erfgoedobject

Buulmolen

bouwkundig element
ID
308185
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/308185

Juridische gevolgen

Beschrijving

De Buulmolen is gelegen in het Olense gehucht (Hoog)Buul aan de zuidzijde van het Albertkanaal, langsheen de Industrielaan schuin tegenover de Sluizenweg en het bijhorende sluizencomplex. De windmolen betreft een standaardmolen met gesloten  voet die fungeert als korenmolen.

Historiek

De voorlopige oudste vermelding van de Buulmolen dateert van 1362. Een cijnsboek van de norbertijnenabdij van Tongerlo heeft het grond van de familie Smeyers die “iuxta molendinum de bule” (“naast de molen van Buul”) was gelegen. Destijds werd de molen,  ook de Hoogbuulmolen genoemd naar het gehucht Hoogbuul waar de molen destijds in de Molenstraat stond. De windmolen was geen abdijbezit, maar hoorde toe aan de heren van Wezemaal en later via vererving aan de familie de Merode uit Westerlo. Uit de Rentmeestersrekeningen van de heer van Westerlo blijkt dat de molen meermaals, waaronder in 1468, werd hersteld. Omstreeks 1740 voerde molenbouwer Jan Willems werken uitgevoerd aan de molenas, de molenstaart en de molenkap. Vier jaar later, op 11 juli 1744, brandde de molen echter af. Nog hetzelfde jaar werd de molen op nieuwe bakstenen teerlingen heropgebouwd om in april 1745 opnieuw in gebruik genomen te worden. Het opschrift “INT JAER 1745 / [IS D] AWI MOLDER” op een balk in de molen herinnert aan deze heropbouw.

In 1850 werd de Buulmolen, vermoedelijk om uit onverdeeldheid te treden na het overlijden van markies Henri de Merode, verkocht aan pachter-molenaar Henri De Ceuster. De windmolen bleef in het bezit van de familie De Ceuster tot aan zijn onteigening voor de aanleg van het Albertkanaal in 1936. In 1937 werd de molen ontmanteld en door de firma Dumon & Vander Vin geschonken aan de stad Antwerpen op voorwaarde dat zij de kosten van demontage, vervoer en heropbouw zou dragen. Burgemeester Camille Huymans aanvaardde het aanbod en liet de molen heropbouwen op de wallen van het Noordkasteel, dat onder zijn impuls gedeeltelijk tot een recreatiepark met openluchtzwembad was ontwikkeld. Op 26 juni 1938 werd de ‘Molen van het Noordkasteel’ ingehuldigd. De gestage uitbreiding van de haven leidde op het einde van de jaren 1960 tot een sluiting van het park. Om het Vijfde Havendok met het Amerikadok te kunnen verbinden werd in 1972 beslist de molen vierhonderd meter te verplaatsen. Tussen oktober 1973 en augustus 1975 werd de molen door de Lommelse firma Devos nabij de Hogere Zeevaartschool en de Royerssluis heropgebouwd bovenop het gewelf van een kruitmagazijn van de militaire vesting uit 1860-1861, op de plaats van de vroegere koepel met twee 24 centimeter scheepskanonnen. Door de sleeptrede en de loopschoren van de molen met ijzer en beton vast te zetten en de molen aldus te verankeren kon de molen niet gekruid worden. Het niet naar de wind kunnen zetten van de molen leidde dan ook tot een snelle aftakeling. Een tussen 1980 en 1983 door architect Pascal Mariman voorbereide restauratie ging in afwachting van de bescherming als monument niet in uitvoering. Omwille van de veiligheid werd de molen in 1986 door molenbouwer Walter Mariman (Zele) naast de teerlingen gezet. In juni 1992 werd de molen beschermd.

In 1996 schonk de stad Antwerpen de molen aan de gemeente Olen mits zij de demontage-, vervoers- en heropbouwkosten op zich zou nemen. Nog hetzelfde jaar werd de molen naar Olen overgebracht. Enkel de in 1975 gemetselde teerlingen herinneren in Antwerpen vandaag nog aan de ‘Molen van het Noordkasteel’. Tussen oktober 2002 en juli 2003 werd de molen naar ontwerp van architect Paul Gevers langs de Industrielaan te midden van de velden heropgebouwd. Bij de uitvoering die in handen was van Adriaens Molenbouw uit Weert (NL) werd het 18de-eeuwse uitzicht van de windmolen zoals hij er tot 1937 op zijn oorspronkelijke plaats uitzag, hersteld. Ook de halfopen voet werd opnieuw gewijzigd in een gesloten voet. Omdat de molen in te slechte staat verkeerde, konden de oorspronkelijke molenonderdelen amper gerecupereerd worden. Enkel het vangwiel is nog origineel en de twee kruisplaten werden hergebruikt als oksel- of buitensteekbanden.  Op 1 augustus 2003 werd de Buulmolen feestelijk ingehuldigd. In het daaropvolgende jaren, in het bijzonder in 2009 en 2015, werden aan de molen diverse onderhoudswerken uitgevoerd.

Beschrijving

De Buulmolen behoort typologisch tot de standaardmolens met gesloten voet.

Bij de heropbouw van de Buulmolen in Olen in 2002-2003 liet de zeer slechte bewaringstoestand van de gedemonteerde molenonderdelen niet toe om deze, op het vangwiel en de kruisplaten na, te recupereren. Wel vormden ze het nodige referentiemateriaal om de molen samen te stellen met nieuwe, naar de oude, 18de-eeuwse toestand gemaakte onderdelen.

Het heroprichten van de molen impliceerde dat de halfopen voet met voor de Kempen typische manshoge teerlingen werd aangepast tot een gesloten voet, waardoor de Buulmolen opnieuw over een teerlingenkot beschikt. In deze bakstenen onderbouw, opgemetseld in kruisverband, steken naar de 18de-eeuwse situatie twee tegenover elkaar geplaatste houten geklampte deuren. De vloer is samengesteld uit bakstenen op hun kant. Het tentdak is gedekt met gepotdekselde eikenhouten schaliën, die rusten op een grenen bebording op keperwerk. Het keperwerk is aangebracht op het gebint, bestaande uit twee kruisplaten en - typisch voor de Kempen - tweemaal vier steil geplaatste oksel- en meesterbanden die het volledige gewicht van de standaard en de molen dragen. De massieve okselbanden zijn gerecupereerde kruisplaten van de oorspronkelijke 18de-eeuwse molen. Dit valt op door de verschillende inkepingen en het sterk verweerde hout. De nieuwe eikenhouten standaard heeft een diameter van 70 centimeter.

De houten molenkast van deze tweezoldermolen is 10,08 m hoog, 5,96 meter diep en 4,56 meter breed. Naar Brabantse, Antwerpse en Limburgse traditie hebben de voor- en zijwegen een kortgerokte verticale beplanking in oregon kroon. De blinde windweeg (of het stormeinde) bestaat uit horizontaal geplaatste zwart gebeitste, gepotdekselde grenenhouten planken met berd als onderlaag. Onderaan vertoont de windweeg een klokvormige baard, wat kenmerkend is voor de Kempische molenbouw. Typisch Kempisch zijn ook de uitstekende koppen van de windpeluw, daklijsten en voorbalk, die bij de Buulmolen halfbol zijn afgerond.

De voorweeg is over de gehele breedte voorzien van een balkon (van 4,50 meter op 1,55 meter), die rechts van de molentrap gedeeltelijk met een lessenaarsdakje is overdekt. Ter hoogte van het balkon bevindt zich aan weerskanten van de voorweeg een houten windwijzertje. Boven de centrale toegangsdeur steekt op het niveau van de steenzolder een luiluik en ter hoogte van de kap een luikapje. Ofschoon buitenluiwerk karakteriek is voor Kempische molens, is een luikapje dit niet. Normaliter overkraagt de molenkap de voorweeg en hangt die over de luias, waardoor geen luikapje nodig is.

De zijwegen zijn blind op enkele ronde loer- of kijkgaten na, die met houten deksels kunnen worden afgesloten.

De molen heeft een traditionele Kempische molenkap met een vloeiend gebogen profiel. Aan de windweeg is de molenkap afgewolfd en aan de zijwegen steekt ze over op sierlijk geprofileerde hondjes (of blokketten). Gepotdekselde eikenhouten schaliën dekken de kap af. In de kap steken geen luiken. Op de makelaar staat een windwijzer met het jaartal “2003”.

Het gevlucht heeft een lengte 25,60 meter. De gelaste stalen roeden (nummers 971-972, 2003) zijn vervaardigd door de firma Derckx uit Wessem (NL) en voorzien van schuifijzers voor het aanbrengen van de zeilen. De gietijzeren askop werd aangeleverd door de Kempische IJzergieterij & Smederij A. Van Aerschot uit Herentals. 

De aan de staart opgehangen steile molentrap telt 26 treden en heeft, naar Kempische traditie, een rechthoekige vorm. Typisch Kempisch is ook de verzwaarde staart die uit twee stukken is samengesteld.  Tussen de staart en de trap hangt de houten windas met  kruiketting. Het kruien gebeurt met een kruihaspel, wat wijst op een oud molentype. In een cirkel rond de molen zijn 12 houten kruipalen met een vierkante kop en een gesmede band in de grond geheid. Om de molen vast te zetten zijn twee houten loopschoren voorzien.

Kenmerkend voor de Buulmolen zijn zijn Kempische kleuren: de molenkast is grijs geschilderd met witte hoekstijlen, de askop rood met wit, de trapleuning, de balustrade en de wind- en eindplanken wit, de buitenzomen wagengroen en de metalen roeden rood. De windzijde alsook de trap zijn zwart geteerd,

Functioneel is de Buulmolen sinds zijn bouw in 1744 een korenwindmolen met twee zolders. Kenmerkend voor de constructie van de eikenhouten molenkast zijn de schuine steekbanden aan de zijwegen en de kruisverbindingen aan de voor- en windweeg. Dubbele spoorstijlen flankeren de steenbalk in de zijwegen. De boesem (of brasem) is geprofileerd.

De eerste zolder doet nog altijd dienst als meelzolder. Centraal op deze zolder bevindt zich tegen de standaard de meelgoot met meelschuif, meelbak en scheiplankje om het meel van de twee steenkoppels (op de steenzolder) op te zakken. Tegen de vangzijde (rechts) verschaft een houten binnensteektrap van 12 treden toegang tot de steenzolder. Tegen de steenrechtzijde (links) is tussen de spoorstijlen de oorspronkelijke datumbalk met opschrift ”INT JAER 1745 / [IS D] AWI MOLDER” ingewerkt. Een jonger opschrift “WB 1 I 945”  werd aangebracht op een van de schuine voorweegbanden.

De steenzolder is uitgerust met twee maalvaardige steenkoppels, gevat in houten steenkisten op een ronde houten steenring. De voormolen bestaat uit een tweedehandse loper in kunststeen met een diameter van 150 centimeter en een nieuwe ligger in kunststeen (op basis van flint en kwarts) met een diameter 150 centimeter; de achtermolen uit een nieuw koppel in kunststeen (op basis van flint en kwarts) met een diameter van 150 centimeter. Beide maalstoelen zijn voorzien van een gietijzeren staakijzer, een vierkante graanbak en kaar, een licht met ezel en pasbalk (vonderbalk). Bij de maalstoelen staat een verplaatsbare galg, bestaande uit een galgboom, galgarm, steunbalk, steenschroef en steenbeugels, om de stenen te lichten in functie van het scherpen.

De massieve eikenhouten molenas draait op een halssteen en een pinsteen, beide vervaardigd uit porfier van Ecaussines. Origineel is nog het grote vangwiel dat, net als het aswiel, op de molenas is bevestigd. In deze drijfwielen met eikenhouten strop haken de twee schijflopen in die op de staakijzers zijn vastgemaakt. Een sabelijzer, vangbalk,  vangezel, vanghaak, vangtrommel en hoepelvang rond het vangwiel maken de vang uit. Het luiwerk bestaat uit een luias, een klauwwiel met houten gaffels (gaffelwiel) en een kamwiel dat in het aswiel inhaakt.

Tegen de binnenzijde van de kap is een uilenbak aangebracht.

  • DENEWET L. 2003: Drie nieuwe Vlaamse staakmolenkasten in 2003, Molenecho’s 31.2, 64-66.
  • DENEWET L. 2003: Tien Vlaamse molens ingehuldigd in 2003, Molenecho’s 31.4, 281-296.
  • DENEWET L. 1992: Honderd bespookte molens in Vlaanderen. Een verzameling molensagen van de kuststreek tot het Maasland, Molenecho’s 20, 2-3.
  • HOLEMANS H. & LEMMENS P. 1978: Molens der Zuiderkempen, Nieuwkerken, 86-87.
  • LAUWERYS J. 1941: Drie mooie molens, Oolensche Bijdragen 2, 8-11.
  • SOETEN P.M. 1951: De Molen van Olen, Bijdragen tot de Geschiedenis 1.
  • S.N. 1938: Molenverplaatsing, De Belgische Molenaar 33.10, 100.
  • S.N. 2003: De Buulmolen door de eeuwen heen 1362-2003, Olen.

Auteurs :  Becuwe, Frank
Datum  :


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Buulmolen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/308185 (Geraadpleegd op )