Villa in brutalistische stijl als “tuinwoning” gebouwd voor rekening van Jan-Pieter Ponten en L. Achenbach, naar een ontwerp van Marc Dessauvage uit 1975-1976.
Architect Marc Dessauvage studeerde in de jaren 1950 architectuur en stedenbouw aan het Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas in Gent en aan het NHIBS in Antwerpen. Na zijn studies liep hij stage bij ingenieur-architect Hugo Van Kuyck. Zowel tijdens zijn opleiding als tijdens zijn professionele loopbaan ontving hij meerdere prijzen, vooral voor zijn ontwerpen van religieuze gebouwen. Zijn eigen woning leverde hem in 1981 de Architectuurprijs Cembureau op, uitgereikt door het Belgische Verbond van de Cementnijverheid en van de Europese Vereniging voor Cement.
Vanuit een eerder organische vormgeving in zijn vroege oeuvre evolueerde Dessauvage naar een strakkere geometrie, op zoek naar een evenwicht tussen complexiteit en helderheid. Hierbij worden natuurlijke materialen zoals baksteen, beton en hout op een onverhulde manier toegepast en de robuuste massiviteit van gesloten gevelvlakken afgewisseld met grote sobere glasramen. Het gebouw wordt zoveel mogelijk in harmonie met de natuurlijke omgeving ingepast. De door hem ontworpen privéwoningen noemde Dessauvage ook "tuinwoningen". Zoals bij zijn ontwerpen voor kerkelijke architectuur speelde het gebouw in het landschap en het hierdoor kenbaar maken van de aanwezigheid van de mens in het landschap een grote rol. Een belangrijk element hierbij was de vroege toepassing van groendaken en dakterrassen.
Zijn ontwerpen worden vaak gekenmerkt door aan elkaar geschakelde volumes van verschillende hoogtes, samengevoegd in een markante sculpturale vormgeving. In het interieur van de woning, dat Dessauvage 'als een meer intiem landschap' zag, wordt deze structuur vertaald in modules en ruimtes met elementaire functies die als vanzelf in elkaar overvloeien tot een omvattende woonruimte.
Een eerste vergunning voor de villa werd op 31 oktober 1975 verleend, met de opmerking dat er in de woonvertrekken een binnenhoogte van minstens 2,7 meter moest worden aangehouden. De plannen uit dit eerste bouwdossier dateren van 13 oktober 1975.
Een tweede set plannen werd op 5 januari 1976 opgemaakt en met een nieuwe bouwaanvraag ingediend. Deze werd op 10 mei 1976 vergund. Het tweede ontwerp verschilt weinig van de plannen van 1975. De volumes werden meer van elkaar losgemaakt waardoor er scherpere hoeken en een meer expressieve volumewerking ontstonden. De indeling en organisatie van het interieur bleven behouden.
Zowel het exterieur als het interieur van de villa vertonen gelijkenissen met de Villa Roux-Gekiere in de Sint-Lodewijkstraat 78 in Genk die Dessauvage in 1972 ontwierp.
In 1980 werd de villa onder leiding van de architecten Fons Mostien en Boud Rombouts verbouwd. De plannen zijn gedateerd op 7 december 1979, begin mei 1980 waren de werken voltooid.
De villa is in de diepte ingeplant op een rechthoekig perceel aan de noordzijde van de Goudvinklaan. Het bouwdossier bevat geen informatie over de initiële aanleg van de voortuin, enkel de verharding van de oprit en het pad naar de voordeur zijn op het plan weergegeven. De verharding werd in een latere fase aangepast en vergroot. De twee haaks tegen elkaar geplaatste lage muren in betonsteen met brievenbus aan de oprit zijn nog origineel bewaard. Op het terras achter de villa staat een in betonstenen gemetste barbecue met betonnen kap die ook uit de oorspronkelijke bouwfase of van de verbouwing in 1980 dateert.
De villa bestaat uit vier volumes van twee bouwlagen die concentrisch maar asymmetrisch rond een oorspronkelijk lagere en van een dakterras voorziene middenbouw geschikt zijn. De volumes hebben naar buiten afhellende lessenaarsdaken met een helling van 34°. Aan de zuidoostzijde werd hieraan een traptoren onder plat toegevoegd die een meter boven de overige daken uitsteekt. Het asymmetrische grondplan is ingeschreven in een perfect vierkant van 15 op 15 meter.
Kenmerkend zijn de expressieve maar compacte volumewerking, het spel van rechte en schuine lijnen, de verspringende volumes en het contrast tussen gesloten gevelvlakken en grote, deels hellende en in de dakvlakken doorlopende raampartijen.
De daken zijn, zoals vermeld op de bouwplannen, gedekt met natuurleien. Het gevelparement bestaat volgens de oorspronkelijke plannen uit witgrijze betonstenen die in een vroege fase overschilderd werden: het verbouwdossier van 1979 bevat foto’s van de villa in bestaande toestand waarop de gevels reeds wit geschilderd zijn.
Het buitenschrijnwerk bestond oorspronkelijk uit donkerrood merantihout maar werd recent vernieuwd en beige geschilderd. Hierdoor verdwijnt het oorspronkelijke contrast met de lichtere kleur van de gevels.
Het interieur bestaat, zoals ook bij andere ontwerpen van Marc Dessauvage, uit verschillende modules, die net als de gevelvolumes rond een centrale zone, de hal met vide naar de verdieping, georganiseerd zijn. Aan de zuidoostzijde bevindt zich het terugwijkende inkomportaal. Daarnaast staat het puntvormig uitstekende volume van de traptoren die een tot het dakterras doorlopende bordestrap bevat. De verdeling van de binnenruimte gebeurt door rechte en schuin geplaatste wanden.
In het oorspronkelijke ontwerp werd bij de organisatie van het gelijkvloers rekening gehouden met de oriëntatie van de gevels: de naar de buren gerichte westgevel was gesloten opgevat, hier bevonden zich de garage en de berging. Langs de noordgevel lag een gang en de vanuit de hal toegankelijke wc en vestiaire. In de noordoostelijke hoek was de keuken met ontbijthoek gesitueerd, een glazen erker met planten maakt hier de verbinding met de omgevende tuin en voorzag de ontbijthoek van ochtendlicht.
Aan de zuid- en westzijde bevonden zich de in elkaar overlopende woonruimtes: de eethoek, de zitput met open haard en de living. Ook deze zone wordt met grote ramen verlicht.
In het slaapgedeelte op de verdieping werden de vier buitenvolumes letterlijk naar het interieur vertaald in de vorm van drie slaapkamers en een studiecel. Deze zijn rond de centrale hal met twee kleine badkamers en vide naar het gelijkvloers geschikt. Elke kamer wordt verlicht door een groot venster dat ook een stuk in het schuine dakvlak doorloopt.
Bij de verbouwing in 1979 werden op gelijkvloers en verdieping een aantal binnenmuren afgebroken. Het gelijkvloers kreeg hierdoor een meer open interieur, op de verdieping werd de overloop verbreed. Hierdoor werd de vide naar het gelijkvloers kleiner. Het terras boven de zithoek, op de eerste verdieping, werd omgevormd tot kleedkamer bij de grote slaapkamer. De werkkamer aan de straatzijde werd omgevormd tot bijkomende slaapkamer.
Het interieur van het gelijkvloers werd volledig gereorganiseerd: de keuken en de eethoek werden naar de straatzijde verplaatst, achteraan werd de woonruimte en aan de oostzijde een haardhoek ingericht. De doorgang van de vroegere keuken en ontbijthoek naar de berging aan de tuinzijde werd omgevormd tot bar met brede raampartij naar de tuin.
De meest ingrijpende toevoeging was een bijkomend volume op het centrale dakterras. Hier werd een zolderruimte met grote vensterpartijen onder flauw hellend tentdak ingebouwd. Deze toevoeging wijzigde de oorspronkelijke proporties en volumewerking van de villa. De scherpe hoeken van de lessenaarsdaken zijn minder zichtbaar en de traptoren vormt geen losstaand en boven het geheel uitstekend volume meer.
Aan de buitenzijde werd een houten luifel boven de oprit en de inkomzone toegevoegd en werd een houten zichtscherm voor het terras aan het rechterdeel van de voorgevel geplaatst. Boven de terrassen aan de straat- en tuinzijde werden glazen afdaken geplaatst en het venster bij de nieuwe keuken werd vergroot tot vensterdeur.
Auteurs: Fexer, Charlotte
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Stad Antwerpen