is deel van de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Zoniënwoud en Kapucijnenbos
Deze bescherming is geldig sinds
is deel van de aanduiding als unesco werelderfgoed bufferzone Zoniënwoud: strikte buffer
Deze aanduiding is geldig sinds
is deel van de aanduiding als unesco werelderfgoed bufferzone Zoniënwoud: verbindende buffer
Deze aanduiding is geldig sinds
is deel van de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Domein Marnix en Dronkemansweg
Deze bescherming was geldig van tot
Het Zoniënwoud is doorsneden met paden en wegen, waarvan de meeste van recente datum zijn. Een deel ervan gaat terug op het netwerk van dreven die Karel van Lotharingen tussen 1759 en 1768 in het Zoniënwoud liet aanleggen.
Karel van Lotharingen was landvoogd van de Oostenrijkse Nederlanden en vertegenwoordigde in onze regio de vorst die in Wenen verbleef. In de hoedanigheid van landvoogd vertegenwoordigde van Lotharingen dus het vorstelijke gezag. De man was gesteld op status, machtsvertoon, prestige en luxe. In het park van Tervuren had hij al een schitterend landgoed laten aanleggen. Vanuit zijn jachtverblijf aldaar bereikte hij in een mum van tijd het Zoniënwoud, een gigantische speeltuin voor een groot liefhebber van de jacht, het adellijke tijdverdrijf bij uitstek. De dreven dienden om een groot jachtgezelschap gemakkelijk het bos te laten doorkruisen. Daarnaast zal de betere toegankelijkheid ook wel de afvoer van het gekapte hout in het bos hebben vergemakkelijkt en dus hebben bijgedragen tot de rationalisatie van het bosbeheer.
Voor 1759 telde het Zoniënwoud weinig wegen, op enkele grote doorgaande wegen na, die voor een verbinding vanuit de omliggende dorpen naar Brussel zorgden. De belangrijkste tracés evolueerden in de 17de en begin 18de eeuw tot rechtgetrokken en gekasseide steenwegen, die we nu nog kennen als de Waversesteenweg, de Terhulpensesteenweg , de Waterloosesteenweg en de Tervuursesteenweg. De timmermannen en houtverwerkers die in het Zoniënwoud de bomen op stam kochten, kapten en met paard en kar afvoerden, behielpen zich met zogenaamde houtwegen, de kleinste vertakkingen van het wegennet in het Zoniënwoud die nodig waren het hout van de kappercelen naar de omliggende dorpen te transporteren. Houtblokken op het tracé verhinderden dat geladen karren omkieperden of kwamen vast te zitten. Van deze oude onverharde wegen is eigenlijk niets overgebleven, op enkele sporen in het microreliëf na.
In 1759 liet Karel van Lotharingen de werken aan de dreven van start gaan. Aan landmeter Hellemans gaf hij de opdracht om het tracé voor een nieuw drevenstel in het Zoniënwoud uit te tekenen. Sommige bestaande wegen werden wat aangepast en vooral rechtgetrokken, maar de meeste waren volledig nieuw. In tegenstelling tot andere drevenstelsels zoals dat van Heverleebos nam het netwerk in het Zoniënwoud een onregelmatige vorm aan. Wat dan precies bepaalde welke dreef waar kwam, is onduidelijk. Wel valt op dat de grootste concentratie zich in het bos tussen Bosvoorde en Tervuren bevond, niet toevallig het deel waar de landvoogd zijn jachtverblijf hield (Tervuren) en zijn jagerij met de hondenkennels (Bosvoorde). De enkele dreven die al eerder in de 17de eeuw waren aangelegd, zoals de Isabelladreef bij Tervuren integreerde Hellemans in het nieuwe plan.
Voor de aanleg van de nieuwe wegen werden heel wat bomen gekapt. Voor elk dreef moest een brede strook worden vrijgemaakt, niet alleen voor de aanleg van het pad, maar ook voor de aanplant van de dreefbomen aan weerszijden van het wegtracé. De jonge bomen hadden immers voldoende licht en een brede wortelzone nodig. Anders zouden ze de concurrentie met de bomen van de aanpalende bospercelen niet doorstaan. Er werd dus duchtig gekapt in de periode 1759-1768. Met de opbrengst financierde de rentmeester wellicht een deel van de werken. Dat het om echt grote werken ging, bewijzen de domeinrekeningen.
Er moest dan ook heel wat werk verzet worden. Hoeveel ton grond werd aangevoerd, is niet geweten, maar in een reliëfrijk bos waren de nivelleringswerken aanzienlijk. Op sommige plaatsen werkten de aannemers de grootste niveauverschillen zoveel mogelijk weg door het tracé op een talud te leggen (in een vallei) of elders een hoogte af te graven. Het reliëf helemaal overstijgen, lukte niet. Ook al werden de routes uitgevlakt, ze volgen toch min of meer de hoogteverschillen of hoogtelijnen.
Over de boomsoorten waarmee de nieuwe dreven werden beplant, is weinig geweten. Het eigentijdse bronnenmateriaal laat ons daarover in de steek. Wel zijn er enkele latere getuigen (Huberty 1897, Houba 1897) die in het geval van de Lorreinendreef bruine beuken herkenden en in andere gemengde dreven van iepen en beuken of van witte esdoorns en moeraseiken. In deze gevallen ging het om nieuwe jonge aanplantingen, die de eerste generatie dreefbomen vervingen. Deze soorten komen dus niet noodzakelijk overeen met degene die in 1759-1768 werden aangeplant.
Karel van Lotharingen was gek op jagen, het hele jaar door, ook al trok hij er in de zomer het vaakst op uit, soms zelfs dagelijks. Allerlei vormen van jacht bedreef hij met het grootste genoegen. Hij was rijk genoeg om zich aan de duurste jachten voor de hoge adel over te geven: de parforcejacht en de lakenjacht. In het geval van de lakenjacht draaide alles rond de opstelling van een enorme fuik met grote wollen doeken (lakens) die aan staken werden opgehangen. Aan de uiteinden van de fuik rukten de drijvers op, dreven het wild bijeen dat in de fuik gevangen kwam te zitten tot het in het blikveld van de jagers kwam. Op een kleine open plek stond het jachtgezelschap opgesteld. Van daaruit doodde het de bijeengedreven dieren. Voor de jagers was deze vorm van jagen vrij statisch, omdat ze zich amper verplaatsten. Het wild werd naar hen toegedreven.
In het geval van de parforcejacht kwam het tot een spannende achtervolging. Jachthonden en hun begeleiders speurden eerst naar het wild, meestal een hert, achtervolgden het dan tot het jachtgezelschap te paard arriveerde en de prooi doodde. Op sommige knooppunten van dreven verspreid in het Zoniënwoud verschenen zogenaamde ‘relais’, waar de drijvers met hun jachthonden voor de parforcejacht op herten en everzwijnen stonden opgesteld om de vermoeiende achtervolging van het wild verder te zetten. Meutes en begeleiders wisselden als in een estafette elkaar dus af zolang de achtervolging duurde.Voor de parforcejacht had je een groot domein nodig en een beweeglijk jachtgezelschap. In dit plaatje paste het drevenstelsel het best. Niet verwonderlijk dus dat de jachtmeester van het Zoniënwoud toezicht op de aanleg hield en er rechtstreeks over rapporteerde aan zijn opdrachtgever en landvoogd Karel van Lotharingen.
Over het hele Zoniënwoud liet Karel van Lotharingen meer dan 60 dreven aanleggen, met de Lorreinendreef (13,5 km) en de Groenendaaldreef (7 km) als langste doorlopende tracés. In 1768 lag er ruim 220 km aan dreven in het toenmalige Zoniënwoud (10.000 ha). In het huidige Zoniënwoud gaat 80 km aan wegen terug op het 18de-eeuwse netwerk van dreven dat Karel van Lotharingen tussen 1759-1768 liet aanleggen. Lang niet alle hebben hun oorspronkelijke karakter als dreef behouden, omdat vele bomenrijen in de opeenvolgende kapcycli verloren gingen. Enkele statige, nog bestaande dreven zijn onder andere de Kapucijnendreef en de Lorreinendreef (gedeeltelijk).
Auteurs: Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)