A.-M., HUYS M. & LION M. 1987: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Ieper, Kanton Ieper, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 11N1, Brussel-Turnhout.
  • HOUBEN C. 2017: De wederopbouw van hoeves in de Westhoek na de Eerste Wereldoorlog, onuitgegeven Masterproef KU Leuven, 2 vols., Leuven.
  • NOTEBAERT A., NEUMANN C. & VANDEN EYNDE W. 1995: Inventaris van het archief van de Dienst der Verwoeste Gewesten, Algemeen Rijksarchief. Toegangen in beperkte oplage 270, Brussel.
  • RONSE A. & RAISON T. 1918: Fermes-types et constructions rurales en West-Flandre, Brugge.
  • VERHAEGHE F. 1981: Moated sites in Flanders. Features and significance. In: HOEKSTRA T.J., JANSSEN H.L. & MOERMAN I.W.L. (reds.), Liber Castellorum. 40 variaties op het thema kasteel, Zutphen, 98-121.

Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/33011/123.1, hoeve 'Foch farm' in Ieper (DEBONNE V., 2018)
Auteurs : Debonne, Vincent
Datum  : 2019


Relaties

  • Is deel van
    Boezinge
    Boezinge (Ieper)

  • Is deel van
    Slagveld Pilkem Ridge
    Boezinge (Ieper), Poelkapelle (Langemark-Poelkapelle)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Hoeve Foch farm [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/307057 (Geraadpleegd op 23-05-2019)