erfgoedobject

Sportcomplex Atlas Copco

bouwkundig element
ID
308835
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/308835

Beschrijving

Sportcomplex naar ontwerp van architecten Léon Stynen en Paul De Meyer uit 1971-1972. Het bestaat uit een clubhuis met cafetaria en kleedkamers omgeven door sportvelden en een grote sporthal met aansluitende conciërgewoning. De site ligt op een quasi rechthoekig terrein tussen de Folklorelaan ten noorden, de Kleine Doornstraat ten oosten, de Atomiumlaan ten zuiden en de Volkerenlaan ten westen. Het clubhuis ligt ongeveer centraal tussen de sportvelden. De sporthal met conciërgewoning werd op de noordoostelijke hoek, tussen de Folklorelaan en de Kleine Doornstraat gebouwd. Ten zuiden van de site, aan de overzijde van de Atomiumlaan, bevindt zich de grote industriële vestiging van bouwheer en eigenaar Atlas Copco Airpower NV die in het begin van de jaren 1970 naar ontwerp van Stynen en De Meyer werd uitgebreid.

Léon Stynen en Paul De Meyer begonnen hun samenwerking in 1946. Tussen 1950 en 1964, tijdens het directeurschap van Stynen in La Cambre, had De Meyer de dagelijkse leiding over het architectenbureau. In Antwerpen en Brussel richtten Stynen, De Meyer en hun medewerkers verschillende kantoorgebouwen en handelspanden op. Vanaf het midden van de jaren 1950 oriënteerden ze zich opnieuw expliciet op Le Corbusier, met onder meer het flatgebouw De Zonnewijzer in Antwerpen (1955-1961) en een sociaal huisvestingsproject in Kessel-Lo (1956 en verder).

Hun latere werken, zoals de Sint-Ritakerk in Harelbeke (1961), het Koninklijk Muziekconservatorium annex kunstencentrum deSingel in Antwerpen (1959 en verder), de school en kinderkribbe in Sint-Gillis (1962 en verder) en de Riverside Tower in Antwerpen (1968-1971) zijn voorbeelden van een verfijnd brutalisme, bedoeld als eerbetoon aan Le Corbusier.

Het oeuvre van De Meyer vertoont na 1977 een grote variatie, waaronder eengezinswoningen en kantoorgebouwen. Hij beëindigde zijn professionele carrière in 1997.

De aanvraag voor het bouwen van een sportcentrum werd ingediend op 18 januari 1972. Op 16 december 1971 had reeds een voorbespreking met de gemeentearchitect Baetens plaatsgevonden. Wellicht op basis van het voorontwerp, dat ook in het bouwdossier bewaard is en van het najaar 1971 dateert.

De bouwvergunning werd verleend op 21 februari 1972 met als voorwaarde dat er “een parkeerplaats bij de fabriek dient voorzien te worden, voorbehouden voor de spelers en bezoekers van het sportcentrum”.

In een eerste fase ontstonden de sportvelden en centraal links van de noord-zuid-as van de site ingeplant het clubhuis met cafetaria en kleedkamers. Bijna de volledige oostelijke helft van de site werd ingenomen door voetbalvelden. Aan de noordzijde was een kinderspeelplaats gepland. In de westelijke helft werd ten noorden van het clubhuis een tennisveld aangelegd, ten zuiden ervan een basketbalveld en ten westen, in het zichtveld van het terras van de cafetaria, een tweede kinderspeelplaats. Op het overzichtsplan uit deze eerste fase was de sporthal met conciërgewoning nog niet voorzien.

De definitieve plannen dateren van januari 1972 en dragen de handtekening van Paul De Meyer. Het grondplan van het clubhuis werd volledig van het voorontwerp overgenomen. Een vergelijking van de gevelplannen toont dat er een aantal aanpassingen werden gedaan wat betreft de gevelindeling en de verdeling van de raampartijen. Ook werd de richting van de trap naar het dakterras, aan de noordelijke kopgevel omgedraaid.

De bouwaanvraag voor de sporthal met conciërgewoning werd pas tien jaar later, op 15 maart 1982, ingediend. Bij de aanvraag werd ook het verzoek vermeld om de sporthal in uitzonderlijke gevallen te mogen gebruiken als feestzaal.

De plannen werden opgemaakt door architect Paul De Meyer en dateren van 23 februari 1982. Na bekendmaking werd er bezwaar ingediend door verschillende omwonenden die bezorgdheden uitten in verband met de toenemende parkeerdruk en het niet passen van een sporthal in een residentiële wijk.

Naar aanleiding hiervan werden een aantal beperkingen in het gunstig advies van het college van Wilrijk opgenomen. De maximumhoogte van de zijgevel van het verbindingsvolume tussen conciërgewoning en sporthal werd teruggebracht tot 6 meter, op eigen terrein van de bouwheer moesten een tiental parkeerplaatsen voorzien worden vlakbij de sporthal en gemakkelijk bereikbaar vanuit de ingangen van het gebouw. Verder mocht het terras op de verdieping van de conciërgewoning niet verder komen dan een diepte van 13 meter, de achtergevelbouwlijn van de aanpalende woningen. Naar aanleiding hiervan werden de plannen door Paul De Meyer aangepast en op 10 mei 1982 werd de bouwvergunning verleend.

Voor het uitzonderlijke gebruik als feestzaal werden de plannen van de sporthal en het verbindingsvolume in juni 1982 opnieuw aangepast en ingediend.

Clubhuis

Exterieur

Het clubhuis bestaat op de begane grond uit drie elkaar kruisende rechthoekige modules. Twee hiervan (zuidzijde en dwarsvleugel west-oost) bevatten kleedkamers en sanitair, een kleine sauna, een lokaal voor de scheidsrechter, een bergplaats en de trapruimte naar de kelder. De derde vleugel aan de noordzijde bevat de cafetaria. De circulatie gebeurt langs orthogonale gangen, die deels tussen de verschillende volumes of, omgeven door glazen wanden, aan de buitenzijde ervan geplaatst werden waardoor de grens tussen binnen- en buitenruimte vervaagt.

De gevels zijn opgetrokken in wit geschilderde Kempische machinesteen in halfsteens verband. De gevels van de kleedkamers en functionele ruimtes worden door smalle, verticale vensterstroken doorbroken onder een even breed paneel van donkerbruin geïmpregneerd hout. De twee langgevels van de cafetaria (oost en westzijde) bestaan telkens uit één grote vierdelige raampartij met kozijnen van donkerbruin geïmpregneerd hout. Aan de westzijde kunnen twee delen openschuiven, aan de oostzijde is een smallere tweevleugelige glazen deur aanwezig. Het westelijke overdekte terras van de cafetaria werd – afwijkend van het ontwerp – bij de binnenruimte betrokken. De noordelijke kopgevel van de cafetaria bestaat enkel in de rechterhelft uit glas. De linkerhelft bestaat uit witgeschilderd baksteenmetselwerk, voor dit geveldeel staat de trap naar het dakterras, het enige diagonale gevelelement. De eenvoudige metalen trapleuning is vermoedelijk niet origineel, het initiële gevelplan voorzag een gesloten houten leuning met eenzelfde opbouw als de houten dakrand.

Over het gelijkvloers werd een structuur van smalle, op hun kant geplaatste oost-west-georiënteerde houten balken geplaatst. Deze balken steken ver over de gelijkvloerse gevels uit en rusten op donkergrijs geschilderde metalen kolommen die buiten de gevels, in één lijn met de verticale verdeling van de grote raampartijen staan. Tussen de balken werden glazen bovenlichten geplaatst, die ook de meer ingesloten zones van het interieur van daglicht voorzien.

Op de smalle balken rust het dominante en ver overkragende platte dak. De dakrand is bekleed met donker geïmpregneerd grenenhout in vijf horizontale lagen en vormt tegelijk de borstwering van het dakterras. Boven het dak steekt een smalle schoorsteen in wit baksteenmetselwerk uit. De ver overkragende delen van het dak vormen grote luifels boven de met beige klinkers verharde terrassen aan de oost- en westzijde en boven de inkompartij in de zuidoostelijke hoek.

Interieur

Het clubhuis is enkel in het centrale, oost-west-georiënteerde deel onderkelderd. Naast bergruimtes bevond zich hier oorspronkelijk ook een ruimte voor de centrale verwarming. De overige delen hebben enkel een verluchtingskelder.

Het gelijkvloers heeft een functionele indeling met een sobere interieuraankleding. De vloeren zijn bekleed met rechthoekige keramische tegels in okertinten, die op de terrasverharding met beige klinkers aansluiten. De binnenmuren bestaan, net als de buitengevels, uit witgeschilderd baksteenmetselwerk in kruisverband. De plafonds zijn afgewerkt met een bekleding in donker gebeitste houten latten, die aan de onderzijde van de dakoversteek doorloopt.

In de zuidelijke vleugel en de van west naar oost georiënteerde dwarsvleugel bevinden zich kleedkamers en sanitair, in de noordelijke vleugel de grote ruimte van de cafetaria. In het oostelijke deel van de dwarsvleugel waren volgens de oorspronkelijke plannen een bergplaats en een kleine kleedkamer voor dames voorzien. Anno 2023 bevindt zich hier een kleine keuken met een toog naar de cafetaria.

De markante en sculpturale vormgeving van dit clubhuis speelt met het contrast tussen open en gesloten vlakken en in elkaar geschoven balkvormige volumes. De witte gevelvlakken contrasteren met de donkere balken en de zware dakrand. Het gelijkvloers vormt een sokkel voor de zware dakstructuur, die door de smalle, op hun kant geplaatste balken verlicht wordt, de wetten van de zwaartekracht uitdaagt en boven het gelijkvloers lijkt te zweven.

Door het van interieur naar exterieur doorlopende materiaalgebruik en het achter elkaar plaatsen van wanden in baksteen en glas, vervaagt de grens tussen binnen en buiten.

Sporthal met conciërgewoning

Exterieur

De sporthal met conciërgewoning werd tien jaar later door Paul De Meyer in een veel soberdere modernistische stijl ontworpen maar verwijst met een aantal vormelijke elementen en een gelijkaardig materiaalgebruik naar het clubhuis. Het complex bestaat uit drie volumes met platte daken. De sporthal heeft een grondoppervlak van ruim 33 op 42 meter en is bijna tien meter hoog. Ten westen sluit hieraan het verbindingsvolume aan, dat op het gelijkvloers de inkomhal en vestiaires en op de verdieping het ruime balkon met bar en brede ramen naar de sporthal bevat. Als conciërgewoning werd hiernaast een rijhuis gebouwd, waarvan de begane grond deels ook vanuit de sporthal toegankelijk is en daar met sanitaire ruimtes werd ingericht.

De drie blokvormige volumes hebben vlak opgevatte gevels in bruin baksteenmetselwerk in halfsteens verband met als plint een laag verticale strekken. Ook voor de lateien van de rechthoekige gevelopeningen werd een rij verticale strekken toegepast.

Het ontwerp van de sporthal verwijst expliciet naar het reeds bestaande clubhuis: boven de bijna volledig blinde gevels werden over de hele gevelbreedte doorlopende bandvensters geplaatst en de brede overkragende dakrand rust op smalle, op hun kant geplaatste gelamelleerde houten balken, die uit het gevelvlak en nog verder dan de dakrand uitsteken en aan de binnenzijde van de sporthal zichtbar zijn. De dakrand werd hier afgewerkt met leien, een bekleding die qua structuur sterk op de met donker hout afgewerkte dakrand van het clubhuis lijkt. De enige andere gevelopeningen zijn als nooduitgangen voorziene poorten, twee in de oostelijke en één in de zuidelijke gevel. De poort rechts in de oostgevel werd in een latere fase vergroot.

De straatgevel van het verbindingsvolume heeft op het gelijkvloers een breed inkomportaal bestaande uit drie beglaasde houten deuren. Rechts hiervan zijn twee boven elkaar geplaatste trapvensters aanwezig. Op de verdieping wordt deze indeling herhaald, een breed centraal venster wordt geflankeerd door een smaller venster. De gevel van het verbindingsvolume wijkt 85,5 centimeter achter de lijn van de aanpalende gevels terug. Tussen gelijkvloers en verdieping is een zeer ver en buiten de gevellijn uitkragende luifel aanwezig.

De achtergevel van het verbindingsvolume heeft op de verdieping, ter hoogte van het interne balkon, een breed rechthoekig venster en rechts daarvan een deuropening met houten deur, van waaruit een metalen noodtrap naar de sportvelden leidt. De naar de conciërgewoning gerichte zijgevel heeft onder de uitkragende bakgoot een driedelig bandvenster met bakstenen tussenposten en rechts onderaan een rechthoekige deuropening. De hoek tussen deze gevels loopt boven de daklijn door in een brede schoorsteen, een verticaal element dat met de horizontale bandvensters en de dominerende dakrand van de sporthal contrasteert.

De conciërgewoning heeft een voor bel-étagewoning gebruikelijke gevelindeling: op het gelijkvloers bevindt zich links de garagepoort en rechts daarvan de inkomdeur, op de eerste en tweede verdieping zijn brede meerdelige vensters aanwezig. Bovenaan sluit de gevel af met een ver overkragende betonnen dakrand. De achtergevel heeft op de eerste en tweede verdieping rechthoekige vensters van variërende afmetingen en ter hoogte van het terras op de eerste verdieping een brede raampartij met schuifdeur.

Het schrijnwerk bestaat volgens de oorspronkelijke plannen uit donker getint hout en is in alle drie gebouwen grotendeels bewaard.

Interieur

De sporthal beslaat de volledige hoogte, breedte en diepte van het volume. De gelamelleerde houten balken zijn aan het houten plafond zichtbaar en steunen op houten kolommen in de noordelijke en zuidelijke muur. De binnenmuren bestaan uit hetzelfde zichtbare baksteenmetselwerk als de buitengevels. Dezelfde materialen, baksteenmetselwerk en hout, werden ook voor het interieur van het verbindingsvolume toegepast: de inkomhal, de sanitaire ruimtes en kleedkamers op het gelijkvloers en het balkon op de verdieping. Het gelijkvloers heeft een gelijkaardige vloerbekleding als het clubhuis met rechthoekige keramische tegels in okertinten.

De plannen voor de conciërgewoning tonen de interieurindeling van een bel-étagewoning. Op het gelijkvloers bevinden zich de garage en de inkomhal met trap en wc, de eerste verdieping bevat een grote, over de hele diepte doorlopende woonruimte die aansluit op het met silextegels beklede terras. Achteraan rechts bevindt zich een kleine keuken. Het slaapgedeelte op de verdieping bestaat uit drie slaapkamers en een badkamer.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 222#3079, 222#13565 en 222#5915.

Auteurs: Fexer, Charlotte
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Stad Antwerpen


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2026: Sportcomplex Atlas Copco [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/308835 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Stad Antwerpen

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.