Burgerwoning in modernistische stijl gebouwd in opdracht van stouwersbaas Corneel Van Cutsem, naar een ontwerp van architect Jacques Ottelohé uit 1939. De architect ontwierp voor dezelfde opdrachtgever in 1935 al een meergezinswoning in de Pastoor Van de Wouwerstraat 34 in Berchem, en in 1938 ook de twee aanpalende woningen Pater Damiaanstraat 67-69 .
Verder ontwierp Jacques Ottelohé in de Pater Damiaanstraat ook de woningen nummers 92 en 104-108, en de woning Spoorweglaan 265 in Wilrijk.
Zoals voorzien op de plannen van de bouwaanvraag is de voortuin grotendeels verhard met uitzondering van een beplante rechthoek links vooraan. De lage baksteenmuren met tweevleugelige poort aan de straatzijde zijn niet bewaard.
Rijwoning van traveeën en twee bouwlagen op souterrain onder een plat dak met ver overkragende dakrand. Gevelparement van okerkleurige baksteen in halfsteens verband op een sokkel in verticaal verband. De gevelcompositie met verspringende afgeronde volumes vertoont sterke gelijkenissen met het burgerhuis naar ontwerp van Jacques Ottelohé gelegen in de Stationsstraat 89 in Heist-op-den-Berg. De architect herhaalde hier een aantal elementen die reeds in de in 1937 ontworpen gevel van Pater Damiaanstraat 92 voorkwamen, met name de met zwarte tegels en gouden boord beklede zuilen, de grote vensterpartijen die hij met slanke zuiltjes onderverdeelt, de gestroomlijnde, afgeronde volumes en het terugwijkende inkomportaal.
Dominante eerste verdieping uitgewerkt als aan de linkerzijde afgeronde erker met horizontaal doorlopende overluifelde vensterpartij onder een vlak bepleisterde gevelband. Het motief van luifel en gevelband wordt op het verhoogde gelijkvloers herhaald, hier kreeg echter enkel de brede rechter travee de vorm van een erker met naar de inkom toe afgeronde linkerzijde en doorlopende vensterpartij. In de smalle linker travee bevindt zich het ver terugwijkende en met een hardstenen trap verhoogde inkomportaal, aan de linkerzijde geflankeerd door een halfronde erker. In de sokkel van de brede rechter travee bevindt zich de poort van de keldergarage, terugwijkend onder een vlak bepleisterde latei en met getrapte linker dagkant.
De grote vensterregisters worden onderverdeeld door zuilen en pijlers bekleed met smalle zwarte tegels met een boord van gouden mozaïekstenen. De gelijkvloerse vensters worden bijkomend verdeeld door slanke zuilen in zwart geschilderd hout of metaal. Het venster van de kleine erker bewaart nog de oorspronkelijke houten kozijnen met glas-in-lood. De originele houten inkomdeur met smalle rondboogopening en geometrisch smeedwerk is nog bewaard en ook de garagepoort heeft nog de tweevleugelige houten poort met rechthoekige vensteropeningen en origineel smeedwerk.
De plannen van de bouwaanvraag tonen een sinds de 19de eeuw voor stedelijke rijwoningen gebruikelijke interieurindeling: in de smalle linker travee bevindt zich op het gelijkvloers de inkomhal, de traphal met wc en vestiaire en daarachter de keuken met toegang tot het verhoogde terras en de tuin. De brede rechter travee bevat een enfilade van salon, eetplaats en woonkamer, deze laatste werd door een groot tuinvenster en een lichtkoepel verlicht.
Op de verdieping is de rechter travee minder diep en bevat twee grote kamers, in de linker travee bevindt zich vooraan de badkamer, centraal de gang en de traphal en achteraan een kleinere kamer.
Auteurs: Fexer, Charlotte
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Stad Antwerpen