Bel-etagewoning in naoorlogs modernisme gebouwd in opdracht van Jan Piron en zijn echtgenote, naar een ontwerp van architect Walter Senecaut uit begin 1956. De bouwvergunning werd op vraag van de eigenaar in januari 1957 met een jaar verlengd. De percelen rond de woning waren toen nog onbebouwd.
De voortuin heeft een recente verharding van grijze klinkers. De oorspronkelijke voortuinafsluiting van lage baksteenmuren met hardstenen dekplaten is niet bewaard.
Woning van drie bouwlagen onder plat dak met overkragende dakrand in glad wit beton.
Tussen de verticale muurpenanten in bruin baksteenmetselwerk in halfsteens verband werd de constructieve structuur van vloerplaten, vensterlateien en verticale steunelementen in glad donkergrijs beton in de gevel zichtbaar gelaten. Deze zorgt voor een duidelijke horizontale geleding en een verticale verdeling in brede linker- en smallere rechtertravee.
De gevelvakken tussen de betonconstructie werden opgevuld met een parement van grote rechthoekige platen in gebroken witte natuursteen. Enkel de linkertravee van het gelijkvloers heeft een parement in bruine baksteen.
De rechthoekige traveebrede vensteropeningen weerspiegelen de functies van het interieur: de garagepoort en het terugwijkende glazen inkomportaal op het gelijkvloers, een grote bouwlaaghoge raampartij met balkon bij de woonruimtes op de eerste verdieping en kleinere bandvensters ter hoogte van de slaapkamers op de tweede verdieping.
De achtergevel heeft een quasi identieke ordonnantie. Op de eerste verdieping is hier een inpandig terras met bordestrap naar de tuin aanwezig. De gelijkvloerse achtergevel wijkt in de brede rechtertravee ongeveer vier meter terug, hier bevindt zich een overdekte speelplaats.
De profielen van het buitenschrijnwerk waren oorspronkelijk fijner. Het bouwdossier geeft geen informatie over het materiaal. Anno 2022 is het schrijnwerk van de vensters, het inkomportaal en de garagepoort vernieuwd. De vensters behouden de originele raamverdeling. De smalle balkondeur werd vervangen door een brede schuifdeur. De sobere metalen balkonleuning is nog origineel bewaard.
De grondplannen tonen een vroeg voorbeeld van een naoorlogse bel-etagewoning met functionele indeling. De verticale circulatie is tweeledig: van gelijkvloers naar verdieping leidt een steektrap in de rechtertravee, van woonverdieping naar nachtverdieping een open spiltrap, centraal tegen de linker scheidingsmuur ingeplant.
Het gelijkvloers bevat in de linkerhelft de garage met daarachter een ruimte voor de centrale verwarming en de overdekte naar de tuin geopende speelplaats. Deze worden in de rechterhelft geflankeerd door de inkomhal met kleine ontvangstruimte, de gang met traphal en achteraan een wasplaats en wc. Gezien de woning niet onderkelderd is, werden tussen gang en garage twee bergruimtes voor voorraad en voor kolen voorzien.
De binnenmuren tussen linker en rechterhelft zijn telkens schuin geplaatst. Hierdoor ontstaat een dynamiek die met de orthogonale lijnvoering van de gevels contrasteert. De muur tussen de verwarmingsruimte en de overdekte speelplaats wordt met acht kleine vierkante vensters doorbroken.
De eerste verdieping bestaat bijna geheel uit een open woonruimte die de hele diepte van de woning beslaat. De grote ramen in voor- en achtergevel zorgen voor maximale lichtinval. Links vormt de open spiltrap een zekere onderverdeling tussen de woonruimte met open haard aan de voorzijde en de eethoek aan het achtergelegen terras. Rechts bevindt zich centraal de hal met trap naar het gelijkvloers en wc en hierachter de keuken met eigen toegang tot het terras.
De tweede verdieping bevat voor- en achteraan telkens twee slaapkamers, in het midden bevindt zich de spiltrap, de nachthal en een badkamer. De laatste twee worden door vijf dakvensters van daglicht voorzien.
Auteurs: Fexer, Charlotte
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Stad Antwerpen