is deel van de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Zoniënwoud en Kapucijnenbos
Deze bescherming is geldig sinds
Het sterrebos en de vijver zijn de restanten van het voormalige kapucijnenklooster in het Zoniënwoud. Van bij zijn stichting in 1626 legde de kleine gemeenschap van maximaal 16 paters-augustijnen een bescheiden kloostertje aan met een kerk, kloostercellen, een ommuurd voorplein, een vijver en een boomgaard met moestuin omgeven door een iepenhaag. Een gracht markeerde de grens tussen de kloostergronden (27 ha) en het omringende Zoniënwoud. In 1796 werd het klooster opgeheven.
De Essendellevijver (1,25 ha) diende om de kloostergemeenschap van vis te voorzien, op dagen en tijdens periodes dat de kloosterlingen volgens de religieuze voedingsvoorschriften geen vlees mochten eten. Hij ontstond door afdamming van twee bovenloopjes van de Voer, die op die plek samenvloeiden. Ook al staat er nu geen water meer in, toch is de vijver nog goed zichtbaar in het terrein en op het digitale hoogtemodel. Een smalle gracht en kleine zijgrachtjes voeren het water nu af. Na het verlaten van de vijver -wellicht eind van de 18de eeuw toen ook de kloostergemeenschap gedwongen vertrok- verboste de site opnieuw. Rabatten op de vroegere vijverbodem zorgden ervoor dat het terrein weer voor de bosbouw kon worden ingezet.
Het sterrebos ontstond pas in de 18de eeuw. Van de acht dreven die de ruggengraat van het bos vormen, is een ontwerp uit 1753 gekend. Mogelijk werd het ontworpen door François-Nicolas de Sparr in opdracht van Karel van Lotharingen die in diezelfde periode ook het warandepark een grondige facelift gaf, met inbegrip van de aanleg van een sterrebos met dreven. De gelijkenissen zijn in elk geval groot. Dit ontwerp verving een oudere structuur bestaande uit een rondgang in het bos met kapelletjes gewijd aan heiligen. Deze oudere structuur verdween volledig, maar het sterrebos is nog heel herkenbaar. Centraal in de ster staat een imposante beuk.
Voor de aanleg van het Sterrebos organiseerde Karel Van Lotharingen een kap van de 200 jaar oude beuken, die toen nog op het terrein stonden.
Met 1626 als stichtingsdatum is het kapucijnenklooster het laatste klooster dat in de rand van het Zoniënwoud een vestigingsplaats vond. Andere religieuze gemeenschappen waren de kapucijnen al voorgegaan: de augustijnen met de priorij van Groenendaal in Hoeilaart (1343), het Rood klooster in Oudergem (1368), de priorij van Zevenborren in Sint-Genesius-Rode (1389), de priorij ter Kluizen in Eigenbrakel (1399), de cisterciënzerinnen met de abdij van Ter Kameren in Brussel (1201), de dominicanessen met Hertoginnedal in Oudergem (Woluwe) (1262), de franciscanen met het klooster van Boetendaal in Ukkel (1467).
Een teruggetrokken leven in de luwte van het Zoniënwoud trok kluizenaars en contemplatieve ordes aan, in het bijzonder diegene die in de 14de-15de eeuw terugkeerden naar het ideaal van spiritualiteit, gebed en soberheid. Toen landvoogdes Isabella begin 17de eeuw het jachtkasteel en warandepark van Tervuren nieuw leven inblies, vond ze het noodzakelijk om dichtbij ook een klooster te stichten. Een bescheiden stukje grond (ongeveer 3 ha) in het Zoniënwoud stond ze af voor de bouw van het klooster. Dat legde de basis voor de oprichting van het kapucijnenklooster in het Zoniënwoud. Daarmee was het grondbezit van het kapucijnenklooster uiterst beperkt en eigenlijk economisch niet levensvatbaar. Maar enkele jaren later stond landvoogdes Isabella toe dat de kloosterlingen het vruchtgebruik kregen van een lap grond van ongeveer 27 ha dat de kloosterlingen prompt op de contouren van een gracht afbakenden.
Het klooster zou maar 170 jaar bestaan. In 1796 werd het onder Frans bewind opgeheven en de goederen genationaliseerd. Drie particulieren kochten de gebouwen en lieten ze -overeenkomstig de verkoopsvoorwaarden- in 1798 afbreken. Enkel de keldergewelven bleven bewaard. Ook die zijn op het terrein nog goed te zien.
Dit deel van het Zoniënwoud, dat ook Kapucijnenbos wordt genoemd, kwam samen met het warandepark van Tervuren na 1815 in handen van prins Willem-Frederik van Oranje, de zoon van de koning van de Verenigde Nederlanden, die het verwierf in ruil voor zijn bijdrage aan de slag bij Waterloo. Vijftien jaar later ging het over naar de Belgische staat en vanaf 1853 mocht Leopold II -toen nog prins en troonopvolger- over het Kapucijnenbos en warandepark van Tervuren beschikken. In 1870 liet hij de ‘koninklijke wandeling’ aanleggen, een pad dat rond het voormalige kapucijnenklooster kronkelt en naar het geografische arboretum leidt. In 1908 droeg Leopold II zijn goederen omwille van erfenisrechten over aan de Koninklijke Schenking die het sindsdien beheert.
Auteurs: Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)