erfgoedobject

Kasteeldomein Heuvelhof

bouwkundig element
ID: 307112   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/307112

Beschrijving

Het domein Heuvelhof bestaat uit een eclectisch kasteel in een landschapspark. Het kasteelgebouw heeft een neoclassicistische kern uit 1842-1846, gebouwd in opdracht van rentenier Joseph van der Beken Pasteel. Een ijskelder, een hovenierswoning (1872) en een tuinpaviljoen (1902), situeren zich eveneens in dit park.

Historiek

Tussen 1842 en 1846 werd het Heuvelhofkasteel met (vandaag afgebroken) bijgebouw opgetrokken in opdracht van Joseph Marie van der Beken Pasteel, een rentenier uit Turnhout. Een neoclassicistische constructie op H-vormige plattegrond vormt de 19de-eeuwse kern van het huidige gebouw. Het domein, voor de bouw van het kasteel gekend als “Lovensveld” of “’t Hovelken”, verkreeg J. van der Beken Pasteel door overerving van zijn ouders Jacques van der Beken en J.R.J. Dignez. Van 1846 tot 1851 werd het landgoed bewoond door Antoon Jacobs en Ida Verstrepen. In 1851 werd het goed verkocht aan Laurent Lappy, gehuwd met Josephine Thielens. De familie Lappy woonde reeds in het landgoed voor zij het kochten en lieten er ook de zussen Zélie en Olympe Cerckel huizen. Reeds vier jaar later moest het landgoed opnieuw verkocht worden als gevolg van een faillissement. Het domein werd gerechtelijk verkocht aan Felix Emmanuel Remy-Boye, die het eveneens vergrootte met een extra perceel. Na diens overlijden in 1856, hertrouwde de weduwe Angélique Collete Boeyé met zijn broer Edouard Remy, een belangrijk Leuvens industrieel en filantroop. Edouard Remy is gekend als stichter van de Remyfabrieken in Wijgmaal en voor verschillende liefdadigheidswerken in Leuven. Zij verhuisden samen naar een woning op de Oude Markt te Leuven en lieten tussen 1856 en 1858 in het kasteel een pensionaat voor meisjes inrichten door de zussen Zélie en Olympe Cerckel. Daarna zetten deze het pensionaat verder in de Vlamingstraat te Leuven. In 1862 stierf Angélique en erfde haar dochter Marie Sophie Clemence Camille Remy, als pasgeborene, het heuvelhoflandgoed. Het landgoed, hoogstwaarschijnlijk beheerd door Edouard Remy, werd vanaf dan bewoond door de familie Andre-Wodon.

Grondige verbouwingen van het landgoed werden in 1872 geregistreerd door het kadaster. Deze gebeurden volgens het kadaster in opdracht van de nog erg jonge Marie Remy. De twee zijvleugels werden beiden doorgetrokken door middel van trapeziumvormige uitbouwen ter hoogte van de voorzijde van het kasteel. Centraal in deze vermoedelijke voorgevel werd een derde langwerpige aanbouw met eveneens een trapeziumvormige beëindiging toegevoegd. Het is onduidelijk welke impact deze ingrijpende wijziging had op het grondplan van het kasteel. Ook de ijskelder, de hovenierswoning en een (verdwenen) kleine serre werden in deze periode bijgebouwd volgens het kadaster. De tuin met vijver werd in deze periode aangelegd in de Engelse landschapsstijl en incorporeerde een boomgaard. In 1886 trouwde Marie Remy met baron August de Becker en nam haar intrek in het vernieuwde kasteel. In 1898 registreerde het kadaster de verdere uitbreiding van het parkdomein in het zuidwesten. Ook werd de hovenierswoning verbonden met een omvangrijk complex vermoedelijk van serres en andere bijgebouwen. Deze bevonden zich ter hoogte van de huidige serres en bleven niet bewaard. Tot ongeveer 1915 betrok de familie Weerts de hovenierswoning, waarnaast het tuinpaviljoen in 1902 kadastraal werd geregistreerd.

In 1907 werden volgens het kadaster opnieuw verbouwingen gedaan aan het kasteel, opnieuw in opdracht van Marie Remy samen met haar man August de Becker. In deze bouwfase werd de rechtervleugel van het kasteel met uitbouw uit 1872 verbonden met de centrale, eveneens trapeziumvormige uitbreiding, centraal in de voorgevel door een extra, rechthoekig bouwvolume. Deze uitbreiding van drie bouwlagen gebeurde in een passende historiserende bouwstijl en vond zo aansluiting bij het bestaande volume, maar kan door het verschil in baksteen als een latere toevoeging herkend worden.

In 1915 stierf Marie Remy. Het kasteeldomein werd geërfd door haar man en zeven kinderen. Vier jaar na het overlijden werd het domein verkocht aan Albert Laurent Felix Joseph Ghislain de Stordeur, eigenaar van een maïsverwerkende fabriek aan de Vaart. Het landgoed besloeg op dat moment de volledige oppervlakte tussen de Diestsesteenweg, de Borstelsstraat, de Kortrijsestraat en de Elfnovemberlaan. Onder het eigenaarschap van de Stordeur werd het park gedeeltelijk verkaveld. De verkaveling en bebouwing van het gedeeltelijke park werd door het kadaster geregistreerd in 1936 en 1937, voornamelijk ter hoogte van de Diestsesteenweg en de Borstelstraat. In het westen werd de huidige Leopold Beosierlaan aangelegd en werd ook dit gebied van het park opgeslorpt door bebouwing van gezinswoningen.  

Toen de Stordeur in 1937 de hele eigendom wilde verkopen, besliste de gemeente Kessel-Lo het goed aan te kopen met subsidie van de Staat, op voorwaarde dat het parkdomein kosteloos ter beschikking zou worden gesteld voor het publiek. Ook in eigendom van de gemeente werden bepaalde delen van het park verder verkaveld. Zo werd in het noorden de woonwijk Heuvelhof opgericht (gesloopt).

Het kasteel werd vanaf 24 juli 1938 gebruikt als gemeentehuis van Kessel-Lo (zie metalen plaat op gevel: “gemeentehuis kessel-lo/ landgoed/ J.v.d. BEKEN-PASTEELS 1842-1851/ P. LAPPY-THIELENS 1851-1855/ F.E. REMY-BOYE 1855-1896/ baron de BECKER-REMY 1896-1919/ A. DE STORDEUR-GILBERT 1919-1938/ PENSIONAAT DAMES CERKEL 1853-1858/ GEMEENTEHUIS sedert 1938”). In 1938-1939 werd een urbanisatieplan voor Kessel-Lo uitgetekend door Victor Bourgeois. Dit plan is slechts beperkt gerealiseerd en werd grotendeels vervangen in 1969 door het bijzonder plan van aanleg “Gemeentepark”. Speeltuigen en banken werden geplaatst in het park en de aanwezige verlichting vernieuwd. In 1938 werd het gebouw in gebruik genomen als (deel)gemeentehuis van Kessel-Lo, met interne wijzigingen tot gevolg. In deze fase werd de achtergevel met terras en breed inkomportaal in gebruik genomen als hoofdingang, met inrichting van loketten in de grote hal. De oorspronkelijke voorgevel met trapeziumvormige uitbreiding richting Borstelsstraat, waar ook de toegangspoort zich bevindt, verloor zijn primaire functie. De uitbreidingen ter hoogte van de voorgevel uit 1872 hadden een rijkelijke interieurafwerking en werden ingericht als trouwzaal en raadzaal. Deze wijziging van inrichting had ook gevolgen voor de interne circulatie van het gebouw. Ook de verdiepingen werden opgedeeld in kantoren, het interieur werd functioneel afgewerkt.

In 1981 werd in opdracht van het Leuvense stadsbestuur, naar plannen van Léon Stynen, ook aan de linkerzijde van de centrale trapeziumvormige uitbreiding van het kasteel een bouwblok toegevoegd, gespiegeld en naar ontwerp van de uitbreiding uit 1907. Ook werd de kelderverdieping toegankelijk gemaakt in functie van de conciërgewoning.

Sinds 2016 staat het kasteelgebouw leeg. De ijskelder werd reeds in de jaren 1990 ingericht als vleermuisverblijf. Voor de hovenierswoning werd door de gemeente Kessel-Lo in 1938 geen nieuwe functie bedacht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog deed het gebouw dienst als bevoorrading voor winterhulp. In de jaren 1970 werden de bijgebouwen, verbonden aan de hovenierswoning afgebroken om een douche en refter voor de Groendienst van de gemeente te realiseren. Na 1981 werden de overige bijgebouwen en serres gesloopt. Vandaag bevinden zich opnieuw serres op deze locatie, in gebruik door de Groendienst van de stad Leuven. In 2010 werd de hovenierswoning aangepast met een uitbreiding op het gelijkvloers door architect Stefan van Hoef naar de behoefte van de kinderopvang ’t Koetshuis.

Beschrijving

Het kasteel Heuvelhof ligt in een kasteelpark, volledig omhaagd, met toegangswegen in de Borstelsstraat (historische hoofdtoegang), Diestsesteenweg (huidige hoofdtoegang, Rustoordlaan en twee toegangen in de Koningin Fabiolalaan. De voormalige hoofdingang van het domein bevindt zich in het oosten aan de Borstelsstraat en wordt gekenmerkt door een smeedijzeren inkomhek tussen vierkante bakstenen pijlers met hardstenen banden. In de zichtas van deze poort ligt het kasteel, centraal in het park, en aan de achterzijde uitgevend op de omvangrijke vijver. Net ten zuiden van de hoofdingang bevindt zich de hovenierswoning (Borstelsstraat 140) met ten zuiden van de woning het tuinpaviljoen.

Het kasteel, met grote gedecoreerde monolieten elementen in natuursteen, situeert zich in een waardevol landschappelijk park, aangelegd in Engelse landschapsstijl. Kenmerkend voor deze stijl en gaaf bewaard in het park zijn de openheid, de met zijn vijver organische vorm die op een stroom lijkt, de slingerende padenstructuur al dan niet omzoomd door bomenrijen (onder andere sparren en beuken), bijzondere bomengroepen (kastanje- en beukengroepen) en enkele waardevolle solitaire bomen (treurbeuk  (Fagus sulvatica ‘Pendula), mammoetboom (Sequoiadendron giganteum), Drents krenteboompje (Amelanchier grandiflora)) en weideachtige grasvlakten. De verschillende componenten van dit kasteelpark bleven nagenoeg gaaf bewaard, wat de ensemblewaarde van het geheel versterkt.

Het neoclassicistische kasteel op H-vormig grondplan, daterend uit 1842-1846, werd in 1872 sterk vergroot met een centrale uitbreiding en de verlenging van de zijvleugels, in trapeziumvorm en in eclectische stijl. Het kasteel werd nogmaals vergroot in 1907 en 1981, steeds met een identieke, rechthoekige uitbreiding in de oksels van bovenstaande uitbreidingen. Het geheel, op verhoogde kelderverdieping, telt drie bouwlagen en vijf op zeven traveeën onder een leien mansardedak. Het gebouw is opgetrokken uit rode baksteen op een blauwe hardstenen plint en met belangrijke accenten in witte natuursteen.

De voorgevel, gericht op de oostelijke hoofdingang (Borstelsstraat), wordt gemarkeerd door het centrale inkomportaal in een sterk uitspringende, trapeziumvormige uitbouw (1872), toegankelijk via een hardstenen trap naar het betonnen terras op de verhoogde begane grond. De façade is opgevat als een brede lijstgevel met attiek, opgedeeld in zeven traveeën. De attiek, opgebouwd met vaasvormige balusters, loopt in de centrale uitbreiding over in een brede fries onder geprofileerde kroonlijst en sterk uitspringende dakgoot. De verhoogde begane grond wordt verlicht door zeven deurvensters (fenêtre à terre), met geprofileerde omlijstingen in witte natuursteen en onder bakstenen ontlastingsboog. De centrale toegang (oorspronkelijke hoofdtoegang tot het kasteel) in ondiepe portiek bestaande uit twee Dorische zuilen. Rond de met natuursteen omlijste deur worden deze zuilen herhaald als pilasters. Ze dragen een hoofdgestel en een klein balkon, dat de cordon onder de tweede bouwlaag doorbreekt, alles in witte natuursteen. Op de verdiepingen zitten regelmatig geplaatste segmentboogvensters, in geprofileerde, witte natuurstenen omlijstingen. Enkel het centrale venster van de tweede bouwlaag heeft een ontlastingsboog. De tweede bouwlaag heeft houten T-ramen, op de minder hoge derde bouwlaag zitten gelijkvormige tweelichten (vernieuwd schrijnwerk, vermoedelijk naar oorspronkelijk model). In het dak van de centrale uitbreiding zijn drie dakkapellen geplaatst, waarvan de middelste bovenaan versierd is met een gebogen fronton.

De westelijke tuingevel dateert uit 1842-1846 en is rijkelijker uitgewerkt dan de voorgevel (historische achtergevel, uitkijkend op het landschapspark). De opvallendste elementen zijn de brede terrassen op de begane grond en op de eerste verdieping, gemarkeerd door per twee gebundelde Dorische zuilen, en bedoeld om te genieten van het uitzicht op de vijver en het landschapspark. Sinds 1938 werd deze zijde van het gebouw echter gebruikt als publieke ingang van het gemeentehuis.  De vijf brede traveeën van deze lijstgevel, waarvan de twee buitenste naar voor springen, zijn nagenoeg identiek uitgewerkt en steunen op een natuurstenen plint met twee keldergaten. Centraal een onderkelderd terras (van latere datum), gevat tussen de twee uitspringende buitentraveeën.

Deze lijstgevel is afgelijnd door een geprofileerde houten kroonlijst, gedragen door per twee gegroepeerde consoles en gecombineerd met een eenvoudige rechte tandfries en een fries met verdiepte rechthoekige muurvelden. De balustrade van het brede, centrale balkon op de eerste verdieping markeert de gevel eveneens horizontaal. De horizontaliserende werking van de lijsten wordt gecounterd door de zware, witte natuurstenen hoekkettingen die licht vooruitspringen op het bakstenen parement. Op de verhoogde begane grond zitten rechthoekige deurvensters in witte natuurstenen omlijstingen, met centraal de toegang.  De deurvensters van de tweede bouwlaag geven uit op het balkon en worden benadrukt door een drukke natuurstenen omlijsting, bovenaan versierd met guirlandes en gebogen fronton dat gesteund is door consoles. De derde bouwlaag wordt verlicht met kleinere segmentboogvormige vensters, omgeven door een geprofileerde natuurstenen lijst en onder rollaag. In het mansardedak zijn dakvensters ingebracht, beurtelings als tweelicht en oculus, versierd met vleugelstukken. De tweelichten zijn eveneens bovenaan versierd met gebogen fronton.

De zijgevels van het kasteel tonen de opeenvolging van de eerste (1842-1846), tweede (1872) en derde bouwfase (1907 en 1981). De zuidgevel heeft rechthoekige omlijste vensters op de eerste bouwlaag en segmentboogvormig omlijste vensters op de volgende bouwlagen. Zowel de kroonlijsten (van de portiek en gevel) als de cordonlijst worden (gedeeltelijk) verder gezet op deze gevel. In het dak is één dakkapel met gebogen fronton te zien in de tweede travee. In de hoek tussen zijvleugel en aanbouw is een trap richting kelderverdieping.

De noordgevel is opvallend minder versierd, desalniettemin lopen de cordon en de attiek/fries onder dakrand ook hier door. Dichtgemetselde vensters getuigen van verbouwingen, alsook de verbrede tussenstijlen van het schrijnwerk in de derde travee, ter hoogte van de diensttrap. Het bouwvolume uit 1842-1872 is opengewerkt met segmentboogvormige vensters onder bakstenen ontlastingsboog. De vensters zijn niet omlijst aan deze zijde. De grote keldergaten zijn voorzien van diefijzers. In het mansardedak werd ter hoogte van de voorlaatste travee een dakvenster voorzien met een hijsluik en katrol. Links ervan is nog een dakkapel te zien. Opvallend aan deze gevel is de bel ter hoogte van de derde bouwlaag (mogelijk in functie van het meisjespensionaat dat er tijdelijk was ondergebracht). Onder het aangebouwde volume uit 1907 geeft een trap toegang tot de kelderverdieping, opengewerkt met twee vensters en een centrale deur. Deze trap werd voorzien in 1981 om de conciërgewoning bereikbaar te maken door middel van een zijingang. 

Alleen in de noordgevel bleven enkele vensters met origineel schrijnwerk bewaard. Alle andere vensters werden in de 20ste eeuw vervangen. In de oorspronkelijke achtergevel werden de getande rolluikkasten verwijderd.

Het interieur van het kasteel werd grondig gewijzigd en aangepast aan de functie van gemeentehuis in 1938 alsook in de decennia erna. De indeling van een 19de-eeuws landgoed met gescheiden circulatie voor familie en personeel is echter nog afleesbaar in de aparte diensttrap naar de kelder- en zolderverdieping. In het interieur bleven de trouw- en raadzaal met neoclassicistische interieur bewaard. Opmerkelijk is ook de eiken trap met gesculpteerde trappaal, die tot aan de tweede verdieping is versierd met slingermotieven. De leuning eindigt in een gedecoreerde hoofdbaluster. De gehele traphal is verlicht door een lichtkoepel. Waar de traphal op de eerste en tweede verdieping overgaat in een brede gang, parallel met de westelijke gevel, werd per verdieping stucwerk met consoles met schelpmotief aangebracht. In het dakgebint zijn nog eiken steunbalken aanwezig, doch verstevigd met metalen bouten. Op de zolder is eveneens nog een katrol aanwezig. De goederen werden omhoog gehesen langs de noordzijde.

De hovenierswoning, met oorspronkelijke paardenstal en koetsinrit, uit 1872 bevindt zich in het oosten van het park nabij de hoofdtoegang langs de Borstelsstraat en richt zich met de (verbouwde) voorgevel met oorspronkelijke paardenstal en koetsinrit naar het park. De hovenierswoning werd opgetrokken op rechthoekig grondplan. Het geheel is opgebouwd uit drie volumes waarbij het centrale volume hoger werd uitgewerkt: het centrale volume telt twee bouwlagen en wordt geflankeerd door twee eenlaagse volumes. Deze drie delen bevinden zich onder ver uitkragende zadeldaken met geprofileerde en beschilderde randen waarbij de nok van het centrale deel haaks staat op deze van de zijvleugels. Dit centrale dak wordt gekenmerkt door een puntgevel langs iedere zijde, met een dynamisch dak tot gevolg. Dit centrale dak heeft een rijkelijk uitgewerkte dakafwerking van rode pannen en een ruitvormig raster in zwarte dakpannen en contrasteert met de eenvoudige leien bedaking van de zijvleugels met loden pirons op de hoeken. Baksteenmetselwerk in verschillende tinten rood werd aangewend voor de gevels, gesinterde baksteen voor de gevelversieringen en voor de plint. De hovenierswoning is verder sterk gedecoreerd, onder meer door middel van sierlijk uitgewerkt houtsnijwerk als korbelen, dakrand, als balkon en als fries in de gevels. Dit houtwerk werd veelvuldig beschilderd in witte, rode en blauwe kleur (originele kleurstelling).

De westelijke voorgevel telt drie traveeën waarbij op de begane grond een recente uitbreiding in moderne vormentaal de linker en centrale travee verbindt, ter hoogte van de voormalige paardenstal en koetspoort. De rechter travee ter hoogte van de rechter zijvleugel wordt opengewerkt door een segmentbogig venster met versiering ter hoogte van de rollaag en onderdorpel in gesinterde baksteen. De zijvleugels worden in deze gevel gekenmerkt door een fries in baksteen met fijn uitgewerkt, witgeschilderd houtsnijwerk boven een houten cordonlijst. Houten korbelen, eveneens in dit houtsnijwerk ondersteunen de ver uitkragende dakrand. De centraal, hoger opgetrokken travee wordt opengewerkt door een boogvormig palladiaans venster met centraal een deurvenster, uitgevend op een balkon (vernieuwd). De rollagen en muurdammen tussen deze vensters hebben een lichtere tint rood, de rollagen worden ook hier omgeven door lijsten in gesinterde baksteen. Centraal in de puntgevel bevindt zich een klok (vernieuwd in 2010), omgeven door een lichtrode en gesinterde bakstenen omlijsting. Het ver uitkragende dak wordt ondersteund door korbelen in houtsnijwerk. De noordelijke zijgevel telt drie traveeën waarbij de centrale travee op de begane grond en ter hoogte van de zolderverdieping wordt opengewerkt door deuren, beneden rechthoekig en omgeven door een hardstenen omlijsting, op de verdieping rondbogig en uitgevend op een balkon in houtsnijwerk. Twee segmentbogige vensters met gesinterde versiering flankeren de centrale deur in de zijtraveeën. Twee  vierpasvensters met omlijsting in lichtrode en gesinterde baksteen flankeren het balkon ter hoogte van de zolderverdieping. Een recente brandtrap maakt de zolderverdieping via het balkon toegankelijk. De zuidelijke zijgevel is sterk gelijkend aan deze noordelijke zijgevel. Verschillend zijn de venster- en deuropeningen op de begane grond die alle segmentbogig zijn en reiken tot aan de plint. Het balkon is intact. De oostelijk georiënteerde achtergevel richt zich naar de Borstelsstraat en werd eenvoudiger uitgewerkt. De centrale travee wordt op beide bouwlagen geopend door een deuropening en steeds geflankeerd door twee vensters. Deze openingen zijn segmentbogig op de begane grond en rondbogig op de verdieping. Een lijst in gesinterde baksteen verbindt de openingen horizontaal. Het overkragende dak van het centrale volume wordt ook hier ondersteund door de houten korbelen. De zijvleugels werden nagenoeg blind uitgewerkt op het rechthoekige venster in de linker zijvleugel na. Het schrijnwerk, witbeschilderde houten ramen en deuren, met roeden in de opengaande, vaste delen en in de bovenlichten, is vernieuwd naar oorspronkelijk model.

In het koetshuis waren aanvankelijk twee toegangen: de ingang voor de hovenier en zijn familie bevond zich aan de zuidgevel en voorgevel, de ingang voor het bezoek bevond zich aan de oostgevel. Via de ingang van de hovenier waren de eerste en tweede verdieping via een trap bereikbaar. In de huidige noordvleugel bevonden zich in deze periode de paardenstallen. In de zuidvleugel bevonden zich de woonvertrekken van de hovenier, parallel achter elkaar gelegen; de eetplaats, de leefruimte en de keuken. De trap leidt naar de verdieping waarbij een overloop haaks op de woning twee vertrekken in de twee zijvleugels toegankelijk maakt. Een kleine zolder omvat een uurwerkruimte voor de klok en het bijhorende mechanisme (weggehaald in 2010) alsook een kapconstructie (gedeeltelijk vernieuwd in 2010). Elk van deze vertrekken geeft uit op een balkon. In de kelder werd een ijskelder aangetroffen, afgesloten door een dubbele deur.

Het tuinpaviljoen bevindt zich ten noordwesten van de hovenierswoning, werd opgetrokken in baksteen op rechthoekige plattegrond en onder een zadeldak (heden groendak). De verankerde gevels worden opengewerkt door rechthoekige vensters en een deur onder een bakstenen rollaag met houten deur, wit-blauw beschilderd. Bouwsporen in het baksteenmetselwerk van de gevels wijzen op latere verbouwingen.

De ijskelder bevindt zich in het noordwesten van het park en werd voor het eerst kadastraal geregistreerd in 1872. De ijskelder bevindt zo niet ver van de vijver waaruit het ijs werd gehaald voor het koelen van de kelder en de opgeslagen goederen. De ijskelder is een halfondergrondse constructie ingewerkt in een kunstmatige heuvel ter isolatie. De toegang tot de ijskelder richt zich naar het  voorliggende park en bestaat uit een stenen constructie. De rechthoekige toegang is voorzien van een recente metalen deur met vliegopening. De ijskelder werd ingericht als vleermuizenverblijf.

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Mutatieschetsen en bijhorende mutatiestaten Leuven, afdeling II (Kessel-Lo), 1845/5, 1856/19, 1872/46, 1892/46, 1898/43, 1902/28, 1906/26, 1907/34, 1936/116, 1937/109, 1938/108, 1982/20.
  • Stadsarchief Leuven, Modern Archief Kessel-Lo, Afdeling VIII, Gebouwen en Inrichtingen, Gemeentehuizen, Oud Gemeentehuis (1883 – 1935), inventarisnummer 322.
  • BERBERS J. 2018-2019: Bouwhistorisch rapport Koetshuis Heuvelhofpark, onuitgegeven taak, Universiteit Antwerpen, faculteit Ontwerpwetenschappen, Opleiding Erfgoedstudies.
  • BERGERS L. 2018: Heuvelhofkasteel te Kessel-Lo. Architectuurhistorische analyse, erfgoedwaardestelling en herbestemmingsontwerp, onuitgegeven masterthesis, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit ingenieurswetenschappen.
  • LERQUAIN T. & D’HAESE RENILDE. 1995: Gemeentehuis Kessel-Lo Heuvelhof Diestsesteenweg 381, Open Monumentendag Leuven, 4-12.
  • SMEYERS A. 1974: De geschiedenis van Heuvelhof het gemeentehuis van Kessel-Lo, Meer Schoonheid 2.21, 38-43.

Auteurs :  Elsen, Liedewij
Datum  : 2019


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Kasteeldomein Heuvelhof [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/307112 (Geraadpleegd op 22-11-2019)