Burgerhuis in beaux-artsstijl gebouwd voor rekening van goudsmid Th. Dom, naar een ontwerp van architecten Léopold De Coninck en Maurice Potié uit 1933.
Het architectenduo De Coninck en Potié ontwierp in de jaren 1920 vooral pittoreske cottagevilla’s, vanaf de jaren 1930 tonen de ontwerpen een duidelijke verschuiving naar de beaux-artsstijl met elementen uit de Franse rococo. De woning is representatief voor deze latere productie residentiële architectuur en vertoont gelijkenissen met de nabijgelegen woning Van der Stappen uit 1937 en de woningen Van Dessel en Diels en Arts-Hedgren respectievelijk in 1934 en 1935 ontworpen. Na een dertigtal jaar activiteit werd het bureau in 1937 ontbonden en zette Maurice Potié zijn activiteiten alleen voort.
De voortuin met recente aanleg wordt aan de straatzijde afgesloten door een lage baksteenmuur tussen origineel bewaarde bakstenen pijlers. Het pad naar de inkomdeur is verhard met onregelmatige steenplaten, de smeedijzeren poort is niet bewaard.
Burgerhuis van drie bouwlagen onder plat dak, in halfopen bebouwing gebouwd maar als rijhuis met blinde zijgevel ontworpen. Lijstgevel met typische enkelhuisopstand met een gevelparement in bruinrood baksteenmetselwerk in kruisverband. Geprofileerde gevellijst en overkragende dakrand op houten klossen. Decoratief gebruik van lichtbeige natuursteen voor de geprofileerde segment- en spiegelboogvormige deur- en vensteromlijstingen met negblokken en sluitstenen met volute- of rocaillemotief.
De plannen van het bouwdossier tonen in de brede linker travee op het gelijkvloers een garagepoort, anno 2022 bevindt zich hier een groot driedelig segmentboogvenster dat op de eerste verdieping bekroond wordt door een natuurstenen bow-window. De geprofileerde kroonlijst hiervan vormt een balkon voor de tweede verdieping.
De venster- en balkonleuningen en het smeedwerk voor de gelijkvloerse gevelopeningen hebben een aan rococo aanleunende vormgeving met krulmotieven. Het schrijnwerk is vernieuwd met uitzondering van de origineel bewaarde inkomdeur.
Volgens het oorspronkelijke bouwplan bevond zich op de begane grond in de brede linker travee een garage en een zitkamer, in de smalle inkomtravee de gang met vestiaire en wc, de traphal en achteraan de keuken met overdekte buitenplaats. De woonvertrekken zijn op de eerste verdieping gesitueerd: vooraan een gevelbrede woonkamer in enfilade met de eetkamer achteraan in de brede travee. Op de tweede verdieping bevinden zich de twee slaapkamers en de badkamer. Op beide verdiepingen bevindt zich achter de traphal nog een niet benoemde kamer.
Auteurs: Fexer, Charlotte
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Stad Antwerpen