erfgoedobject

Hof ten Rhode

bouwkundig element
ID: 307084   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/307084

Beschrijving

Hof ten Rhode is een historische, omwalde hoevesite, teruggaand tot een ontginningscentrum dat in de 12de eeuw werd opgericht door de Parkabdij uit Heverlee. Vandaag betreft het een gesloten hoeve met het statige woonhuis van 1914-1916 in de zuidwestelijke hoek. Ten oosten ervan aansluitende stallen, die net als de noordelijke stalvleugel en oostelijke dwarsschuur dateren uit de eerste decennia van de 19de eeuw. Ook de in zuidoostelijke hoek langs de dwarsschuur aangebouwde rosmolen moet uit deze periode dateren. Het meest recente volume is de westelijke stalvleugel uit het midden van de 20ste eeuw. 

Historiek

Het hof en ontginningscentrum Terweiden of ten Rhode werd kort na of rond 1130 opgericht door een kleine communiteit van de norbertijnerabdij van Park (Heverlee), na een schenking van de gronden door Gilbert, graaf van Duras. Een hofmeester of magister curiae en enkele lekenbroeders baatten de hoeve uit. Door de inkrimping van de abdij werd er aan het einde van de 13de eeuw overgegaan op verpachting. Archiefbronnen vermelden in 1563-1564 de bouw van een nieuwe woning in baksteen met strodak ten tijde van pachter Mathijs Proveneers. Rond 1598 ving onder pachter Geert Vlieghen een renovatie van de gebouwen aan. De archiefdocumenten beschrijven minstens vijf dagen werk voor een metser en knecht, een dakdekker, een steenmetser voor een dak in tichels aan de schapen-, varkens- en koeienstal en het herstel van het duyvenhuys. In 1628 huurde pachter Mathijs Oyenbrugge kareelbakkers Nicolaas en Machiel Greffen en metser Servaas Sevenants uit Sint-Truiden in voor de bouw van een nieuwe koeien- en paardenstal en een grote en kleine toegangspoort. De oude fundamenten werden afgebroken en als basis gebruikt voor de nieuwe constructies en deuren en vensters werden ‘boogsgewijs’ opgebouwd. Voor het houtwerk werden bomen uit de directe omgeving gekapt en ter plaatste op maat gezaagd.

Een figuratieve kaart uit het abdijarchief van Park uit 1654 toont het hoff ten Roo als een site met walgracht. Vermoedelijk was de site ook in voorgaande eeuwen omwald, al ontbreekt het aan  bronnen die dit bevestigen. Vier individuele langwerpige volumes creëren een centraal binnenerf. De meeste gebouwen zijn opgebouwd uit baksteen, enkel de westvleugel heeft een strodak en was opgetrokken uit vitswerk. Deze indeling wordt grotendeels bevestigd door de Villaretkaart. De Cense de Tenroye is gekarteerd als een L-vormige zuidwestvleugel met vrijstaande noord- en oostvleugels. Te midden van dit rechthoekig grondplan staat centraal een klein vrijstaand volume, mogelijks een duifhuis. Een vrijstaand volume in de uiterste zuidoostelijke hoek van het omwalde erf deed vermoedelijk dienst als brouwerij. 

Op 15 september 1765 brak een grote brand uit in de ‘bedrijfsgebouwen’ waarbij de stallen, schuren, brouwerij en duiventil volledig afbrandden. Enkel het woonhuis van pachter Barbera Abbeloos bleef gespaard. De heropbouw duurde tot 1769. De Ferrariskaart toont de heropgebouwde hoeve met een grosso modo U-vormige zuidvleugel, een L-vormige noordwestvleugel en een afzonderlijke oostvleugel, met preventief meer tussenruimte. Een vrijstaand volume ten zuidwesten van de omwalling deed dienst als bakhuis of brouwerij. In 1786 staat Willem Janssens (-Abbeloos) vermeld als de laatste pachter van het hof. Tijdens de Franse Revolutie werd het goed aangeslagen en openbaar verkocht; het hof en een deel van de landerijen werden aangekocht door graaf Ferdinand d’Oultremont, die tussen 1794 en 1838 een grondige vernieuwing van de gebouwen doorvoerde. Het primitief kadasterplan toont een gesloten hoeve bestaande uit een zuidvleugel met woonhuis en koeienstal, een westvleugel met koeienstal, een noordvleugel met paardenstal en een oostvleugel met dwarsschuur met tasruimten en dorsvloeren. Aan de oostgevel van de oostelijke schuurflank werd een polygonale rosmolen toegevoegd die kadastraal niet werd opgenomen in 1830-1834. Ten westen van de zuidvleugel, aan de overzijde van de walgracht werd een aparte stal opgericht die reeds in 1840 gesloopt en vervangen werd door een ‘wagenschutting’. De opeenvolgende graven d’Oultremont de Wegimont de Duras voerden tijdens de 19de eeuw geen grote verbouwingen meer uit aan de hoeve.

Het woonhuis in de zuidvleugel werd in 1914 gesloopt en vervangen door een statig boerenburgerhuis door de weduwe en kinderen van Eugeen Michiels die de hoeve aangekocht hadden in 1900. In 1919 werd door echtpaar Peeters-Michiels een modelmelkveebedrijf ingericht met betonnen silo’s en bronnensysteem. Een verbouwing van de bestaande koeienstallen volgde in 1940. De stallen in het oostelijk deel van de zuidvleugel werden in 1945 gedeeltelijk als varkensstal en bijkomende kamers voor het personeel ingericht. De lemen westvleugel werd gesloopt en maakte plaats voor een moderne melkveestal. De agrarische functie van de hoeve eindigde in 1986. De betonnen silo’s en installaties werden kort erna afgebroken.

Beschrijving

De omwalde hoeve ligt geïsoleerd op de grens van Vlaams-Brabant met de provincie Limburg, tussen de dorpen Budingen, Grazen, Runkelen en Duras. Ten noorden stroomt de Graasbeek, een zijbeek van de Gete. Deze waterloop voorzag de omwalling door middel van een grachtensysteem van water. De grachten dragen de naam Gracht ’t Hof te Rode. Ten zuiden van het woonhuis werd de omwalling gedicht en een lusttuin aangelegd. Binnen de omwalling ligt een quasi gesloten hoeve met gekasseid erf waar een grasveld verwijst naar de plaats van de vroegere mestvaalt. Het woonhuis uit 1914-1916 bevindt zich in de zuidvleugel. De westvleugel van omstreeks 1945 omvat een melkveestal. De noordelijke stalvleugel, oostelijke dwarsschuur en stallen in het oosten van de zuidvleugel dateren alle uit de eerste decennia van de 19de eeuw. Buiten de omwalling, ten westen, vinden we de restanten van een wagenhuis uit 1931.

Via de onbebouwde zuidwestelijke hoek kan men het erf betreden. De zuidvleugel omvat het woonhuis van 1914, aan de westzijde en stallen aan de oostzijde. Het tweeledige, eenvoudig uitgewerkte woonhuis is opgedeeld in een gebouw van drie onregelmatige traveeën en twee bouwlagen op souterrain onder een zadeldak met klimmende dakkapellen en aansluitend een lager deel eveneens met onregelmatige travee-indeling en twee bouwlagen onder een schilddak. De rode bakstenen gevels worden horizontaal geritmeerd door gecementeerde muurbanden en een natuurstenen plint. De gevarieerde muuropeningen hebben vernieuwd wit schrijnwerk. Op de verdieping zijn er een aantal deurvensters met Frans balkon. Het woonhuis is toegankelijk via het centrale erf.

De oostzijde van de zuidvleugel, aansluitend op het woonhuis bestaat uit een volume van twee bouwlagen onder pannen zadeldak. Langs het woonhuis, vinden we in de eerste travee vertrekken voor het inwonend personeel. Het voegwerk verschilt duidelijk van de volgende traveeën en is identiek aan dat van het woonhuis. Twee boven elkaar gelegen vensters zijn rechthoekig met ijzeren latei, versierd met rozetten. De toegangsdeur is een voormalige staldeur met hardstenen omlijsting. Daarlangs een stal die werd ingericht voor varkens, twee traveeën breed, en een koeienstal van één travee, die aansluit op de noordelijke schuurflank. Twee staldeuren hebben een zware hardstenen lijst. Een derde staldeur heeft een gecementeerde lijst. De twee grote rechthoekige laadluiken onder de dakrand hebben eveneens een hardstenen lijst. Drie moderne stalvensters en veelvuldig toegevoegde muurankers in functie van een nieuw plafond dateren van de verbouwing tot varkensstal midden 20ste eeuw. De buitengevel van dit volume is nagenoeg blind, met enkele zeer kleine stalvensters met rollaag. Een enkele staldeur en gedeeltelijk wit geschilderd vlak toont aan dat in de tweede helft van de 20ste eeuw er tijdelijk een slechts enkele meters diepe, langgerekte varkensstal was aangebouwd. De vertrekken voor dienstpersoneel in de eerste travee zijn ook aan deze zijde te herkennen door twee kleine vensters op het gelijkvloers en een op de eerste verdieping.

De oostvleugel bestaat uit een grote dwarsschuur van zeven traveeën onder roodbruin pannen schilddak uit de eerste decennia van de 19de eeuw. De zuidelijke kopgevel is met een bouwnaad duidelijk afgelijnd van de aanpalende stallen in de zuidgevel. De schuur had een dubbele doorrit, met vier meter hoge poorten onder houten latei. Een schuurpoort werd dichtgemetseld in 1945 en vervangen door een garagepoort toen men in de schuur een varkensstal en garage inrichtte. Deze binneninrichting is later verwijderd, maar de bouwsporen van deze ingrepen zijn nog zichtbaar in de west- en oostgevel, door stalvensters met betonnen latei. Die zijn ook terug te vinden in de noordelijke kopgevel. Aan de erfzijde is in 1931 een weinig waardevol afdak aangebouwd, waaronder materieel kon worden gestald.

Merkwaardig is de octogonale rosmolen tegen de oostzijde van de schuur in het verlengde van de bewaarde zuidoostelijke doorrit. De structuur bestaat uit acht onverzaagde eiken hoekpijlers. De planken wanden werden vervangen door halfhoge bakstenen muurtjes met bovenop vensters met schrijnwerk onder het achthoekige leien dak. De centrale spil, heden verdwenen, kwam uit in een tweede achthoekig dakje, rustend op een open basis van acht onverzaagde eiken pijlers, dat het volume bekroont.

De lange noordelijke vleugel bestond bij de bouw in de eerste decennia van de 19de eeuw uit paardenstallen en een kippenhok. Het volume was in die periode zowel in de noordoostelijke als noordwestelijke hoek niet volledig dichtgebouwd. Dat gebeurde pas later, bij verbouwingen aan de aangrenzende oost- en westflank. De erfgevel is wit gekaleid met gepikte plint, afgezien van een zone waar het metselwerk werd hersteld nadat het dak in 1986 gedeeltelijk instortte en voor vochtproblemen zorgde. Deze zuidgevel wordt geopend door staldeuren en –vensters met zware hardstenen lijst, net als drie laadluiken. Centraal in het volume herkent men aan een kleine deur een kippenhok, midden tussen de paardenstallen. Modernisering in de landbouw noopte de inwoners om ook in dit stalvolume extra verluchting in te brengen door middel van moderne stalvensters. In noordoostelijke hoek is een forse betonnen latei ingebracht, waarmee een stalruimte tot garage met poort werd omgebouwd. Op enkele smalle verluchtingsgaten na is de noordgevel volledig gesloten.

De kortere westvleugel, een melkveestal van rond het einde van de Tweede Wereldoorlog is opgetrokken uit een helrode baksteen en bestaat uit zes traveeën met een rechthoekige toegangsdeur met een gecementeerde omlijsting in de eerste travee. De gelijkvloerse verdieping heeft kleine rechthoekige vensters met latei op twee meter hoogte in de vijf traveeën naast de toegangsdeur. Op de eerste verdieping zitten grotere vensters in de derde en vijfde travee en een kleiner venster in de tweede travee. De buitengevel van deze vleugel heeft dezelfde stalvensters als de binnengevel. De zijpuntgevel, aan de overgang met de noordvleugel, heeft in de eerste travee een hoge staldeur met schuifsysteem.

Ten westen buiten de omwalling, bevinden zich de resten van een wagenhuis uit 1931. Daarvan bleven na een brand in 2015 slechts de oostelijke penanten, die de inritten markeren, en de restanten van de westelijke, noordelijke en zuidelijke gevel bewaard.

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Mutatieschetsen en bijhorende mutatiestaten, Zoutleeuw, afdeling Zoutleeuw, Sectie E, 1838, 1885, 1916.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Primitief kadaster Zoutleeuw, afdeling Zoutleeuw, Sectie E, 1830-1834.
  • Rijksarchief Leuven, Kerkelijke archieven van Brabant, Leuven, reeks 14.623/f.26, reeks 1217/f.142 v, reeks 14652/p.138, reeks 985, reeks 938, reeks 121/f.428 v.
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique de Zoutleeuw, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842-1879, schaal 1:5000.
  • Atlas van de Buurtwegen, opgesteld naar aanleiding van de wet op de buurtwegen van 10 april 1841, schaal 1:2.500 (overzichtsplannen schaal 1:10.000).
  • Kaart van Villaret, Institut National de l’Information Géographique et Forestière, Sint-Mande (France), CH 292, uitgegeven in 1745, schaal 1:14.400.
  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Topografische kaart van België, Philippe Vandermaelen, uitgegeven in 1846-1854, schaal 1:20.000.
  • BILLIAU W. 1993: Inventarisatie van het agrarisch bouwkundig patrimonium te Zoutleeuw, Deel II Tekst, scriptie, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Landbouw Wetenschappen.
  • CLAES F. 1985: Inleiding tot de Oostbrabantse Toponymie, Orientaliste, Herent, Naamkunde, 19, 46–103.
  • KEMPENEERS P. 2003: Zoutleeuw: een toponymisch-geschiedkundige studie, Nomina Geographica Flandrica, Leuven, Instituut voor Naamkunde, 19, 98-102
  • MAES F. & van Vinckenbosch S. 1971: Inventaris van de figuratieve kaarten in het Abdijarchief van Park, te Heverlee. Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en Omgeving,11 (1).
  • MAES F. & VAN VINCKENBOSCH S. 1973: De oude pachthoven van de Abdij van Park in Vlaams-Brabant, s.l.
  • DIRIX E. & GOVAERTS S. 2019: Terreinbezoek Hof ten Rhode (Zoutleeuw) (terreinbezoek op 09 januari 2019).

Auteurs :  Cornelissen, Tom, Dirix, Evelien
Datum  : 2019


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Hof ten Rhode [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/307084 (Geraadpleegd op 27-01-2020)