Complex van meerdere gebouwen, in verschillende fases tussen 1953 en 1972 als rijkswachtkazerne door de federale overheid gebouwd. De meeste gebouwen ontstonden tussen 1953 en 1964 naar ontwerp van architect Julien Deswert. Julien Deswert ontwierp in 1952-1954 ook de uitbreiding (hal 3) van het waterbouwkundig laboratorium in de Berchemlei 115 in Antwerpen, waarvoor hij een zeer gelijkaardige constructie toepaste als voor de garage van de rijkswachtkazerne.
De gebouwen van de rijkswachtkazerne zijn gelegen op een grote site ten westen van de Boomsesteenweg, in de hoek tussen de Boomsesteenweg en de Krijgsbaan. Het centrum van de site vormt de erekoer die anno 2023 als parkeerplaats gebruikt wordt. Aan de noordzijde van de erekoer ligt het gebouw voor algemene diensten, ten oosten het stafgebouw en de turnzaal en ten westen het uit twee vleugels bestaande kazerneringsblok. Langs de westelijke grens van de site ligt een groot garagegebouw met verschillende bijgebouwen en een smalle vleugel waar zich anno 2023 het archief en de cafetaria bevinden. Tussen het kazerneringsblok en het garagegebouw bevinden zich bijkomende parkeerplaatsen. Aan de noordelijke grens staan de paardenstallen met bijgebouwen en in de noordoostelijke hoek, aan de vroegere ingang, het eerste poortgebouw en de infirmerie. Het zuidelijke deel van de site wordt ingenomen door een groot sportveld, ten oosten hiervan bevindt zich de tweede ingang met poortgebouw. Tussen het poortgebouw en de turnzaal ligt een tweede grote parkeerplaats. Aan de Boomsesteenweg en de Krijgsbaan wordt de site afgesloten door een lage breukstenen muur met betonnen dekstenen en daarop een sober spijlenhek.
De site op de Valaarvelden werd reeds tijdens het interbellum door de overheid aangekocht met het doel er een rijkswachtkazerne op te richten. In oktober 1960 werden de eerste gebouwen van de kazerne officieel ingehuldigd.
Uit de bewaarde bouwdossiers kan men vijf bouwfases afleiden, waarvan de meest bepalende de eerste twee fases waren, die zich in de jaren 1953/1954 en 1960/1962 situeren. In fase 1 ontstonden de twee delen van het kazerneringsblok (blok A en B), de garage met bijgebouwen (blok G), het gebouw voor algemene diensten (blok C) en het poortgebouw (blok K) en de infirmerie (blok I) aan de oorspronkelijke ingang van de site. In de tweede fase werden de paardenstallen (blok H) met magazijn en bijgebouwen (blok M, N1 en N2), het stafgebouw (blok D), de aansluitende vleugel met stortbaden en de turnzaal (blok E) opgetrokken.
De gebouwen uit deze eerste twee fases vormen een gaaf bewaard geheel en werden allen ontworpen door architect Julien Deswert van het ministerie voor openbare werken en wederopbouw. Het conventionele modernisme uit de naoorlogse periode en het functionele ontwerp van de gebouwen typeren de site en zijn kenmerkend voor openbare gebouwen uit deze tijd. Deze stijl werd ook bij latere uitbreidingen verdergezet.
Een derde fase volgde in het begin van de jaren 1970, toen werd er verder zuidelijk aan de Boomsesteenweg een tweede toegang tot de site geopend en werd er hier een poortgebouw (blok L) en een wachthuisje gebouwd. De plannen hiervoor werden opgemaakt door Alfred Jegers van het ministerie van openbare werken. In 1980 (vierde fase) trok men aan de noordzijde een overdekte manege (blok J) op. De laatste uitbreiding gebeurde in 2003 (vijfde fase) toen het uit 1954 daterende gebouw voor algemene diensten (blok C) gerenoveerd werd en er een beperkte uitbouw aan toegevoegd werd.
Hoewel de site over meer dan 30 jaar geëvolueerd is, komen verschillende elementen in alle gebouwen terug en verwijst elke bouwfase duidelijk naar de voorgaande fases. Dit maakt van de site een goed bewaard en samenhangend geheel. De verschillende, nog goed leesbare functies en het deels nog bewaarde interieur documenteren de oorspronkelijke opzet en organisatie van de site.
Als eerste gebouwen ontstonden de noordelijke vleugel van het kazerneringsblok (blok B) ten westen van de erekoer en het grote garagegebouw met werkplaats en burelen (blok G) aan de westelijke grens van de site. De plannen werden opgemaakt door architect Julien Deswert van het ministerie van openbare werken en wederopbouw, directie der gebouwen, Provincie Antwerpen. De plannen dateren van 19 juni 1953. De bouwaanvraag werd ingediend op 3 september 1953, de bouwvergunning op 17 september 1953 door het college van Wilrijk verleend.
Een voorafgaande briefwisseling van maart tot juni 1953 tussen het ministerie en de gemeente Wilrijk toont dat er nog onduidelijkheid was over de grens met de toenmalige Vredelaan (nu Krijgsbaan) en de begrenzing van het domein van de Spoorwegen. Hierdoor liep het advies vertraging op.
Het chronologisch hierop volgende bouwdossier bevat plannen van het gebouw voor algemene diensten (blok C), ook deze opgemaakt door architect Julien Deswert. De plannen dateren van 29 mei 1954. De bouwaanvraag werd pas op 14 december 1954 ingediend, de vergunning volgde twee dagen later op 16 december.
Samen met deze aanvraag werd op 14 december 1954 ook de aanvraag voor het oprichten van een poortgebouw en het afwerken van de bestaande gebouwen ingediend. De vergunning hiervoor werd ook op 16 december ondertekend. De plannen werden in september 1954 door Deswert opgemaakt. De geplande werken voorzagen naast het oprichten van het poortgebouw ook het installeren van een kanalenstelsel voor riolering en centrale verwarming bij de reeds bestaande gebouwen en het plaatsen van een omheining en afsluitmuren. Het garagegebouw en de bijgebouwen met smeerputten werden verder afgewerkt.
Het overzichtsplan van dit laatste bouwdossier geeft de nog geplande gebouwen reeds in stippellijnen aan: het tweede deel van het kazerneringsblok (blok A), het stafgebouw (blok D) en de turnzaal (blok E). Het valt op dat de infirmerie (blok I), een smal langwerpig gebouw ten noorden van het nieuwe poortgebouw, niet op dit overzichtsplan werd weergegeven. Van de infirmerie werd geen bouwdossier gevonden. Het gebouw wordt wel als bestaand weergegeven op het overzichtsplan van het hierop volgende bouwdossier dat in 1960 voor de bouw van de paardenstallen werd opgemaakt. Ook de constructie, de afwerking en de stilistische kenmerken laten toe de infirmerie in dezelfde fase als het poortgebouw van 1954 te dateren.
Hetzelfde geldt voor het zuidelijke deel van het kazerneringsblok (blok A). Ook hiervoor werd geen bouwdossier gevonden maar de vleugel wordt op het overzichtsplan van 1960 als bestaand gebouw weergegeven. Qua opbouw en stijl sluit deze volledig bij de reeds bestaande vleugel (blok B) aan.
In februari 1960 werden door architect Julien Deswert de plannen voor paardenstallen met bijgebouwen opgemaakt. Deze situeren zich aan de noordelijke grens van de site. Naast het hoofdgebouw met paardenstallen werden drie smalle volumes als bijgebouwen ontworpen.
In deze fase werd ook de erekoer tussen het kazerneringsblok (blok A en B) en het gebouw voor algemene diensten (blok C) aangelegd en werden er wegeniswerken uitgevoerd om de nieuwe gebouwen te ontsluiten. De orthogonale verdeling van de erekoer is in de verharding van rode klinkers met rijen van grijze klinkers aangegeven.
In 1962 werd een volgende bouwaanvraag ingediend voor de bouw van een stafgebouw (blok D) aan de oostelijke grens van de site met een aansluitende lagere vleugel voor stortbaden en lokalen voor het medisch onderzoek. Hierbij hoorde ook het grote haaks hierop ingeplante gebouw met de turnzaal (blok E) en een hierin geïntegreerde elektriciteits-transformatiecabine.
De plannen in het bouwdossier zijn opnieuw van de hand van architect Julien Deswert en dateren van 8 oktober 1962. De bouwaanvraag werd ingediend op 21 januari 1963, op 29 januari werd er door het college van Wilrijk een gunstig advies geformuleerd. De bouwvergunning volgde op 13 februari 1963.
Stilistisch en qua materiaalgebruik oriënteerde Deswert zich in deze en in de volgende fase aan de reeds bestaande gebouwen.
Een bouwdossier van 1969 bevat een bouwvergunning voor uitbreidingswerken aan de Rijkswachtkazerne, zonder te specifiëren over welke gebouwen het gaat. Dit dossier bevat geen plannen.
In juli 1972 werden de plannen voor een tweede poortgebouw en een bijhorend wachthuisje opgemaakt. Hiervoor werd er ook een nieuwe toegang tot de site gecreëerd, vanuit de Boomsesteenweg net voor de hoek met de Krijgsbaan, verder zuidelijk dan de bestaande toegang. De oprit kreeg opnieuw de vorm van een halve rotonde, het wachthuisje stond in het middelpunt hiervan. Aan de kruin van de rotondeboog staat de poort tussen breukstenen pijlers, het nieuwe poortgebouw werd links hiervan ingeplant.
De plannen dateren van 24 juli 1972 en werden opgemaakt door architect F. Jegers van het ministerie van openbare werken, dienst der gebouwen, Provincie Antwerpen. In dezelfde fase gebeurde ook de aanleg van de weg die de nieuwe ingang met de bestaande gebouwen van de site verbond. Tegelijk werden twee parkings aangelegd, één rechts van de nieuwe ingang en een tweede ten westen van het kazerneringsblok (blok A en B). De plannen voor deze aanleg werden opgemaakt door tuinarchitect G. Van Giel en dateren 14 augustus 1972. Op het totaalplan van de site werden naast het nieuwe poortgebouw en het wachthuisje ook twee bijkomende traveeën bij het garagegebouw en het smalle gebouw (blok F) aan de westzijde van de sportplaats aangeduid als op te richten gebouwen voor de bijzondere wegpolitie.
In 1980 werd er aan de noordelijke grens van de site een overdekte manege opgericht. De aanvraag werd ingediend op 15 februari 1980, de bouwvergunning werd op 15 mei afgeleverd. De plannen van het bouwdossier tonen een grote overdekte manege op quasi vierkant grondplan onder flauw hellend zadeldak. De interne constructie bestond uit boogspanten van gelamineerd hout, het gevelparement uit witte betonblokken. Het dak was gedekt met golfplaten. Dit gebouw is anno 2023 niet bewaard, de manege werd bij een brand in maart 2022 vernield.
In 1984 diende de Regie der Gebouwen nog een princiepsaanvraag in voor het uitbreiden van het tweede poortgebouw met tien arrestantencellen. Deze aanvraag werd goedgekeurd en vergund op 15 oktober 1984 maar de werken werden blijkbaar niet uitgevoerd.
Op 3 september 2003 werd door de Regie der Gebouwen, directie Antwerpen, een eerste aanvraag ingediend, hieraan werd door het college va Antwerpen op 1 oktober een voorwaardelijk gunstig advies verleend. De aanvraag hield het verbouwen van het bestaande gebouw voor algemene diensten (blok C) en een beperkte uitbreiding van de refter op het gelijkvloers in: in de hoek tussen de hoofdvleugel en de keuken achteraan, werd een eenlaagse uitbouw met vierkant grondplan onder terugwijkend pannen tentdak bijgebouwd. De vergunning werd op 26 februari 2004 verleend door het ministerie van de Vlaamse gemeenschap, departement leefmilieu en infrastructuur. De vernieuwing betrof enkel het gelijkvloers. De buitengevels en het interieur van de verdiepingen bleven ongewijzigd.
De gebouwen uit deze twee fases worden gekenmerkt door het gevelparement in baksteenmetselwerk in klezoorverband met staande tand. Hierdoor ontstaat een sober decoratief patroon. Voor de gevels van het garagegebouw werd roodbruine baksteen toegepast, alle andere gevels werden met een roomkleurige baksteen bekleed. Voor accenten werd een parement van blauw geglazuurde bakstenen gebruikt. Alle gevels hebben hardstenen plinten. De gevelopeningen zijn rechthoekig.
Het kazerneringsblok bestaat uit twee lange vleugels (blok A en B), die in dezelfde lengterichting maar verspringend tegenover elkaar ingeplant werden en verbonden zijn door een smaller en hoger, schuin geplaatst volume. Het bouwdossier bevat enkel de plannen van de noordelijke vleugel en het verbindingsvolume (blok B), maar zeer waarschijnlijk werd de zuidelijke vleugel kort nadien opgericht.
Het fundament en de vloerconstructie bestaan uit gewapend beton, de zadeldaken hebben ver overkragende betonnen dakranden en zijn gedekt met donkerbruine pannen. De twee brede vleugels hebben in elk dakvlak twee lange dakkapellen onder flauw hellende lessenaarsdaken.
Elke vleugel bestaat uit drie bouwlagen op een souterrain, het verbindingsvolume is hoger en bestaat uit vijf lagere bouwlagen op souterrain. De langgevels tellen 13 en 14 traveeën en hebben een zeer regelmatige ordonnantie: elke bouwlaag heeft per travee twee vensteropeningen. De vensters van het souterrain hebben hardstenen tussenposten en een doorlopende latei bestaande uit een verticale strekkenlaag. De vensters van het gelijkvloers zijn als een band gevat tussen een doorlopende betonnen latei en hardstenen dorpel en worden gescheiden door brede betonnen tussenposten. De vensters van de verdiepingen hebben betonnen lateien en hardstenen dorpels. De uiterste traveeën van elke vleugel bevatten de trappenhuizen. Hier zijn op elk niveau drie smalle vensters aanwezig, al dan niet op het tussenniveau van de trappenbordessen. Het verbindingsvolume heeft geen duidelijke travee-indeling maar in de lange gevels vijf of zeven en in de korte gevel drie smalle vensteropeningen per bouwlaag.
In de zeer sobere en conventionele opzet van de kazerneringsblokken vormen de inkomzones een markanter element, dat duidelijk naar de expostijl verwijst. In de kopse gevels zijn de inkomportalen verhoogd boven een perron met tweezijdige trap met hardstenen treden en een sobere metalen balustrade met elegant gebogen aanzet. De rechthoekige deuren zijn gevat in een betonnen omlijsting tussen twee muurvlakken bekleed met blauw geglazuurde gevelsteen in tegelverband. Ook de voorzijde van het perron is bekleed met blauwe stenen. Het geheel wordt overdekt door een ver uitkragende brede, licht gebogen luifel. Boven de luifel zijn twee boven elkaar geplaatste driedelige trapvensters met doorlopende tussenposten aanwezig.
In de hoek tussen de noordelijke vleugel (blok B) en het verbindingsvolume werd de inkomzone uitgewerkt als paviljoen onder een geprononceerde schuin geplaatste luifel. De wanden bestaan uit grote ramen onder betonnen dakrand, het inkomportaal is gevat tussen brede met blauw geglazuurde gevelsteen beklede pijlers. De ver uitkragende en schuin naar boven wijzende hoek van de luifel steunt op twee slanke, in V-vorm geplaatste metalen zuilen.
Het buitenschrijnwerk van het kazerneringsblok is volledig vernieuwd in pvc. Het bouwdossier geeft geen informatie over het oorspronkelijke materiaal.
Het kazerneringsblok is volledig onderkelderd, het plan van blok B toont een grote stookkelder en een kolenkelder. Deze stookkelder diende voor de verwarming van meerdere gebouwen op site, via een stelsel van ondergrondse, manshoge kanalen.
Op het gelijkvloers bevonden zich oorspronkelijk kamers voor de bedienden en de commandanten, twee magazijnen en twee vestiaires voor gehuwden. De twee verdiepingen bevatten de troepenkamers. Elke kamer had twee lavabo’s, de wc’s waren in de uiterste traveeën naast het trappenhuis en in het verbindingsvolume gesitueerd.
De garage (blok G) bestaat uit een constructie van betonnen spanten op kolommen van gewapend beton, die één grote ruimte met een oppervlakte van 109 x 52 meter overspant. De langgevels (oost en west) tellen 11 traveeën van 9,9 meter breedte, begrensd door de uit de gevel uitstekende, taps toelopende kolommen van gewapend beton. De gevelvlakken zijn opgetrokken in roodbruin baksteenmetselwerk in klezorenverband met staande tand op een plint van blauwe hardsteen. Elke travee heeft vijf hoge rechthoekige vensteropeningen van 1,16 meter breedte met bakstenen lateien en lekdrempels. Een zeer gelijkaardige constructie en gevelindeling paste architect Julien Deswert ook toe voor hal 3 van het waterbouwkundig laboratorium in Borgerhout.
De oorspronkelijke plannen van het garagegebouw tonen in de oostelijke gevel in de tweede travee van links en de uiterst rechtse travee telkens een 6 meter brede garagepoort. Anno 2023 zijn er poorten in de eerste, zevende en tiende travee van rechts. In het begin van de jaren 1970 werd de garage aan de zuidzijde met twee traveeën uitgebreid. Voor de uitbreiding werd dezelfde gevelafwerking en –indeling toegepast als voor het bestaande gebouw.
De kopse gevel aan de zuidzijde had oorspronkelijk drie brede garagepoorten als enige gevelopeningen. Na de uitbreiding werden in de nieuwe gevel naast de drie poorten nog meerdere rijen van rechthoekige vensteropeningen gemaakt, zowel op de begane grond als in de zone onder het dak.
Het zeer brede, flauw hellende zadeldak van de garage is voorzien van dertien, in de dwarsrichting doorlopende lichtstraten met zadeldaken. Uit detailtekeningen in het bouwdossier blijkt dat de dakhuid uit een waterdicht membraan bestaat, het materiaal van de lichtstraten wordt niet gespecifieerd.
Tegen de noordzijde van de garage staat een lagere dwarsvleugel waarin zich oorspronkelijk een herstellingswerkplaats, twee smeergrachten, magazijnen, een wasplaats, kleine burelen en kleedkamers bevonden.
De houten vensterkozijnen met achtdelige verdeling zijn nog origineel bewaard. Deze werden pas in 1954 geplaatst, gelijktijdig met de bouw van het noordelijke poortgebouw. De garagepoorten werden vernieuwd.
Voor de gebouwen die later in de eerste fase ontstonden, met name het gebouw voor algemene diensten (blok C), het noordelijke poortgebouw (blok K) en de infirmerie (blok I) werd een gelijkaardige stijl toegepast: de gevelafwerking met roomkleurige baksteen op hardstenen plinten, de accenten in blauw geglazuurde gevelsteen en de betonnen dakranden werden overgenomen. Ook de sobere rechthoekige vensters en de smalle, vaak per drie gekoppelde vensteropeningen komen terug. De gevels werden echter meer opengewerkt waardoor ook de constructieve elementen duidelijker zichtbaar zijn. De pijlers van gewapend beton werden als verticale elementen in de gevelcompositie benadrukt maar met gevelsteen of hardstenen platen bekleed. De grote raampartijen houden ook verband met de functie van deze gebouwen. Die liet in tegenstelling tot het kazerneringsblok meer inkijk van buitenaf toe en maakt hierdoor meer lichtinval mogelijk.
Het gebouw voor algemene diensten (blok C) bestaat uit twee schuin in elkaars verlengde geplaatste vleugels van twee bouwlagen onder brede zadeldaken. Een lager verbindingsvolume onder zadeldak werd tussen de twee vleugels geplaatst en bevat op het gelijkvloers de hoofdingang onder brede betonnen luifel. Aan het uiteinde heeft elke vleugel aan de zijde van de erekoer nog een lagere haakse uitbouw onder zadeldak met ongelijke, flauwe hellende dakvlakken en overkragende houten dakranden. Bij deze uitbouwen werd telkens een gevelhoek en de uit de gevel uitspringede schoorsteen met breuksteen bekleed.
Haaks op de achtergevel staat een eenlaags volume onder schilddak. Hier bevond zich oorspronkelijk de keuken die in 2003 werd uitgebreid.
De grotere oostelijke vleugel had oorspronkelijk in het noordelijke dakvlak twee en in het zuidelijke dakvlak drie brede dakkapellen, die wellicht bij de renovatie in 2003 vervangen werden door dakvlakvensters. De langgevels zijn zeer open opgevat met op gelijkvloers en verdieping 11 (zuidgevel) en 8 (noordgevel) gekoppelde grote ramen die in brede hardstenen omlijstingen gevat zijn. De tussenposten zijn pijlers in gewapend beton die deel uitmaken van de interne constructie en aan de buitenzijde met hardstenen platen bekleed werden. Onder de vensters van de verdieping werden hardstenen sierpanelen met zigzagreliëf geplaatst, onder de vensters van het gelijkvloers dienen vlakke hardstenen platen als borstwering. In de noordelijke gevel is links een brede gevelhoge raampartij aanwezig, die het trappenhuis verlicht.
De kopse gevel heeft dezelfde opbouw als de kopse gevels van blok A en B: het gelijkvloerse inkomportaal wordt geflankeerd door twee smalle met blauw geglazuurde stenen beklede panelen en overdekt door een ver uitkragende rechte luifel. Boven de luifel is ook hier een verticaal trapvenster met doorlopende tussenposten aanwezig, gevat in een hardstenen omlijsting.
De gevels van de westelijke vleugel zijn meer gesloten opgevat en hebben op het gelijkvloers kleinere rechthoekige vensteropeningen. De gevels van de verdieping zijn blind, hier bevond zich oorspronkelijk een projectiezaal.
De voorgevel van het verbindingsvolume bestaat op gelijkvloers en verdieping uit drie gekoppelde ramen in hardstenen omlijsting. Op de verdieping werden ook hier de betonnen sierpanelen toegepast, op het gelijkvloers worden de ramen horizontaal verdeeld door een brede ver uitkragende luifel. Hieronder bevindt zich het centrale inkomportaal, de tussenposten zijn bekleed met blauw geglazuurde gevelsteen.
Links van het verbindingsvolume is aan de gevel van de westelijke vleugel een sculptuur in groen geoxideerd metaal bevestigd. Deze is op foto’s van 1973 nog niet aanwezig en dateert mogelijk van de verbouwing in 2003.
Blok C is gedeeltelijk onderkelderd met technische kelderruimtes, onder de keukenvleugel bevindt zich een grote voorraadkelder.
De oostelijke vleugel bevat op het gelijkvloers een grote refter, aan de kopse zijden zijn de inkom- en trappenhallen met vestiaires en wc’s gesitueerd. In de trappenhal aan de oostzijde is nog de grote gebogen betontrap met een balustrade van V-vormige spijlen uit de oorspronkelijke bouwfase bewaard.
De lagere uitbouw aan deze vleugel bevatte oorspronkelijk een informatiezaal.
Het lage volume achteraan bevatte oorspronkelijk de keuken met nevenruimtes (broodkamer, magazijn, spoelplaats, bureel, personeelskeuken). In de westelijke vleugel bevindt zich op het gelijkvloers een kleinere eetzaal voor de officieren en in de lagere uitbouw de mess met open haard.
Op de verdieping en de zolder van de oostelijke vleugel zijn theorielokalen, een morse- en een radiozaal, een magazijn en een klein bureel gesitueerd, op de verdieping van de westelijke vleugel bevindt zich een projectiezaal
Bij de verbouwing in 2003 werd enkel het gelijkvloers aangepast. Hier werd het keukenvolume gereorganiseerd en verbonden met de nieuwe aanbouw. De grote refter ervoer beperkte aanpassingen, centraal werd een kleine tussenverdieping ingevoegd. De inkomhallen en de grote trappen aan de twee kopse uiteinden van de hoofdvleugel bleven behouden. In de haakse vleugel aan de oostzijde van het gebouw werd de informatiezaal omgevormd tot vergaderzaal. In de schuin aan de westzijde aansluitende vleugel werd de binnenindeling aangepast, de functie van kleine refter met bar en lounge bleef behouden.
De buitengevels en het interieur van de verdiepingen bleven ongewijzigd.
Het noordelijke poortgebouw (blok K) en de infirmerie (blok I) staan in de noordoostelijke hoek van de site. Het poortgebouw heeft een L-vormig grondplan, de infirmerie met lang rechthoekig grondplan ligt in het verlengde hiervan. De twee eenlaagse gebouwen worden door een houten pergola op vier breukstenen pijlers met elkaar verbonden. De lessenaarsdaken hebben een brede dakoversteek in elementen van schokbeton. De daken bewaren nog de oorspronkelijke koperen dakbedekking.
De hoofdgevels van de twee gebouwen – bij het poortgebouw is dit de naar de site gerichte zuidwestgevel, bij de infirmerie de naar de straat gerichte oostgevel – hebben een open opbouw met brede raampartijen tussen met gevelsteen beklede pijlers van gewapend beton. Boven de ramen werden ook hier hardstenen sierpanelen met zigzagreliëf toegepast. Bij het poortgebouw worden de drie centrale traveeën horizontaal verdeeld door een ver uitkragende rechte luifel, hieronder bevindt zich links de hoofdingang, rechts een kleinere zijingang.
De twee buitenste kopse gevels (de noordgevel van de infirmerie en de straatgevel van het poortgebouw) zijn afgewerkt met breuksteen, bij het poortgebouw is deze gevel concaaf en volgt de lijn van de rotonde bij de ingang van de site.
De gevel van de korte vleugel van het poortgebouw heeft een rij van vier hoog geplaatste gekoppelde vensters met doorlopende lekdrempel en een doorlopende koppenlaag als latei. De brede tussenposten zijn bekleed met blauw geglazuurde bakstenen in tegelverband.
Het metalen buitenschrijnwerk van de vensters is bij het poortgebouw nog origineel bewaard. De twee deuren werden vernieuwd in pvc. Ook het schrijnwerk van de infirmerie lijkt vernieuwd.
De plannen van het poortgebouw tonen aan de zijde van de voorgevel een wachtlokaal, een spreekkamer en een bureel van de officier, achteraan bevindt zich een rustlokaal en een sanitair gedeelte. De originele vloer van cementtegels in hier nog gedeeltelijk bewaard.
In de kortere vleugel met hoog geplaatste ramen zijn vier cellen en een kleine rustkamer voor de officier gesitueerd. Van de infirmerie werd geen bouwdossier gevonden.
In 1960 ontstond het grote gebouw met paardenstallen (blok H) en de bijgebouwen (blok M/N1/N2) aan de noordelijke grens van de site. Ten oosten van deze gebouwen werd een paardrijbaan aangelegd.
Het gebouw met de paardenstallen heeft een lang rechthoekig grondplan en bestaat uit één bouwlaag onder breed zadeldak met ver overkragende betonnen dakranden. Het dak is gedekt met donkergrijze pannen, het bouwdossier vermeldt zwart-paars genuanceerde matte pannen als dakbedekking. Op de nok is een lange verluchtingskap in schokbeton onder zadeldak aanwezig die de dakvorm en de betonnen dakrand van het gebouw herhaalt. De lange zijden van de verluchtingskap hebben tien rechthoekige openingen met horizontale lamellen. In het noordelijke dakvlak zijn hieronder nog vier dakkapellen onder platte daken aanwezig. De korte zijden van de verluchtingskap en de dakkapellen zijn bekleed met houten daktegels.
De constructie in gewapend beton werd voorzien van een gevelparement in matte grijze baksteen in halfsteens verband op een hardstenen plint. De rechthoekige vensteropeningen hebben hardstenen lekdrempels en als lateien een bakstenen koppenlaag. De deur- en poortopeningen zijn gevat in betonnen omlijstingen.
De langgevels tellen 14 traveeën, de centrale 10 traveeën hebben hoog geplaatste rechthoekige vensters boven een brede betonnen luifel. Onder de luifel is in het midden telkens een brede deuropening aanwezig, verder is de gevel onder de luifel blind en op regelmatige afstanden voorzien van bevestigingsringen voor de paarden. In de buitentraveeën van de langgevels zijn ter hoogte van de trappenhuizen verticale vensteropeningen aanwezig, in de voorlaatste travee van de noordgevel bevindt zich een brede poortopening.
De kopse gevels hebben een centrale poortopening, de westgevel heeft ter hoogte van de zolder een brede vensteropening en rechts van de poort een betonnen drinktrog. De oostgevel heeft aan de voorraadzolder een verticaal laadvenster met daarboven een takel.
Het metalen schrijnwerk van de vensters en de houten deuren en poorten zijn nog origineel bewaard. Het schrijnwerk van het zoldervenster en de deur van het laadvenster werden vernieuwd.
De grondplannen van het bouwdossier tonen een grote hal, die door houten tussenwanden in boxen verdeeld is. De boxen worden door metalen schuifhekken afgesloten. De oorspronkelijke vloer is nog bewaard.
In de westelijke travee bevindt zich de zadelbergplaats en een klein lokaal voor de stalwacht. Hierboven is op de zolder een bergplaats, een werkplaats voor schoen- en zadelmakerij en een silo gesitueerd. In de oostelijke travee leidt een bordestrap van het gelijkvloers naar de grote voorraadzolder.
De bijgebouwen van de paardenstallen bestaan uit drie langwerpige vleugels van één bouwlaag onder met roofing afgewerkte platte daken. Het gevelparement bestaat uit roodbruine baksteen in halfsteens verband op een hardstenen plint. Twee bijgebouwen zijn in het verlengde van elkaar, het derde in een scherpe hoek hiertegenover ingeplant. In de westelijke vleugel (blok M) bevinden zich vier stallen voor zieke paarden, een lokaal voor de veearts en een bergplaats. De koer voor dit gebouw was oorspronkelijk met een baksteenmuur afgebakend. De twee volumes aan de noordelijke perceelgrens (blok N1 en N2) bevatten een badkamer en kleedkamer, een smidse met hoefbeslagplaats en paardenvoetbad, magazijnen, opslagplaatsen en een plaats voor de mestvaalt. Deze laatste werd langs een monorail vanuit de paardenstallen gevuld. Tussen paardenstal en mestvaalt loopt boven poorthoogte een smalle brugconstructie in beton als behuizing van deze monorail. Op het dak boven de mestvaalt is een betonnen verluchtingskap aanwezig.
De betonnen luifel boven het paardenvoetbad wordt in de hoek ondersteund door twee in V-vorm geplaatste metalen zuilen, een verwijzing naar het inkomvolume van het kazerneringsblok (blok A en B).
De gevelopeningen van deze gebouwen werden deels aangepast, de opening naar de vroegere mestvaalt werd met betonnen snelbouwstenen dichtgemetst. De deuropeningen van de opslagplaatsen worden links geflankeerd door muren van glasbouwstenen, die ook op de initiële plannen gedocumenteerd zijn. Onder de dakrand is hier een doorlopende rij van enkele glasbouwstenen aanwezig.
In blok M zijn nog de oorspronkelijke metalen vensterkozijnen en de houten deuren bewaard.
De gebouwen die in 1962 werden gebouwd verwijzen qua stijl en materiaalgebruik nog duidelijker naar deze van het begin van de jaren 1950 dan de paardenstallen. Bij het stafgebouw (blok D), de smalle verbindingsvleugel met stortbaden en het gebouw met de turnzaal (blok E) worden elementen uit de vorige fase herhaald: de per drie of meer naast elkaar geplaatste smalle vensteropeningen, de grote traveebrede ramen tussen met hardsteen beklede betonpijlers en de centraal geplaatste overluifelde inkomportalen. Boven de verhoogde inkom naar de stortbaden en de turnzaal werd de ver en schuin uitkragende luifel met V-vormige metalen steunzuil van het kazerneringsblok bijna letterlijk geciteerd. Het gevelparement bestaat ook hier uit roomkleurige baksteen, echter in sober halfsteens verband, de plinten bestaan uit blauwe hardsteen.
Het stafgebouw is 17 traveeën lang en bestaat uit twee bouwlagen onder een pannen zadeldak met ver overkragende dakrand. In de westgevel bevatten de 15 centrale traveeën twee boven elkaar geplaatste traveebrede ramen met natuurstenen borstwering tussen met hardsteen beklede steunpijlers. De uiterst rechtse travee is blind, de uiterst linkse travee heeft op het gelijkvloers drie smalle vensters en op de verdieping twee boven elkaar geplaatste rijen van drie smalle vensters.
In de zesde en zevende travee van links bevindt zich een breed met twee treden verhoogd inkomportaal onder een rechte ver uitkragende betonnen luifel.
In de straatgerichte oostgevel hebben 12 traveeën grote ramen tussen steunpijlers in dezelfde vormgeving als in de westgevel. Deze wisselen af met twee meer gesloten traveeën met op elke verdieping zes smalle vensters (travee 4 en 5), een gevelhoog, twee traveeën breed trapvenster (travee 11 en 12) en een blinde travee (travee 17, uiterst rechts).
De kopse noordgevel heeft een centraal overluifeld inkomportaal dat geflankeerd wordt door één smal venster links en twee smalle vensters rechts. Het oorspronkelijke gevelplan voorzag aan elke zijde drie vensters. Uiterst rechts is in deze gevel nog een deuropening aanwezig, ter hoogte van de zolder twee smalle vensters.
Het buitenschrijnwerk van het stafgebouw is vernieuwd in pvc.
Tussen het inkomportaal aan de westzijde en het trapvenster in de oostgevel bevindt zich de inkom- en trappenhal. De open betonnen bordestrap met houten treden en metalen balustrade is nog origineel bewaard, net als de grote vloertegels in zwarte granito en de muurbekleding in roomkleurige gevelsteen op zwarte plinten. Het gedeelte ten noorden van de trappenhal werd recent gerenoveerd, in het zuidelijke deel van het gelijkvloers is de interieuraankleding nog deels bewaard. De wanden zijn voorzien van een lambrisering uit smalle houten latten, de houten deuren zijn afgewerkt met fineer in dezelfde tint.
De glazen deur tussen trappenhal en zuidelijke gang bewaart nog het kozijn in aluminium.
De interieurplannen van het stafgebouw tonen onder het noordelijke deel een kelder met magazijn, enkel toegankelijk vanuit de gelijkvloerse burelen en daarvan gescheiden een wijnkelder en een cv-ruimte, bereikbaar vanuit de keuken. Daarnaast is het grootste deel van het gebouw onderkelderd met een kruipruimte en een iets hoger, rondgaand kanaal voor cv-leidingwerk.
Op het gelijkvloers waren verschillende burelen, archiefruimtes en een conferentiezaal gesitueerd, ten noorden van de inkom- en trappenhal bevond zich oorspronkelijk een vestiaire, een keuken met spiltrap naar de kelder, een bureel, een magazijn en sanitaire ruimtes. Aan die kant bevond zich ook een diensttrap die tot de zolder doorliep.
De verdieping bevatte initieel een living, een speel- en een eetzaal en een bar met open haard en balkon. Verder bevonden zich hier nog sanitaire ruimtes en een bijkeuken die met een goederenlift verbonden was met de keuken op het gelijkvloers.
Op de zolder bevond zich over zes traveeën een cv-lokaal.
In de verbindingsvleugel tussen stafgebouw en turnzaal zijn nog de oorspronkelijke stortbaden bewaard. Het gevelparement in roomkleurige baksteen op een hardstenen plint loopt hier door, de sokkel bestaat gedeeltelijk uit breuksteen. De gecombineerde zadeldaken bewaren nog de oorspronkelijke koperen afwerking. In de west- en oostgevel werden opnieuw brede ramen tussen met hardsteen beklede steunpijlers toegepast, de oostgevel heeft rechts een rij van zes hoog geplaatste rechthoekige vensters. De zijgevels hebben respectievelijk drie en vier smalle vensters naast elkaar, het verhoogde en overluifelde inkomportaal een tweevleugelige glazen deur en links daarvan vier smalle vensters. Het plateau voor het inkomportaal is schuin naar de toegangsweg gericht en heeft dezelfde vorm als de luifel met V-vormige zuilconstructie. Aan de noordzijde ervan bevindt zich een trap met zes zwevende betonnen treden. De witgeschilderde metalen balustrade van de trap is nog origineel bewaard en loopt langs de zijden van het plateau door.
Het grondplan van het verbindingsvolume toont aansluitend aan het inkomportaal de sanitaire ruimtes, hierachter ligt een brede kleedplaats en achteraan de ruimte met stortbaden. Vanuit de aansluitende wachtzaal zijn vier kleine cabines bereikbaar, die rechtstreeks toegang bieden tot de lokalen voor medisch onderzoek.
Het gebouw met de turnzaal (blok E) bestaat uit twee bouwlagen op een souterrain en heeft een pannen zadeldak met overkragende betonnen dakranden. De gevels zijn bekleed met roomkleurige baksteen in halfsteens verband en hebben een hardstenen plint. Het aanzicht wordt bepaald door brede raampartijen in de twee langgevels die de twee bouwlagen hoge turnzaal verlichten. Deze ramen zijn, zoals bij de andere gebouwen, gevat tussen met hardsteen beklede betonpijlers. De hardstenen bekleding loopt ook horizontaal als omlijsting door. In de noordgevel zijn dit zes, in de zuidgevel negen bijna gevelhoge gekoppelde ramen die door de betonnen vloerplaat van het gelijkvloers horizontaal verdeeld worden. Hieronder bevinden zich de vensters van het souterrain, de centrale deur aan de noordzijde van het souterrain is een latere aanpassing.
De uiterste delen van de langgevels zijn meer gesloten en hebben op de verdieping acht smalle vensters en op het gelijkvloers respectievelijk een verhoogde deuropening (noordgevel) en acht smalle vensters (zuidgevel).
De kopse gevels hebben ter hoogte van de zolder drie smalle vensters, de westgevel heeft op gelijkvloers en verdieping vier gekoppelde brede ramen in een harstenen omlijsting met natuurstenen borstwering. Rechts onderaan bevindt zich hier een tweevleugelige deur. Links in de westgevel was volgens de initiële plannen een brede deuropening naar de keldertrap, deze werd later omgevormd tot venster. Op de verdieping zijn hierboven drie smalle vensters aanwezig.
Het gebouw is bijna volledig onderkelderd. Het souterrain bevat volgens de oorspronkelijke plannen een grote opslagplaats, een schrijnwerkerij, een lokaal voor de schilders, de elektriciens en de loodgieters, een klein bureel en een magazijn voor onderhoud. Op het gelijkvloers is de turnzaal nog bewaard, de vloer en de interieuraankleding werden vernieuwd. In het westelijke deel van het gebouw bevond zich op het gelijkvloers oorspronkelijk een transformatiecabine en een bergplaats voor sportmateriaal. De tussenverdieping bevatte een judozaal, een bergplaats en een lokaal voor de centrale verwarming.
De dakconstructie bestaat uit polonceauspanten.
In 1972 werd er in de zuidoostelijke hoek van de site aan de Boomsesteenweg een tweede ingang geopend. Deze kreeg opnieuw de vorm van een halve rotonde met toegangspoort in de kruin van de boog. De toegangspoort bestaat uit een centrale dubbele poort voor voertuigen, geflankeerd door twee smallere poorten voor voetgangers en fietsers. Tussen de poorten staan met breuksteen beklede pijlers. Het toen gebouwde poortgebouw (blok L) bevindt zich links van de poort en bestaat zoals het eerste poortgebouw van 1954 uit één bouwlaag van vijf traveeën onder een flauw hellend lessenaarsdak met ver overkragende betonnen dakrand. De oorspronkelijke dakbedekking bestond uit zelfdragende aluminiumplaten. Aan het nieuwe poortgebouw werden geen cellen voorzien, waardoor de kleine haakse vleugel wegviel. De kopse gevel volgt opnieuw de gebogen lijn van de rotonde en is met breuksteen afgewerkt. Deze gevel heeft een kleine glazen erker en links ervan drie smalle verticale vensters. De overige gevels hebben opnieuw een parement in roomkleurige baksteen in halfsteens verband, de plint bestaat uit wit beton.
De naar de site gerichte hoofdgevel wordt door vier met zwarte leisteen beklede steunpijlers verticaal verdeeld, tussen de pijlers werden grote ramen met betonnen borstweringen en vensterdeuren in betonnen omlijsting geplaatst. Boven de ramen werden panelen in grijsbeige baksteenmetselwerk in tegelverband ingevoegd, waarin de bakstenen schuin geplaatst werden. Hierdoor ontstaat een zigzagreliëf zoals bij de panelen in hardsteen die boven de ramen van het eerste poortgebouw, de infirmerie en blok C aanwezig zijn.
De achtergevel wordt in het linkerdeel opnieuw door verticale pijlers verdeeld, tussen de pijlers zijn dubbele of enkele ramen in betonnen omlijsting en met betonnen borstwering aanwezig. In het rechterdeel loopt de bekleding met breuksteen van de kopse gevel door en worden de drie verticale venster herhaald.
Tegen de westelijke kopse gevel en de inspringende zuidwestelijke hoek staat een glazen serre met schuin geplaatste buitenwanden en een flauw hellend lessenaarsdak. De bakstenen gevels hebben aan deze zijde kleine asymmetrisch geplaatste rechthoekige lichtopeningen.
Het buitenschrijnwerk in aluminium is nog origineel bewaard.
Hoewel deze fase door een andere architect werd uitgevoerd, wordt qua materiaalgebruik, constructie en stijl duidelijk naar de voorgaande fases en gebouwen verwezen. Zo zijn het gevelparement in roomkleurige baksteen en breuksteen, de grote ramen tussen beklede betonnen steunpijlers, de drie naast elkaar geplaatste smalle vensters en de panelen met zigzagreliëf boven de ramen elementen die uit vorige fases terugkomen.
Volgens de grondplannen van het bouwdossier bevatte het poortgebouw oorspronkelijk in het westelijke deel een bureel en een kamer voor de officier van wacht, een spreekkamer en sanitaire ruimtes. In het gedeelte aan de straatzijde bevonden zich een lokaal en een rustplaats voor de Plantons, het bureel en een rustplaats voor de postoverste.
Op het middelpunt van de halve rotonde werd in dezelfde fase een wachthuisje gebouwd, dat anno 2023 niet meer bewaard is. Het had een vijfhoekig grondplan en een flauw hellend lessenaarsdak.
De plannen van het wachthuisje maken deel uit van hetzelfde bouwdossier als deze voor het poortgebouw. Op deze plannen staat een klein situeringsplan dat de bestaande en de op te richten gebouwen aangeeft. Naast het poortgebouw en het wachthuisje zijn hierop ook de twee bijkomende traveeën aan de zuidzijde van het grote garagegebouw en het smalle gebouw in de zuidwestelijke hoek van de site (blok F) als “op te richten gebouwen (B.Z. wegpolitie)” aangeduid. Deze kunnen daardoor ook in het begin van de jaren 1970 gedateerd worden. Plannen van deze gebouwen werden niet gevonden.
Voor blok F werd een gelijkaardige constructie als voor de garage toegepast: de gevel wordt door pijlers in gewapend beton verticaal verdeeld, de gevelvlakken tussen de pijlers werden opgevuld met roodbruin baksteenmetselwerk in halfsteens verband op een hardstenen plint. In elke travee zijn twee in een betonnen omlijsting gekoppelde vensteropeningen aanwezig. De omlijstingen van de deuropeningen steken ver uit het gevelvlak uit.
Auteurs: Fexer, Charlotte
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Stad Antwerpen