Het betreft het enige overblijvende gebouw van de voormalige Usines de Stordeur, fabriek voor de verwerking van mais, gevestigd langs de oostoever van Leuvense Vaart. Dit gebouw in industriële baksteenarchitectuur uit 1921 vormt een getuige van de haast volledig verdwenen 19de- en 20ste-eeuwse industriële ontwikkelingen die meer dan een eeuw lang beeldbepalend waren voor deze oever van de Leuvense Vaart.
De industrieterreinen aan de Leuvense Vaart werden ten volle benut vanaf de tweede helft van de 19de eeuw. Er vestigden zich allerlei soorten fabrieken en nijverheidsondernemingen: metaalindustrie, scheikunde, kunstmeststoffen, opslagplaatsen voor bouwmaterialen, voor gas, petroleum,... Deze bedrijvigheid stond steeds in connectie met de in 1752 aangelegde Vaart tussen Leuven en Mechelen en de later aangelegde spoorlijnen.
In 1902 was Leopold Vander Kelen-Mertens (burgemeester van Leuven tussen 1872 en 1895) eigenaar van onder meer een lusthof met een lustvijver (een restant van een meanderende Dijlearm) op de locatie van de latere Usines de Stordeur. Deze lusttuin op de oostelijke oever van de Vaart wordt reeds weergegeven op de historische kaarten vanaf 1850. In het kadaster wordt weergegeven hoe vanaf 1864 de spoorlijn naar Brussel deze gronden doorsneed en de meanderende Dijlearm drooglegde. In 1903 verkoopt Vander Kelen een deel van zijn moerasgronden aan n.v. L’Union die er in 1904 een stoomcementfabriek bouwt. De cementfabriek van n.v. L’Union wordt in 1912 gesloopt en ook de overblijfsels van de lusttuin van Vander Kelen verdwijnen. De gronden worden vanaf 1913 en in de daaropvolgende jaren bestemming voor de Usines de Stordeur (UDS), eigendom van nijveraar Albert de Stordeur uit Brussel, maar later woonachtig in een burgerhuis op de Tiensevest 132, Leuven.
Usines de Stordeur werd opgericht in 1907. De Stordeur bouwde in 1913 de monumentale ‘stoomfabriek van turksch graan’ op de voormalige gronden van n.v. L’Union, met uitbreidingen in 1917. De bouw van de fabriek gebeurde door de firma Léon Monnoyer uit Brussel. Aan de bouw van de fabriek werd in de vakpers veel aandacht besteed: het zou de grootste fabriek worden in Europa voor de verwerking van mais (veevoeder, olie, zeep,...).
De Stordeur verwerfde van de stad Leuven bijkomende gronden, ten oosten van de fabriek en langsheen de Dijle. Hij bouwde er volgens André Cresens, auteur van De Leuvense Vaart van de Vaartkom tot Wijgmaal, in 1921 een raffinerij. Het is in deze periode dat het gebouw dat zich vandaag nog tussen de oude en de nieuwe spoorlijn naar Brussel bevindt en dat de laatste getuige vormt van deze imposante fabriek van UDS langsheen de Vaart, werd gebouwd. Het volume wordt voor het eerst weergegeven door het kadaster in 1928.
In 1944 werd de fabriek van UDS zwaar beschadigd, maar de fabriek kende een wederopbouw en bedrijvigheid tot aan het einde van de 20ste eeuw.
Na de sluiting in 1993 geraakte de fabriek snel in verval. De reeds lang voorziene bouw van de hoge snelheidstrein Brussel-Luik (de site van UDS was reeds sinds de bouw doorsneden door een reservatiestrook) resulteerde tussen 2003-2005 in de afbraak van de fabrieksgebouwen langs de Vaart. Tussen de twee spoorwegbermen (de oude en de nieuwe) vestigde het bedrijf Varia-pack zich in de jaren 90 van de vorige eeuw. Het gebouw uit 1921 dat de laatste fysieke getuigenis van de fabriek van UDS vormt werd in deze nieuwe bedrijvensite voor verpakkingsmateriaal zonder erfgoedwaarde geïncorporeerd.
De architectuur van het gebouw uit de jaren 1920 gaat terug op de eerste bouwfasen van de fabriek van Usines de Stordeur en wordt gekenmerkt door een verfijnd vormgegeven, maar als industriële architectuur herkenbare esthetiek die kenmerkend was voor de gehele fabriekssite.
Het volume is vandaag halfvrijstaand op een rechthoekige footprint van drie bij zeven traveeën. Bronnen geven het gebouw aanvankelijk vrijstaand weer, maar vanaf 1950 wordt het gebouw op het niveau van de plint langs verschillende zijden ingebreid, wat zijn bouwsporen heeft nagelaten. Het gebouw van drie bouwlagen was steeds voorzien van platte bedaking, op historische foto’s en prenten voorzien van een teruggetrokken en laag dakvolume onder zadeldak (zie nog aanwezige afdruk op het dak).
De gevels zijn opgetrokken in baksteenmetselwerk met gebruik van (zicht)beton voor sierelementen als de sluitstenen voor de rondboogvensters, lekdrempels, cordonlijsten en de sterk geprononceerde kroonlijst. Waar de gelijkvloerse verdieping is uitgewerkt als een plint, eerder laag is en voorzien van segmentboogvormige gevelopeningen (vandaag deels dichtgemetst en gewijzigd) zijn de twee bovenste bouwlagen rijkelijk vormgegeven. Dit onder meer door de per travee en over beide bouwlagen doorlopende, rondboogvormige spaarvelden met hierin (deels dichtgemetste) vensteropeningen. De vensteropeningen per bouwlaag worden verbonden door een gevelvlak in baksteenmetselwerk waarbij door middel van witgekleurde baksteen een sierlijk motief werd uitgewerkt. Boven de geprofileerde kroonlijst in beton werd een hoofding met kanteelachtige topstukken voorzien, eveneens baksteenmetselwerk en zichtbeton.
De sterk geritmeerde travee-indeling met de verdiepte en over verschillende bouwlagen doorlopende, rondboogvormige spaarvelden met vensteropeningen, het sierlijk aangewende baksteenmetselwerk en (zicht)beton en de prominente kroonlijst met hoofding zijn architecturale kenmerken die typerend en herkenbaar waren voor de vooroorlogse gebouwen van UDS langs de Vaart.
Uit historische foto’s valt af te leiden dat de vensteropeningen aanvankelijk voorzien waren van schrijnwerk met een vermoedelijk ijzeren, rastervormige roedeverdeling, zoals dit ook kenmerkend was voor de andere fabrieksgebouwen van UDS.
In het interieur bleven buiten de dragende structuur met stalen kolommen, geen zichtbare interieurelementen bewaard. Het is daardoor niet duidelijk welke functies de verschillende ruimtes hadden. Vandaag zijn alle verdiepingen ingedeeld door middel van recente scheidingswanden, behalve de bovenverdieping, waar de rondboogvensters met snelbouwsteen gedicht zijn maar het industriële karakter van het gebouw nog goed voelbaar is door het open plan en het rasterpatroon van stalen kolommen met gestileerd kapiteel.
Bijzonder is de bewaarde stookinstallatie die zich nog in de kelder bevindt, ondergebracht in een ruimte die geritmeerd is door art deco-getinte, octogonale betonnen pijlers met dobbelsteenkapiteel en vierkant uitlopende basis. Een gelijkaardige constructiewijze is te zien in de kelder die intact bewaard bleef na volledige sloop van het grootste volume van de Raffinerie, waarop vandaag de witte loods staat. De met baksteen/klinkers gevloerde ruimte toont nog diverse sporen van de voormalige industriële activiteit, waaronder afgeschermde binnenruimtes, waterafvoergootjes en een doorgang naar de kelder van het bovengronds bewaarde gebouw van de Raffinerie.
Auteurs: Elsen, Liedewij
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Stad Leuven