erfgoedobject

Burgerhuis in beaux-artsstijl

bouwkundig element
ID
307586
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/307586

Beschrijving

Burgerhuis in beaux-artsstijl, het linkerpand van een ensemble van drie woningen (nummers 51 en 53) in 1913 ontworpen door de architect Paul Stordiau. Opdrachtgever en uitvoerder was de aannemer François Vermeulen, die zelf het middenpand nummer 53 betrok. Beide flankerende panden waren bestemd voor verkoop, en kregen pas begin jaren 1920 een nieuwe eigenaar, voor nummer 55 de wisselagent P. Blauvois.

Historiek en context

Het betrof het allereerste bouwproject waarvoor aan de Koninklijkelaan een vergunning werd aangevraagd, en één van de drie bouwprojecten die hier vóór de Eerste Wereldoorlog tot stand kwamen. De andere twee waren het geheel van drie burgerhuizen op nummers 58-62 eveneens in 1913 ontworpen door architect Jan Jacobs in opdracht van  verzekeringsmakelaar Constant Le Doux, en het geheel van drie burgerhuizen op nummer 24 (gesloopt) en Hugo Verriestlaan 4-6 begin 1914 ontworpen door architect Alphonse Pauwels in opdracht van aannemer Gebroeders Grangé. Deze drie prestigieuze vastgoedprojecten vormden de aanzet tot de verkaveling van de Koninklijkelaan, en lijken bedoeld om de verkoop van de percelen te stimuleren. Vanwege de oorlogsomstandigheden kwam de verdere bebouwing van de laan echter pas op gang vanaf 1920.

François Vermeulen (Berlaar, 1857-Berchem, 1932), aanvankelijk meester-stukadoor en later aannemer van openbare werken, vestigde zich in 1893 in de Zurenborgstraat (huidig nummer 48). Het aannemersbedrijf, concessiehouder van de Franse betonproducent Hennebique en het wandopbouwsysteem Lugino, werd in 1926 voortgezet onder de naam Gebroeders Vermeulen. François Vermeulen behoorde tot de initiatiefnemers van de verkaveling van de Koninklijkelaan door de Naamlooze Vennootschap voor Stadsuitbreiding,  een afdeling van de in 1909 opgerichte Banque Anversoise de Fonds Publics & d’Escompte. Namens Stadsuitbreiding keurde hij de bouwplannen goed die door de kopers van de bouwgronden bij de maatschappij werden ingediend. Vermoed kan worden dat ook Constant Le Doux en de Gebroeders Grangé betrokken waren bij de verkaveling van de Koninklijkelaan.

Paul Stordiau is de zoon van de architect Ernest Stordiau, met wie hij in de eerste helft van de jaren 1920 occasioneel samenwerkte. Het vastgoedproject voor François Vermeulen is zijn vroegst gekende realisatie. De beaux-artsstijl met neorégence-inslag die Stordiau hier toepast, toont een opvallende verwantschap met de hotels waarvan vader Ernest Stordiau in dezelfde periode zijn handelsmerk maakte, zoals het hotel Morren uit 1913 aan de Prins Albertlei.

In 1964 werd het souterrain verbouwd tot garage naar een ontwerp door de architect W. Leemans.

Architectuur

Het woningensemble Vermeulen beantwoordt aan de typologie die de architectuur van de Koninklijkelaan kenmerkt. Op de drie vermelde bouwprojecten van 1913-1914 na, gaat het om een bebouwing van overwegend burgerhuizen uit de jaren 1920 en 1930. Zoals de bouwvoorschriften opleggen, zijn de voortuintjes telkens afgesloten door een ijzeren hekwerk. Slechts het poortje en de eveneens smeedijzeren postamenten postamenten bleven hier bewaard. De woning maakt deel uit van een ensemble van drie individuele woningen (Koninklijkelaan 51, 53, 55), die werden ontworpen als een architectonisch geheel in beaux-artsstijl, maar zich duidelijk van elkaar onderscheiden wat type, opstand en plattegrond betreft. Het ensemble toont qua stijl, ornament en materiaalgebruik overeenkomsten met de aanpalende woningen in de straatwand, die voornamelijk uit gevels in witte natuursteen bestaat. De dominantie van de beaux-artsstijl in het straatbeeld van de Koninklijkelaan getuigt van de populariteit van de stijl in deze periode. Desalniettemin zijn er diverse verschillen terug te vinden in gevelopbouw en materiaalgebruik van deze woningen, wat tezelfdertijd de verscheidenheid van de beaux-artsstijl aantoont.

De rijwoning met een gevelbreedte van twee ongelijke traveeën, bestaat uit een souterrain/begane grond en drie bouwlagen onder een mansardedak. De lijstgevel heeft een parement volledig uit witte natuursteen, met een decor ontleend aan de régencestijl, rijker uitgewerkt dan in de aanpalende panden nummers 51 en 53. Nadrukkelijk horizontaal geleed door waterlijsten en asymmetrisch van opzet, beantwoordt de opstand aan een drieledig schema. Daarbij fungeert het hoge ‘schoon verdiep’ als sokkel uitgewerkt in vlakke bossage of schijnvoegen, en is de lage tweede verdieping opgevat als attiek. In overeenstemming met de opdeling in hoofd- en nevenruimten in het interieur, legt de gevelcompositie de klemtoon op het zijrisaliet in de brede linkertravee, dat wordt gemarkeerd door geblokte pilasters met rolwerkcartouches. Dit risaliet wordt ter hoogte van het ‘schoon verdiep’  gemarkeerd door een rechthoekige erker, en is afgewerkt met een gebogen pseudo-fronton als onderdeel van de houten kroonlijst op klossen. De erker rust op zware, fraai uitgewerkte voluutconsoles, is op de afgeronde hoeken versierd met chutes en voluten, en wordt bekroond door de balkonbalustrade uit sierlijk smeedwerk van de eerste verdieping. Het spiegelboogvenster van de erker, evenals de getoogde vensters hogerop zijn gevat en een geprofileerde omlijsting verrijkt met rolwerkcartouches, schelpmotieven, rankwerk en festoenen. In de rechtertravee wordt enkel de hoge rondbogige inkomdeur, verheven op vijf hardstenen treden, geaccentueerd door een geprofileerde omlijsting met kwarthol beloop en een rolwerkcartouche als sluitsteen. Het bovenlicht met palmetsleutel, het venster van de eerste verdieping met rolwerksleutel en smeedijzeren leuning, en het rechthoekige venster van de tweede verdieping zijn gevat in vlakke omlijstingen. De houten vleugeldeur met paneelwerk is bewaard, het vensterschrijnwerk lijkt geheel of gedeeltelijk vernieuwd naar het oorspronkelijke model.

De plattegrond beantwoordt aan de typologie van het burgerhuis dat uit een hoofdvolume en een smalle achterbouw in entresol bestaat, georganiseerd rond de centraal ingeplante traphal met bovenlicht, die wordt ontdubbeld door de diensttrap. Volgens de bouwplannen neemt op het ‘schoon verdiep’ het salon de straatzijde in en de eetkamer de tuinzijde. De vestibule met steektrap rechts leidt naar de centrale traphal, met in het verlengde de diensttrap. Oorspronkelijk bevond de keuken zich in het souterrain. De plattegronden van de twee bovenverdiepingen en de mansarde ontbreken in het bouwdossier.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 956#3626 en 957#1310.

Auteurs :  Kint, Elisa
Datum  :


Relaties

  • Is gerelateerd aan
    Burgerhuis in beaux-artsstijl

  • Is gerelateerd aan
    Burgerhuis in beaux-artsstijl

  • Is deel van
    Koninklijkelaan


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Burgerhuis in beaux-artsstijl [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/307586 (Geraadpleegd op )