Ensemble van drie meergezinswoningen in neotraditionele stijl met gebruik van classicistische en art-deco-elementen, gebouwd naar ontwerpen van architect Léon Heutz uit 1927 (nummer 99), 1929 (nummer 101) en 1932 (nummer 103). De opdrachtgevers waren respectievelijk officier J. Massin (nummer 99), Georges Van den Eeckhout (nummer 101) en Robert Van den Eeckhout (nummer 103), beiden bediende van beroep.
In 2003 werd het interieur van woning nummer 99 onder leiding van architect Christiaan Poulissen grondig verbouwd.
Architect Léon Heutz was van omstreeks 1905 tot eind jaren 1950 actief in Antwerpen. Zijn tot nu toe bekende oeuvre is vrij bescheiden en conventioneel. In de periode waarin deze drie woningen ontstonden, paste hij naast de klassieke beaux-artsstijl ook een gematigde art deco toe, bijvoorbeeld bij het ontwerp van zijn eigen woning uit 1927 in de Doornelei 24 in Antwerpen.
De voortuinen van de drie woningen zijn nog goed leesbaar, de verharding van de paden en de hardstenen trappen naar de verhoogde inkomdeuren zijn nog deels bewaard, bij nummer 101 en 103 zijn ook nog smeedijzeren balustrades aanwezig. De oorspronkelijke voortuinafsluiting van lage hardstenen muren en vrij zware buisleuningen tussen gefrijnde hardstenen pijlers is bij nummer 101 en 103 nog deels bewaard.
Drie gekoppelde woningen van telkens twee traveeën en drie (nummers 99 en 103) of twee (nummer 101) bouwlagen onder platte daken met overkragende dakranden. Woning nummer 99 heeft een classicistische kroonlijst met tandlijst en geprofileerde bakgoot op klossen en boven de brede linkertravee een fronton. De daklijst van nummer 103 is sober geprofileerd en boven de brede rechtertravee verhoogd door een flauwe boog. Het initiële gevelplan toont dat nummer 101 oorspronkelijk voorzien was van een geprofileerde daklijst met segmentboogvormig fronton boven de brede rechtertravee. Deze werd echter recent vernieuwd en het fronton werd verwijderd.
De gevels zijn opgetrokken in roodbruin baksteenmetselwerk in kruisverband, afgewerkt met een knipvoeg. Voor hoek- en sluitstenen, horizontale gevelbanden en decoratieve panelen werd gebruik gemaakt van een vlakke en lichtgrijs of gebroken wit geschilderde bepleistering. Bij nummer 99 werd ook metselwerk in verticaal verband toegepast. Woning nummer 99 heeft rondboogvormige en rechthoekige gevelopeningen, nummer 101 enkel rechthoekige en nummer 103 rechthoekige en korfboogvormige openingen.
De voorgevels hebben een enkelhuisopstand met een smalle deurtravee en een brede venstertravee, die uitgewerkt is als een twee bouwlagen hoge, geheel of gedeeltelijk bepleisterde bow-window, bekroond door een balkon. Bij de centrale kleinere woning nummer 101 is de bow-window maar één bouwlaag hoog. De drie balkons hebben verschillende leuningen: ingesnoerde balusters bij nummer 99, decoratief smeedwerk tussen hardstenen pijlers bij nummer 101 en gesloten bepleisterde vlakken tussen sober geprofileerde slanke pijlers bij nummer 103.
Het buitenschrijnwerk werd vernieuwd, bij nummer 103 is nog de oorspronkelijke, weliswaar van het gevelplan afwijkende, houten inkomdeur met vast bovenlicht en grote lichtopening met structuurglas, decoratief smeedwerk en deurgreep bewaard. Bij nummer 99 werden het smeedwerk en de deurgreep hergebruikt op een vernieuwde deur.
De plannen uit de bouwdossiers tonen een sinds de 19de eeuw voor stedelijke rijwoningen gebruikelijke enkelhuisplattegrond met op het gelijkvloers in de brede travee, een enfilade van salon en eetkamer, geflankeerd door de gang met trap in de smalle travee. Achteraan bevindt zich een koer of veranda en keuken met pomphuis en wc in een smallere uitbouw. In alle drie woningen waren er op de verdiepingen naast een slaapkamer ook een salon of eetkamer, keuken en pomphuis voorzien. De verdiepingen waren wellicht bedoeld voor verhuur.
Auteurs: Fexer, Charlotte
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Stad Antwerpen