De universiteitscampus Drie Eiken ontstond vanaf 1971 op de vroegere militaire terreinen van Fort VI. De meeste gebouwen werden vanaf de jaren 1970 tot in het begin van de 21ste eeuw ontworpen door de architecten Paul Storme en Jef Van Ranst, samen met andere associés.
Storme en Van Ranst maakten voor de site een masterplan op, voor de globale parkaanleg werkten zij samen met landschapsarchitect Jacques Wirtz.
De eerste gebouwen, blok A en B, ontstonden vanaf 1971 naar ontwerp van architect J.P. Hennebo van het Ministerie van Openbare Werken. Het plan van aanleg voor de site en het concept voor de verdere ontwikkeling was bij het begin nog niet duidelijk.
Het bouwdossier voor de eerste twee blokken bevat grondplannen van de drie bouwlagen van elke blok, gevelplannen en een dwarssnede voor beide blokken en details van was- en labotafels in blok A. Het summiere liggingsplan waarop het fort en een aantal bijgebouwen aangeduid zijn, bleek niet voldoende voor het College van Wilrijk. Men vroeg meer duidelijkheid over de juiste inplanting van de gebouwen. Gezien het globale plan van de site nog niet gekend was, werd er ook de aanleg van een voorlopige parkeerplaats voor 280 voertuigen geëist.
De plannen werden opgemaakt door J.P. Hennebo en op 22 september 1971 in naam van de minister goedgekeurd door ir. A. de Grave. De bouwvergunning werd onder bovenstaande voorwaarden verleend op 17 december 1971 door het bestuur van Stedenbouw en Ruimtelijke ordening van het Ministerie van Openbare Werken.
Van blok C en D werd geen bouwdossier gevonden. Deze twee gebouwen komen qua stijl, materiaalgebruik en opbouw volledig overeen met blokken A en B. Hierdoor kan men veronderstellen dat deze twee gebouwen door dezelfde architect ontworpen werden en aansluitend aan blok A en B gebouwd werden.
Het volgende bewaarde bouwdossier gaat over de bouw van blokken Q, R en S ten zuiden van het fort. De plannen werden opgemaakt door de architecten Paul Storme, Jef Van Ranst en Jan Van Grimbergen in opdracht van het Ministerie van Openbare Werken, bestuur der gebouwen Provincie Antwerpen, en zijn gedateerd op 6 februari 1973. De bouwaanvraag gaat over vier gebouwen op de universitaire campus te Wilrijk, met name een aula, een gebouw voor geneeskunde, één voor rechten en notariaat en een collegeblok. De aanvraag wordt in de zitting van 7 mei 1973 door het College van Wilrijk gunstig beoordeeld, met het uitdrukkelijk voorbehoud dat gelijktijdig de nodige wegeninfrastructuur (rijwegen, voetpaden, riolering en openbare verlichting) wordt uitgevoerd. Blok Q, R en S werden als cluster naast elkaar gebouwd en vormen samen met een door Jacques Wirtz ontworpen groene zitput aan de zuidwestzijde vier delen van een vierkant. Een gedenksteen werd op 24 september 1973 voor de westgevel van gebouw Q geplaatst en herinnert aan het ontstaan van de nieuwe gebouwen.
De zeer kenmerkende stijl van deze vier gebouwen komt ook in blok T aan het zuidelijke uiteinde van de site terug. Van deze twee gebouwen werd geen bouwdossier gevonden, maar zij lijken in dezelfde fase en volgens een ontwerp van dezelfde architecten gebouwd te zijn.
Een volgende bouwaanvraag werd in zitting van 27 november 1978 door het gemeentebestuur van Wilrijk goedgekeurd. Het ging om een sociaal gebouw met restaurant, cafetaria en vergaderzalen, de huidige blok G. De bouwvergunning werd op 18 december verleend. Voor het ontwerp koos men opnieuw de architecten Storme, Van Ranst en Van Grimbergen. De plannen van het bouwdossier dateren van 16 januari 1978.
De associés Storme en Van Ranst maakten tussen 1979 en 1981 een ontwerp op voor een gebouw dat het instituut voor hygiëne en epidemiologie zou huisvesten. Een eerste ontwerp toont twee langwerpige eenlaagse vleugels die evenwijdig maar verspringend tegenover elkaar ingeplant zijn aan een lange vijver ten noordoosten van de cluster van blok Q, R en S. Dit werd echter aangepast naar een compacter blokvormig volume van drie bouwlagen dat aan de oostelijke rand van de campus, aan de Edegemsesteenweg 202 werd opgetrokken (blok N). Qua stijl vertoont het gebouw sterke gelijkenissen met de in 1973 ontworpen blokken Q, R en S. Op het liggingsplan voor het eerste ontwerp staat blok T in het zuiden van de site reeds als bestaand gebouw ingetekend.
In dezelfde periode ontwierp het architectenbureau Storme en Van Ranst ook een studentenhome ten noorden van Fort 6, op een terrein begrensd door het Dokter Donnyplein, de Kerkeveldstraat en de Edegemsesteenweg. Het complex bestaat uit een cluster van drie blokken van twee tot drie bouwlagen en een fietsenstalling, ingeplant in een beboomde groenaanleg met parkeer- en zitruimte. Het westelijk blok heeft een kubusvolume, de twee oostelijke vormen een samenstel van twee geschrankte kubusvolumes. Enkel van het meest zuidelijke blok is het bouwdossier teruggevonden daterend van 1981. De twee noordelijke blokken waren toen al voltooid. De studentenhome telt in totaal 110 studentenkamers met gemeenschappelijk sanitair, een kook-, eet- en zithoek per tien kamers, en een gemeenschapsruimte per blok.
In juni 1989 werden door het architectenbureau Storme, Van Ranst en partners plannen opgemaakt voor een onthaalgebouw ten noordoosten van blok G en een bibliotheek ten westen van blok R en de groene zitput. Na een ongunstig advies van de brandweer omwille van belangrijke conceptuele tekortkomingen werden echter beide bouwaanvragen ingetrokken en vervangen door een nieuwe aanvraag voor één gebouw. Van dat gebouw is echter geen bouwdossier bewaard. Ook een uitbreiding van blok G met een tweelaags paviljoen, in hetzelfde jaar ontworpen door architectenbureau Storme, Storkebaum, Van Ranst werd niet uitgevoerd.
In de eerste twee decennia van de 21ste eeuw werden nog meerdere gebouwen aan de campus toegevoegd. In 2001 ontwierp het architectenbureau Storme, Van Ranst en Partners een gebouw voor dierengeneeskunde (blok U) ten oosten van de cluster van blok Q, R en S. Dit werd in 2007 en opnieuw in 2008 door dezelfde architecten aan de achterzijde uitgebreid. Vanaf 2008 werd het oudste gebouw op de site, blok A, heringericht en werd er ter hoogte van de zuidoostelijke kopse gevel een klein eenlaags opslaggebouw toegevoegd. Dit gebeurde onder leiding van architect Johan Van den Driessche van ABSCIS ontwerpgroep.
In 2014 ontwierpen Niklaas Deboutte en Eric Soors van META architectenbureau twee nieuwe gebouwen met leslokalen (blok M en O) in opdracht van de Universiteit Antwerpen. Gebouw O werd ten noordoosten van blok G gebouwd, op de plaats waar men in 1989 het onthaalgebouw had voorzien. Gebouw M werd ten zuiden hiervan ingeplant.
Blok A werd evenwijdig met het noordelijke deel van de Fort-VI-straat ingeplant, blok B werd in dezelfde lengterichting gebouwd, maar verder van de straat verwijderd. In een tweede fase volgden blok C die verder terugwijkt in het beboomde terrein aan de gracht van het fort en blok D in het verlengde van blok B. Hierachter ontstond nog een lager en kleiner gebouw voor de technische dienst. Anno 2023 bevinden zich hier les- en practicalokalen van verschillende faculteiten. De vier blokken hebben een langwerpig rechthoekig grondplan en bestaan telkens uit een souterrain en drie bouwlagen onder platte daken. Aan de langgevels is het terrein rond de gebouwen verlaagd tot op het niveau van het souterrain, zodat ook hier voldoende daglichtinval verzekerd is.
De langgevels hebben een bijna transparant karakter en worden gekenmerkt door een volledig regelmatige en nadrukkelijk horizontale en verticale ritmering. De betonnen vloerplaten werden als brede stroken in de gevels zichtbaar gelaten en verlengd door uitstekende betonbalken waarop een smalle betonnen gaanderij rust. Tussen de vloerplaten werden, als ver terugwijkende horizontale stroken, bouwlaaghoge afzeliahouten kozijnen voor venster- en deuropeningen geplaatst. Deze werden met brede tussenposten als gevelbrede registers gekoppeld. De borstweringen van de vensters bestonden volgens de gevelplannen oorspronkelijk uit wengéhout, anno 2023 zijn hier witte panelen aanwezig. De gaanderijen worden afgesloten met een sobere leuning van twee horizontale houten planken en dunne verticale aluminiumprofielen die aan de buitenzijde van de uitspringende betonbalken bevestigd zijn. Deze vormen een tweede buitenschil tussen de overkragende dakrand en de gaanderij van het gelijkvloers. Het souterrain wijkt hieronder ver terug. De oorspronkelijke zonwering in groenblauw textiel is nog bewaard en zorgt in gesloten positie voor een kleurcontrast met de witte borstweringen en de orthogonale structuur van de houten kozijnen.
De kopse gevels zijn meer gesloten opgevat. De gevelvlakken met een parement van bruine baksteen in halfsteens verband sluiten boven- en onderaan af met een brede betonnen lijst. De middenas wordt hier geaccentueerd met een verticale strook van boven elkaar geplaatste gevelopeningen tussen betonnen panelen. In één kopse gevel is dit op het gelijkvloers een brede inkomdeur. Op de twee verdiepingen is telkens een brede bouwlaaghoge vensteropening aanwezig met een houten leuning en een klein balkon op uitstekende betonnen balken. Links wordt de vensterstrook geflankeerd door een vooruitspringend en boven het dak uitstekend bakstenen schoorsteenmassief. De andere kopse gevel heeft op het gelijkvloers als hoofdingang een breder blokvormig inkomvolume en daarboven twee bouwlaaghoge vensters tussen betonnen panelen. De inkomportalen zijn bereikbaar langs betonnen trappen, die op bakstenen sokkels of rechtstreeks in het golvend landschap geplaatst werden.
De kopse gevels verwijzen door het materiaalgebruik van ruw beton en baksteenmetselwerk naar het brutalisme. In het geometrische spel van kleuren, vlakken en orthogonale lijnen van de langgevels overheerst de modernistische stijl.
Het buitenschrijnwerk lijkt in deze gebouwen nog grotendeels origineel bewaard, in de kopse gevels werd het deels vervangen door donkergrijs pvc.
Uit de bewaarde grondplannen blijkt dat het interieur van blokken A en B door een centrale gang in de lengterichting verdeeld wordt. Aan weerszijde bevinden zich leslokalen, laboratoria, burelen en kleine auditoria. Op het gelijkvloers was ter hoogte van de hoofdingang telkens een ruimte met lokkers en een sanitair blok voorzien. In blok B bevond zich op het gelijkvloers aan één zijde een grote gemeenschappelijke leeszaal met boekenmagazijn en aan de andere zijde een cafetaria. De trappenhuizen zijn telkens aan de kopse gevels gesitueerd. De originele trappen met zwevende houten treden lijken hier nog bewaard.
Van blokken C en D werd geen bouwdossier gevonden.
De volgende uitbreiding van de campus vond in 1973 plaats met de blokken Q, R, S en wellicht ook T, waarvan geen bouwdossier gevonden werd. Blok Q, R en S werden als cluster naast elkaar gebouwd en vormen samen met een door Jacques Wirtz ontworpen groene zitput aan de zuidwestzijde vier delen van een vierkant. Gebouw Q en R staan op een verhoogd niveau. De ruimte tussen de gebouwen is verhard met grijze klinkers, het niveauverschil wordt door brede trappartijen overbrugd. Blok T bevindt zich verder zuidelijk op een verhoogd niveau.
De gebouwen zijn blokvormige volumes met een variërend aantal bouwlagen onder platte daken. De interne structuur bestaat uit gewapend beton. Het uitzicht wordt bepaald door een nadrukkelijk horizontale ritmering van vooruitspringende en terugwijkende banden. De geprefabriceerde gecanneleerde gevelelementen van wit beton vormen brede horizontale stroken die over de gevelhoeken doorlopen. Hiertussen wijken de vensterregisters als even brede en lange banden terug. De gelijkvloerse gevels hebben soms hogere raampartijen of wijken als sokkel onder het gebouw terug, de vooruitspringende geveldelen hierboven worden ondersteund door slanke pijlers in gewapend beton. De verticale circulatie en de verluchting werd in externe of deels uit de gevels uitstekende volumes georganiseerd waarvan het massieve en gesloten karakter met de zwevende horizontale gevelstroken contrasteert. Dit is vooral het geval bij de twee hogere blokken S en T, waar de externe traptorens boven het niveau van de daken uitsteken. Ook het variërende aantal bouwlagen zorgt voor een markant en sculpturaal geheel.
Het twee bouwlagen hoge gebouw Q bevat de grote aula en aan de zuidzijde een reeks kleinere leslokalen, daarnaast sanitaire ruimtes en een aantal kleinere personeels- en bergruimtes.
Blok R bestaat uit twee volumes van respectievelijk twee en vier bouwlagen die door een verticale circulatietoren met elkaar verbonden zijn. In het zuidelijke volume bevindt zich op de begane grond en de eerste verdieping een bibliotheek, op de tweede en derde verdieping zijn burelen voor het wetenschappelijk en academisch personeel, studeerruimten en kleine vergaderzalen gesitueerd. Het noordelijke gebouw bevat seminarie- en collegezalen.
Blok S telt acht bouwlagen en bevat op het gelijkvloers en de eerste verdieping een kleine bibliotheek, een twee bouwlagen hoge vergaderzaal en in een lage uitbouw aan de noordzijde een collegezaal. Op de tweede verdieping bevinden zich practicalokalen, in de overige vijf verdiepingen zijn volgens de oorspronkelijke plannen labo’s met de bijhorende ruimtes voor berging, afwas en weegapparatuur.
Het sociale gebouw met studentenrestaurant werd centraal tussen de twee bestaande gebouwenclusters blok A, B, C en D ten noorden en blok Q, R, S en T ten zuiden ingeplant en wordt aan drie zijden omgeven door een waterpartij. Het heeft een onregelmatig grondoppervlak en staat op een verhoogd niveau. Hierdoor wordt het gebouw omgeven door betonnen trappartijen en platformen op verschillende hoogtes, die aan de zuidzijde terrassen voor het studentenrestaurant vormen.
Het eenlaagse gebouw onder plat dak heeft een gevelparement van bruine baksteen in halfsteens verband. Het buitenaanzicht wordt gekenmerkt door de tussen haakse baksteenmuren geplaatste en trapsgewijs naast elkaar terugwijkende brede raampartijen met vensterdeuren. Deze staan op een bakstenen sokkel en lopen bovenaan door in even brede, schuin geplaatste bovenlichten tot aan de dakrand. De twee inkomportalen in de oost- en westgevel wijken ver terug onder een glazen luifel die de schuine vorm van de bovenlichten herhaalt. Het buitenschrijnwerk in afzeliahout en de waterlijsten in donkerbruin gemoffeld aluminium lijken nog origineel bewaard. De oorspronkelijk betonnen dakranden zijn vernieuwd in pvc.
Het studentenrestaurant en de cafetaria zijn langs de opengewerkte oost- en zuidgevels gesitueerd, in het noordelijke deel zorgt een kleine patio voor bijkomende daglichtinval. Langs de westzijde zijn de keukenruimtes georganiseerd, in de zuidwestelijke hoek bevinden zich een aantal lokalen voor studentenbegeleiding.
Het in het begin van de jaren 1980 gebouwde instituut voor hygiëne en epidemiologie (blok N) werd in een zeer gelijkaardige stijl ontworpen als de gebouwen Q, R, S en T. Het kubusvormige volume bestaat uit een interne constructie in gewapend beton en telt drie bouwlagen met souterrain onder plat dak op een grondvlak van ongeveer 30 x 30 meter. Aan de westzijde sluit een eenlaagse uitbouw voor berging en garages aan. De buitengevels worden opnieuw gekenmerkt door een horizontale verdeling in brede gevelstroken en terugwijkende vensterregisters, hier werd echter de borstwering in een schuin vlak doorgetrokken naar de onderzijde van de vensters, waardoor het zwevende karakter verdwijnt en een robuuster geheel ontstaat. De blinde verticale gevelvlakken liggen in hetzelfde vlak als de horizontale stroken. Hierdoor is het volume compacter en meer gesloten dan de blokken Q, R, S en T. Als gevelmateriaal werd wit glasvezelversterkt cement gebruikt, de verticale vlakken kregen een getande afwerking.
De verticale circulatie en de sanitaire ruimtes werden in een centrale blok georganiseerd, hierrond zijn een omlopende gang en tegen de buitengevels de burelen, onderzoeksruimtes en labo’s georganiseerd. Op het gelijkvloers bevindt zich ook een cafetaria en een conciërgewoning met twee slaapkamers.
Het complex vormt een cluster van drie blokken, ingeplant in een beboomde groenaanleg met toegangswegen vanaf het Dokter Donnyplein en de Edegemsesteenweg. De groenaanleg wordt mede gekenmerkt door een geometrisch patroon van haagmassieven, die een wandelparcours en zithoeken afbakenen.
Het kleinste blok aan de noordwestzijde van het complex is een kubusvormig volume van twee bouwlagen. De twee grote blokken aan de oostzijde vormen telkens een samenstel van twee geschrankte kubusvormige volumes. Daarvan onderscheidt het noordelijke blok zich door een getrapt profiel samengesteld uit kubussen van twee en drie bouwlagen. Het zuidelijke blok telt integraal drie bouwlagen. De gevels hebben een parement uit donkere klampsteen in halfsteens verband, met rollagen ter hoogte van de lateien. De dorpels zijn uit blauwe hardsteen, de dakranden uit wit glad beton, en het schrijnwerk uit donker gemoffeld aluminium.
De gevelordonnantie beantwoordt aan een repetitief patroon met een evenwichtige verdeling van verticale en horizontale accenten, in- en uitspringende volumes, dat de functionele indeling van het interieur weerspiegelt. Het onderscheidt tussen de studentenkamers, de gemeenschappelijke ruimten en de circulatiezones komt zo duidelijk tot uiting. De studentenkamers zijn herkenbaar aan de L-vormige vensterpartijen met een opengewerkte borstwering ter hoogte van het deurvenster, in de twee oudste blokken boven een schuine afzaat. Deze zijn in gespiegelde opstelling verdeeld over de verschillende gevelvlakken, indien gekoppeld met een verticaal oplopende middenpenant. Doorlopende raampartijen op de hoeken geven de gemeenschappelijke kook-, eet- en zithoek aan. De inkomportalen en trappenhuizen, telkens één per kubus, springen uit het gevelvlak.
De drie blokken hebben vermoedelijk eenzelfde typeplattegrond per kubus, maar enkel van het laatst gebouwde blok zijn de bouwplannen teruggevonden. De typeplattegrond groepeert per verdieping van elke kubus telkens tien studentenkamers en een gemeenschappelijke kook-, eet- en zithoek. Deze bevinden zich rondom een centraal ingeplant sanitair blok, dat uit twee stortbaden, twee wc’s en een berging bestaat. Elke kubus wordt ontsloten door een inkomportaal en een trappenhuis ingeplant aan twee tegenoverliggende flanken. In de blokken met geschrankte kubussen is er op elke verdieping een interne doorgang tussen beide. Eén van de geschrankte kubussen telt op de gelijkvloerse verdieping slechts twee studentenkamers. De rest van de oppervlakte wordt ingenomen door de gemeenschapruimte, de stookplaats en extra bergruimten.
Auteurs: Fexer, Charlotte; Braeken, Jo
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Stad Antwerpen